14

De volgende ochtend zaten ze al vroeg aan het ontbijt.

“Ik snak naar een stuk oerbrood met pindakaas,” zei Miel.

“Dat eet je toch nooit?”

“Nee, maar gewoon het idee dat je nu toch in je keuzes beperkt bent doet me er naar verlangen. De thee is wel lekker trouwens.”

Miels telefoon trilde. Hij haalde hem uit zijn broekzak en keer ernaar.

Anoniem nummer. Hij twijfelde even maar nam uiteindelijk op.

“Hiephoi, met Miel,” zei hij.

“Hallo, met Claire!” hoorde hij.

“Oh hai. Welke Claire?”

“Claire de Hooche.”

“Wie?” vroeg Miel.

“De stewardess van het vliegtuig?”

“Oh. Ja. Helemaal vergeten, ik heb een beetje veel aan m’n hoofd.”

“Dat zal best. Uw telefoonnummer stond bij de boeking geregistreerd en omdat uw gezelschap een tas was vergeten bel ik u even om u te informeren over de huidige status.”

“Zijn daar dan geen andere medewerkers voor?” vroeg Miel, die het vreemd vond dat een stewardess hem hiervoor ging bellen.

“Jawel, maar ik vond u zo verward dat ik ook meteen even wil checken of u zich weer goed voelt.”

“Eh, ja hoor. Het gaat steeds beter.”

Dymphy keek hem vragend aan en Miel tekende een tas op een kladblaadje.

“Mooi zo!” zei Claire. “Ik mag opperblij verkondigen dat de tas van uw reisgenoot over een uur op Wellington Airport arriveert.”

“Wat?” vroeg Miel. “Wellington? Dat is toch in Nieuw-Zeeland?”

“Ja, daar bent u enkele dagen geleden gearriveerd!” zei Claire opgewekt.

“Nou,” begon Miel. “Dan hebben we misschien een klein probleem.”

“En dat is?” vroeg Claire.

“We zijn gestrand in Hong Kong.”

Het bleef stil.

“Wat zegt u?” vroeg Claire uiteindelijk.

“In Hong Kong,” herhaalde Miel.

“Dat is niet handig. Waarom bent u niet in Nieuw-Zeeland?” vroeg Claire pinnig.

“Die vlucht was gecancelled.”

“Oh, dit is niet goed, helemaal niet goed! Laat me even denken,” zei Claire. “Wanneer gaat u nu door naar Nieuw-Zeeland?”

“Als het goed is vertrekken we over een paar dagen. We moeten en zullen daar het een en ander oplossen.”

“Wat moet er opgelost worden?” vroeg Claire.

“Privézaken,” zei Miel resoluut.

“Wat ik nog voor u kan doen, en alleen omdat u het bent, is zorgen dat die tas daar een paar dagen blijft liggen.”

“Dat lijkt me een prima oplossing,” zei Miel. Hij bedacht zich: “Zeg Claire, zou je de tas anders weer naar Nederland kunnen sturen? Dymphy heeft nu zoveel spullen bij elkaar gekocht, dat het me ergens best overbodig lijkt om die tas straks ook nog eens mee naar huis te zeulen.”

“Dan doen we dat,” zei Claire.

“Kost het nog iets?” vroeg Miel.

“Niets, maar als u er op staat wil ik wel eens met u afspreken?” vroeg Claire suggestief.

“Nou, nee, dat hoeft niet zo hoor, maar bedankt voor het aanbod,” zei Miel snel. “Bedankt in ieder geval!”

Claire klonk teleurgesteld. “Graag gedaan. Een prettige dag nog.”

Miel verbrak de verbinding. “Je tas wordt teruggestuurd naar Nederland want die was al aangekomen bij Nieuw-Zeeland,” zei hij.

“Oké,” zei Dymphy. Er kwam geen verdere reactie. Miel zag dat ze druk in een kladblok aan het krabbelen was met de krant naast zich.

“Wat doe je?” vroeg Miel.

“Ik probeer de taal meester te worden. Volgens mij betekent dit tekentje ‘Hallo’,” zei ze. Ze had haar pyjama nog aan en keek met haar grote ogen naar Miel.

“Waarom zou men zo vaak ‘Hallo’ in een krant zetten? Hebben ze zoveel interviews?”

