11
“Ik heb werkelijk geen idee waar we nu naartoe moeten,” zei Miel, die om zich heen keek bij gate 3. Het vliegveld was druk en allemaal kleine mensjes met donker haar liepen hen voorbij. “Pardon?” vroeg hij aan een omaatje. Het vrouwtje keek hem vragend aan, verontschuldigde zich met gebaren en liep toen haastig door.
“Heeft een van jullie een idee?” vroeg Miel, die zich weer naar Dymphy en Danny draaide.
Dymphy schudde haar hoofd. “Nee, jij hebt de reis geregeld, Miel. Dan gaan wij er juist vanuit dat jij het ook wel weet! Maar niet dus.”
“Hey, doe eens niet zo chagrijnig! Ze riepen het net nog om in het vliegtuig! We vinden het heus wel. Eh…Laten we het hier vragen, deze mensen zullen het ongetwijfeld weten.”
“WEET IEMAND VAN JULLIE WAAR WE NAARTOE MOETEN?” schreeuwde Miel in het rond. Niemand reageerde. Men was eerder bang dan behulpzaam als er iemand stond te schreeuwen.
“Kijk, daar zijn die vertrekborden.” Dymphy wees naar een groot bord.
“Wat handig! Dat we daar niet eerder aan hebben gedacht.” Miel liep resoluut op het bord af.
“Eens kijken,” zei hij. Hij haalde een papiertje uit zijn broekzak waar het vluchtnummer op stond. Zijn ogen gleden langs de lijst tot hij het juiste nummer vond. “‘Cancelled,”’ las hij op.
“Cancelled?” vroegen Danny en Dymphy, die meteen één en al oog hadden voor het desbetreffende bord.
“Ja, cancelled,” zei Miel verbluft.
∗
Na wat research kwamen ze erachter dat er volgende week pas weer een vlucht zou zijn waar hun gebruik van konden maken.
“Fantastisch, dit is toch een klein feestje, eigenlijk!” zei Miel. “Nu hebben we de kans om deze wereldstad ook eens te bekijken en wie wéét wat we tegenkomen!”
“Miel, dombo! We moeten toch achter Eddy aan?” reageerde Dymphy fel. “Hoe kun je dit nou een feestje vinden?”
“Die wacht maar eventjes, hoor. We kunnen nu toch niet sneller in Nieuw-Zeeland komen,” zei Miel nuchter.
“Ik denk dat we heel veel kleine Oosterse mensen tegenkomen,” zei Danny, inhakend op wat Miel eerder zei. “En dit betekent zo’n beetje dat als we naar Nieuw-Zeeland zouden moeten gaan, ik terug moet naar Nederland voor die sollicitatie. Leuk zeg.”
“Wil je dat wel?” vroeg Dymphy.
“Nou, liever niet, natuurlijk. Maar het maakt eigenlijk ook niet zoveel uit waar we zijn op het moment dat ik terugvlieg, we moeten alleen zien dat we elkaar uiteindelijk weer terugvinden als die sollicitatie eenmaal achter de rug is.”
“Ik zal goed op d’r passen,” beloofde Miel.
“Daar hou ik je aan.”
“Nou, ja. Zouden we niet op kosten van de vliegmaatschappij in een hotelletje kunnen slapen?” vroeg Danny.
“Wacht,” zei Dymphy terwijl ze de polisvoorwaarden van haar reisverzekering door zat te lezen. “Als we meer dan 8 uur vertraging hebben, hebben we recht op vervangend verblijf.”
“Oh, maar moeten we dan niet eerst even bellen?” vroeg Danny terwijl hij de polisvoorwaarden van Dymphy in handen gedrukt kreeg.
“Ja, bel maar even, hier staat het nummer,” zei Dymphy trots.
∗
Tijdens het gesprek bleek al snel een en ander mogelijk te zijn en binnen een paar uur lagen ze met z’n drieën op een hotelbed.
“Weet je, ik heb eens nagedacht over mijn bijbaantje,” zei Dymphy.
“Nu ik ontslagen ben moet ik me gewoon op iets heel anders storten. Ik denk dat ik in een kledingwinkel ga werken, om ervaring op te doen, zodat ik uiteindelijk, later als ik groot ben, m’n eigen kledinglijn op ga zetten. Ik heb er zelfs al een naam voor bedacht! DymphyDingetjes!” zei ze trots.
