.2.
Aangezien de dag daarop een maandag was, kwamen ze precies om half tien op High Banks Hall aan. Dit was de dagelijkse gang van zaken, behalve in de vakanties, sedert miss Brigmore tien jaar geleden, in 1865, de opvoeding op zich genomen had van Katie, de dochter van de heer Bensham. Miss Brigmore gaf de voorkeur aan wandelen, tenzij ze pas laat konden terugkeren of het slecht weer was. De afstand van hun huis tot de Hall was ruim anderhalve kilometer langs de hoofdweg tot aan het grote toegangshek, maar miss Brigmore liet alleen nadat ze sterke tegenwind had gehad iets blijken van inspanning als ze de bordestreden opliep. Als altijd opende de butler, Brooks, de voordeur. Hij werd nu niet langer Harry genoemd, want miss Brigmore had mevrouw tactvol aan het verstand gebracht dat twee Harry's onder één en hetzelfde dak moeilijkheden zouden kunnen opleveren, te meer omdat de een haar echtgenoot was. Harry werd derhalve Brooks voor iedereen, behalve voor de heer des huizes. Miss Brigmore was al tot de ontdekking gekomen dat ze in bepaalde kwesties weinig vat op haar werkgever had. In zeker opzicht was hij weliswaar plooibaar, maar hij kon ook verschrikkelijk obstinaat zijn. „Goedemorgen, miss. " „Goedemorgen, Brooks. "Miss Brigmore liep voorop door de hal, de grote trap op, draaide naar rechts op de ruime overloop en spoedde zich naar de galerij. Toen ze een van de dubbele deuren openzwaaide, stootte ze bijna een emmer water om, waarin de derde meid, Alice Dunn, een dweil uitwrong. „Het spijt me. Heb ik je pijn gedaan?" „Nee, miss. " Alice glimlachte terwijl ze nadrukkelijk haar hoofd schudde. Vervolgens bleef ze gehurkt het paar nakijken dat de lange galerij afliep en wijdde zich toen weer aan het drogen van de ingezeepte mozaïektegels. De mensen hadden gelijk; ze liet ieder in zijn waardigheid. Toch werd haar wel kwalijk genomen dat je soms niet wist wie nu de vrouw des huizes was, zij of mevrouw Bensham, want iedereen wist maar al te goed dat mevrouw Bensham een huishouden zoals dit niet kon besturen, niet zoals het hoorde; ze was niet uit het ware hout gesneden. En de „brigadier", ere wie ere toekomt, had de wind eronder bij de kinderen, dat leed geen twijfel. Ze gedroegen zich behoorlijk, tenminste als zij in de buurt was. Het konden duivels zijn, ja zeker, maar geen parvenuachtige duivels, zoals ze die wel bij anderen had gezien. De kleintjes probeerden te spugen, en dat lukte ook wel. Over spugen gesproken: in de keuken werd gefluisterd dat de eerstvolgende aanval van de brigadier zou zijn, de kwispedoor uit de slaapkamer te krijgen. Tjonge, tjonge, dat zou me een dag zijn. Ze hoopte dat ze dat nog zou kunnen meemaken. Miss Brigmore liep de galerij verder af, verdween weer door openslaande deuren, stak een andere overloop over naar de trap die van de keukens via dit portaal naar de tweede verdieping leidde. De kinderverdieping, zoals deze tweede verdieping werd genoemd, was in al die jaren nauwelijks veranderd, behalve dat de kamer die eens miss Brigmores slaapkamer was geweest, nu een zitkamer was. Toen ze hier pas haar werk was begonnen, werd haar eten en dat van Barbara in de zitkamer opgediend, maar dat had niet lang geduurd. Na herhaalde verzoeken van de heer en de vrouw des huizes was zij bij hen aan tafel gaan eten, terwijl Barbara samen met hun kinderen at. De waarheid gebiedt te zeggen dat door deze regeling miss Brigmores eigen wijze van opvoeding vooruitging, misschien zelfs verbeterde, want direct al had ze het soort conversatie dat tussen twee doodgewone mensen werd gevoerd leren kennen, en die vond ze allesbehalve opbouwend. Nadat ze haar jas, hoed en handschoenen had uitgedaan in haar kamer, streek ze haar in het midden gescheiden haren glad over haar slapen en oren naar het knoetje achter in haar nek. Toen bekeek ze Barbara, dofte de stroken op de schoudertjes van het schortje wat op en glimlachte tegen haar voordat ze zei: „Kom maar! "Toen ze de leskamer binnengingen, sprong Katie Bensham, die achterover lag in de oude leren fauteuil bij de haard, overeind, trok haar schort recht, lachte stralend en zei: „Goedemorgen, miss Brigmore. " „Goedemorgen, Katie. "De twee meisjes wisselden een blik van verstandhouding voordat ze elkaar begroetten. „Goedemorgen, Barbara. " „Goedemorgen, Katie. "Daarna liepen ze rustig door de kamer naar een boekenkast aan de andere kant tegen de muur, waar ze beiden van hun eigen plank een boek haalden,meenamen naar de tafel en achter hun stoel gingen staan. Miss Brigmore stond al achter de hare. Ze boog haar hoofd, vouwde haar handen en begon het Onze Vader te zeggen. „Amen. " „Amen — amen. "Ze gingen zitten; de meisjes, met hun rug stijf gedrukt tegen de spijlen van hun stoel, keken miss Brigmore aan in afwachting van haar aanwijzing, want ze wisten dat het geen zin had de laatste les over Engelse literatuur op te zoeken, omdat miss Brigmore als een kikker van de ene periode naar de andere heen en weer sprong. Het was helemaal niet uitgesloten dat ze, terwijl je midden in George de Derde zat, aan je vroeg waar Boccaccio in de Renaissance paste. Als je hem niet in verband met Dante en Petrarca noemde, was je verloren. Zo kon ze je ook opeens Erasmus voor de voeten gooien, en dat was dan gewoonlijk alleen nog maar het begin. Als ze in een dergelijke bui was, trok ze alle registers van de Renaissance open en eindigde met Marlowe en Shakespeare. Katie Bensham verwonderde zich er al lang niet meer over dat miss Brigmore al deze wijsheid had vergaard. Ze geloofde beslist niet wat John in de vakantie had gezegd, dat ze net als de meesters op zijn kostschool het de avond tevoren uit haar hoofd leerde. Voor haar idee kon geen enkel ander mens zoveel kennis vergaren als miss Brigmore had. Het paste zo bij haar, dat het wel leek alsof ze ermee was geboren en het nooit zelf had hoeven leren. Ze bewonderde miss Brigmore, maar ze kon ook om haar lachen, en dat deed ze ook, omdat ze niet bang voor haar was. Grappig was dat eigenlijk. Iedereen leek op de een of andere manier bang voor haar te zijn; misschien alleen haar vader niet. Ze was er trots op dat ze op haar vader leek, bang voor niets en niemand. Maar Brigie begon de les. „We zullen onze lessen over dichters vanmorgen even onderbreken en ons bezighouden met het onderwerp pedagogen. Zoals jij natuurlijk wel weet, Katie" - ze wierp een blik op het meisje, maar zorgde ervoor dat Barbara haar goed kon zien - , ,werd er in jouw geboortestad Manchester al in 1515 een lagere school opgericht, die een enorme vlucht nam. Maar wie was de stichter? En waarom werd hij opgericht? Die laatste vraag is wel