9

Op een zonnige dag in april, negentiendrieënveertig, stapte Aggie haar huis binnen. Ze was koud en moe, en ze had zin om iets warms te drinken en haar voeten op een stoel te leggen. Maar ze had nauwelijks de voordeur achter zich dichtgedaan of ze hoorde de telefoon in haar kantoor rinkelen. Dat zou Susie wel weer zijn, om te horen of ze nog leefde. Als er een bom in Wallsend viel, dacht Susie altijd dat er een splinter van naar Newcastle zou afdwalen en haar zou uitpikken. Susie zei nooit haar naam of hallo, maar ze zei direct: 'Is het goed met je, Aggie?' en ze scheen altijd hogelijk verbaasd te zijn dat het goed met Aggie was. Aggie pakte de hoorn van de haak. 'Ja... ja, met Temple 3567.' 'Een ogenblikje alstublieft.' Ze wachtte even en toen ze de stem hoorde zei ze, met grote ogen van verbazing: 'O, hallo, Andrew.' 'Luister, tante Aggie, ik heb gloeiende haast.' Hij noemde haar nu tante Aggie en ze vond dat wel leuk. 'Zeg tegen Grace dat ik elk moment langs kan komen, misschien vanavond, of morgen op zijn laatst, en als alles mee zit stoppen we even in de buurt. Wilt u dat doorgeven?' 'Ja, Andrew... Hallo!... Ben je daar nog? Andrew... Andrew!' Hij had al weer opgehangen. Nou, dat was dan kort maar krachtig. Misschien betekende het wel dat hij helemaal niet had mogen telefoneren. Ze trokken uit Schotland weg, naar het zuiden waarschijnlijk; er hing iets in de lucht, in het hele land heerste een soort gespannen verwachting. Churchill was iets van plan. Nou, ze moest het maar gauw aan Grace doorgeven. Het was al weer weken geleden dat Grace en Andrew elkaar hadden gezien, hij had nog geen dag verlof kunnen krijgen. Ze nam de hoorn van de haak en gaf Graces nummer op, en toen ze de landerige stem van Peggy Mather hoorde vragen: 'Wie is daar?' zei ze bruusk: 'Zeg tegen mevrouw Rouse dat haar tante aan de lijn is.' 'Ze is bezig de baby in bad te doen.' 'Nou, wees dan zo vriendelijk haar te zeggen dat ik haar beslist moet spreken.' Die slome dikzak. Aggie mocht Peggy Mather niet, en ze wist dat deze gevoelens wederkerig waren. Ze bleef staan wachten, terwijl ze van de ene koude voet op de andere steunde. Arme Grace, om de hele dag met zo'n stuk chagrijn opgescheept te zitten! Dat stuk verdriet aan de ene kant en Prins Blitsboy aan de andere!... O, ze kon die vent niet luchten of zien. Met dat slijmerige gedoe en dat gezemel tegen de kinderen... Gunst. Volslagen belachelijk, als je er goed over nadacht. Die manier waarop hij dacht dat die kinderen zijn eigen prestatie waren... En geen van die twee was van hem. Het was - het was te gek om los te lopen... Ze wist niet hoe Grace het uithield bij hem, met alles. Er moest toch eens iets gebeuren. Wanneer Andrew zou afzwaaien zou alles wel uitkomen. Ze pakte een potlood en begon op een blocnote te krabbelen. Zou hij bij haar in de zaak willen? Zou hij makelaar willen worden? Nou, hij zou toch de een of andere baan moeten vinden, iets anders dan op een boerderij, iets waar geld in zat... en toekomstmogelijkheden, omdat hij niet van Graces geld wilde leven, dat was duidelijk, en dat strekte hem ook tot eer. Ze mocht Andrew graag, beslist. Ze wilde dat het allemaal anders was gelopen. Er stak meer in hem, meer dan in de meeste jongelui van zijn leeftijd. Hij was een... 'O hallo, Grace.' 'Dag tante Aggie! Is alles goed met u?' 'Ja prima. Je lijkt Susie wel, die vraagt dat ook altijd meteen.' Ze hoorde Grace lachen en ze vroeg zachtjes: 'Ben je alleen?' 'Ja.' 'Ik heb een telefoontje gehad; er kan elk moment iemand langs komen. Met een beetje geluk stoppen ze in het dorp. Het kon vanavond of morgen zijn, dat wist hij niet.' Het was even stil en Aggie zei: 'Hallo, ben je daar nog?' 'Ja, jazeker, tante Aggie. Wanneer hoorde u dat?' 'Een paar minuten geleden.' 'Dank u, tante Aggie, dank u.' 'Nou, ik hang maar weer eens op. Ik kwam net binnen en ik ben steenkoud; de wind snijdt je door merg en been. Hoe is het weer bij jullie?' 'O, het is mooi weer, zelfs warm.' 'Je boft maar weer. Tot ziens.' 