“Dymphydinertjes?” vroeg Miel. “Dat is toch meer een naam voor een restaurant?”
“Nee, dombo! DiNG-etjes. Dymphy, dat ben ik en de Dingetjes zijn dan de kleren,” zei Dymphy, die het maar raar vond dat Miel haar logica niet meteen begreep.
“Oh! Ja, nu snap ik hem. Leuk gevonden! Tenminste, het klinkt wel leuk. Mijn naam hebben ze allang omgedoopt in iets eetbaars, dat is dan wel weer een beetje jammer.”
“Wat bedoel je?”
“Happy Miel,” zei Miel. “Dat was dan wel weer iets geweest om te verkopen in DymphyDinertjes!”
“Danny! Heeft jouw naam ook iets bijzonders?”
“Nee, ik geloof het niet.”
“Dan maak ik ook wel een kledinglijn voor mannen met jouw naam. Maar dan moet je wel helpen verzinnen hoe het eruit moet zien.”
“Je moet ook ondergoed gaan ontwerpen, Dymphy. En daar reclame voor maken met een lekker mannetje met een strak buikje in een van je hippe onderbroekjes!” zei Miel.
“Ik heb al een man met een strak buikje,” zei Dymphy. “Daar hoef ik toch geen reclame voor?”
“Ja, maar…daar houden vrouwen en mijn soort van, ook al heb jij het toevallig al. Dus je moet wel reclame ervoor maken en dan verkoopt het als een tierelier! Ik weet het zeker!” zei Miel, die het al helemaal voor zich zag.
“Goed. Ik zal erover nadenken.”
“Ik ga even naar het toilet. Kijken of die wc’s net zo klein zijn als de mensjes hier. Zou wel interessante dingen opleveren,” zei Miel.
“Oké, tot zo dan,” zei Danny. Hij ging verder toen Miel de deur uit was. “Dymph?”
“Wat?”
Danny pakte haar hand en trok haar overeind. “Kom, laten we de stad verkennen. Het is vast spannender dan Miel horen plassen en ik wil zoveel mogelijk tijd met je doorbrengen voordat ik weer even terug moet.”
“We gaan zo wel,” zei Dymphy. Ze sloeg haar armen om hem heen en schuifelde met hem heen en weer.
Hij bracht zijn mond naar haar oor en fluisterde: “Ik hou van J-AU! NIET IN M’N OOR BIJTEN, Dymph!”
Hij sprong achteruit, Dymphy keek hem uitdagend aan. “Waarom niet? Dat is toch lief?”
Miel kwam verschrikt de kamer weer in rennen en keek naar Dymphy en toen naar Danny. “Ik hoorde een schreeuw. Danny, je hebt bloed op je oor, is dat normaal?” vroeg hij.
“Dat is niet normaal, nee! Ik ben getrouwd met een kannibaal!”
“Getrouwd?” vroeg Miel verbaasd.
“Nou, nee. Nog niet. Maar misschien ooit wel!”
“Hm, dan wil ik er wel bij zijn. Weet je, ik heb eens nagedacht over wat ik verder moet!”
“Hoe bedoel je?” vroeg Dymphy die met haar onschuldigste blik een pleister voor Danny had gepakt en bezig was om deze op zijn oor te plakken.
“Nou, wat ik moet doen als ik terugkom van deze vak…Ik bedoel, reis. Als jij schoentjes gaat ontwerpen en Danny bij jou komt wonen en jullie gaan samenwonen en ik woon helemaal zielig en alleen bij m’n ouders in Friesland en ik weet niet wat ik moet doen en jij wel en jij hebt heel veel inkomen en ik niet dan word ik jaloers, wat we natuurlijk moeten vermijden, want jij hebt een ontploft rood kapsel en ik niet dus heb ik geen enkele reden om jaloers op jou te zijn, maar ik zou het toch zomaar wel kunnen worden!”
“Wat?” vroeg Dymphy terwijl ze hem met haar grote ogen aankeek.
“Laat maar. Het komt erop neer dat ik nu wat afwezig voor me uit ga staren terwijl jullie romantisch inspiratie opdoen voor jullie kledinglij ntj es.”
“Dat klinkt gezellig!”
“Jawel, hè?”
“Nou, kom! We gaan de stad verkennen!”
∗
Drie uur later kwamen ze terug op de kamer. Miel plofte neer op de sofa.
