6
“…en ik ben in hetzelfde jaar getrouwd, gescheiden en nogmaals getrouwd. Met dezelfde vrouw welteverstaan. Maar nu vraag ik mij eigenlijk af of ik voor fiscaal partnerschap kan kiezen want dat kan natuurlijk in het jaar van trouwen en scheiden – ”
“En overlijden…” mompelde Miel.
“Eh, ja, maar dat is niet van toepassing,” zei meneer Woepie die dagelijks een praatje hield met de Belastingdienst. “Kan ik er nou voor kiezen of niet?”
“Jawel hoor, wel twee keer, zelfs. Maakt u er maar wat moois van. Heb ik uw vraag zo voldoende beantwoord?” Zonder antwoord af te wachten ging hij verder: “Dan wens ik u nog een fijne dag, meneer Woepie. Doeg!” Hij hing op.
“Wat heb jij nu weer, Miel?” An rolde naast zijn bureau toe op haar bureaustoeltje. “Zo ken ik je niet.”
Hij haalde zijn schouders op. “Ik ga even een blokje om. Tot zo.”
“Maar je hebt nog helemaal geen pauze! Je zit net een kwartier.”
“Dat klopt, maar als ik nu niet even wegga, dan zit ik hier hooguit nog een kwartier en ga ik gillend naar huis. Laat me maar even, en zeg tegen de supervisor maar dat ik eh, wat gedoe aan m’n hoofd heb, ik leg het later wel uit.” Hij liep verder.
“Meneer Miel? Zo zijn we niet getrouwd, hè?” An rende achter hem aan.
“Nee, dat klopt. We zijn helemaal niet getrouwd en we wonen ook geen half jaar samen, we kunnen niet kiezen voor fiscaal partnerschap. Haha, wat een grap,” dreunde Miel monotoon op terwijl hij de trap af sukkelde.
“Nou, kom op. Wat is er aan de hand?”
“Een vriend van me…Hij ging stagelopen in het buitenland en we hebben niet zo blij afscheid van hem genomen, maar dat was zijn eigen schuld en nu is het vliegtuig waar ie in zat neergestort.” Hij wapperde z’n pasje heen en weer voor de kaartlezer en de deur ging open.
“Wat?” vroeg An die met hem mee naar buiten liep.
“Eddy. Een vriend van mij ging stagelopen in Nieuw-Zeeland, hij ging een tijdje geleden weg. Dymphy, die vriendin waar ik naartoe wou vanwege die verjaardag? Ja? Nou, zij, ik en haar vriend gingen Eddy uitzwaaien op Schiphol en de stemming was allesbehalve gezellig en nu blijkt dat zijn vliegtuig op de heenweg is neergestort. Hij is al bijna twee maanden weg en gisteren belde iemand ons vanuit Nieuw-Zeeland, om dat even te vertellen. Geen idee waarom het zo lang moest duren. Geen idee waarom ze ons belden…Ja…” Hij viel even stil. “Waarom belden ze ons? Wij zijn niet de mensen om te bellen in geval van nood…Vreemd. Daar had ik niet over nagedacht. Hm. Ik kom zo weer binnen! Er is vast iets aan de hand wat niet helemaal klopt. Even Dymphy bellen!”
An keek hem aan alsof ze amper wat van het verhaal snapte. Ze zou net wat vragen toen Miel met z’n vinger naar het gebouw wees om te zeggen dat ze maar weer naar binnen moest gaan. Voor deze ene keer besloot ze z’n onbeschofte gedrag maar te accepteren, blijkbaar was er iets ernstigs aan de hand.
∗
Miel zocht het nummer van Dymphy op in zijn telefoon en duwde met een noodgang op het groene telefoontje. De telefoon ging over en Dymphy nam op.
“Miel!” riep een overenthousiaste Dymphy.
“Dymph! Met mij!”
“Ja, dat – ”
“Hou je mond. Kijk! Wat ik net bedacht is dat het totaal niet logisch is dat iemand ONS belt om te vertellen dat Eddy mogelijk dood is. Ook heb ik er niets van op het nieuws gehoord, hoewel de laatste keer dat ik het nieuws keek, zo’n 6 jaar geleden was. Maargoed, wat ik dus probeer te zeggen is dat hij misschien nog leeft.”