“Weet ik niet, zover ben ik nog niet. Ik ga gewoon zelf wel onderschriften bedenken,” zei ze zuchtend. “Dat is makkelijker. Eens kijken, deze mensen huilen natuurlijk omdat ze allemaal paranormaal zijn en meeleven met mij omdat Danny gisteren weg is gegaan. En deze jongen zegt dat hij wel eens een date met jou wilt hebben.”

“Wil,” verbeterde Miel haar weer eens.

“Hè?”

“Ja, ik leg het niet weer uit hoor. Ga maar verder.”

“En eh, hier is een rel geweest na het voetballen en daarom is deze straat helemaal aan gort. Het is net Nederland, soms.”

“Ik denk dat daar een bom is ontploft, Dymphy.”

“Dat zou ook kunnen. Het komt in feite op hetzelfde neer, toch?”

“Ja, dat is zo. Hooligans of een bom…Een pot nat,” zei Miel, voordat hij zijn laatste slokje thee naar binnen werkte en opstond. “Zullen we naar het politiebureau?”

“In m’n pyjama?”

“Nee, die mag je eerst omwisselen voor wat andere kledingstukken,” zei Miel.

“Goed. Tot zo.”

Binnen vijf minuten stond ze weer naast hem, kleding omgewisseld voor een wat fatsoenlijkere outfit om mee naar buiten te gaan, met een petje op en haar haar eronder in een staart. “Nog even m’n tanden poetsen hoor!”

Miel hoorde het schrobben van de borstel even aan, zag haar het schuim uitspuwen in de gootsteen en toen was ze er klaar voor.

“Klaar!” zei ze.

“Fijn!” zei Miel. “Laten we gaan.”

“Hello,” zei Miel tegen een Chinees uitziend mevrouwtje en begon langzaam te vertellen waar ze voor waren gekomen…“I-h-a-v-e c-o-m-e h-e-re…”

“What can I do for you, sir?” onderbrak ze hem in perfect Engels, zonder de R met de L te verwisselen.

“Eh,” stamelde Miel.

“Miel, zeg wat er is!” zei Dymphy terwijl ze hem een por in z’n zij gaf.

“We have come here to report a crime,” zei Miel, die maar meeging in het vloeiende Engels.

“Fill in these forms, please,” zei ze.

“But…”

“No, fill in the forms first. After that we’ll talk,” zei ze en ze overhandigde hem een stapel papier.

“But, half of it is in Chinese, which I can’t read!” zei Miel verbouwereerd.

“Get someone to translate it for you,” zei ze pinnig. “There are millions of people outside this door.”

Twee tellen later zaten Dymphy en Miel buiten op een stoepje met een stapel papier.

“Ik snap er werkelijk niks van,” zei Miel.

“Geef maar hier.” Zonder te wachten rukte Dymphy de papieren uit zijn handen.

“Dymph, doe niet zo moeilijk, je weet zelf toch ook wel dat dit geen nut heeft,” reageerde Miel klagend.

“Ik ben zelf van mening dat ik de taal volledig beheers. Ik heb vanochtend toch de krant gelezen? Alles beter dan Engels,” zei Dymphy.

Zuchtend liet Miel Dymphy even haar gang gaan.

“Ik snap het ook niet,” gaf Dymphy binnen twee minuten toe.

“Balen, zeg,” zei Miel.

“Miel,” zei Dymphy resoluut. “We gaan. Gooi die stomme papieren maar weg. Als zij ons niet willen helpen dan doen we het zelf wel. We gaan gewoon door naar Nieuw-Zeeland! En als ze daar niets weten van dat idiote vliegtuig en ons niet willen helpen dan gaan we gewoon weer naar huis. We maken er het beste van, en zodra we thuis zijn wil ik een echo laten maken.”

“Ja? Gaan we deze toch al impulsieve actie nog gestoorder maken? Gewoon die kant op gaan?” vroeg Miel, die dit wel aansprak.

“Ja. We gaan zo snel mogelijk. Bel jij eens even met de vliegmaatschappij om te vragen wanneer het vliegtuig gaat?” vroeg Dymphy.

“Dat hebben ze toch wel verteld. Staat in m’n agenda, maar die ligt in het hotel. Laten we daar eerst maar even naartoe gaan. Dymph, dit is echt een goed idee van je! Als ze daar ook niet mee willen werken zoeken ze het inderdaad maar uit,” zei Miel terwijl ze opstonden.