de belangrijkste. . . Waarom? Eton College werd gesticht door Henri VI. " Ze maakte de indruk extra duidelijk tegen Barbara te spreken door haar lippen te bewegen. „Waarom werd het gesticht?" Hoewel ze even zweeg, gaven de meisjes geen antwoord, want die wisten uit ervaring dat ze nog lang niet uitgesproken was. Ze keek van de een naar de ander voor ze vervolgde: „De zondagsschool werd begonnen door Robert Raikes. Waarom? En nog geen vijf jaren geleden werd er een leerplichtwet voor alle kinderen opgesteld. Waarom? Daar gaat het om! Waarom? Het antwoord luidt: uit noodzaak. . . Vanmorgen gaan we ons bezighouden met deze noodzaak, en dan starten we in Frankrijk. Ja," knikte ze van de een naar de ander, „in Frankrijk, en wel met een priester, abt de 1'Epée uit de achttiende eeuw. Hij stichtte een bijzondere school. Nogmaals: waarom?" Weer gleden haar blikken van de een naar de ander en ze keken haar aandachtig aan, nu hun belangstelling was gewekt. Toen zei ze langzaam, haar blikken strak op Barbara gericht: „Omdat hij medelijden had met de vele dove kinderen, dove en stomme kinderen. . . wérkelijk doof en stom, kinderen zonder hoop, die als dieren werden vastgebonden, opgesloten in donkere kamers, in inrichtingen werden ondergebracht omdat ze konden horen noch spreken. "Barbara bleef miss Brigmore strak aankijken. Ze maakte de indruk op dat ogenblik geen enkele emotie te ondergaan. Katie wel; haar gezichtje was rood van verontwaardiging geworden. Nu speelde Brigie toch echt voor de wrekende brigadier; ze was echt wreed. Op dat ogenblik werd er hard op de deur geklopt en de eerste lakei, Armstrong, kwam binnen en richtte zich tot miss Brigmore met de woorden: ,,Mijn meester zou u graag een ogenblikje spreken, als het u schikt, miss Brigmore. "Miss Brigmore haalde diep adem, waardoor haar wrevel werd onderdrukt. Ze wachtte even voordat ze zei: ,,Ik kom zo," en herhaalde voor zichzelf: „als het u schikt! " Harry Bensham kon onmogelijk die laatste woorden eraan hebben toegevoegd, of ze moest zich al heel erg in hem vergissen. Toen ze van tafel opstond, ving ze Katies blikken op. Het kind keek haar boos aan en ze begreep wel waarom. Katie had een warm hartje en ze vond dat de les wreed voor Barbara was. Onwetend als ze was, zoals haar hele familie, meende zij, en met haar het overgrote deel van de bevolking, dat bezoekingen als doofheid, stomheid, ja zelfs blindheid, uit vriendelijkheid moesten worden doodgezwegen en dat lichamelijke gebrekkigheid en geestelijke onvolwaardigheid stevig achter tralies moesten worden opgesloten. Ze nam het boekje op dat voor haar op tafel lag en zei: „Dit is in het Frans geschreven. Het vertelt van de problemen die de abt had om zijn onderwijsmethode voor doven aangenomen te krijgen. Die methode is steeds hernieuwd, naar mijn weten, en moet nog steeds verbeterd worden. Toch was hij een goed mens, met uitstekende bedoelingen, zoals in zekere zin monsieur Sicard ook was. Het zal je opvallen" - ze richtte zich nu meer speciaal tot Barbara - „dat de abt gebarentaal bepleit. Zet je stoelen nu naast elkaar en lees dit boek met aandacht tot ik terugkom. Ik verwacht dan van jullie te horen wat je over deze mensen hebt gelezen en over anderen die je hierin tegenkomt en die zich allemaal hebben ingezet voor hetzelfde doel: de doven te helpen met hun gehoor en de stommen hun eigen taal te leren spreken. "Toen de deur achter miss Brigmore dichtviel, leunde Katie achterover in haar stoel en zei met een diepe zucht: „Nou, nou! " Toen legde ze haar handje op Barbara's arm en voegde eraan toe: „Ze is echt wreed. Ik snap haar niet. Je denkt dat ze van je houdt en toch is ze. . . " „Ik begrijp haar wel. " „Echt?" „Ja, en ze heeft gelijk. Ik moet meer over mezelf te weten komen, over mijn ziekte. " „Het is geen ziekte. " Katie kwam dichter naar haar vriendin toe. „Begin nu niet medelijden met jezelf te krijgen. " „Dat doe ik niet. " Barbara's ontkenning klonk nors. „En het is wel een ziekte. Weet je. . . " Ze zweeg even en haar lippen trilden toen ze vervolgde: „Ik. . . ik kan nog maar nauwelijks mijn eigen stem horen, zelfs als ik schreeuw. " „Je zei de vorige week nog dat je de kerkklokken hoorde. " „Ja, maar ik was er vlakbij. " „En je hoorde me ook met mijn mes over glas krassen. " „Dat zijn bijzondere geluiden. Nog niet zo lang geleden kon ik het gekrijs van een verschrikte vogel horen. Nu niet meer. "Ze keken elkaar aan. Toem mompelde Katie met een bedroefd gezichtje:„Zou het geen verbeelding kunnen zijn?" „Zie je wel. " Barbara leunde achterover in haar stoel, en met een hoge, schelle stem zei ze: „Wie sprak er over medelijden? Niet doen, je weet dat ik dat niet kan hebben. Dan voel ik me net een mankepoot. En denk ook niet dat ik het me alleen maar verbeeld. "Ze keken elkaar zwijgend aan tot Barbara effen vroeg: „Wat is er in het weekeinde gebeurd? Zijn de jongens thuis geweest? Ik heb naar ze uitgekeken, maar ik zag niemand. "Katie knikte. „Ja, ze zijn wel geweest, maar ze zijn gisteravond weer vertrokken. Ze misten je, en dat moest ik je namens hen vertellen. " „Werkelijk?" Barbara glimlachte flauwtjes. „Dan vond het afschuwelijk dat hij niet met iemand kon vechten. "Ze lachten allebei; toen vroeg Katie, en ze leunde wat voorover: „Weet je wie er is?" „Nee. " „Willy. "Barbara vertrok haar gezichtje en haar lippen vormden langzaam het woord „Willy". „Willy. Willy Brooks, je weet wel. Och, natuurlijk ken je hem. " „O, je bedoelt de zoon van Brooks. " „Ja. " Katie leunde weer achterover. „Willy, de zoon van Brooks. " Even gleed er een blik over Barbara's gezichtje die je zou kunnen verwachten op miss Brigmores gezicht als haar zou worden verteld dat een dochter van de eigenaar van de Hall opgewonden raakte omdat de zoon van de butler was aangekomen. Katie zag het onmiddellijk, en ze duwde Barbara nogal ruw met haar vlakke hand achteruit en zei: „Doe niet zo pedant! Willy is erg aardig, en vader is erg met hem ingenomen. Hij heeft hem onder zijn hoede genomen en is van plan hem later een soort rentmeester te maken. . . Vind je hem dan niet leuk om te zien, echt knap?" „Niet erg. " „Niet erg! Je moet wel. . . " ze had bijna „blind" gezegd, maar dat zou verschrikkelijk zijn geweest. Je moest op je woorden passen bij Barbara. Ze nam nu haar toevlucht tot haar moeders idioom en zei: „Je moet wel ,bezopen' zijn. Het is de knapste jongen die ik ooit heb gezien, veel leuker dan John en Dan. " „Vind je dat?" „Ja natuurlijk. Maar niet zo knap als Michael Radlet. " Katie liet haar tong over haar onderlip zakken en er flikkerde iets ondeugends in haar ogen. Nu was het Barbara's