“Ja, misschien! Maar eigenlijk heb ik niet zoveel tijd om te bellen want ik ben aan het werk! Moet jij niet werken?”
“Bellen is mijn werk, lieve schat, weet je nog?” zei Miel.
“Jawel, maar niet met mij. Dus, gedag! We babbelen vanavond wel of zo. Doei schat!”
“Goed, dus zoals ik zei is het niet logisch dat Eddy, eh, pardon, ik zit even met het telefoongesprek met Miel in m’n hoofd. Laat ik opnieuw beginnen! Ik ben Dymphy! Ik wil je graag even kennis laten maken met Zaja. Zaja is een meisje uit Afrika, ze woont in een land waar dagelijks oorlog wordt gevoerd. Elke dag is er een nieuwe strijd. De strijd om te overleven, de strijd om genoeg voedsel bij elkaar te schrapen, terwijl ze zichzelf ondertussen elke dag door een mijnenveld moet manoeuvreren. Met behulp van donaties kunnen we er met z’n allen voor zorgen dat het daar mooi opgeruimd wordt! Geen mijnen meer! Hoe zou jij het nou vinden om eraan mee te helpen? Een betere wereld voor iedereen!” zei Dymphy, die haar poging, iemand een lidmaatschap aan te smeren, vervolgde.
“En de oorlog dan?” vroeg de jongen die ze had vastgeklampt toen hij voorbij liep.
“Nou…” Dymphy dacht hier even over na. “Als we met z’n allen genoeg geld doneren, dan worden ze daar rijk, hoeven ze niet meer te vechten om rare dingen en worden we hier arm en gaan we hier oorlog voeren…” haar gezicht betrok terwijl ze deze kromme zin uitsprak.
“Weet je, laat maar. Geen interesse!” zei de jongen.
“Nee! Wacht! Zo bedoel ik het niet!”
De jongen was al verdwenen in de mensenmassa. Dymphy greep een nieuw slachtoffer vast. “Hoi! Mag ik je wat vragen? Ik ben Dymphy trouwens! Wat vind jij nou van oorlogen? En wat zou jij eraan veranderen als je de mogelijkheid had? Wat zijn jouw drie wensen als je ze kreeg? Wereldvrede? Heel goed! Vertel, vertel!”
“Ja, goedendag. U spreekt met Danny.”
“Wat kan ik voor u betekenen?” vroeg de telefoniste met een piepstemmetje.
“Nou, ik zoek zo snel mogelijk een huis voor mij en mijn vriendin. Ergens in de buurt van haar huis, dus rond Hoorn, zou geweldig zijn.”
“Heeft u al een kijkje genomen op onze website?” dreunde ze op.
“Oh ja, uiteraard maar de site doet het niet.”
“Dan kan ik u niet verder helpen.”
“Wat is dat voor service? Er staat wel een nummer wat je kunt bellen in verband met storingen op de site, en dat doe ik nu en dan zegt u nu dat u niets kunt doen.”
“Helaas kan ik u niet verder helpen. Ik wens u nog een prettige dag. Dag!”
“Vind u het zelf ook niet een beetje vree – ”
De telefoniste had de verbinding al verbroken. “Misschien last van haar maandelijkse vlaggetjesweek,” mompelde Danny in zichzelf.
∗
Dymphy kwam thuis van een dag hard werken. Ze plofte op haar bureaustoel achter de computer. Het was een lekker dagje geweest. Zou Miel online zijn? Hij had haar nog gebeld herinnerde ze zich, waarom zouden die vreemde Engelstalige mensen naar haar en Miel hebben gebeld? Zij zag er de logica ook totaal niet van in. Stel dat Eddy gekidnapt was, dan zou hij die mensen toch niet adviseren om haar en Miel te bellen? Ze kon zich nou ook weer niet indenken dat Eddy zo flauw zou zijn om een grap van dit niveau uit te halen. Terwijl haar computer met veel gesputter opstartte, brainstormde ze verder. Wat nou als het vliegtuig was neergestort en die mensen haar en Miel belden om het nieuws op aarde te brengen? Nee, dat was ook niet logisch.
Het was sowieso niet logisch dat ze uitgerekend hun belden! Zou het komen door de wens die zij uitsprak tegen Eddy, haar laatste woorden voor zijn vertrek? “Ik hoop dat je neerstort!.”
Echt lief was dat niet geweest. Maar dat kon ook niet zulke gevolgen hebben.
