10

“Hoe kan die nou nog op Schiphol staan?” vroeg Miel. “Je hebt hem toch op die rolbanddinges gelegd?”

“Ja, dat was mijn koffer. Ik bedoel m’n rugzak!”

Miel sloeg zichzelf voor zijn kop. “Waarom, Dymphy? Waarom heb je die tas niet gewoon meegenomen? Hoe moeten we dat ding nou weer terugvinden?”

“Dat weet ik toch niet! Het ene moment zat ie nog op m’n rug, toen vroeg Danny of ik zijn zwembroek mee had genomen, vervolgens heb ik in de tas gekeken, waar die niet in zat, en toen heb ik de tas volgens mij niet meegenomen!”

“Je bent echt een dombo,” zei Miel en duwde Dymphy van hem af.

“Wat wil je nou dat ik doe?”

“We kunnen toch vragen of ze even terug willen vliegen?” vroeg Dymphy hoopvol.

“Ah, ja, goed idee,” zei Miel sarcastisch. “Daar komt Kristel aan. Ik zal haar even voor je roepen. Mevrouw?”

“Ja, zegt u het maar?” zei ze met een zangerig stemmetje.

“Mijn vriendin heeft een vraag.”

“Nou, die mag u zeker stellen hoor! Al weet ik natuurlijk niet overal antwoord op!” en weer volgde de zin met haar irritante gegiechel.

“Leuk, dat blonde haar,” zei Miel wijzend.

“Nou, dankjewel!” zei ze, zichtbaar gevleid. “Maar, wat is uw vraag, mevrouw?”

“Mijn tas staat nog op Schiphol,” zei Dymphy. “Kunnen we even terugvliegen om hem op te halen?”

Kristel keek haar aan, plukte een paar haren van haar schouders af en de glimlach, die de hele tijd haar gezicht had gedecoreerd, verdween eventjes. “Terugvliegen?”

“Dat lijkt me wel zo handig. Ik kan niet zonder mijn zwart-witte schoenveters,” zei Dymhpy.

Kristel’s lippen krulden langzaam op en het leek erop dat ze haar lachen niet lang meer kon inhouden. En inderdaad, een paar tellen later barstte ze in lachen uit. “Oooh, domme meid! We kunnen toch niet zomaar terugvliegen omdat je je tas bent vergeten? Gutteguttegut! Dit slaat toch echt wel alles. Zeg Claire, moet je horen wat deze dame vraagt!”

Gierend verliet Kristel het vertrek, een norse Dymphy achterlatend.

“Wat is dit nou weer?” vroeg ze, aan niemand in het bijzonder.

Miel kon nu ook zijn lachen amper inhouden maar deed zijn best. Als Dymphy zou zien dat hij haar ook maar een beetje uitlachte, was hij nog niet jarig. “Ik ga even naar het toilet,” zei hij maar snel, terwijl hij vast opstond.

“Ja, ga maar. Vraag meteen of die giecheltuthola al klaar is met lachen,” zei Dymphy boos.

Miel stond op en knalde bijna tegen een stewardess aan die hij nog niet eerder had gezien. Hij ging ervan uit dat het Claire moest zijn.

“Pardon,” zei hij en hij liep verder naar het toilet.

“Bent u de passagier die vroeg om terug te keren naar Schiphol?” Claire aan Dymphy.

“Ja, dat klopt,” zei Dymphy.

“Ik ben Claire – ”

“Dat had ik al door.”

“En ik ben hier om je te vertellen dat dat geen optie is. Kristel zou het ook wel willen vertellen maar die lag zonet op de grond omdat ze zo moest lachen en daar ligt ze nu nog steeds…”

Dymphy trok een wenkbrauw op.

“Nog steeds te lachen natuurlijk!”

“Duh?” zei Dymphy. “Maar ga verder met je verhaal want volgens mij was dat niet de enige reden dat je hier kwam.”

“Nee, dat klopt. Omdat Kristel en ikzelf, Claire, heel klantvriendelijk zijn hebben we een telefoontje gepleegd naar de verloren voorwerpen afdeling en die gaan het doorsturen naar uw eindbestemming.”

“In Nieuw-Zeeland?”

“In Nieuw-Zeeland.”

“Weet u dat zeker?”

“Dat weet ik helemaal zeker.”

“En als het misgaat?”