beurt haar een por te geven. Toen zaten ze een ogenblik met hun hoofd dicht bij elkaar te lachen, waarop ze eensgezind begonnen aan het boek dat voor hen op de tafel lag. Miss Brigmore hoorde de heer des huizes voordat ze halverwege de hoofdtrap was. Zijn luide bas klonk uit de bibliotheek, die hij ook als werkkamer gebruikte, niet zozeer omdat hij graag boeken om zich heen had, want ze had hem er nog nooit een zien lezen, maar, naar hij haar duidelijk had gemaakt, omdat hij het licht door de hoge ramen plezierig vond. Haar eigen uitleg waarom hij als hij thuis was de voorkeur gaf daar te werken, was het feit dat het de enige kamer in het hele huis was waar geen tierelantijntjes waren, zoals hij de drukke meubels en het schreeuwerige behang noemde dat zijn vrouw had uitgekozen. Als een kamer een zekere waardigheid ademde, had mevrouw Bensham de weinig gelukkige hebbelijkheid het gezellig te willen maken door geschulpte schoorsteenlopers, antimakassars en ontelbare „snoezige" schilderijtjes en afschuwelijke vazen. Toen ze de deur van de bibliotheek naderde, hoorde ze Harry Bensham bulderen: „Waarom heb je voor de duivel deze zaak niet eerder besproken, jongen? Je staat op het punt weg te gaan, en nu kom je me dit voorstellen. Het gaat mij niet aan, het is een kwestie voor mijn vrouw. . . Ja, kom binnen. " Dat laatste in antwoord op de klop op de deur. Toen miss Brigmore binnenging zag ze Willy Brooks, de zoon van de butler, een lange jongeman, en ze vroeg zich af wat hij hier op maandagmorgen deed. Haar aandacht ging van hem, zoals hij daar stond naast een lange tafel die als bureau dienst deed, naar Harry Bensham, die in een leren stoel achter zijn bureau zat. Zijn ronde kop stak naar voren en al zijn korte, wilde grijze haren, waarin geen scheiding te bekennen viel, schenen uit protest recht van zijn hoofd af te staan. Zijn gezicht zag vlekkerig grijs, het bewijs dat zijn driftbui zijn hoogtepunt had bereikt, want in Harry's geval maakte boosheid zijn gezicht niet roder, maar deed zijn normale gezonde kleur juist wegtrekken. Hij had een brief in zijn hand en toen ze voor zijn bureau bleef staan, stak hij haar die toe met de woorden: „Lees dat eens, ja toe maar, lees maar. Zeg maar wat u ervan vindt. " Ze nam de brief van hem aan en las:Aan Mabel Docherty. Naar aanleiding van je sollicitatie voor de post van keukenmeid op High Banks Hall kan ik je meedelen dat mevrouw bereid is je aan te nemen. Zaterdag de vijftiende moet je aanwezig zijn en dan moet je twee katoenen japonnen voor door de weeks en een extra van een beter soort stof voor zondags als je dienst hebt meebrengen. Voorts: een paar lichte en een paar stevige schoenen, vier paar zwarte kousen, drie verschoningen en twee bij voorkeur wollen onderbroeken extra. Je moet om zes uur 's morgens beginnen en bent dan om zeven uur 's avonds klaar, behalve op dinsdag, want dan heb je een halve dag vrij, van één tot achten. Eén op de drie zondagen ben je vrij en je loon bedraagt drie pond en achttien shilling per jaar, alsmede een extra toelage thee of bier. Mevrouw Hannah Fairweather, huishoudster Miss Brigmores mond was half opengevallen toen ze Harry Bensham weer aankeek. „Nou, en?" „Wat verwacht u van me?" „Wat ik van u verwacht! " Hij was overeind gekomen en leunde met zijn handen op zijn bureau toen hij na een paar knetterende vloeken tegen haar zei: „Ik verwacht dat u zult zeggen dat die vrouw een verdomde idioot is. Ik verwacht dat u zegt: hoe komt die vrouw ertoe dat alles te schrijven? Ik verwacht dat u zegt wie haar daartoe heeft gemachtigd?" Miss Brigmore kneep haar lippen op elkaar. Ze kon niet tegen zijn gevloek, al was ze heus wel gewend aan een vloekende man. Toen Thomas Mallen hier nog heer en meester was, had hij er goed weg mee geweten, maar Thomas had toch een heel andere manier van vloeken gehad. Toen ze haar mond opende voor een antwoord zei ze stijfjes: „Zou u deze vragen niet beter aan mevrouw Bensham kunnen stellen?" „Nee, dat zou ik niet. Hoe dan ook" - hij wendde zijn hoofd met een ruk af - „ze ziet er slecht uit en is niet best vanmorgen. Maar u hebt deze aangenomen! " Hij rukte de brief uit haar handen. „Huishoudster! Bah, wat een opschepster! Stel je voor dat je zo'n brief aan de Docherty's schrijft, die geen van allen kunnen lezen, godverdomme. Ze kwamen ermee bij Willy hier. " Met zijn duim wees hij naar de jongeman naast zijn bureau. Hij keek weer woedend in de brief en las: „Twee extra wollen onderbroeken. Lieve God! Ik denk dat het lieve kind nog nooit een broek aan heeft gehad. En dan twee paar schoenen! Ze lopen allemaal blootsvoets vanaf het ogenblik dat ze zijn geboren. " Hij smeet de brief nu op zijn lessenaar met de woorden: „Ik breek dat wijf haar botten! En u hebt ook schuld, verdomd als dat niet waar is. " „Ik verzoek u vriendelijk, meneer Bensham, niet tegen me te vloeken en geen verkeerde voorstelling van zaken te geven. "Harry Bensham boog het hoofd, zette zijn tanden stevig in zijn onderlip, sloeg nog een keer met zijn vuisten op tafel voordat hij weer opkeek en wat minder opgewonden zei: „Het spijt me, mens. Maar ik heb. . . er de pest in, ja, echt de pest. " Hij maakte een gebaar met zijn hand, alsof hij begrip harerzijds wilde afsmeken. „Goed, die Docherty's zijn Ieren en ze zijn net zo sloom als al hun familieleden in Manchester, maar Shane Docherty heeft al jaren voor me gewerkt en Pat, zijn vader, voor mijn vader. Goed" - hij wuifde nu met zijn hand alsof hij protest van haar wilde afwimpelen — " ze verdronken bijna alles wat ze verdienden en leefden van aardappelen en havermout gedurende de rest van de week, maar wat ze met hun geld deden was hun zaak, wat ze voor mij deden een andere. Ze deden naar behoren hun werk en dat doen ze nog, maar Shane zit in over die kleine Mabel. Ze hoest zo en hij wil haar weg hebben van al die spinnerijen en uit de stad, en ik sprak de vorige week met Tilda af dat ze Fair- weather zou opdragen een briefje aan de pastoor te schrijven om hem te vertellen in wat voor een riante omgeving het kind zou komen. Priesters! " Hij beet weer op zijn onderlip en sloeg met zijn vuist op de tafel. „Niet te geloven! Ze regeren die hele verdomde kudde. Net zoals ik de vorige week op de vergadering van katoenspinners zei: als wij maar half zoveel macht als die priesters hadden. . . " Hij zweeg abrupt en keek naar de jongeman. „Het spijt me, jongen, ik vergat je totaal. " ,,0, dat hindert niet, meneer Bensham, dat doet er niets toe. Wat u daar allemaal over hen zegt, dat heb ik al zo vaak tegen mezelf gezegd. " ,,Ja?" Harry's gezicht ontspande geleidelijk. In zijn ogen