'Tot ziens, tante Aggie, en heel hartelijk bedankt...' Grace legde de hoorn op de haak en liep langzaam de zitkamer in. Ze staarde uit het raam naar de tuin waar Donald aan het wieden was tussen de enigszins kronkelige rijen groenten. Er was niet veel over van de mooie siertuin van Wilgenweide. Alle grond werd nu benut voor het kweken van groenten en Donald had dit met veel vallen en opstaan moeten leren. En zelfs nu zouden zijn pogingen weinig succes hebben gehad als hij niet het organisatievermogen had bezeten om Jan en Alleman in het weekend in te schakelen. Ze liep naar het raam en ze voelde zich opeens gejaagd. Ze moest de kinderen binnenroepen en in bad stoppen. Hij kon vanavond hier zijn, Andrew kon hier vanavond langskomen. Maar hoe moest ze dat te weten komen? Zou hij openlijk hierheen komen? Waarom niet, waarom niet? Als hij haar niet op hun nieuwe ontmoetingsplaats zou vinden zou hij hierheen komen. Hij zou haar willen zien. Wat er ook mocht gebeuren, hij zou haar willen zien. O Andrew... Andrew. Ze was er moe van zich iedere keer zijn gezicht voor de geest te moeten halen. Ze had vaak bedacht dat ze niet eens een foto van hem had, alleen maar de herinnering. En toch was dat niet zo. Ze hoefde alleen maar naar Beatrice te kijken om hem te zien. Beatrice had zijn ogen cn zijn grote, rechte neus. Die neus was misschien geen schoonheidsideaal, maar hij was wel karakteristiek. Beatrice zou op Andrew gaan lijken, maar Stephen niet. Ze keek naar Stephen die met Donald en Veronica Cooper in de tuin werkte. Hij had diezelfde smalle bouw als Andrew en soms verbeeldde ze zich dat hij hetzelfde profiel had, maar daar hield het ook mee op. Ze vond het altijd pijnlijk om te zien hoe hevig het kind Donald bewonderde. Wat Donald ook deed, de jongen probeerde het altijd na te doen. Hij probeerde zelfs Donalds manier van spreken na te doen. Gedurende de afgelopen vier jaar had Grace met stijgende woede moeten toezien hoe Donald zich bij het kind op de eerste plaats wist te manoeuvreren. En nu begon zich dat proces bij Beatrice te herhalen. Ze had daar misschien blij om moeten zijn, maar ze was het niet. Beatrice was ongeveer tien dagen te vroeg geboren, waardoor ze volgens Donalds berekening drie weken te laat was gekomen. Af en toe kon ze gewoon zien hoe hij zat te rekenen, en in gedachten terug ging naar één bepaalde zaterdag toen hij haar en Bertrand Farley samen uit de bus uit Newcastle zag stappen. Ze hadden samen gelachen en toen Bertrand haar hielp uitstappen was ze uitgegleden en bijna gevallen. Op dat moment was Donald de kerk uit gekomen. Maar kennelijk had hij zichzelf overtuigd, want vanaf het moment dat het kind was geboren deed hij alsof het van hem was. Ze riep uit het raam: 'Stephen! Veronica! Binnenkomen, jullie moeten in bad. Schieten jullie even op?' 'O mamma!' Stephen keek haar aan. 'Mogen we nog vijf minuten?' Hij wachtte niet op antwoord van haar, maar keek Donald aan en vroeg: 'Mag ik nog vijf minuutjes, pappa?' Donald kwam overeind, zette zijn hand in zijn zij, draaide zich om en riep: 'Nog vijf minuten.' 'Hoi - hoi - hoi.' De twee kinderen begonnen verwoed met hun schepjes te graven en Grace stond knarsetandend toe te kijken. Zo ging het nou altijd. De geweldige pappa, de geweldige oom Donald, die er voor zorgde dat ze nog vijf minuten extra kregen. En die er voor zorgde dat ze snoepjes kregen wanneer ze van niemand anders snoepjes konden krijgen. Die ze verhaaltjes voorlas wanneer niemand anders tijd had om verhaaltjes voor te lezen. Hij verjoeg hun angst voor de vliegtuigen door alleen maar te zeggen: 'Kniel nu neer en zeg: "Ik ben in Gods handen. Er zullen geen stoute bommen op mij vallen. De Goede Herder beschermt mij en mij kan niets overkomen." ' Een prachtig staaltje psychologie waardoor een man in een god veranderde, een god die al je wensen in vervulling deed gaan en de macht bezat om anderen dat ook te laten doen... Maar Andrew zou vanavond of morgen langskomen. Ze zou Andrew zien. Al zou ze Andrew ook maar