“Ik denk dat ik weet wat ik ga doen als ik terugkom,” zei hij.
“Wat was je van plan?” vroeg Dymphy, die haar nieuw gekochte kleding op bed verspreidde.
“Ik ga een boek schrijven over dit, over hoe we hier zijn gekomen en hoe geweldig grappig het soms is en hoe verschrikkelijk klote alles kan zijn.”
“Miel! Dat is een supergaaf idee!” zei Dymphy.
“Ik kan alleen niet zo goed schrijven, dus dat is een beetje lastig. Misschien dat iemand me wil helpen?” vroeg hij met een hoopvolle blik richting Dymphy.
“Nou, ik niet. Ik zal het te druk hebben met van alles en nog wat! Moet je dit zien!” Ze hield een shirtje omhoog met een rode olifant.
“Dit is toch énig?!”
“Super. Ik verveel me hier nu al, hè. Ik wil verder met de speurtocht, hoewel het natuurlijk redelijk onlogisch is als wij Eddy vinden en de mensen die het zouden moeten doen niet. Ik vraag me steeds meer af wat het nut is van deze reis,” zei Miel.
“Miel, doe niet zo depressief! Jij wilde hierheen en ook al vinden we Eddy niet, dan hebben we alsnog een leuk uitje gehad, toch?” zei Dymphy die bezig was om verschillende ontwerpen op papier te zetten.
“Oké, oké. Waar is Danny eigenlijk?” vroeg Miel.
“Is die niet naar de wc gegaan toen we binnenkwamen?”
“Niet dat ik weet, ik heb hem alweer een tijdje niet gezien.”
“Danny?” schreeuwde Dymphy.
Er kwam geen antwoord. Dymphy beet op haar lip.
“Is er iets wat je me wilt vertellen?” vroeg Miel.
“Ik denk dat ik tegen hem heb gezegd dat hij even moest wachten terwijl ik iets ging passen, en dat ik toen per ongeluk aan de andere kant van de winkel naar buiten ben gegaan.”
“Dat is niet zo handig. Maar zo moeilijk is het hotel toch niet te vinden, hij zal zo wel komen. Ik ga even in bad. Als hij zo meteen nog niet terug is dan gaan we hem wel zoeken. Probeer hem ondertussen te bellen en zeg hem dan dat hij hier moet komen.”
∗
Een poosje later lag Miel in bad te zingen en nog wat later lag hij bijna te slapen. Ineens hoorde hij een stem naast zich. “Je kunt niet zo goed zingen, hè?”
“Ik geloof het niet, nee. Maar toch doe ik het altijd! Als je lang genoeg oefent lukt het uiteindelijk vast wel.” Hij keek op en zag een schim in de vensterbank zitten.
“Oh, let niet op mij. Ik ben gewoon een gedeelte van je geweten,” zei de stem. “Ik kom je vertellen dat je je de laatste tijd behoorlijk dom gedraagt. Boeken schrijven? Hoe haal je het in je hoofd? Je hebt nog nooit eerder een woord geschreven, op die achterlijke weblogjes van je na dan. Waarom ga je niet gewoon Dymphy helpen met wat ze ook maar wil? Dat is een teken van vriendschap, haar je volledige steun geven!”
“Welnee!” zei nu een nieuwe stem. “Miel, luister nu eens goed naar jezelf! En dan niet naar dat gedeelte van jezelf, maar wat je zelf wilt! Als jij een boek wilt schrijven dan moet je het doen, laat niemand je beïnvloeden.”
“Hij kan niet naar zichzelf luisteren,” zei de eerste stem weer. “Als hij dat doet krijgen we weer taferelen zoals met Tim. Mensen die niet bestaan toch bedenken! Dat is toch niet goed voor een mens?”
“Voor een schrijver zou het juist een goede eigenschap zijn,” verdedigde de tweede stem Miel.
“Maar hij is geen schrijver, snap dat dan!” zei de eerste weer kwaad.
“Het is een nietsnut!”
“Dat is wel zo, maar als hij iets wil dan zijn wij ervoor om hem te stimuleren om dat ook daadwerkelijk te gaan doen! Welk geweten helpt zijn eigenaar nou de put in?”
“Nou, ikke,” zei de eerste weer en hij sloeg zijn armen demonstratief over elkaar.
