9
En het was die karikatuur die Pereira zes weken later met één kogel midden in het voorhoofd omlegde. Dat gebeurde op het centrale plein van Teresina – een rond plein, omgeven door lemen huisjes en, die dag, volgepakt met boeren.
Het was gedenkdag. Overal in het land vierde men het aan het bewind komen van de heilige president met een gratis openbare uitdeling van bacalhau do menino, het nationale gerecht. Op zo’n dertig meter van Pereira stond op het bordes van het presidentiële paleis een enigszins kromme gestalte in gala-uniform (het pak dat Pereira droeg bij de begrafenis van de heilige), die met plechtige scheppen de naar hem uitgestoken kommen en gamellen vulde. Pereira had niet kunnen zeggen of die man een ruwe schets van hemzelf was of juist een te perfect portret dat het punt van volmaakte gelijkenis voorbij was en was doorgeslagen naar het oncontroleerbare uitbotten van alle mogelijkheden. De non-gelijkenis sprong temeer in het oog daar de bedrieger zijn ceremoniële werk verrichtte onder een gigantisch portret waarop de originele Pereira schitterde in zijn onvergankelijke schoonheid.
Maar het was niet de aanblik van het onderkruipsel waardoor Pereira het meest verrast was (als je rondloopt met het idee van een karikatuur, dan ben je min of meer op een dergelijk beeld bedacht) en ook niet de plechtigheid op zich (want die volgde het ritueel dat hij zelf had ingesteld), noch de volkseuforie (wat dat betreft was de o zo voorspelbare opzet geslaagd), nee, wat zijn hart deed bevriezen was de aanwezigheid, aan de zijde van zijn karikatuur, van zijn vader, de oude Da Ponte, van zijn peetoom de bisschop en van Eduardo Rist, zijn jeugdvriend. Gottegot, die blik van hen! Vaderliefde, bisschoppelijke devotie, vriendschappelijk enthousiasme…Al die vertrouwde figuren koesterden de bedrieger alsof hij werkelijk hun zoon, hun petekind of hun vriend was! Enigszins op de achtergrond tussen de ministers en de vertegenwoordigers van de buitenlandse delegaties liet Manuel Callado Crespo, de chef van de tolken, een oog gaan dat aantekeningen maakte. En van alle kanten stroomde de afgodische menigte samen naar het witte bordes van het presidentiële paleis, dat tot een altaar was geworden. Pereira, die zich had geschminkt om er incognito tussen te kunnen glippen met een blikken gamel in zijn hand, begreep dat zelfs zonder schmink niemand op dit plein hem zou hebben herkend. En al had hij de slangenverkoopster recht in de ogen gekeken, dan had ze naar hem geglimlacht als naar een buitenlander en naar de bedrieger gewezen: ‘Is hij niet mooi, onze Pereira?’ En ze zou er als een ongeruste moeder aan hebben toegevoegd: ‘Maar mijn god, wat is hij moe!’ Wat een golf van commentaar zou hebben losgemaakt: ‘Ja, ons Oor veroudert zienderogen, het is niet niks om president te zijn!’
‘Wie toegewijd is zoals hij toegewijd is, die laat er nog eens het leven bij…’
‘Welnee, een Da Ponte gaat niet dood van moeheid!’
Pereira vroeg zich vast en zeker af wie die onbekende kon zijn die zich in de ziel van het volk en in het hart van een vader zo goed voor hem kon laten doorgaan dat hij niet eens meer de moeite nam de gelijkenis zorgvuldig af te werken.
‘Die vraag is niet van belang,’ zou Manuel Callado Crespo hebben geantwoord als Pereira hem die gesteld had.
En de chef van de tolken zou er waarschijnlijk aan hebben toegevoegd: ‘Als iemand hun aan het eind van de rit van de ene epsiloniaanse non-gelijkenis naar de andere epsilonische non-gelijkenis, als laatste dubbelganger een halfblinde ouwe taart die behaard was als een otter op hun dak had geschoven en als dat wijf haar rol dan redelijk had gespeeld, hadden ze haar net zo hard mijn oor, mijn zoon, mijn vriend en mijn petekind genoemd.’
‘Maar u, Callado,’ zou Pereira, die eindelijk was gaan twijfelen, hebben uitgeroepen, ‘u had toch bij de eerste dubbelganger al door dat ik het niet was?’
‘Ach, ik ben tolk en vertaler,’ zou Manuel Callado Crespo hebben geantwoord. ‘In de zeven of acht talen waartussen ik vloeiend laveer, ben ik nooit twee woorden tegengekomen die exact hetzelfde betekenen. Ik heb geen enkele vaardigheid in het spotten van dubbelgangers: mijn broodwinning is de jacht op de epsilon.’
Dit gesprek zou echter nooit plaatsvinden. Pereira had veel te veel haast om de bedrieger te straffen. Goed beschouwd was de bedrieger al dood. Pereira had hem vanaf de eerste oogopslag op de korrel. (Richt voor je je wapen trekt, had de generaal-president hem geleerd, en schiet alleen ter bevestiging.) Pereira zag aan het einde van zijn blikveld iets aan hem dat hem was ontgaan en dat moest verdwijnen. ‘Die schoonheid,’ zei een jonge vrouw in de menigte, ‘dat is de schoonheid van het goede.’
Pereira liet zijn gamel vallen en vuurde.
§
Toen de paleiswacht het plein had schoongeveegd door salvo’s voor de voeten en vlak over de hoofden te schieten, werd er van Manuel Pereira da Ponte Martins, de echte, door de menigte gelynchte dictator, slechts een onherkenbaar samenraapsel van verbrijzelde botten en vlees teruggevonden. Hij werd in de mestkuil gegooid en de vage dubbelganger die hij had doodgeschoten kreeg een begrafenis waar het volk, de regering, de familie en de vrienden dezelfde tranen vergoten. De bisschop deed het Vaticaan een verzoek tot zaligverklaring, de oude Da Ponte stierf van vaderlijk verdriet en vriend Eduardo Rist erfde de vrijgekomen macht.
Zo, dit was het verhaal dat verteld had moeten worden.