vijf minuten zien, dan zou ze er toch weer voor een hele tijd tegen kunnen. Alleen wanneer ze hem zag, voelde ze zich weer evenwichtig. Als ze behoefte had aan troost kon ze zelfs niet even naar boven gaan en zijn brieven lezen, want die lagen bij tante Aggie. In zijn laatste brief had hij geschreven: 'Bij mijn volgende verlof zal ik het mijn moeder vertellen, hoewel ik zo'n idee heb dat ze al iets vermoedt. Voor de oorlog dacht ik dat niets mij er toe kon brengen haar aan de grillen van mijn vader overgeleverd te laten, maar zoals je ziet moest het nu wel, en ze zal de eerste zijn om in te zien dat ik nu andere verplichtingen heb. Deze oorlog kan niet eeuwig duren, dus we zullen samen de toekomst onder ogen moeten zien. Het zal voor jou, zoals steeds, het moeilijkste zijn. Ik houd van je, ik aanbid je en dat zal zo blijven zolang als ik leef, Grace.' Ze vroeg zich voor de zoveelste keer af wat hij bedoelde met de opmerking dat het voor haar het moeilijkste zou zijn. Bedoelde hij dat ze de kinderen bij Donald zou achterlaten? Nee, dat kon hij niet bedoelen, dat zou hij niet van haar verwachten. Nee, hij bedoelde dat het voor haar moeilijk zou zijn om haar goede naam, want van een scheiding zou geen sprake kunnen zijn. Of toch wel? Men ging daar toch anders over denken, zelfs binnen de kerk. Ook mensen uit de High Church kregen hun echtscheiding erdoor. Maar als ze zouden scheiden, zou Donald de kinderen opeisen... hij zou de bedrogen partij zijn. Maar als ze voor de rechter eens de waarheid zou vertellen... Voor de rechter zou verklaren dat Donald... Nee! Nee! Dat kon ze hem niet aandoen. De gedachten begonnen weer door haar hoofd te tollen, zoals ze dat zo vaak deden, de laatste tijd. Ze moest kalm blijven... dat moest wachten, Andrew kon elk moment hier zijn.
Het konvooi stopte de volgende dag om twaalf uur in het dorp. Het bestond uit vijfentwintig vrachtwagens die hoog waren opgeladen met vreemdsoortige voorwerpen, waar zeildoeken overheen waren gespannen. Naast de vijfentwintig chaulfeurs waren er negentien andere mannen, twee korporaals en twee sergeants, onder wie Andrew Maclntyre, een eerste luitenant en een kapitein. Het konvooi was sinds zes uur die morgen op weg. Ze zouden een uur halt houden. Andrew rende vliegensvlug de heuvel op naar de pastorie en pas op de oprit minderde hij vaart. Toen hij op de keukendeur klopte en Peggy Mather opendeed keek hij haar verbaasd aan. Hij had dat gezicht al eens eerder gezien en opeens herinnerde hij zich waar. Maar dat was op dit moment niet van belang. Hij vroeg snel: 'Is de dominee thuis?' Peggy Mather bekeek hem van top tot teen en kennelijk beviel hij haar, want ze glimlachte en zei: 'Nee. Kan ik iets voor u doen?' 'Is mevrouw Rouse thuis?' 'Ja, ze is hier ergens in de buurt; ik heb haar zo juist nog in de tuin gezien.' Toen ze naar buiten stapte om op het pad te kijken, kwam Grace de hoek om en na een kleine aarzeling stapte ze snel naar voren en stak haar hand uit naar Andrew. 'Hoe gaat het ermee, Andrew?' 'Heel goed!' Hij knikte naar het dienstmeisje en liep toen met de vrouw van de dominee over de oprit naar het hek. Ze liepen op een afstand van elkaar en praatten over allerlei alge-meenheden. Andrew vertelde dat ze in het dorp geparkeerd stonden en hoe lang ze daar zouden blijven. Bij het hek draaide hij zich om, keek haar aan en zei zachtjes: 'O, ik wil je in mijn armen nemen, Grace.' Ze staarde hem aan en kon haar gevoelens niet langer verbergen. 'Moet je echt over een uur weer weg?' 'Ja, ik hol nu naar huis. Ik blijf maar een kwartier weg. Kun je komen?' 'Ja, ik zal zorgen dat ik er ben.' 'O God! Grace!' Hij bleef stilstaan. 'Het lijkt wel jaren geleden dat ik je heb gezien... heb aangeraakt.' 