HOOFDSTUK 11
Toen Thomasina de volgende ochtend ontwaakte, kon ze zich nauwelijks meer voorstellen dat het werkelijk gebeurd was, behalve dan dat ze een paar blauwe plekken had en wat stijf was.
‘Vanmiddag mag je naar huis,’ zei Andrew Carmichael overmoedig. ‘Ik heb Elizabeth opgebeld en gezegd dat ze naar de Corrieside moest gaan en je mooiste jurk mee moest brengen. Ebenezer moet zorgen dat er niemand in de buurt is, ook hij zelf niet. Hij blijft wel in zijn kantoor. Elizabeth komt je spullen brengen en rijdt je naar huis.’
‘Kan ik niet te voet gaan?’ vroeg Thomasina blozend.
‘Liever niet. Waarom eigenlijk?’
‘Och, het doet er ook niet toe. Ik was van plan achterom te gaan, langs de stallen, precies zoals de eerste keer.’
‘Dan kan Elizabeth je wel aan die kant afzetten. Dat regel ik wel.’ ‘Doe dat maar niet, dokter.’
‘Jawel. Ik heb die arme jongen gisteren zijn aanzoek bedorven door je een slaapmiddel toe te dienen. Daar moet ik toch iets tegenover stellen?’
Het was een stralende dag in november. De eerste rozen waren al uitgekomen. Elizabeth zette haar af. ‘Nu ga je via de vroegere zitkamer naar de veranda. Ebenezer houdt iedereen op een afstand. Hij zit in zijn kantoor. Jullie krijgen een uur de tijd.’
In het struikgewas zongen de vogels. Thomasina droeg een blauwgroene jurk, waarvan de mouwen de pleisters op haar armen aan het gezicht onttrokken. Het was heerlijk om te leven!
Ze kwam voorbij de stallen en begon de treden te beklimmen.
De tuin was één bloemenzee. Thomasina liep de gang door, de zitkamer binnen waar de portretten van Thomas en Anna, van Edwin en Bessie en hun kinderen de wanden tooiden. De tuindeuren waren open. Paul stond op de veranda op haar te wachten.
Glimlachend bleef ze in de deuropening staan. Hij keek zijn ogen uit. ‘Niet te geloven .. . daar ben je dus. Ik heb het niet verdiend, ik heb je onbehoorlijk behandeld. Gisteravond dacht ik, had ik haar maar niet laten gaan met die Derry. Had ik maar...’
Ze stak haar hand uit. ‘Het was jouw schuld niet. Ilena en Derry hadden afgesproken mij in een kwaad daglicht te stellen, zodat je wel aan mij moest twijfelen. Ik wil het je graag uitleggen voor. ..’
Hij schudde het hoofd. ‘O nee, daar is geen baast mee. Ik kan het wel raden. Luister eens, schat, die hele zaak begon al toen jij getuige was van die ruzie tussen Ilena en mij. Toen ik gisteren hoorde hoe jij Derry op zijn nummer zette, toen hij Ebenezer een sentimentele oude dwaas noemde, wist ik genoeg. Had ik je toen maar meteen weggesleurd en je in het kantoor opgesloten of zo. Maar ja, ik ben ook sentimenteel. Ik wilde dat hij weg was en dat alles hier op Corrieside weer normaal zou zijn voor ik je vroeg of je mijn vrouw wilde worden. Dat uitstel had jou bijna het leven gekost! ’ Hij streek met zijn hand over zijn gezicht, alsof hij iets van zich af moest zetten.
Maar zijn blik maakte Thomasina niet alleen duidelijk dat hij van haar hield, maar ook hoeveel hij van haar hield.
‘Je wilde niet dat hij je Tom noemde,’ zei hij. ‘Toen wist ik dat je nooit van hem had gehouden, dat je helemaal niet had gewild dat hij naar Nieuw-Zeeland kwam en dat je ook niet van tevoren van zijn komst had geweten.’
Glimlachend stak hij zijn handen naar haar uit. ‘Ik zei dat er geen haast was bij die andere dingen. Kom je niet bij me, Tom?’
Zijn gestalte tekende zich af tegen de achtergrond van de haven, waar ruim honderdtwintig jaar tevoren vier zeilscheepjes veilig voor anker waren gegaan. Een haven, waar Thomas Swainson aan land was gegaan om de vrouw van zijn broer te vergeten. Geen cent had hij op zak gehad, maar hij had er de ware liefde gevonden en een gezin gesticht. Daardoor had hij, zonder het te weten, voor de achterkleindochter van Edwin en Bessie een veilige haven gekreëerd na de storm.
Paul sloeg zijn armen om haar heen...
Het duurde meer dan drie kwartier voor ze weer erg begonnen te krijgen in hun omgeving en dan nog alleen doordat ze stemmen hoorden naderen. Ze liepen naar het uiteinde van de lange veranda en keken over het grasveld in de richting van het dorp. Daar kwamen ze aan. Ebenezer moest ze tegemoet zijn gegaan. Wie had er ooit zo’n knappe oude man gezien, kaarsrecht, zijn zilverwitte haar glanzend in de zon, zijn gezicht stralend van blijdschap? Elizabeth hield zijn hand vast. Andrew had Innis meegebracht, Drusilla had een schaapachtig kijkende Jake op sleeptouw, Aaron en zijn vrouw waren erbij, Peggy en Josh en natuurlijk Edwina en Matthew, zwaaiend met hun schooltas.
‘Kijk es aan,’ zei Paul, ‘nu kunnen we meteen onze verloving vieren.’