“Dan gaan we je agenda nu halen.”

“Ik heb geen idee waar we nu zijn,” zei Miel even later. “Maar het was volgens mij niet de meest korte route. Volgens mij hadden we toch bij die ene rotonde rechtsaf moeten gaan in plaats van rechtdoor!”

“Waarom zijn we dan niet rechtsaf gegaan?” vroeg Dymphy.

“Hm, eens kijken. Ik sloeg al rechtsaf en plotseling was er een meisje dat per se rechtdoor wilde omdat daar de lucht mooier was! En de lucht is nu helemaal niet meer mooi!”

“Doe nou niet zo stom! Jij hebt geen richtingsgevoel en overigens ben je een homo en in dit geval hebben homo’s dus geen richtingsgevoel!”

“Dymphy! Je scheert alle homo’s over één kam! Trouwens, jij bent de vrouw, ik ken geen één vrouw met richtingsgevoel. Overigens ben ik nog altijd maar 36% homo, volgens een quiz die ik recentelijk maakte. We moeten geen ruziemaken. We zijn hier nu met z’n tweeën, ik zou op je passen en we vinden het hotel heus wel weer!”

“Je hebt vooroordelen over vrouwen, gemenerd! Het is allemaal jouw schuld dat we hier zitten en verdwaald zijn. Ik ga weg,” zei Dymphy en voegde de daad bij het woord.

Miel keek haar even na, en ging er vanuit dat ze snel terug zou komen.

Ze deed dit soort dingen tenslotte vaker. Hij keek om zich heen. Hij was in een uitgestorven straat terecht gekomen, aan de overkant van de straat zag hij een vervallen fabriek die bijna in elkaar donderde van ellende.

Hij liet zich zakken op de grond en ging zitten met z’n rug tegen een hekwerk aan. “Dymphy?” vroeg hij aan niemand in het bijzonder.

Er reageerde dan ook niemand in het bijzonder. Een aantal blaadjes dwarrelden voorbij en sprongen een paar keer enthousiast voor zijn neus op en neer voordat ze weg werden geblazen door de wind. “Dag blaadjes,” zei hij.

Het begon harder te waaien, er vielen een aantal druppels regen in zijn gezicht. Hij stond op en ging op zoek naar wat beschutting.

Een rukwind blies Miel in het gezicht en hij werd ietwat angstig bij het aanzien van de lucht die nu dreigend donkergrijs was. “Dymphy? Kom terug!” Hij holde zo snel mogelijk achter haar aan.

Dymphy baalde. Het was niet bepaald haar dag vandaag. Eerst ging haar vriendje weg, vervolgens zat ze opgescheept met een homo, die slechts 36% homo was en ook nog eens een heel slecht richtingsgevoel had. Goed, goed…Ze had wel gezegd dat er rechtdoor een mooiere lucht was, maar hij, als jongen zijnde, moest haar daar toch in corrigeren. Daarnaast zat ze nu in een gare fabriekshal die eruit zag alsof ie elk moment in elkaar kon donderen en dat was toch ook niet zo’n geruststellende gedachte. Dat allemaal en het feit dat ze in een wildvreemde stad was, met een taal die ze nog niet eerder in zo’n grote mate had gehoord of gezien, maakte het niet tot de dag van haar leven. Ze keek om zich heen. Het was donker, maar omdat een gedeelte van een raam niet helemaal was afgeplakt viel er toch een lichtstraal naar binnen. Ze zag naast een grote hoeveelheid spinnenwebben ook een plank vol lege verfblikken en lege flessen. Nieuwsgierig pakte ze er een op. De fles voelde vies en glad aan en glipte uit haar handen. Het glas barstte en sprong in tientallen stukken over de grond. Omdat ze dit wel aangenaam tijdverdrijf vond, pakte ze nog een fles en liet die er achteraan vallen. De een na de andere fles liet ze zo op de grond vallen. Het verzachtte haar moeilijkheden toch wel enigszins, want het luchtte behoorlijk op! Toen de activiteit haar wat begon te vervelen besloot ze dat het ook wel leuk zou zijn om er hysterisch bij te gillen, om te kijken of ze Miel zover kon krijgen dat hij de plaatselijke alarmdienst zou bellen.

“Dymphy?” vroeg Miel aan de regen die nu met bakken naar beneden kwam. “Dymphy, hou nou eens op met deze rotgrappen! Kom terug!”