'Ga nu maar. Snel. Over een kwartier ben ik er.' Voordat ze de oprit opliep keek ze hem na, hoe hij de weg op rende. Ze liep koelbloedig door de keuken naar de hal en ging toen door de openslaande deuren van de zitkamer de tuin in. Ze keek bij de zandbak, waar de drie kinderen een kasteel aan het bouwen waren. Ze zei niets tegen hen, maar liep snel de tuin door, langs de kassen en toen door het achterhek. Ze probeerde zich in te houden tot ze in het bos was, en toen holde ze in de richting van het huisje. Hun nieuwe rendez-vous plekje was een bosje met struikgewas, een eindje naast het pad. Het was het soort plekje dat door allerlei paartjes gebruikt zou kunnen worden, maar ze waren er tot nog toe alleen in het donker geweest. Het was nu echter geen moment om daar moeilijk over te doen. Over een half uur zou hij weer weg zijn. Het was de vraag of zelfs de aanwezigheid van Donald hen op dat moment had kunnen tegenhouden. Want terwijl ze daar in de beschutting van het struikgewas stond, kreeg ze het gevoel dat er iets bijzonders met dit konvooi aan de hand was, iets dringends dat een langdurige scheiding van weken, maanden of misschien wel jaren zou kunnen betekenen. Stel dat Andrew nu eens wegging en nooit meer terug kwam... Ze hoorde zijn voeten over het pad rennen. Het volgende moment stond hij voor haar en hielden ze elkaar vast alsof ze elkaar nooit meer los zouden laten. 'O liefste! O, Grace, Grace! Laat me je eens bekijken.' Hij hield haar gezicht in zijn handen. Zijn ogen schenen haar gezicht in alle details op te nemen. Toen schudde hij langzaam zijn hoofd. 'Ze praten over hun vrouwen. O, je wordt er gewoon ziek van. Ze hebben hun vrouwen, maar ik heb... jou.' 'O Andrew. O Andrew.' 'Huil niet, liefste. Huil niet. Het zal niet voor lang zijn. Dat kan gewoon niet, en dan zijn we weer samen , begrijp je - samen.' Voordat ze haar mond kon opendoen om antwoord te geven, waren zijn lippen op de hare en bleven ze heen en weer zwaaiend staan, totdat ze zich op de grond lieten zakken... Hun gelukzaligheid duurde voort toen ze weer overeind kwamen en elkaar een laatste, tedere kus gaven. Totdat ze losgescheurd werden door een ruwe, rasperige stem die vol afschuw uitschreeuwde: 'Godallemachtig!' Grace staarde met open mond en vol angst en ontzetting naar meneer Maclntyre die daar, leunend op twee stokken, op nog geen drie meter afstand van hen stond. 'Jij vuile schoft! En dan te bedenken dat je een zoon van me bent... En dat met de vrouw van de dominee. Godallemachtig!' Hij hief een stok. 'Scheer je weg! Maak dat je weg komt... kras op!' Andrew was voor Grace gaan staan en hij zei dreigend: 'Wees voorzichtig met je woorden of ik vergeet wie je bent.' 'Je kwam toch even langs om je moeder gedag te zeggen, hè?' De ogen van de oude man schenen rood op te lichten. 'Weet ze 't al, van dat liefje van je?' 'Ik heb je gewaarschuwd!' 'Mij gewaarschuwd?' De oude man schreeuwde het nu uit. 'Nou, laat mij jou waarschuwen, jij stuk ongeluk... Als je nog één keer je gezicht laat zien in mijn huis, dan bega ik een ongeluk aan je! God sta me bij! En wat haar betreft, die sloerie en dan de vrouw van de dominee... Poeh!' Grace probeerde Andrews opgeheven hand te grijpen. 'Nee! Nee! Andrew. Nee!... Niet doen!' 'Verdwijn uit mijn ogen.' 'Uit jouw ogen? Jazeker, dat zal ik doen, vlerk die je bent.' De oude man stond weer met zijn stok te zwaaien, als om zijn woorden kracht bij te zetten. 'Ik zal uit je ogen verdwijnen en direct naar die Engelse zwamjurk gaan. En ik zal 'm vertellen dat dit niet van vandaag of gisteren is; ik had al zo mijn vermoedens. De manier waarop zij over de weg sloop. Jawel, ik zal er eens gauw heengaan.' Terwijl ze Andrew nog steeds vasthield zag Grace hoe de oude man zich omdraaide en woest tussen de bomen doorhobbelde met een behendigheid die je niet zou verwachten bij iemand die zwaar invalide was door arthritis. 'O, Andrew, Andrew, hij gaat 't hem vertellen.' 'Ja, hij gaat 't hem vertellen.' Andrews stem klonk vlak. 