“Dan zult u nog wat langer moeten.”

“En hoe lang moet ik nu wachten dan?”

“Minimaal een week.”

“Een WEEK?” riep Dymphy geschrokken.

“En maximaal drie weken,” zei ze. “En dan moet u mij niet kwaad aankijken, het is tenslotte uw eigen schuld.”

“Dat is wel zo,” beaamde Dymphy. “Maar goed, bedankt in ieder geval.”

Miel zat op het toilet en had zo zijn bedenkingen over de hele reis.

Wat nou als ze aankwamen in Nieuw-Zeeland en geen idee hadden waar ze moesten zoeken? Wat als dat hele vliegtuig, waar Eddy in zat, daar nooit was aangekomen? Waren de mensen die belden er dan op een of andere manier wel gekomen? Wat was er precies aan de hand?

Hij had leuk gezelschap, dat was een ding wat zeker was. Hij kende Tim eigenlijk amper, maar hij was in ieder geval wel leuk om te zien.

Hoe oud was hij eigenlijk? Miel schatte hem op een jaartje of vijfentwintig, maar ja, dat kon alles zijn want Miel was slecht in leeftijden schatten. Was het niet gewoon een grote wanhoopsdaad van zichzelf geweest om maar niet alleen te zijn? Wat waren de intenties van Tim?

Was Miel even amusant tijdverdrijf of zat er meer gevoel bij? Waarom was het zo lastig? Kon het niet gewoon zo makkelijk mogelijk gemaakt worden? Had Dymphy verwacht dat hij de één na de andere zou verslijten? Wat was er met overige dates gebeurd?

Hij liep terug naar z’n stoel en zag Dymphy bij Danny op schoot zitten. Tim was nergens te bekennen.

“Hey jongens, waar is dingetje?” vroeg hij terwijl hij Tims stoel aanwees.

“Wat?” vroeg Dymphy.

“Tim?”

“Wie?”

“Tim, waarmee we hier kwamen, de jongen van het reisbureau?” vroeg Miel met opgetrokken wenkbrauwen.

“Ik weet niet waar je het over hebt, Miel,” zei Dymphy. “We zijn hier met z’n drieën.”

“Nou, doe nou niet zo stom. Ik weet toch wel met wie ik hier ben?” klonk Miel verveeld.

Dymphy keek hem vragend aan. Miel keek naar Danny, die hem ook aankeek alsof hij gek was.

“Doe nou niet zo plagerig!” zei Miel. Hij keek in het bagagerek om naar een tas van Tim te zoeken, wat niet lukte omdat die tas er niet was.

“Tim!” schreeuwde Miel.

“Miel, ik weet dat ik je altijd aanspoor om gek te doen, maar dit slaat nergens op!” zei Dymphy, die zich gegeneerd in haar stoel liet zakken.

“HOEZO?!” schreeuwde Miel verder. “Voor de liefde van mijn leven mag ik echt wel wat moeite doen!”

Miel rende door het gangpad, schudde Claire door elkaar terwijl hij haar ondervraagde.

“Miel, ga maar even zitten,” zei Danny, die was opgestaan en Miel bij zijn schouder pakte.

“Nee! Waar. Is. TIM?!” riep Miel in paniek.

Verschillende mensen stonden op of draaiden hun hoofd zo dat ze het allemaal goed konden volgen. Spektakel tijdens een saaie vlucht was altijd leuk.

“Wat is er?” riep Miel naar niemand in het bijzonder. De man die aan de andere kant van het gangpad zat dook in elkaar toen Miel hem aankeek.

“Meneer!” riep Kristel die aan kwam hollen. “Zou u zo vriendelijk willen zijn niet te schreeuwen, gewoon te gaan zitten en uw giechelde dicht te houden?”

“Wat? Nee, natuurlijk niet! Waar is Tim?” vroeg Miel nogmaals.

“Wie is Tim?” vroeg Kristel.

“De jongen die naast me zat? Waarmee ik binnenkwam?” klonk Miel ongeduldig.

“U kwam binnen met deze heer en dame,” zei Kristel, naar Dymphy en Danny wijzend.

“Nee, u begrijpt het niet,” zei Miel. “Er was nog iemand bij!”

“Nee hoor, ik begrijp het juist heel goed. U bent hier met twee personen. Dat weet ik omdat Claire me nog aanstootte omdat ze die meneer daar zo’n lekkertje vond,” zei Kristel, naar Danny wijzend.