“Jij bent een uilskuiken. Kijk, we weten allemaal dat Miel een waardeloos persoon is waar je niets aan hebt maar blijkbaar heeft hij wel vrienden!”
“Oh, praat me er niet van,” zei de eerste weer. “Je bedoelt toch niet die Dymphy, hè? Als ik iemand een verkeerde vriendin voor Miel vind, dan is het wel die Dymphy! Stom roodharig kind.”
“Doe niet zo stom!” zei de tweede weer. “Dymphy heeft een supervet kapsel. Daarnaast geef je net het advies aan hem om haar te gaan helpen met haar toestanden!”
“Ja, omdat ik liever twéé mensen zie verzuipen in het werk, dan één. Leedvermaak heet dat, daar ben ik een groot voorstander van!”
En zo kibbelden ze even door totdat Miel zei: “Jongens, als jullie het niet erg vinden verzuip ik mezelf nu even. Als zelfs mijn geweten me al stom vindt…”
Hij dook onder water en hield zijn adem in.
∗
“Miel? Schiet nou eens op! Ik heb Danny bereikt en hij wacht op ons!” zei Dymphy terwijl ze op de deur bonsde. “Miel? Kom nou! Miel?”
De deur gleed open en ze stapte naar binnen. Ze zag Miel in bad liggen en trok hem eruit. “Miel? Miel!” Ze gaf hem een klap op z’n wang.
“Kutterdefuk zeg, dit meen je niet!” gilde ze. “Wat is het alarmnummer hier? HELP! HEEEEELP!”
“Schreeuw niet zo,” zei Miel.
“Hou je mond, je bent bijna dood! HEEEEELP!”
“Nee, dat valt wel wat mee, ik hield gewoon mijn adem in.”
“Je hield gewoon je adem in? Zo gewoon vind ik dat niet! Doe dat voortaan maar niet meer. Ik schrik me verdomme wezenloos omdat je gewoon je adem in houdt,” zei Dymphy terwijl ze Miel los liet.
“Ik wil naar huis,” zei ze, terwijl ze een opklapstoeltje pakte en naast Miel kwam zitten.
“Maar de zoektocht dan?”
“Miel, denk nou eens even na. Deze hele reis is een gestoorde actie van ons allemaal en hoewel ik de reis zelf reuzeleuk vind, is de kans echt heel erg klein dat we Eddy vinden. Ik wil echt best nog met je naar Nieuw-Zeeland, maar de kans is gewoon zó klein. Ik ga er niet heen in de hoop Eddy te vinden, want dat doen we niet.”
“Je wilt het gewoon niet,” zei Miel.
“Oh, kom op, Miel. Dat je me deze kant al hebt opgesleept! Het slaat totaal nergens op!”
“Toch gaan we.”
“Goed. Maar de kans is heel klein dat we hem vinden, ben je je daar bewust van?”
“Ja hoor. Maar ik wil niet over jaren zeggen: “Ja, er was een vriend van me vermist en ik heb er niks aan gedaan.””
“Hij is geen vriend. Vrienden vinden het leuk als je ze vaarwel komt zeggen, zijn blij als ze iets van je zien…Die kijken je niet aan alsof je een idioot bent – ”
“Ik hoor je wel, Dymphy. Ik wil gewoon dat het anders was, weet je. Dat we hem vonden en er een happy end voor iedereen zou zijn.”
“Ja, Miel. Dat komt doordat wij wél goede vrienden zijn die over enige emotionele intelligentie beschikken.”
“Ah.”
“Even heel wat anders. Hoe vind je je dates tot dusver, eigenlijk?”
“Ik vind het tot nu toe niet zoveel soeps. En als er een knappert tussen zit mag ik hem niet eens een zoen geven omdat dat niet aan jouw spelregels voldoet. Beetje jammer, maar al met al is het best een geinig experiment. Al heb je ook van die echte relnichten uitgenodigd en die hoefik niet zo nodig. Ik wil een gewoon gewone jongen, zeg maar.”
“Hm, gelukkig volgen er nog velen!” Dymphy haar gezicht klaarde op bij het inbeelden van de dates die nog zouden volgen.
“Het schuim is bijna weg. Als je niet snel weggaat dan zie je hoeveel lol ik in bad heb,” zei Miel met een rode kop.
Ze stond snel op. “Ja, je bent zo’n belastingmannetje, hè. Die zijn wel goed in bepaalde dingen. Aftrekken bijvoorbeeld! Nou, schiet trouwens eens even op! Danny staat te wachten!”