'Hij zit al jaren te loeren of hij me niks kan maken, om er mijn moeder verdriet mee te doen, en nou heeft hij z'n zin. Maar alleen een kogel zou hem nou nog kunnen tegenhouden. Hij gaat het hem vertellen.' Hij wendde zijn gezicht af van de verdwijnende gestalte van zijn vader en keek Grace aan. Na een poosje zei hij: 'Misschien is het zo maar het beste, want geen van ons beiden durfde er mee voor den dag te komen. Ik heb dat steeds geweten, zelfs toen ik die brief schreef. Eerst was het om de kinderen en dan om hem geen verdriet te doen. Misschien is het zo maar het beste. Op de een of andere manier zal je nu vrij zijn. Maar, o God!' Hij schudde zijn hoofd. 'Als ik maar een paar dagen vrij had gehad en jou nu niet alleen hoefde te laten.' Hij veegde met zijn hand over zijn gezicht, en vroeg toen: 'Wat ga jij nu doen? Ga je naar tante Aggie?' Grace schudde versuft haar hoofd. 'Ja, ja, ik denk van wel... O Andrew, ik weet gewoon niet hoe ik het heb. Het is allemaal zo snel gegaan. Ik kan het haast niet geloven... en dan zo op het laatste moment.' 'Luister eens, Grace... O liefste, kijk toch niet zo wanhopig. O, had ik nu nog maar een uur! Ik moet nu terug hollen en het mijn moeder vertellen.' Hij trok haar tegen zich aan en kuste haar nogmaals hartstochtelijk. Toen greep hij haar hand en samen renden ze door het bos naar het huisje. Mevrouw Maclntyre stond op de weg, het leek alsof ze over de heidevelden in de richting van de hoofdweg had staan kijken, waar haar zoon straks langs zou trekken. Er waren tranen op haar gezicht en het was duidelijk dat ze erg gehuild had. Met gebroken stem riep ze uit: 'O jongen, wat is er?' 'Vader... hij heeft ons samen gevonden. Hij is nu op weg naar de dominee.' 'Nee toch zeker!... O, waarom heb je hem niet tegengehouden?' 'Hem tegenhouden? Hoe had ik dat moeten doen? Als hij het vandaag niet had kunnen vertellen, had hij het morgen gedaan. U weet zelf hoe hij al jarenlang probeert mij een hak te zetten.' Mevrouw Maclntyre keek nu niet langer naar haar zoon, maar naar Grace, en ze riep onthutst: 'Dat mag hij niet doen, dat mag hij niet doen... De kinderen. Heb je al aan de kinderen gedacht en dat terwijl Andrew er niet bij kan zijn om jou te helpen? Dit kun je niet alleen aan.' Grace wist niet wat ze moest zeggen en Andrew riep: 'Maar hoe kunt u hem nu tegenhouden, moeder? Bovendien... kijk eens hoe laat het is, ik moet nu gaan. Het heeft geen zin.' 'Ik zal hem tegenhouden, ik kan hem tegenhouden.' 'U? Doe niet zo dwaas, moeder!' 'Ik kan het.' Ze stond kaarsrecht tegenover hem, klaar om weg te hollen. 'Ik heb nog greep op hem. Hij is doodsbang dat ik hem in de steek zal laten.' Voordat ze haar zin had afgemaakt was ze al om de hoek van het huis verdwenen, over het pad door het bos. Grace werd opeens heel rustig. Tijdens de eerste schrik was ze erg bang geweest dat Donald het te weten zou komen. Nu dacht ze: Andrew heeft gelijk, het is zo maar het beste, als iedereen het nu weet. Ze hadden het zelf nooit durven vertellen. Als meneer Maclntyre Donald bereikte voordat mevrouw Maclntyre hem te pakken had kunnen krijgen, dan moest het maar zo zijn en zou ze alles onder ogen zien. Terwijl ze hier zo over stond na te denken klonk er opeens luchtalarm. Ze slaakte een kreet: 'De kinderen.' Weer renden ze door het bos. Toen ze bij de weg naar de steengroeve kwamen, sneden ze een stuk af. Andrew tilde haar over een greppel en even later waren ze het bos uit en renden over de hoofdweg naar de pastorie. Maar voordat ze die bereikten kwam er een vliegtuig laag over gieren en zagen ze de bom vallen. In een onderdeel van een seconde werd Grace opgetild en in de greppel gegooid en toen Andrew zich over haar heen liet vallen trilde en beefde de aarde op een manier die in het dorp niet meer was voorgekomen sinds de nacht van de grote luchtaanval. 'O Andrew! Andrew! De kinderen! Het huis!' Haar mond zat vol stof. 