“Maar…Heh…Wat?” hakkelde Miel.

“Gaat u maar even zitten, meneer. Wilt u een glaasje water?” vroeg Kristel.

“…Eh, goed idee,” zei Miel terwijl hij ging zitten. Hij zette in gedachten alles op een rijtje en toen drong het dan eindelijk tot hem door. Er was geen Tim. Tim was een creatie van zijn brein geweest. De perfecte jongen, man…Wat het ook maar was geweest. Hij bestond niet. Hij had een paar dagen lang dingen verzonnen die niet waren gebeurd.

Hij had er niet mee gezoend want hij bestond niet. Maar wat was er dan wel gebeurd? Had hij op het panoramaterras staan wachten op iemand die niet kwam? Was hij daarom zo nat geworden?

“Maar…Wacht eens,” zei Miel na een tijdje. “Ik heb je toch gebeld midden in de nacht omdat ik zo blij was dat ik hem had gezoend en zo en dat hij meeging?”

“Nee, je belde me laatst midden in de nacht om te zeggen dat we naar Nieuw-Zeeland zouden gaan,” zei Dymphy.

“Ja, dat was rond half twee, maar daarna, rond half vijf. Toen belde ik nog een keer om te vertellen over mijn date met Tim midden in de nacht!”

“Nee, echt niet Miel. Ik heb nooit iets over ene Tim gehoord, laat staan een date midden in de nacht. Die nacht belde jij mij eerst om te zeggen dat we naar Nieuw-Zeeland zouden gaan. Later belde ik jou terug omdat ik per ongelukje opa had ge-SMS’t en heel melig was. Dat was alles,” legde Dymphy uit.

“Ik heb je wel over Tim gesproken, ik kan het bewijzen!” Miel pakte zijn telefoon en ging naar het scherm met binnenkomende – en uitgaande gesprekken. Daar stond alleen een uitgaand telefoontje naar Dymphy rond half twee en een binnenkomend telefoontje van Dymphy om kwart voor zes.

“Hoe kan dat nou weer,” mompelde Miel. Hij sloot verward zijn ogen.

Eindelijk was het dan zo ver; hij was nu dan toch echt gek geworden.

Waarschijnlijk was hij een paar dagen geleden al slaapwandelend buiten rond gaan lopen, was hij zijn pantoffels daar kwijtgeraakt en had hij toch echt de hond gezoend en dat vervolgens opgeschreven in het dagboek. Rondlopen in je eigen fantasie was niet zo moeilijk en Miel deed het graag. Timon Dag. Dag Timon, dacht Miel sip. Hij keek naar Danny en Dymphy, die samen muziek zaten te luisteren en kon een vlaag van jaloezie niet onderdrukken.

Weer sloot hij zijn ogen. Hij kon hier moeilijk een scène van maken, niet te midden van al die mensen. Waarom was het voor al die mensen zo makkelijk, leken ze zo gelukkig met elkaar? Was het zo moeilijk om dat ook te vinden? Ze leken allemaal zo op hun gemak, zo samen in het vliegtuig.

Vliegtuig. Het woord sprong een paar keer zenuwachtig heen en weer door Miels hoofd voordat het uiteindelijk werd opgeslokt door een hoopje logica.

“Vliegtuig,” zei Miel luidop en Danny keek hem even aan. “Vliegtuig! Oh, wat stom van me. Hahaha!”

Dymphy keek hem nu ook aan alsof hij gek was geworden, wat natuurlijk wel enigszins waar was. Ze deed haar oordopjes in. “Oh, Dymphy! Tim moet wel bestaan want als hij niet bestond hadden we hier nu niet gezeten. Ik kan moeilijk een reis boeken via m’n gedachten!”

“Wat?” vroeg Dymphy nog een keer.

“Haal die oordopjes dan een keer uit je oor, muts!” Hij wachtte haar reactie niet af en deed het zelf.

“Voel je je wel goed, Miel?” vroeg ze.

“Super. Tim bestaat natuurlijk wel!”

“Wie is Tim? Waar heb je het toch over? Voel je je echt wel goed?” vroeg ze en hield haar hand tegen Miels voorhoofd.

“Jaahaa! Het gaat prima! Waar is Tim?”