MSN meldde zich automatisch aan en terwijl Dymphy nog ontzettend druk was haar hersens te laten werken – wat nogal een opgave was – was Miel aan de andere kant van het land als een gek aan het typen.
Miel:
Dymphy! Ik was al bang dat je niet meer online zou komen. Waarom staatje mobiel uit? Of, waarom neem je niet op?
Miel:
Dymphy?
Miel:
Ik denk dat ik weet hoe het komt dat uitgerekend wij worden gebeld! Weet je nog dat Eddy mij en jou belde omdat jij je mobiel bij hem had laten liggen?
Miel:
Dymphy?
Dymphy:
Miel! Wacht even lezen hoor, ik was even aan het brainstormen.
Miel:
Hè hè, dat duurde wel even!
Dymphy:
Ja, sorry, wacht, even lezen!
Dymphy:
Gelezen! Hij heeft toch alleen jou gebeld, omdat ik mijn mobiel bij hem had laten liggen?
Miel:
Nee, die suffert probeerde eerst jou te bellen om dat mede te delen.
Dymphy:
Ah, typisch Eddy Maar het is inderdaad wel scherp opgemerkt. Zal hij na ons niet nog iemand hebben gebeld?
Miel:
Eddy belt sowieso eigenlijk nooit, hij sms’t in principe altijd.
Dymphy:
Ja dat klopt inderdaad wel. En vanuit het buitenland bellen is heel duur, dus dat verklaart dan ook een hoop.
Miel:
Ja, dus dan zou dit eventueel wel eens kunnen kloppen.
∗
Het was ochtend. Dymphy deed een graai om zich heen en ontdekte haar telefoon. Ze was populair geweest! Twee hele SMS-jes!
“Dymphy, ik hou van je! Gefeliciteerd schatje! Dat we nog maar jaren samen mogen zijn! Ik hou van je! Ik zie je snel! Kus, Danny.”
Gefeliciteerd? Waren ze zoveel maanden samen? Was ze een jubileum vergeten? Ze keek naar de kalender. Nee, het was de 22e en op de 26e hadden ze altijd een jubileummaand.
Ze stuurde een SMS-je terug. “Waar heb je het over? Over 4 dagen hebben we pas weer een jubileum, dodo.” Ze opende de tweede sms.
“Dymphy, gefeliciteerd met je verjaardag! Dat je maar een oude oma mag worden endat je nog maar jaren van mijn aanwezigheid mag genieten! X, Miel”
Ah, ja! Het was haar verjaardag! Opgewekt sprong ze onder de douche, zong luidkeels een lied en ging ontbijten.
“Dymphy!” zei Tanja. “Gefeliciteerd schat! Het cadeau dat je van ons krijgt staat buiten!”
Buiten stond er een oud mannetje naast een auto. Dymphy keek Tanja vragend aan.
“Het is een lesauto,” fluisterde Tanja. “Je krijgt je eerste rijles!”
Dymphy propte haar laatste stuk brood in haar mond en stapte argwanend op de man af.
“Hallo! Ik ben Dymphy.” Dymphy schudde de hand van haar rijinstructeur.
“Goedemorgen schoonheid, ik ben Piet. Nou, stap maar in de auto, dan rij ik je naar een veilige plaats. Ik heb namelijk vernomen, dat men verwacht dat jij geen held achter het stuur zult zijn.”
“Pardon?”
Ze gingen zitten en Piet vervolgde zijn verhaal terwijl hij wegreed.
“Och, je ouders hebben het beste met je voor hoor, maar – ”
“Oké, ik weet genoeg!”
Tanja zwaaide ze vrolijk uit.
“Ja, ze vinden je een schat van een meid, maar ze waarschuwden mij voor jouw onhandigheid.”
“Ja, ik weet dat – ”
“Maar dat begrijp ik wel, nu ik heb gezien hoe sukkelig jij de deur uitkwam. Ik wist meteen genoeg, eigenlijk hadden ze niets hoeven zeggen.”
“Ja, ik begrijp – ”
“Ze zouden zich geen betere dochter kunnen wensen, hoor, ondanks dat je moeder misschien vervroegd oma wordt en elke moeder daar toch wel een soort van angst voor heeft…”
“Wat?! Wat heeft ze allem – ”
“Maar verder vinden ze je prima in orde, hoewel je haar een ramp is, wat me ook al meteen opviel.”