∗
“Goh, zijn jullie er nu al!” zei Danny, het sarcasme ontging zowel Dymphy als Miel.
“Ja! Miel zat even in bad, wat natuurlijk erg belangrijk was.”
“Ik word gek trouwens, dat je het weet,” zei Miel.
“Hoezo?”
“M’n geweten praatte tegen me.”
“Dat hoort zo, Miel.”
“Toch is het niet normaal. Maar goed, Danny, als jij naar huis gaat, gaan Dymphy en ik Nieuw-Zeeland wel een weekje onveilig maken en dan komen wij ook naar huis. Jij mag ook wel komen maar Dymphy heeft me zonet duidelijk gemaakt dat het een beetje een hopeloze zaak is. Dat dat zo lang moest duren voordat dat tot mij doordrong is vreemd te noemen, dus misschien ben ik toch nog wel een beetje gek.”
“Miel, praat niet zo moeilijk. We zien wel hoe het gaat. Zijn er hier in Hong Kong nog leuke bezienswaardigheden? Een rockcafé misschien?” vroeg Dymphy.
“Luister nou eens naar me! Jullie allebei! Ik word echt gek,” zei Miel sip.
“Nee, Miel. Je hebt gewoon een rijke fantasie. Trouwens, wat heeft het eigenlijk voor nut als wij twee nog wél naar Nieuw-Zeeland gaan, als het toch een hopeloze actie is?”
“Dymphy, doe niet zo dom en stel niet van die lastige vragen!” Hij pakte haar vast. “Ik verzin mensen die niet bestaan en help om een auto – die er ook niet is – uit de modder te duwen! M’n geweten splitst zich op in twee schimmen die met elkaar bekvechten en mij uiteindelijk zo de shit in helpen dat ik eigenlijk de neiging heb om mezelf te verzuipen…Er is iets mis met me!”
“Je kunt jezelf toch niet verzuipen? Dat kan niet! Dat weet iedereen,” reageerde Dymphy.
“Dat heb ik zojuist ondervonden, ja, op een of andere manier kom je toch steeds weer naar boven.”
“Misschien moet je eens een psychiater opzoeken,” stelde Dymphy voor.
“Ja, hallo,” stelde Miel zich voor aan een stuk lucht. “Ik ben Miel. U bestaat niet, maar ik praat wel met u. Tof hè? Oh, en ik heb stemmetjes in m’n hoofd – die niet langer in m’n hoofd zitten, maar ergens achter mijn schouder – die allemaal dingen tegen me zeggen die me alleen maar depressief maken!”
“Het heeft vast nog met een stuk verwerking van je relatie te maken,” zei Danny terwijl Miel en Dymphy hem aankeken. Hij haalde z’n schouders op. “Dat is toch redelijk logisch?”
“Niet echt, maar ga door?” zei Miel.
“Je krijgt amper de tijd om je vorige relatie voor jezelf af te handelen, doordat je nu steeds weer met die dates zit. Je hebt geen tijd voor jezelf. Je bent óf aan het werk, óf druk met Dymphy en mij, óf aan het daten. Geen wonder dat je gek wordt. Ik zou het ook worden, waarschijnlijk.”
Ze vonden een kroegje met vaag klinkende muziek, dit sprak Dymphy wel aan. Danny bestelde met handen – en voetenwerk, drie koppen koffie en ging zitten.
“Dus ik moet gewoon het een en ander verwerken en dan komt het goed?” vroeg Miel aan Danny.
“Waarschijnlijk wel, ja. Niks om bang voor te zijn,” antwoordde hij geruststellend.
“Gelukkig maar. Dat is wel goed nieuws,” zei Miel.
Een vrouw bracht hun bestelling en Miel nam een slokje. “Dit smaakt niet naar koffie, Danny.”
Dymphy nam ook een slok. “Nee, inderdaad. Wat heb je besteld?”
Danny deed ook maar een poging om te proeven en moest hun gelijk geven. “Dit is geen koffie. Maar het smaakt wel, toch?”
“Dat wel,” zei Miel. “Het zal ook wel. Smakelijk bakje! Wat het ook maar is!”
“Op ons zotte leven,” proostte Dymphy.
“Op ons zotte leven,” reageerden Danny en Miel in koor.