begonnen pretlichtjes te glanzen en zachtjes zei hij: „Hoe bestaat het! We hebben het nog nooit over geloof gehad, dunkt me. Daar moeten we ook eens aan denken. De macht die zij hebben, maakt me altijd weer nijdig. Sommige van die kerels durven nauwelijks ademhalen zonder toestemming van de priesters! " „Net zoals u zegt, meneer Bensham. Zo is het net. U hebt groot gelijk. " Miss Brigmore ademde hoorbaar door haar neus, waardoor hun aandacht meteen weer op haar werd gericht. Stijfjes vroeg ze: „Hebt u me nog nodig, meneer Bensham?"Harry Bensham keek haar aan, ging vervolgens langzaam zitten voordat hij zei: „Ja, dat heb ik zeker. " „Mag ik u dan verzoeken onze verdere bespreking onder vier ogen te houden?"Harry Bensham keek haar nu met gefronste wenkbrauwen aan. Toen richtte hij zich tot Willy Brooks met de woorden: „Ik geef een gil als ik klaar ben, Willy. " „Mooi, meneer Bensham. "Toen de jongeman zich van de tafel verwijderde, draaide hij zijn hoofd om en keek miss Brigmore recht in haar gezicht. Het was een vrijpostige blik, de blik van iemand die geen dienstbaarheid kende. Niet voordat de deur was gesloten, liet miss Brigmore haar stem horen en toen zei ze koel: „Als u me nog eens een berisping wilt geven, meneer Bensham, zou u dan zo vriendelijk willen zijn dat niet in het bijzijn van ondergeschikten te doen?" „Ondergeschikten! Willy is geen ondergeschikte, aan niemand. Hij is een bovenste beste jongen, die Willy. " „Moet ik daaruit concluderen dat u hem met mij op één lijn stelt?" Harry Bensham kneep zijn ogen half dicht, wuifde met zijn hand in haar richting en zei: „Ga toch zitten, mens, en kom uit de plooi. Doe nou in godsnaam eens gewoon. "Het duurde enige seconden voor miss Brigmore zichzelf weer in de hand had. Ze ging zitten, maar haar rechte rug bewees dat ze niet uit de plooi was gekomen. „Luister nou eens" - zijn stem was kalmerend, zelfs verzoenend, toen hij, zijn onderarmen gesteund op de tafel, zijn hoofd in haar richting stak en zei: „We moeten van haar af zien te komen, van Fairweather. " „U zocht een huishoudster. Toen Forster stierf, stond u erop een huishoudster te nemen. Ik zei destijds dat het beter zou zijn weer een huismeester te nemen. " „Ja, dat weet ik wel. U hebt altijd gelijk, altijd" - hij liet het „verdomd" achterwege en eindigde tamelijk tam — „gelijk. Het was mijn vrouw, ziet u. Zij dacht dat een huishoudster beter was, gezelliger. Ze was een beetje bang voor Forster, kon hem nooit iets opdragen. U weet hoe ze is. U bent zo heel anders, u kon hem goed aan. Zelfs ik voelde me vaak schutterig als ik hem vroeg iets voor me te doen. Het was alsof je een hertog vroeg je schoenen uit te trekken. " „Hij was erg bekwaam voor zijn werk; onder zijn leiding liep alles op rolletjes. " „Misschien wel ja, maar er bestaat een verschil tussen op rolletjes lopen en prettig lopen. " „Bedoelt u zorgeloos, op goed geluk?"Hij leunde nu achterover in zijn stoel en lachte luidkeels. „Ja, inderdaad, u kunt ons nu eenmaal niet veranderen. " „Ik dacht niet dat ik dat heb geprobeerd. "Hij hield zijn hoofd wat schuin, terwijl hij haar onafgebroken bleef aankijken. „U hebt ons al heel wat goede voorbeelden gegeven. " „Mijn opdracht luidde de kinderen les te geven. " „Inderdaad, ja" - hij knikte bedachtzaam - „ik moet toegeven dat u dat goed hebt gedaan. Je kunt het zelfs nog aan de jongens merken wat u voor hen deed voordat ze naar kostschool gingen. Tja, als ik hen onder elkaar hoor praten, heb ik het gevoel dat ze niet van mij zijn maar" - hij richtte zich wat op - „ik ben trots op hen. En Katie, o die Katie. " De uitdrukking van zijn gezicht veranderde. Hij leunde voorover, boog zijn hoofd en met een warme bas zei hij:, ,Ik vind het geweldig als ik haar Frans hoor spreken. Ik versta er wel geen woord van, maar ik geniet gewoon van de klanken die uit haar mond komen. O ja, dat is waar! Nu we het toch over praten hebben, moet ik aan ,horen' denken. Ik heb wat inlichtingen ingewonnen, zoals ik u beloofde. Weet u" - hij sperde zijn ogen wijd open - „het is ongelooflijk wat je al niet te horen krijgt. Daar heb ik mijn hele leven in Manchester gewoond en nog nooit van een school voor doven gehoord, die nog wel door een fabrikant zoals ik is opgericht, een zekere Philips. Hij heeft een comité van bankiers en fabrikanten en dergelijke bij elkaar getrommeld, voorgezeten door sir Oswald, en die hebben deze school opgericht. Het is werkelijk heel merkwaardig. Ik heb die school dikwijls gezien, ben er dagelijks langs gekomen, maar ik heb er geen aandacht aan geschonken. Och, als je eigen kinderen niets mankeren, maak je je er niet druk over, wel? Je zou het eigenlijk wel moeten doen, maar dat gebeurt nu eenmaal niet. Ze hebben me in ieder geval verteld dat ze daar een hoop goed doen aan dove kinderen. Ik heb me toen afgevraagd of u ervoor zou voelen haar daarheen te sturen. Ze zou er intern kunnen komen en ik zou ervoor zorgen. . . " „Nee, meneer Bensham, nee. . . " „Hoezo? U wilt haar toch genezen? Ik bedoel eigenlijk dat u toch elke hulp die u kunt krijgen wilt aanpakken?" „Ja, dat wil ik zeker. . . maar juist gisteren zei ik tegen haar, toen we wat onenigheid hadden en ik boos op haar werd, dat ik datgene zou doen wat u me nu voorstelt, haar naar kostschool sturen. " Nu kwam ze wel uit de plooi; haar schouders kwamen iets naar voren en ze keek neer op de in haar schoot gevouwen handen. Ze sloeg haar ogen neer toen ze zachtjes voortging: „De ontzetting en angst in haar gezichtje waren voor mij even onverdraaglijk als de gedachte alleen al voor haar. Ik wil in geen enkel opzicht iets kwaads zeggen van die school in Manchester, meneer Bensham, maar de omstandigheden waarin een aantal kinderen op die school verkeren, zijn jammerlijk. Ik meen te weten dat zulke inrichtingen veel tijd besteden aan geloofszaken. Het komt voor dat ze 's zondags drie uur aan één stuk in de kerk moeten zitten, zelfs in de winter. " „Tja. " Hij zuchtte. „Daarmee is het dan van de baan. Toch" - hij stak zijn kin naar voren - „nooit bij de pakken neerzitten; dat is mijn motto, weet u. Wat vindt u van de oude geneeswijze? Ik verwed er mijn hele vermogen onder dat die soms heel wat beter is dan al die nieuwerwetse medicijnen. Dat zei ik laatst tegen Ted Spencer, u weet wel, de eigenaar van die spinnerij ginds, waarover ik u weleens eerder heb verteld, en die zei dat hij had gehoord over een stom kind wiens tong was losgemaakt door grote hoeveelheden levertraan. U zou het kunnen proberen. Als het de tong kan losmaken, zou het ook weleens de trommelvliezen kunnen losweken. "Miss Brigmore wierp een blik op hem, en