'Wacht... wacht, hij komt terug.' Het vliegtuig gierde weer laag over hen heen en verdween toen. Ze hoorden niets meer; het was alsof' het vliegtuig een boodschap had afgeleverd en toen weer was vertrokken. Andrew stond op, hees haar overeind en ze holden al weer verder over de weg. Toen ze bij de bocht kwamen bleven ze als aan de grond genageld staan. Er steeg een grote stofwolk op uit een groot gat in de weg, tegenover de plaats waar het hek van de pastorie was geweest, en naast de weg, aan deze kant van het gat, lag een ineengekrompen gestalte, waarvan Grace wist dat het mevrouw Maclntyre was. Andrew was al bij zijn moeder toen Grace nog maar halverwege was; en toen ze bij hen kwam, had hij haar omgedraaid en riep: 'Moeder! Moeder! Moeder!' Er liep een diepe snee over haar voorhoofd en het bloed stroomde over haar gezicht. Grace sloeg haar hand voor haar mond en zei zachtjes: 'Is ze...?' 'Nee, ze leeft nog.' Hij veegde voorzichtig het bloed van haar gezicht en keek wanhopig naar Grace, die uitriep: 'De kinderen, Andrew, de kinderen.' Met moeite sleepte ze zich bij hem vandaan en ze zag allerlei mensen in uniform de weg op hollen. Half verblind liep ze struikelend langs de krater in de weg. Daar, aan de andere kant, waar eens het begin van de oprit was geweest, bogen zich twee mannen over het gehavende lichaam van meneer Maclntyre en tien meter verder, op de oprit, lag Donald, op zijn rug, met zijn hoofd tegen een boomwortel. Ze holde naar hem toe en bleef toen opeens staan, met alweer haar hand tegen haar mond, maar deze keer deed ze dat omdat ze dacht dat ze moest overgeven. Haar schuldgevoelens maakten dat haar maag opspeelde. Die schuldgevoelens waren niet om haar liefde voor Andrew, maar om de gedachten die opeens in haar opkwamen... Ze hoopte dat hij dood was... O! Nee! Nee, nee, nee. Ze bukte zich over het bleke gezicht en toen hoorde ze een stem zeggen: 'Hij ademt. Het ziet er niet naar uit dat hij geraakt is. Waarschijnlijk is hij door de luchtdruk tegen de boom geslagen.' Ze keek toe hoe iemand Donalds hoofd optilde en zei: 'Ja, het is zoals ik dacht. Hij bloedt hier een beetje, maar het is niet erg.' 'O mevrouw, bent u wel in orde?' Grace rechtte haar rug en keek versuft naar de gespierde gestalte van Blenkinsop. Allerlei mensen liepen nu heen en weer en er kwamen twee mannen met een brancard. De ene zei: 'Jeeminee! 't Is de dominee, de arme-.' De rest voegde hij er niet aan toe. Ze zag hoe ze Donald op de brancard tilden. Ze zei niets en ze ging er ook niet naar toe. Blenkinsop pakte haar arm en zei: 'U kunt maar beter naar binnen gaan, mevrouw.' Naar binnen? Nee, ze moest naar Andrew en zijn moeder. De arme mevrouw Maclntyre! Haar gezicht... Maar waar waren de kinderen eigenlijk? Tot Blenkinsops verbazing rukte ze zich opeens los en holde de oprit op. Maar ze bleef al snel weer staan. Wat dacht ze eigenlijk? De bom was bij het hek gevallen en als de kinderen bij Donald waren geweest, had ze daar toch iets van moeten merken. Terwijl Blenkinsop haar hijgend inhaalde kwam Peggy Mather naar buiten en riep onnozel: 'Waar was 't deze keer? Dat was even vlakbij. Het hele huis stond te trillen.' Peggy Mather had nooit de aanspreektitel 'mevrouw' gebruikt en hoewel dat zeer opvallend was, had Grace nooit de moed gehad hierover te beginnen. Toen Donald haar erop gewezen had dat het haar taak was dit te doen, had ze gezegd dat het de moeite niet waard was. Peggy Mather was er maar tijdelijk, als de oorlog voorbij was zou ze weer vertrekken. Tot haar eigen verbazing hoorde ze zichzelf opeens op dit moment vol schrik en opwinding met hoge stem zeggen: 'Wil je me in het vervolg alsjeblieft met mevrouw of mevrouw Rouse aanspreken, Peggy? En waar zijn de kinderen?' Peggy Mather vertrok haar gezicht. Ze stond even perplex te kijken en zei toen op elfen toon: 'Achter het huis, waar u ze achtergelaten hebt... mevrouw.' De koster greep opnieuw Graces arm en zei kalmerend: 'We zullen wel even gaan kijken, mevrouw,' en hij liep met haar om het huis heen. Terwijl ze erheen liepen zei hij tegen zichzelf dat het arme kind vast een shock had, anders was ze niet zo uitgevaren. Op zich had hij daar niks op tegen. Zijn Mary, God hebbe haar ziel, zou nooit zo tegen de jonge mevrouw hebben gesproken, maar die Peggy Mather! Hij begreep niet dat juffrouw Shawcross haar in haar huis duldde; als die ook maar de helft wist van wat ze allemaal uitspookte zou ze er vast wel anders over gaan denken. Grace keek enigszins verbaasd naar de kinderen. Ze waren kennelijk niet uit de zandbak gekomen. Stephen keek naar haar op en legde uit: 'Dat was een harde boem, hè mammie, en Veronica zei dat het een bom was en ze wou naar de schuilkelder, maar ik heb gezegd dat het er niet een was, omdat pappa had gezegd dat God vandaag geen bommen liet vallen omdat het zulk mooi weer was. En als het wel een bom was geweest, was jij er toch bij geweest, hè mam?' Ze gaf geen antwoord, maar ze bleef de kinderen aanstaren. God liet vandaag geen bommen vallen. 