De wind blies zijn haar omhoog waardoor het niet goed zat. Nou ja, dat was hij sinds die vreemde dates toch ook wel gewend. Hij wilde alleen Dymphy maar zo snel mogelijk terugvinden, haar de waarheid over haar idiote gedrag eens vertellen en liefst zo snel mogelijk weer naar huis, in plaats van de reis voortzetten naar Nieuw-Zeeland. In de verte hoorde hij iets wat klonk als uit elkaar spattend glas. Dit ging een tijdje door en later werd er ook nog doorheen gegild.

Geweldig, dacht Miel. Ze wordt aangevallen door een Chinees, die blijkbaar heel erg onder de indruk is van haar rode haar. Ze was dan wel een vwo-leerling, toch bleek ze elke keer weer stom genoeg te zijn om probleem na probleem op haar hals te halen. Hij aarzelde even.

Zou hij haar even met rust laten en kijken of ze zichzelf kon redden?

Weer klonk er een gil. Hij zuchtte en liep rustig richting de verlaten fabriek, wat, nu hij er even over nadacht, de ideale plaats voor een misdrijf was.

“Shit!” zei hij luidop en hij zette het op een rennen.

Toen hij bij de fabriek aankwam was hij drijfnat van de regen.

“Dymphy!” schreeuwde hij paniekerig. Het antwoord kwam in de vorm van uiteenspattend glas.

Hij keek om zich heen maar zag niet waar hij naar binnen kon. Alle ramen waren zowat dichtgetimmerd. De deur zat ook goed vergrendeld met allerlei sloten. Uit wanhoop gaf hij een loeiharde trap tegen de deur, wat resulteerde in een zeer pijnlijke voet.

“Auw,” zei hij.

De deur zei niets terug. Miel hinkte om het gebouw heen en zag aan de achterkant een ander deur die wagenwijd open stond.

Hij hinkte naar binnen en zag helemaal niets. “Dymphy?” schreeuwde hij nog maar eens. Hij slikte.

Weer dat gerinkel van glas. Instinctief graaide hij naar zijn broekzak die leeg was. Zijn mobiel lag nog op de hotelkamer. Zijn voet begon flink te kloppen maar hij moest de pijn doorstaan om Dymphy te redden. “Dymph!” riep hij. “Ben je daar?”

Hij hinkte verder naar binnen.

Dymphy verveelde zich. De flessen waren bijna op, in totaal stonden er nog maar drie op de plank. Van Miel had ze meer verwacht. Ze was een kwartier verder en nog was er geen politie. Ze gilde nog maar eens luid.

“Dymphy!” hoorde ze Miel schreeuwen.

“Ja?”

“Wat is er met je?”

“Niks in het bijzonder, eigenlijk. Ik verveel me!”

“Je verveelt je,” herhaalde Miel.

“Ja.”

“Wat is dat glas de hele tijd?”

“Flessen die ik op de grond gooi.”

“Wat voor flessen?”

“Lege, vieze flessen.”

“Waarom doe je dat?”

“Elke keer als ik ze oppak glippen ze uit m’n handen.”

“Waarom pak je ze dan?”

“Ik zeg toch net dat ik me verveel,” zei Dymphy, alsof dat logisch was.

Miel hinkte verder.

“Waarom loop je zo raar?”

“Dit is een Oosterse volksdans, dat heeft iemand me net op straat geleerd. Jammer dat je dat nou net moest missen!”

“Echt?” vroeg Dymphy sip.

“Nee, natuurlijk niet,” snauwde Miel. “Ik gaf de deur een schop en het deed pijn. En nog steeds, trouwens.”

“Nou, doe niet zo chagrijnig!”

“Soms drijf je me wel tot het uiterste, Dymphy,” zei Miel die tegen een muur aanleunde, z’n schoenen uittrok en z’n linkervoet masseerde.

“Ik had eigenlijk op z’n minst verwacht dat je de politie zou bellen,” zei ze met een valse grijns.

“Dat zou ik ook, maar ik had m’n mobiel niet mee,” zei Miel die z’n voet weer neerzette en de andere vastpakte.

“Heb je met beide voeten tegen de deur geschopt?” vroeg Dymphy.

“Nee, maar voetmassages zijn op z’n tijd een leuke bezigheid.”