“Ja, maar – !”
“En over je kamer, ja, het zal wel bij de pubertijd horen hoor, maar als een zwijnenstal schoner en opgeruimder is dan jouw kamer, dan zou ik toch eens bij mezelf te rade gaan of je je prioriteiten wel goed op orde hebt.”
“Maar, ik – ”
“Ja, en dan is er nog die kwestie van – ”
“godverdomme, piet! mag ik ook nog wat zeggen?” brulde Dymphy.
Piet keek op alsof hij een mug hoorde vliegen en ging ongestoord verder met zijn verhaal: “…De kwestie van je vriend. Nou, lieve Dymphy, daar beginnen we maar niet aan. We gaan wél beginnen met rijlessen en om de eerste lessen veilig te starten, stel ik voor om in een weiland te gaan rijden.”
“Een weiland? Is dat gebruikelijk?” vroeg Dymphy vol ongeloof.
“Ja, zeker. Dit passen wij wel eens toe op mensen met een ernstige afwijking of mensen die extreem veel moeite met rijden zullen hebben, ja.”
“Maar ik heb geen – ”
“Je hoeft je echt geen zorgen te maken, het komt allemaal goed! Ik ben er immers bij!”
Het zweet brak Dymphy aan alle kanten uit. Wat een imbeciel. En haar ouders hoefde ze ook niet meer te spreken! Wie weet wist de hele buurt ondertussen al van haar mogelijke zwangerschap!
∗
Danny speurde verder naar woningen op internet en zag een veelbelovend gezellig huisje in Hoorn. Dat was even leuk! Drie slaapkamers, een behoorlijke woonkamer met open haard, een relatief nieuwe keuken, een badkamer, een tuintje en een garage aan huis. En het zag er nog wel netjes uit ook! Hij belde maar even met de makelaar.
Beste medewerkers.
Omdat het niet heel erg druk is mogen er een paar mensen eerder naar huis. Meld je bij de floormanager als je dit graag wilt.
Groeten,
Het planbureau
Miel las zijn mailbox door en sprintte meteen naar de manager.
“Hiephoi!” riep hij. “Mag ik weg?”
“Ben jij wel aan het bellen?” zei de manager. “Die mail is nog geen minuut geleden verstuurd!”
“Ik ben al een kwartier gewoon beschikbaar maar het is nogal rustig,” zei Miel.
“Hm. Oké. Nou, je bent de eerste die het vraagt dus je mag wel gaan. Ik zie je binnenkort weer.”
“Vet. Enorm bedankt!” zei Miel.
Toen hij buiten stond maakte hij een vreugdedansje: “Ik kan naar Dymphy’s verjaardag, ik kan naar Dymphy’s verjaardag,” zong hij blij.
Oh, en dan kon hij meteen een paar uur uittrekken om een reis naar Nieuw-Zeeland te boeken, aangezien hij de boel toch niet helemaal vertrouwde. Welke vreemdeling had hem gebeld? Was Eddy kwaad op hen en had hij bedacht dat het wel leuk zou zijn om ze te laten denken dat hij dood was? Wat onderzoek op internet liet zien dat er inderdaad een vlucht was neergestort, maar Miel had geen idee welk vluchtnummer Eddy had. Eén telefoontje zou genoeg moeten zijn.
Hij had Eddy al meerdere malen geprobeerd te bellen, maar er werd steeds niet opgenomen. Hij besloot het nog één keer te wagen.
“Eddy? Hoi! Met Miel, zeg, welk vluchtnummer had je?” zei hij snel toen er werd opgenomen.
De verbinding werd verbroken. Het werd nu toch wel een beetje vaag allemaal. Maar er werd tenminste opgenomen, dat was al heel wat.
Hij besloot maar gewoon een reis te boeken voor drie personen, het zou wel een leuk reisje worden.
“HAALLOO! Welkom bij reisbureau Sunshine,” klonk het aan de andere kant van de lijn.
“Hai! Goh, zo zou ik de telefoon ook wel eens op willen nemen bij de Belastingdienst, maar dat kan niet, hè. Protocol en zo. Met wie spreek ik?”
“Meneer Dag.”
“Dag?” vroeg Miel.
“Daag!” zei hij vrolijk.