'Wat maken jullie daar?' Blenkinsop boog zich met krakende ledematen over de zandbak en keek naar Beatrice, maar Stephen gaf, zoals gewoonlijk, voor alle drie antwoord. 'O, zij rommelt maar wat aan, ze probeert nog steeds een kasteel te bouwen. Maar ik maak een loopgraaf en Veronica bouwt een God-huis.' 'Zo, zo!' grinnikte Blenkinsop. 'Een God-huis?' 'Ja, zo noemt ze dat. Maar pappa zegt dat God geen huis heeft, hij heeft alleen maar kerken. Veronica is een beetje dom... Ja hoor! Ja hoor!' Hij duwde haar, maar ze reageerde niet en ze ging verder met holletjes te maken in een berg zand. Toen Grace zo naar hen stond te kijken begonnen de woorden door haar hoofd te tollen, Godhuis ... een God-huis ... een God-huis, totdat de woorden veranderden in een gekkenhuis ... een gekkenhuis ... een gekkenhuis. 'O, bent u daar!' Juffrouw Shawcross kwam naar hen toerennen en Grace vond dat ze er verwilderd uitzag. Ze besefte ook met een groeiend gevoel van irritatie dat deze vrouw zo in alle gebeurtenissen opging, dat ze de indruk wekte alles zelf doorgemaakt te hebben. 'Brengen ze hem naar het ziekenhuis ... de dominee?' 'Ja.' Grace knikte. 'Is ... is hij gewond? En ... laat u hem er zo maar alleen heengaan?' Er sloeg iets door bij Grace. Met een snijdende stem zei ze: 'Hij is niet echt gewond, hij heeft alleen maar zijn hoofd gestoten tegen een boomstam.' 'Maar ... maar u ...' De stem van juffrouw Shawcross begaf het. 'U laat hem alleen gaan?' Er klonk afkeuring in haar stem. Grace schoot overeind. Die vrouw ... die vrouw waagde het haar te bekritiseren en dat terwijl Blenkinsop er bij was. Nu was de maat vol ... na alles wat ze al die jaren al had moeten verduren. Kate Shawcross had vanaf het eerste begin haar plaats willen opeisen - ja, vanaf het eerste begin al! Hoe durfde ze! De maat was nu vol. 'Als u me weer aanspreekt, juffrouw Shawcross, wilt u dan zo vriendelijk zijn te beseffen dat u tegen de vrouw van de dominee spreekt!' Nu had ze binnen vijf minuten twee keer gedaan wat ze in al die zeven jaar van haar huwelijk niet had durven doen ... te wijzen op haar positie als de vrouw van de dominee. Ze zag hoe belachelijk de situatie was. Nu, juist nu ze besloten had op te houden de vrouw van de dominee te zijn, nu meneer Maclntyre ervoor had gezorgd dat ze niet langer meer hoefde te liegen of te doen alsof, legde ze de nadruk op dit vermeende privilege. Terwijl ze langs Kate Shawcross liep, die zenuwachtig met haar gezicht trok, zei Blenkinsop zachtjes en vergoelijkend: 'Stil nu maar, we zijn allemaal erg van streek. Trek het je nu maar niet aan, Kate ... toe nou.' Zijn stem klonk kalmerend en Grace kreeg de indruk dat hij juffrouw Shawcross op haar schouder klopte. Op haar schouder kloppen ... Ze moest een klap in haar gezicht hebben. Ja, dat moest ze. Waarom was ze niet met Donald mee naar het ziekenhuis gegaan? Ze herhaalde niet alleen de vraag van Kate Shawcross, maar ze stelde zichzelf die vraag nu ook. Waarom was ze niet meegegaan? Ze zouden dat hebben toegestaan. Maar ze moest toch naar de kinderen gaan kijken? Als Andrew daar had gelegen, wat zou ze dan gedaan hebben? Op die vraag hoefde ze geen antwoord te geven. Ze liep niet door de keuken naar binnen omdat Peggy Mather daar bezig was, maar ze liep naar de voordeur en zei tegen zichzelf dat ze even moest gaan zitten, voordat ze weer terugging naar het hek. Ze voelde zich akelig en draaierig worden ... o, alles draaide om haar heen. Toen ze de aarde opeens op zich af zag komen hoorde ze Blenkinsop roepen: 'Rustig! ... Rustig maar! ...' Toen ze weer bijkwam was ze in de zitkamer en ze hoorde nog steeds een stem zeggen: 'Rustig! ... rustig maar!' maar deze keer was het Davids stem. 