het medelijden dat ze voelde met zijn onwetendheid kon ze niet geheel verbergen. Jaren geleden, in de vorige eeuw, hadden ze levertraan gebruikt tegen doofheid, een aanpak alsof de ziekte te maken had met de ingewanden, en ze hadden de afschuwelijke ongezuiverde olie in kinderkeeltjes gegoten zonder aandacht te besteden aan hun overgeven, met de beste bedoelingen van de wereld, zoals de mannen vóór hen hete ijzers op de nek hadden toegepast om verettering te bevorderen, in de mening dat de pus kon worden weggezogen van de oren, omdat ze dachten dat doofheid het gevolg was van een prop. De folterende pijnen die sommige kinderen hadden ondergaan, en nog ondergingen, door mensen die het allerbeste met hen voor hadden, was op zichzelf al een kwellende gedachte, evenals de twisten die tussen de voorstanders van de ene en die van de andere methode woedden. Als ze de waarheid tegen hem had gesproken, zou ze de school in Manchester hebben belasterd, want ze verafschuwde hun gewoonte om, al jaren geleden begonnen, de kinderen ten toon te stellen om geld bij elkaar te krijgen. Toegegeven, de maatregel was uit nood geboren om de school in stand te houden, maar in haar ogen waren de kinderen daardoor gelijkgesteld aan gekooide dieren in een reizend beestenspul. Ze had veel gelezen over de toestand waarin een dove zich bevindt en ze had gehoopt dat Benshams belangstelling voor dit geval en zijn invloed in een stad als Manchester de een of andere dokter zouden opleveren, een specialist met nieuwe methoden, en dat hij, als de onkosten erg hoog zouden zijn, als beschermheer zou optreden. Maar wat had hij haar nu voorgesteld? Een gewone school, waar kinderen uit alle mogelijke milieus werden opgenomen, en hoewel ze alle dove kinderen de best mogelijke behandeling toewenste, wilde ze dat haar Barbara een speciale behandeling kreeg, en wel op dit ogenblik, voordat haar gebrek nog erger werd. Maar kon het nog veel slechter worden? Ze was immers al zo goed als geheel doof en hoorde alleen nog maar erg hoge en ongewone geluiden. „U zit er te veel over in. " De woorden klonken hard en ze schrok ervan. ,,U bent mijlenver weg. U zit altijd over dat kind te denken. U zou eens wat meer aan uzelf moeten denken. Ik zal u eens wat zeggen: zij komt er wel. Ik heb mensenkennis. Zij krijgt in het leven wel wat ze wil, al valt ze erbij neer. Doof of niet, ze weet haar willetje door te zetten. Het was al een bijdehandje toen ze nog heel klein was, en dat is ze nog steeds. In ieder geval zal haar knappe snoetje haar brengen waar ze wezen wil, als ze tenminste wat molliger wordt. Haar doofheid zal niet eens zo'n grote handicap zijn. Hoe het ook zij, daarover hebben we het later nog weleens. Het gaat er nu om wat we met Fairweather doen. Je kunt toch maar niet over je kant laten gaan dat zij zo maar op eigen houtje het kind meedeelde dat ze haar eigen dienstkleding moet kopen? Wanneer heeft iemand van mijn personeel dat ooit zelf gedaan?", ,Ze was vermoedelijk van plan nieuwe voorschriften te geven om zo doende zuiniger te kunnen zijn. U praat nu niet over het feit dat u van mening bent dat er te veel geld aan het huishouden wordt uitgegeven. " „Goed, goed, dat heb ik gedaan om hun duidelijk te maken dat ik van wanten weet. Ik ben veel weg en ik wil niet dat ze misbruik maken van Tilda. . . Wat moeten we doen?" „Wat wilt u doen?" „Haar ontslaan. " „Dan moet u dat doen. " ,,U hebt haar aanbevolen. " „Ik heb haar om haar referenties gekozen. Ik beval haar aan omdat ze de beste was van de tien sollicitanten en ik ben nog steeds van mening dat ze een goede huishoudster is. Maar misschien. . . " „Ja, misschien wat?" „Ik zal even openhartig als u zijn, meneer Bensham. Misschien niet voor dit huis. " „En wat bedoelt u daarmee?" „Precies wat ik zeg, niet voor dit huis. Ze is gewend geweest een ander soort huis en personeel te leiden. " „Wat mankeert er aan mijn personeel?" „Wat het werk betreft helemaal niets; wat manieren betreft blijft er bij velen van hen een heleboel te wensen over. " ,,U bedoelt van hen die ik uit Manchester heb meegebracht?" „Ja, inderdaad. ", ,Goed dan. Het is mijn huis en ik wil dat het op mijn manier wordt gedaan. Iedereen zit hier te vast in de plooi. "Toen er een stilte viel, tuitte hij zijn lippen, keek haar doordringend aan en zei: „Toe dan, zeg eens wat. Waarom zegt u niet dat het niet meer zoals vroeger is? Zo hebt u er al jaren uitgezien. U zou het, net als al die anderen, best eens hardop kunnen zeggen. Zij zeggen: „Het stelt niks voor, die Benshams. Ze gaan niet eens jagen. Zorgen nooit voor de meute. ' Dat zeggen ze toch, hè?" „Ik weet helemaal niet wat ze zeggen, meneer Bensham. Het grootste deel van mijn tijd ben ik op de kinderverdieping. "Er viel weer een stilte tussen hen, tot hij tenslotte enigszins bitter zei: „Tja,nooit meer tochtjes over de heuvels naar een boerin en bezoeken van de heer en mevrouw Ferrier. Dat zijn die mensen van de glasfabriek, hè? Grote azen in glas. En zij bewegen zich onder de hoge pieten, hè? Omgang met de Percy's en hun soort, naar ik heb gehoord. U ziet dat ik overal spionnen heb. Er gebeurt hier in de omgeving niet veel dat ik niet weet. Niet dat het me nu zo interesseert, maar dan kan ik er tenminste hier om lachen. " „Doet u dat?" „Wat bedoelt u?" „Nou, zit u er hier om te lachen?"Hij gaf geen antwoord, keek haar alleen maar aan, en toen vroeg hij: „Weet u dat ik me van tijd tot tijd zo verdomd erger aan u dat ik me moet inhouden u niet een klap in uw gezicht te geven?" Ze stond nu kaarsrecht. Ook hij was overeind gekomen. De zweetdruppels glansden op zijn voorhoofd. Hij wiste ze af met de zijkant van zijn wijsvinger voordat hij langzaam om de tafel heen liep en op nog geen meter afstand van haar bleef staan. Bijna onhoorbaar mompelde hij:, ,Het spijt me. Echt, het was volkomen ongemotiveerd. U hebt mij en Tilda alleen maar diensten bewezen. En dan gooi ik er dergelijke dingen uit. Ik weet niet wat er met me aan de hand is. Ja, toch wel, geloof ik. Laat ik het eens proberen uit te drukken. " Hij bracht zijn hand naar zijn wenkbrauwen en streek vervolgens door zijn haar. „U laat zich nooit gaan, blijft altijd stijf in de plooi, zoals ik al zei. God, ik geef toe dat u Tilda een heleboel hebt geleerd en dat u haar door alle moeilijke tijden hebt heen geholpen. Ook wil ik niet ontkennen dat u zelfs mij zo nu en dan wat hebt geleerd, maar u laat u nooit gaan. Zo langzamerhand zou u toch een van ons moeten zijn geworden, zoals een vriendin, maar u blijft miss Brigmore. De kinderen noemen u Brigie, maar weet u hoe het personeel u noemt? De brigadier. . . tja. " Hij