“Miel, ik weet niet waar je het over hebt! We zijn met z’n drieën hier. Hoewel…” Dymphy keek om zich heen “…Nou ja, we zitten met een vliegtuig vol mensen, maar wij,” ze wees naar Miel, Danny en zichzelf, “wij zijn hier met zijn drieën.”

“Hoe zijn we hier dan gekomen?” vroeg Miel.

“Je hebt de reis geboekt en zodoende zitten we hier.”

“Ik heb niet met de persoon afgesproken die de reis voor me boekte?”

“Nou ja, het lijkt me logisch dat je diegene wel hebt gesproken, eigenlijk, maar niet gesproken. Ik ken in ieder geval geen Tim.”

“Dymphy?”

“Ja?”

“Ik ben gek geworden, geloof ik. Ik heb waanbeelden, of beter gezegd: ik had waanbeelden. Ik heb een paar dagen lang gedacht met iemand te praten die uiteindelijk helemaal niet blijkt te bestaan!”

“Ik begrijp je niet,” zei Dymphy zacht.

“Ik ook niet,” zei Miel. “Ik denk dat ik gewoon zo wanhopig ben, dat ik doordraai!”

Dymphy pakte hem vast en gaf hem een knuffel.

“Waarom ga je eerst niet wat proberen te slapen? En vergeet niet dat je na terugkomst nog hordes dates hebt. Ik heb alle jongens gebeld en het voorval uitgelegd, ze begrepen het en wensten ons veel plezier,” zei ze.

“Ik heb een knallende koppijn, vanuit het niets. Is er echt geen Tim?”

Ze schudde haar hoofd. “Nee, sorry. Oh, Claire? Mag ik een paracetamol?”

“Ja, natuurlijk,” zei Claire. “Ik kom het zo brengen.”

“Moet ik een dagboek bijhouden over iemand die bedacht is?”

Ze schoot in de lach. “Nou, het hoeft niet maar het levert vast een interessant verhaal op!”

Dymphy had door dat Miel wat aandacht nodig had, wat er in resulteerde dat ze nog uren doorpraatten en uiteindelijk met z’n tweeën sudoku’s invulden, die Miel de afgelopen week had opgespaard uit de gratis kranten die hij dagelijks op het station pakte.

“Nu gaan we ruilen!” zei Miel vanuit het niets.

“Ruilen?”

“Ja, ik ga met Danny praten en jij mag gezellig alleen zitten!”

“Maar, ehm…Waarom?”

“Dat is so-ci-aal,” zei Miel. “Niet de hele tijd bij elkaar blijven plakken.”

“Oké, oké.”

Ze wisselden van plaats.

“Goeeeedemiddaaaaag!” zei de stem van Kristel. “We serveren vandaag een warme maaltijd! Is dat niet enig? Ja, dat dacht ik al! Ja, heel bijzonder, ik weet het. Jahaaa, u mag kiezen wat u wilt. Wilt u opgewarmde spaghetti of een diepvriesminipizza?”

“Ze doet niet eens alsof,” zei Dymphy verbouwereerd.

“Ach, ze zullen genoeg klachten krijgen dus dan kun je de klanten natuurlijk net zo goed meteen op de hoogte brengen dat ze een klef zootje krijgen!” zei Danny die zich naar Kristel draaide. “Spaghetti, alstublieft.”

“Dat is zo, inderdaad,” zei Miel. “Doet u mij ook maar de spaghetti!”

“Twee pizza’s voor mij,” zei Dymphy. “Ik moet nog een kleine voeden ook.”

“Oooh, wat snoezig! Bent u zwanger? En? Wat wordt het?”

“Ik hoop op een baby,” zei Dymphy.

Gierend liep Kristel weer weg. Ze had blijkbaar erg veel plezier in haar werk.

“Danny! Hoe gaat het?” vroeg Miel.

“Goed, goed.”

“En met de huizenjacht?”

“We hebben een enorm schattig huisje gevonden in Hoorn. We hebben een bod gedaan maar we horen pas volgende week of ze akkoord gaan.”

“Spannend! En heb je ook al werk in de buurt gevonden?”

“Nou, ik heb mijn cv geüpload naar een website en ik ben gewoon in een paar dagen 25 keer gebeld! Echt eng. Ik heb meteen ook volgende week een gesprek bij iemand!”