“Nee, nee, nog niet gedag zeggen. Meneer Dag, ik ben Miel! Ik wil voor 3 personen een reis boeken naar Nieuw-Zeeland, omdat een vriend van me mogelijk is neergestort, maar dat weet ik niet zeker en nu ben ik gebeld door iemand die zegt dat hij echt is neergestort, maar dat slaat denk ik helemaal nergens op, aangezien er met zijn eigen mobieltje werd gebeld.”
“Naar Nieuw-Zeeland?” vroeg meneer Dag.
“Ja, dat heeft u goed verstaan!”
“Voor welke periode meneer – ”
“Zeg maar Miel, meneer is zo afstandelijk. Jij mag ook trouwens. Maar goed, liefst zo snel mogelijk want als ie dood is, dan wil ik dat wel weten en als ie het niet is dan wil ik hem zo snel mogelijk vertellen dat hij een misbaksel is. Omdat hij ons de tuin om heeft geleid, zeg maar.”
“Ik heb volgende week nog wel een vlucht,” zei meneer Dag. “Alleen is het een goedkoop arrangement en dat zult u als ambtenaar wel niet goed genoeg vinden, hè? Daarnaast is – ”
“Oh, jawel hoor, dat is prima,” zei Miel snel. “Daarnaast ben ik gewoon een uitzendkracht. En ook nog blond. Je zou bijna denken dat ik een beetje dom ben. Maar dat ben ik niet, vind ik zelf! Hoe zie je eruit?”
“Eh, ik ben best lang?”
“Klinkt goed, klinkt goed. Wat prefereer je?”
“Hoe bedoelt u?”
“Nou, man of vrouw?”
“Ik zie niet in wat hier relevant aan is, Miel,” zei meneer Dag.
“Ik ook niet, maar aangezien m’n beste vriendin me heeft verpl…eh, gestimuleerd om te gaan daten en je wel vriendelijk klinkt, dacht ik: laat ik het eens proberen.”
∗
Een paar minuten later had Miel een date gescoord en een reis geboekt voor drie personen. Het was een goede dag geweest! Hij was benieuwd hoe Dymphy’s dag verliep, ze was tenslotte wel jarig. Hij besloot haar te bellen, om te vertellen dat hij een reis had geboekt en dat hij vanavond ook nog eens op bezoek zou kunnen komen.
∗
Wonderbaarlijk genoeg was Dymphy haar rijgedrag best oké, wat ervoor zorgde dat Piet al snel genoeg had van het weiland en hij haar naar een openbare industrieweg stuurde.
“Ja, rechtdoor over de rotonde,” commandeerde Piet haar.
Dymphy stuurde amper en gaf wat gas bij.
“Niet erozwheen!” brulde Piet. “Er om heen!”
“Waarom niet erover!? Je zegt net rechtdoor over At rotonde! Trouwens, wie zet er nou zo’n stom rondje op de weg? Dat doet mij denken aan mijn allereerste tekenles op school! Toen moesten wij ook rondjes tekenen, wat overigens heel boeiend is. Ik heb die stomme rondjes op de weg altijd al onzin gevonden. Ik bepaal zelf wel hoe ik rij, het moet toch niet gekker worden? Wie zit er nou achter het stuur?” ratelde Dymphy verontwaardigd.
“Dymphy?
“Ja, Pietjelief?”
“Je bent op rijles.”
“Ja, nou en? Ik was ook op tekenles en die muts heeft ervoor gezorgd dat mijn hele tekentalent naar de knoppen ging!”
“Maar we rijden in een auto, we zijn niet aan het tekenen.”
“Ik zie het verschil niet, eigenlijk. In beide gevallen gaat het om rondjes en zeikende mensen die vinden dat je niets goed kunt doen,” zei Dymphy. “Wacht, m’n telefoon gaat over!”
∗
Doordat ze eventjes naar haar telefoon in haar jaszak greep en niet op de weg lette, kwamen ze terecht in de berm. Dymphy gilde verschrikt.
Schakelen, gas, remmen…Ze haalde alle pedalen door elkaar, duwde met haar voet maar wat in en vergat ondertussen te sturen. Piet greep in paniek het stuur vast en trapte op de rem. Maar het was te laat. Met een harde vaart botste de auto tegen een lantaarnpaal.
Dit telefoonnummer is momenteel niet bereikbaar. Probeert u het later nog eens.