krabde op verschillende plaatsen op zijn hoofd, draaide zich abrupt om, liep naar de haard, steunde met zijn handen op de schoorsteenmantel en zei: „Hoor mij hier nou eens over huishoudelijke beslommeringen en andere nonsens praten terwijl ik al onderweg naar de spinnerij zou moeten zijn. Hebt u enig idee waarom Willy hier op dit uur was?" Hij keerde zich weer tot haar en keek haar aan, maar zij bleef uit het raam staan kijken, en het was haar rug waartegen hij sprak toen hij vervolgde: „Staking. Hij heeft ontdekt dat die vervloekte opruiers van Pearson een staking voorbereiden. Ja, een staking in mijn spinnerij! Na alles wat ik voor hen heb gedaan, een half uur van hun werktijd afgeknabbeld in de laatste twee jaar en zelfs een heel uur voor de nog geen twaalfjarigen. Er is bij mijn mij geen enkel kind dat na zessen werkt. Ze hebben een extra shilling in hun kerstpakket gekregen en brood en kolen voor de zieken. En dan zijn ze stiekem van plan te gaan staken. Maar net als Willy zegt: het is die troep van Pearson, gespuis, dat is het wat die man om zich heen verzamelt. Kom, ik ga er maar heen, hen herinneren aan wat er de laatste keer gebeurde toen de machines kwamen stil te liggen, en God weet dat ik de zaak niet op de spits wil drijven. " Opeens liet hij zijn stem weer dalen en vroeg: „Luistert u eigenlijk naar me?" Ze keerde zich naar hem toe en liep langzaam in zijn richting. Toen ze bleef staan, zei hij: „Neemt u het mij niet kwalijk?"Even bleef ze zwijgen, maar toen ze sprak, was het nog steeds dezelfde miss Brigmore. „Ik kan mezelf niet veranderen, meneer Bensham. Als ik u irriteer, wil ik u raden u van mijn diensten te ontdoen. " Zelfs terwijl ze deze woorden sprak, wist ze dat het niet meer en niet minder dan een ramp voor haar zou zijn als hij haar aan haar woord zou houden, maar dat zou hij niet, en dat deed hij ook niet. „Tjonge, mij van uw diensten ontdoen. Doe niet zo bezopen, mens! " Hij wendde zich half van haar af. „Hoe zouden we het hier zonder u moeten stellen? O, als ik er alleen maar over zou denken, zou Tilda me al levend villen. Ze is erg op u gesteld. . . Tilda. O ja, dat wilde ik u ook nog vragen. Zou u de komende paar dagen eens wat vaker bij haar willen gaan kijken, tot ik weer terug ben? Ze heeft ergens pijn. . . " „Pijn?" „Ja, hier. " Hij legde zijn hand op zijn maag. „Ik heb al gezegd dat ze het de dokter moet vragen, maar hoewel ze zoals u weet erg meegaand is in menig opzicht, kan ze zo koppig als een ezel in andere zaken zijn; dan krijg je haar niet voor- of achteruit. Ze heeft het niet erg op dokters, is er wat bang voor. Als u nu eens met haar gaat praten, dan kunt u haar vragen wat voor soort pijn ze heeft. Tegen mij zegt ze alleen maar dat het ergens pijn doet. En u kent me, ik heb geen geduld, ik ben net een stier, ik ga dwars door alles heen. Ja, ja. . . ! " Er klonk iets van een lach in zijn stem. „Daar heb je een overeenkomst tussen ons; zo ben ik nu eenmaal en ik ken mezelf. Niemand kent Harry Bensham zo goed als Harry Bensham zelf, behalve dan misschien" - zijn stem zakte een paar tonen - „Tilda. Ik heb u toch verteld, hè, dat we als kinderen naast elkaar woonden? Tja, tja. " Hij schudde zijn hoofd. „Waar blijft de tijd! Toen waren we nog zo klein, maar toen mijn vader wat vooruitkwam, verhuisden we en zagen we elkaar in jaren niet. Tot ik haar achter de machine zag zitten, maar toen was ik al getrouwd. Tja. . . " Hij wendde zich af en terwijl hij in de haard staarde, vervolgde hij: „Toen was ik getrouwd; ik was met een spinnerij getrouwd. " Hij draaide zich bruusk om en keek haar strak aan. „Ik wist wat ik wilde, vandaar dat ik een katoenspinnerij trouwde. Van dat huishouden zou u hebben opgekeken. " Hij knikte tegen haar. „Tja, dat zou u zeker. Parvenu's. God allemachtig. Ik word van niets zo misselijk als van een parvenu, en bovendien weet ik me dan geen houding te geven. U hebt zeker nooit gedacht dat zo iemand als ik geen houding zou weten, maar parvenu's maken me onzeker. Van die lui krijg ik het benauwd omdat ze proberen te schijnen wat ze niet zijn. . . Hoe dan ook, die tijd ging voorbij en ik trouwde met Tilda. Grappig, maar ze heeft al die jaren op me gewacht. Echt waar, dat heeft ze zelf verteld. Maar vreemde wezens, die vrouwen. . . Daar heb je het weer, daar sta ik weer te wauwelen als juffrouw Klessebes bij de kruidenier. " Zijn stem werd weer luider; hij keerde zich af van de haard, knoopte zijn jas dicht en zei met een blik op haar: „Daar snap ik nou niks van. Altijd als ik u tegen het lijf loop begin ik te jammeren. Van nature ben ik beslist niet zo melodramatisch, en het gekke is bovendien nog dat u nu niet bepaald iemand aanmoedigt. Vindt u wel?" Er gleed iets van een glimlach over zijn gezicht, waardoor het dusdanig veranderde dat miss Brigmore, zoals een enkele maal eerder, een heel andere man ontwaarde dan de kwezelachtige, domme, ruwe eigenaar van een spinnerij, die er prat op ging te blijven wie hij was. Ze zag de man die Tilda jaren geleden in hem had gezien, de man die ondanks zijn tekortkomingen, in diepste wezen eerlijk en goed was. Hij besloot zijn relaas met: ,,Er kan bij u zelfs geen glimlach voor me af en toch hoor ik u dikwijls met de kinderen lachen. Wat tovert die lach bij u te voorschijn? Nou ja. . . " Hij stapte nu zelf van het onderwerp af. „Ik moet zien dat ik wegkom. U doet toch wat ik u gevraagd heb, hè? U gaat even naar haar toe?" „Ja, ik zal even poolshoogte nemen. " „Bedankt vast. Tjuus, ik ga ervandoor. " „Tot ziens, meneer Bensham. . . "Toen hij de kamer had verlaten, liet miss Brigmore zich op de eerste de beste stoel neervallen. Wat een man! Ze sloot haar ogen en herhaalde binnensmonds: Wat een man! Onmogelijk, helemaal onmogelijk. Ze had nog nooit zo iemand ontmoet. Stel je voor dat hij hardop durfde te zeggen dat hij haar graag een klap in haar gezicht zou hebben gegeven! Eigenlijk zou ze hier al niet meer moeten zitten; ze zou al boven moeten zijn en Barbara opdracht geven haar boeken en andere zaakjes bij elkaar te pakken omdat ze dit huis gingen verlaten en er nooit weer in terugkeren. Een klap in haar gezicht! Niet te geloven!Ze haalde heel diep adem en bleef toen een poosje doodstil zitten; ze dwong zich eerlijk te zijn en zich af te vragen of haar manier van doen de man ergerde. Dat moest wel het geval zijn, want hij had met haar gesproken zoals hij zo dikwijls met zijn vrouw deed. Toen ze hier pas was gekomen, had zijn toon tegen zijn vrouw haar vaak geschokt; hij had de gewoonte tegen haar tekeer te gaan alsof ze de eerste de beste bediende was en hij praatte nooit tegen haar zonder de