“Volgende week al? Maar, wat als we dan nog aan het zoeken zijn?”

“Ik krijg reiskostenvergoeding!”

“Dat zal best, maar waarschijnlijk niet vanuit Australië!”

“Nieuw-Zeeland,” verbeterde Danny hem.

“Ook goed.”

“Maar dat doen ze dus wel!”

“Wat?”

“Ja, ik stond er ook al van te kijken, maar toen ik de situatie uitlegde gingen ze gewoon akkoord.”

“Dat is wel heel vreemd, hoe wanhopig zijn die mensen?”

“Geen idee, maar ze betalen genoeg!”

“Zeer tof.”

“Zeker.”

“Ga je terug naar Nederland?” vroeg Dymphy die wat opving van het gesprek.

“Ja schat, dat had ik toch al uitgelegd, ik moet solliciteren!”

“Ja, maar! Ik ben zwanger, dat kun je niet maken.”

“Dymphy, ik ga volgende week, dan ben jij nog niet bevallen en misschien hebben we Eddy dan al gevonden.”

“Oh.”

“Uw opgewarmde hapjes!” zei Claire vrolijk terwijl ze met een karretje aan kwam zetten.

“Zo, dat is snel!” zei Miel.

“We doen alles voor onze favoriete passagiers,” zei ze met een knipoog.

“Nou, gelukkig maar.”

Miel kreeg een smerig uitziend prakje in z’n handen geduwd en stak zijn lepel erin, die er vervolgens rechtop in bleef staan. “Jummie,” zei hij monotoon.

Dymphy keek naar haar pizza’s, wat toch zeker in het Guinness Book of Records kon als kleinste minipizza. Twijfelend keek ze ernaar, flapte beide pizzaatjes op elkaar en at het op alsof het een hamburger was.

Ook Danny keek het even aan, maar nam toen voorzichtig een hapje.

Hij kreeg de spaghetti amper weg en Miel moest hem een paar keer flink op z’n rug slaan totdat hij het hoestend weer op z’n bord spuugde. “Wat een gortdroge zooi!” zei hij tussen het hoesten door.

Dymphy kauwde goed op de pizza’s en slikte uiteindelijk de boel door. Ze overleefde het, wat Miel stimuleerde om vooral ook een hap te nemen. Hij pakte zijn vork, draaide met kracht rondjes in de kleffe zooi en stak toen een volle lepel in zijn mond.

Op dat moment stortte het vliegtuig een paar tientallen meters naar beneden en schokte van links naar rechts. Miel verslikte zich in zijn spaghetti terwijl iedereen begon te gillen en schreeuwen. De spaghettislierten waren zo droog dat hij ze met geen mogelijkheid uit z’n keel kon krijgen. Snel gebaarde hij naar Danny dat hij op zijn rug moest slaan. Die was echter bezig om naar Dymphy toe te springen om haar vast te houden. Zijn poging mislukte toen ze uiteindelijk toch van haar stoel af viel. Ze deed verscheidene pogingen om op te staan, wat mislukte omdat het vliegtuig zo instabiel heen en weer schommelde dat ze elke keer weer neerviel, “WAT GEBEURT ER?!” gilde ze uiteindelijk. “Danny! Help me overeind!”

Miel liep ondertussen blauw aan en probeerde zichzelf op zijn rug te slaan, wat mislukte waardoor hij voorover viel met z’n hoofd op de grond. De spaghetti kwam los en hoestend stond hij op. “Hè, hè. Daar wordt een mens niet echt gelukkiger van.”

Even keek hij uit het raam en zag overal donkere wolken. “Noodweer, noodwee-,” begon hij enthousiast.

Weer nam het vliegtuig een duikvlucht.

Dames en heren”, klonk er door de intercom. “Het stormt.”

“No shit, Sherlock,” zei Miel.

Oh, en we naderen Hong Kong, dus als iedereen even gaat zitten en zijn of haar gordel vastmaakt wordt iedereen vast heel gelukkig,” ging de stem van Claire verder. “ We heten u alvast van harte welkom op Hong Kong Airport, u kunt hier overstappen naar gate 5, waar u slechts drie uren hoeft te wachten op de overstap naar Nieuw-Zeeland. We stellen uw bijdrage in ons inkomen erg op prijs en hopen op plezant amusement op uw verdere reis!