“We kunnen hier wel wonen, Miel!”

“Dat zou mogelijk zijn, ja. Aan de andere kant heb ik de indruk dat als het een keer goed waait de boel hier in elkaar zakt.”

Een bliksemschicht verlichtte het pand eventjes. Miel, die z’n andere voet nu ook weer had neergezet, zag door de flits iets in de hoek liggen die zonder flits te donker was om iets te kunnen zien.

“Eh. Dymphy?”

“Ja!”

“Ik denk niet dat ik hier wil wonen.”

“Waarom niet? We kunnen hier een keuken maken en daar dan een eethoek en hier kunnen we dan een muur maken en daar…” ze liep rond en gebaarde waar wat moest komen te staan.

“Dat is het niet. Het zal ongetwijfeld een mooi gebouw zijn om in te wonen ook al valt het bijna uit elkaar,” zei Miel met een steeds hoger stemmetje.

“Wat is er dan?”

De kamer werd weer kort verlicht in een flits en Dymphy zag het nu ook.

“Miel…”

“Dymphy…”

“Ik denk dat we een lijk hebben gevonden,” zei ze.

“Ik geloof het ook.”

“Moeten we nu niet weg?”

“Nou ja, dood blijft het toch wel, neem ik aan,” zei Miel.

“Dat wel. Wat moeten we nu doen?!”

“Ik stel voor dat we zo maar weer eens het hotel gaan opzoeken. Op deze manier vinden we het toch ook niet echt.”

“Da’s een goed idee,” zei Dymphy. “Want als we hier blijven en de politie komt, dan krijgen wij de schuld!”

“Dat is belachelijk. Waarom zou de politie komen?”

“Geen idee. Maar het zou kunnen!”

“Ja, het zou ook kunnen dat er nu een gedeelte van dit gebouw instort maar dat zie ik toch ook nog niet zo snel gebeu – ”

Weer een flits, ditmaal gevolgd door een harde knal. Direct viel een stuk van het plafond naar beneden, vlak naast Dymphy. Met een doffe klap landde het op de grond.

Gillend sprong ze achteruit en Miel deed precies hetzelfde.

“Jemig, ik schrik me wezenloos,” zei ze. “Nu gaan we hier echt snel vandaan voordat de politie ook nog komt opdagen. Of de brandweer of zo!”

“Ik heb pijn,” zei Miel.

“Ja, ik net niet, gelukkig,” zuchtte Dymphy.

“Waarom ging je ook alweer flessen op de grond gooien?” vroeg Miel.

“Tijdverdrijf.”

“Waarom liep ik ook alweer op blote voeten?”

“Je had een zere voet, door het schoppen.”

“Waarom sprong ik met m’n voet in een stuk glas?”

“Omdat het plafond naar beneden viel.”

“Ja.”

Hij keek haar gekweld aan, wachtend tot het kwartje zou vallen. Ze keek hem vragend aan. Hij herhaalde zijn laatste zin. “Waarom sprong ik met m’n voet in een stuk glas?”

“Omdat ik het glas heb kapotgemaakt en jij last van je vo…oh,” zei ze.

“Juist. Ik voel het er daar beneden echt uit spuiten. Klein probleempje.”

In een impuls trok Dymphy haar shirt uit. Zonder af te wachten pakte ze Miel zijn voet beet en bond haar shirt er stevig omheen. “Hier, dit moet wel helpen. Tenminste, dat heb ik ooit geleerd,” verklaarde ze.

“Dymph, je tietdingen, ik denk dat mensen je buiten raar aan gaan kijken,” zei Miel met opgetrokken wenkbrauw.

“En sinds wanneer trek ik mij daar iets van aan?”

“Ja, oké, dat is waar,” moest Miel toegeven. “Dymphy, ik sta middenin een kamer die vol met glasscherven ligt. Ik kan hier niet zo veilig vandaan lopen, denk ik. Veeg het eens weg!”

“Waarmee?!”

“Achter die dooie zwerver staat een bezem!”

“Is het een zwerver?” vroeg Dymphy verbaasd.

“weet ik niet! pak dat ding gewoon! ik verga hier!”

Even later stonden ze buiten. Dymphy halfnaakt, Miel met een t-shirt om z’n voet heen gedraaid. “Wat een…Een…”

“Toestand,” vulde Miel haar aan.

“Ja.”