een of andere krachtterm. Niet te geloven! Ongelooflijk! Het was een wonderlijke kerel. Nee, dat was ook niet het juiste woord. . . Wat dan wel?Ze stond op en voelde even of de knopen van het lijfje van haar japon gesloten waren, streek haar rok glad en verliet traag het vertrek. Ze stak de overloop over, liep de trap op en klopte op de slaapkamerdeur van mevrouw Bensham. Toen ze de deur opende, zag ze Matilda Bensham rechtop in de kussens zitten. Ze droeg een felroze flanellen nachtjapon, waarvan de kraag royaal met kant was afgezet, ook de mouwen waren rijkelijk van witte kant voorzien, en die blankheid was in scherp contrast met de vaalheid van haar gezichtje en de vlekkerige handen, waarop de aderen duidelijk zichtbaar waren. „Dag, lieve," zei ze. „Goedemorgen, mevrouw Bensham. Ik hoorde dat u zich niet helemaal lekker voelt. " „Mijn maag. " De woorden waren slechts een fluistering en Matilda klopte met haar vlakke hand op de sprei ter hoogte van haar middel. „Van streek?" „Niet wat je daar gewoonlijk onder verstaat, lieve. Ik heb al een hele tijd een knagend gevoel daar. . . Maar denk eraan, mondje dicht tegen hem. Beloof me dat je niets tegen hem zegt, want hij heeft al genoeg op zijn boterham. Nou en of! Ik kan het me niet indenken. Willy kwam hier gisteren, weet u. In de nacht van zaterdag op zondag is hij hierheen gekomen, en dat heeft hem heel wat trammelant gegeven. De treinen lopen ook niet meer volgens het boekje. Net als die bedrijfsleider van Harry; die werkt alleen als hij van achteren wordt geduwd. Er dreigt een staking en hij wordt verondersteld er niets van te weten. Er zit een luchtje aan, want bij ons wordt er niet gestaakt. Nooit niet! Harry maakt er een hemel op aarde van, heeft er zelfs aan gedacht de vrouwen zaterdags om drie uur naar huis te laten gaan, opdat ze niet alles op zondag hoeven te doen, wassen, schoonmaken en koken, weet je wel, want dat is de enige vrije dag die ze hebben. En dan staken! U snapt toch zeker wel dat ik niet wil dat hij zich zorgen maakt over mij? Wat ik u vertel, dat blijft onder ons, hè?" „Maar natuurlijk, mevrouw Bensham. " „Nou, meid, het zit zo. . . Schuif een stoel aan en ga lekker zitten. " Met een armbeweging wees ze een stoel aan. „Ik heb al een jaar lang af en toe last van die pijn, o, misschien wel langer. Windjes, dacht ik meestal, als gevolg van mijn manier van eten. Weet u, ik eet twee keer zoveel als Harry. Ik snap niet dat hij wat hem wordt voorgezet kan weerstaan, maar hij doet het toch maar. Hij is er trots op dat hij geen buikje heeft en er zo doende nog niet zo oud uitziet. Hij is ijdel, weet je. " Ze grijnsde breeduit terwijl ze miss Brigmore toeknikte. „En natuurlijk heeft hij het volste recht daartoe, want je zou nooit zeggen dat hij zesenvijftig is, vindt u wel? Je zou zeggen, een midden-veertiger, en dat weet hij heel goed. Ja zeker, dat weet hij. Zodoende ziet u, dacht ik dat het aan mijn eten lag. Maar dat heb ik een heel stuk verminderd en nog altijd heb ik pijn, van tijd tot tijd zelfs veel erger. Zo af en toe kan ik het niet meer verbergen. " „U moet het de dokter vragen, mevrouw Bensham. " „Dacht je heus, meid?" „Ja zeker, zeer beslist, als u al zo lang pijn hebt gehad. Ik vind het niet erg verstandig van u dat u er nog niet eerder naar hebt laten kijken. Misschien is het een heel onschuldig iets. " „Zo iets als wat, dacht u?"Een onschuldige vraag waaruit een soort waardige berusting sprak. „Tja. . . " Miss Brigmore zette haar vingertoppen tegen elkaar en wachtte even, alsof ze diep nadacht. Toen zei ze: „Kolieken, bijvoorbeeld, veroorzaakt door verkeerde ligging van een darm. " „Kunnen de darmen een verkeerde houding aannemen?" „O, ja zeker, als ze, laten we zeggen, extra te lijden hebben door. . . verstopping of zo. " „O, juist, op zo'n manier. " Tilda staarde naar het voeteneinde, knikte en zei: „Misschien heb je gelijk, meid, het zou zo iets kunnen zijn. . . Een verdraaide darm. " Ze wendde haar blikken naar miss Brigmore. „Kunnen ze dat genezen?" „Maar natuurlijk! Ik ben er zeker van dat ze dat kunnen genezen. " „Zou dat ook bloedingen kunnen veroorzaken?" „Bloeding?" „Ja, inwendige bloeding. "Miss Brigmore bevochtigde haar lippen en antwoordde: „Tja, ook wel. . . door. . . door inwendige endeldarmuitstulpingen. " „Aambeien, bedoelt u?" „Ja. " „Inwendige?" „Ja. " „Zo, dat werpt een ander licht op de zaak, zoals ze in deftige kringen zeggen, hè?" Ze lachte nu hartelijk, waarbij je haar sterke kleine tanden kon zien, waarvan er aan weerszijden twee over elkaar heen waren gegroeid. ,,U hebt me wat opgevrolijkt. Harry heeft wel gelijk als hij zegt dat u de enige verstandige idioot. . . ziel hier in huis bent. U weet altijd het goede antwoord, de juiste reactie, ja, dat is zo. O, ik heb zo dikwijls gedacht wat ik een problemen zou hebben gehad, vanaf de eerste voet die ik hier in huis zette, als ik u niet had gehad. U bent een buitenkansje, een echt buitenkansje voor ons. Zal ik u eens wat zeggen?" Ze boog zich nu naar miss Brigmore toe en fluisterde: „Harry heeft plannen met u. " Ze knikte heftig. „Denk eraan, mondje toe hierover, want anders slaat hij me van top tot teen blauw, maar hij wil ervoor zorgen dat u goed bezorgd bent als u hier niet meer kunt werken. Dan zult u in staat zijn een beter leven te leiden dan u ooit hebt gehad, afgezien dan van de tijd hier. " Miss Brigmore voelde een kleur in haar wangen stijgen tot aan haar haargrens. Wat kon ze hierop antwoorden? Ze voelde zich helemaal niet op haar gemak. Toch moest ze dit aanbod niet verkeerd opvatten; dit waren vriendelijke mensen, al wist je er niet goed raad mee. Tegen haar zin moest ze wel toegeven dat ze veel hartelijker waren dan de vorige eigenaars van deze bezitting, heel wat aardiger. Met een wonderlijk onvaste stem stamelde ze dankbetuigingen. „U bent bijzonder vriendelijk, mevrouw Bensham, erg vriendelijk. " „Kom, meid, dat ben ik niet; dat is hij. Hij is altijd zo'n goede man geweest; altijd, niet nu alleen. O nee, zeker niet. Wat hij niet allemaal voor anderen heeft gedaan! Zelfs voor die verroeste Ieren! Denk er wel om: dat is een vuil zootje, die Ieren. Hijen ik zijn als buurkinderen opgegroeid. Dat weet u al wel, maar heb ik u ook verteld dat wij met zijn elven in twee kamers huisden, terwijl er bij Harry maar vijf in diezelfde ruimte zaten? Die hadden geluk. Maar beide huizen waren zo schoon dat je er van de vloer kon eten. Mijn moeder stond altijd om vijf uur 's morgens op om te zorgen dat wij en zij op tijd in de spinnerij waren. In het begin werkten we daar tot 's avonds negen uur, maar zelfs als we er tot middernacht hadden moeten blijven, dan nog zou ze de kachel hebben uitgehaald en de matten geklopt. Die kachel werd iedere week gitzwart gepotlood tot ze stierf. . . Maar die Ieren. . . ! Toen Harry en zijn familie gingen verhuizen, kregen we zo'n gezin naast ons. Echt, zo iets heb je nooit van je levensdagen gezien. Ze brachten zelfs een varken mee. " Ze boog bijna dubbel en schaterde het uit. „Dat is voor de Ieren in Manchester zoveel als hun bank, een varken. Zodra ze in die tijd wat overgespaard hadden en het niet aan drank uitgaven, kochten ze een varken. In die twee kamers huisden twee families, samen zeventien; ze sliepen niet alleen als sardientjes in een blikje, om en om, maar er moesten er altijd nog enkelen rechtop tegen de muur blijven staan. " Ze lag met haar hoofd op haar knieën van het lachen en miss Brigmore kwam tot de ontdekking dat ze hartelijk meelachte terwijl ze ontdaan was door de zo kleurrijk beschreven omstandigheden. ,,Hè, hè. " Matilda droogde haar ogen. ,,Ja, mijn moeder heeft hard gewerkt. Haar enige verzetje was haar pijp. Om twaalf uur 's nachts haalde ze hem te voorschijn en nam een trekje. Weet je, meid" - ze leunde weer achterover in de kussens - „ik lig al sinds vrijdag in bed. Even nadat u naar huis ging, ben ik naar boven gegaan. Het weekeinde duurde zo vreselijk lang, want ik heb niets anders gedaan dan nadenken. Ik heb maar liggen denken aan de dagen van vroeger en ik kan maar niet begrijpen, weet je, dat ik hier in dit huis woon met een schep bedienden om me te verzorgen. Ik kan het gewoon niet vatten. En hoe lang zit ik hier nu al? Al bijna negen jaar. Tja, ze zeggen dat je van een kikker geen veren kunt plukken, en voor mijn gevoel is dat ook zo, want ik voel me hier nog steeds niet op mijn gemak. " „O, mevrouw Bensham, u moet u hier op uw gemak voelen. Het is uw eigen huis. . . Alle leden van uw personeel hebben ontzag voor u en uw man en kinderen zijn dol op u. " „Ja, ja, dat geloof ik wel, dat ze van me houden, bedoel ik, want het zijn nog geen parvenu's geworden. Maar dat kan nog wel komen; ze zijn nog zo jong. Hoe zullen ze erover denken als ze verliefd worden en een meisje mee naar huis willen nemen en Katie een vriend. . . of moet ik dan fiancé zeggen? Zouden ze dan nog van me houden, denkt u? Och" - ze schudde haar hoofd - „wat maak ik me toch druk. Misschien zijn we morgen allemaal dood, hè?" Ze keek miss Brigmore strak aan, en deze wendde haar blikken niet af terwijl ze zei: „Dat is erg onwaarschijnlijk. U zult nog meemaken dat uw kleinkinderen en misschien zelfs uw achterkleinkinderen om dit huis spelen. "Het was even stil voordat Matilda zachtjes zei: „Nee, meid, nee, dat zal ik niet. "Ze bleven elkaar zwijgend aankijken. Miss Brigmore haalde diep adem en fluisterde toen: „O, mevrouw Bensham. " „Zou u het moeilijk vinden om me Tilda te noemen, al was het maar één keer?" „Dat. . . zou heel moeilijk zijn. " Miss Brigmores stem klonk bijna toonloos. „En. . . het zou ongepast zijn. Maar ik wil u graag zeggen dat ik grote eerbied voor u heb en ik zal graag als. . . Matilda aan u denken. " „Je bent een malle meid. " „Ja, daarvan ben ik me bewust. Mijn manier van doen moet u van tijd tot tijd heel erg hinderen, evenals het meneer Bensham doet. " „Wat? O, hem irriteer je helemaal niet, en mij ook niet. Denk dat nou niet omdat ik gezegd heb dat u een malle meid bent. Ik zou eigenlijk hebben moeten zeggen: een geweldige meid. "Miss Brigmore voelde dat ze op dit ogenblik niet veel meer emotionele spanning kon verwerken dan ze al had moeten ondergaan. Daar zat ze nu op haar vierenvijftigste, bijna vijfenvijftig, en werd „meid" genoemd, maar dan in de best denkbare betekenis van het woord, door deze vrouw, deze lieve vrouw, en ze vond haar werkelijk lief, ondanks haar onwetendheid en onbeschaafde manier van doen, want mevrouw Bensham zag dapper onder ogen dat ze aan een ziekte leed die haar binnenkort in het graf zou brengen. Toen ze wilde opstaan, zei Matilda: „U kunt nog wat voor me doen. " „Wat u maar wilt. " „Willy is boven geweest en hij vertelde me dat mevrouw Fairweather een brief heeft geschreven aan de Docherty's. Weet u daar iets van?" „Ja. " „Mooi. Ik heb hem gezegd dat hij het aan de baas moest laten zien en hem laten beslissen zonder te zeggen dat ik ervan weet, want ik ben ervan overtuigd dat Harry, als hij die brief eenmaal heeft gelezen, van haar af wil, en dat wil ik ook zo graag, maar ik heb het haar nooit durven zeggen. Zou u dat voor mij willen doen?"Miss Brigmore hoefde geen ogenblik na te denken over de onaangename taak die haar wachtte. Ze antwoordde onmiddellijk: „Ja, ik zal het wel doen. Maakt u zich daarover maar geen zorgen. Ik maak het wel in orde. " „O, alstublieft en welbedankt. Hebt u de brief gelezen en hebt u ooit iets dergelijks meegemaakt? De Docherty's wonen in een krot. De mannen zijn harde werkers, maar die moeder is hopeloos. De laatste keer dat ik er was, wemelde het er van de luizen, en Mabel, het meisje dat Harry wil aannemen, lag letterlijk in de rotzooi, en als ik rotzooi zeg, dan bedoel ik dat ook. Alles wat ze niet gebruiken, gooien ze naast de deur, voor en achter; het ligt huizenhoog opgestapeld. Ze sterven er als ratten. Ze hebben me verteld dat ze Cods' Row omvergehaald hebben; dat hadden ze al lang moeten doen. Maar u zegt het haar, hè?" „Ja, ik zal het doorgeven. Blijft u vooral rustig liggen en kom er niet uit. Ik zal de dokter vragen te komen. " „Och. . . ",,Niets te ochen. " Miss Brigmore schudde haar hoofd, en daar bleek afkeuring uit. Het was alsof ze tegen de meisjes sprak toen ze zei: „De dokter komt u onderzoeken, en wel zo gauw mogelijk. " „Harry zal zich ongerust maken als de dokter komt. " „Har. . . meneer Bensham zal zich ongerust maken als u geen dokter laat komen. "Er klonk een schaterende lach door de kamer. Matilda hield haar gezicht met twee handen vast terwijl ze achterover in de kussens proestte: „Ha, ha, nou had u bijna Harry gezegd, ja heus, echt waar, u zei bijna Harry. " Miss Brigmore deed haar best een glimlach te onderdrukken, maar het lukte haar niet. Ze draaide zich snel om en liep de kamer uit, maar toen ze eenmaal op de overloop stond, bleef ze even wachten en sloeg haar hand voor haar mond, want ze stond op het punt in snikken uit te barsten. Ongelooflijk, wat een moed! Maar ze mocht nu niet zwak zijn. Ze moest nu direct twee dingen doen: ten eerste de lakei naar de stad sturen om de dokter te waarschuwen en vervolgens moest ze naar de bibliotheek gaan. Daar moest ze de huishoudster laten komen en haar meedelen dat ze opdracht had ontvangen haar te ontslaan. Wat een morgen!