'Drink dit maar eens op.' Ze dronk iets bitters uit een glas en toen legde hij voorzichtig haar hoofd weer op de bank. Na een poosje keek ze hem, moeizaam knipperend met haar ogen, aan. 'David.' 'Niet praten.' 'Ik moet wel. Meneer Maclntyre ... is hij ... is hij dood?' 'Ja.' Duizelig keek ze hem aan. Hij draaide zijn hoofd opzij, wreef over zijn kin en toen hij haar weer aankeek zei hij: 'In al die jaren is hij nog nooit zo ver van huis geweest; ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit in het dorp heb gezien. Hij was zeker met zijn vrouw de weg afgelopen om Andrew uit te zwaaien.' Hij zweeg. 'Je weet natuurlijk dat Andrew met een konvooi op doorreis was?' Ze staarde hem aan en ze zei niets. Hij wist alles - tot nu toe tenminste. Maar ze kon hem niet het afschuwelijke feit vertellen dat zij eigenlijk verantwoordelijk was voor de dood van meneer Maclntyre. Zij, en niet de bom, had hem gedood. Hij ging nooit zo ver van huis, en hij zou dat vandaag ook niet hebben gedaan als het niet om haar was geweest. Ze zag hem weer op de grond liggen. Ze zag Donald weer tegen de boom liggen. Had hij Donald nog alles kunnen vertellen voordat de explosie hen uit elkaar blies? Meneer Maclntyre zou geen tijd verspild hebben, hij zou er regelrecht mee voor de dag zijn gekomen. Maar als ze dicht bij elkaar hadden gestaan zou Donald toch ook getroffen zijn? Misschien hadden ze elkaar net niet bereikt ... misschien liep Donald de oprit af, op weg naar hem toe, misschien, misschien. Die gedachten cirkelden in haar hoofd maar rond. Ze werd slaperig. Dat spul in het glas ... ze probeerde overeind te komen en zei: 'lk moet... moet...' 'Je moet slapen.' 'Nee, David, ik moet...' 'Kom, ga nu maar gauw slapen. Goed zo.' Terwijl David Cooper op haar neer stond te kijken bedacht hij dat het misschien jammer was dat de positie van de oude Maclntyre en die van de dominee niet omgekeerd waren. Dan zou Donald een hoop verdriet bespaard blijven, dat hij, zodra alles voorbij was en Andrew Maclntyre weer thuis was, ongetwijfeld onder ogen zou moeten zien. Hij kon geen andere uitweg voor de problemen en verlangens van deze twee jonge mensen zien, hoe handig die ook zouden worden bedacht - en hij was de dominee als een expert op dit terrein gaan beschouwen. En wat Grace betreft, voor haar zou de dood van de dominee een geweldige opluchting hebben betekend. Toen ze een kind van Andrew Maclntyre had gekregen had haar dat van een zenuwinzinking gered, maar nu ging het snel weer die kant uit. Het middel zou bijna erger zijn dan de kwaal. Hij vroeg zich af waarom de oude Maclntyre zo ver van huis was met zijn vrouw. Hij had zelf geen steek geloofd van het verhaal dat hij Grace had verteld. Van zijn visites aan het huisje op de hei had hij zo langzamerhand begrepen dat Douglas Maclntyre zijn zoon haatte terwijl de moeder dol op hem was. Dit laatste zou, in combinatie met de zeldzame trots die een hoop Schotten bezaten, bij elkaar wel de oorzaak zijn geweest voor de gemelijkheid van de oude man. Nee, de Maclntyres waren niet hun zoon komen uitwuiven. Daar was hij zeker van. Hij wist niet waar dit alles toe zou leiden, maar hij hoopte wel dat hij niet meer hier in huis zou wonen wanneer die bom barstte. Het was allemaal heel vervelend. En hoewel zijn sympathie naar Grace uitging, waren er toch wel twee kanten aan deze zaak.


10

'Die vent is niet goed snik, echt niet. Wil je zeggen dat hij er helemaal niets over gezegd heeft?' Grace schudde langzaam haar hoofd. 'Geen woord.' 'Geen woord?' 'Nee, tante Aggie, geen woord.' Grace keek langs Aggies brede gestalte naar het raam en de tuin. Ze zag een bak vol vrolijke bloemen en ze merkte bij zichzelf op dat er de vorige keer dat ze hier was nog geen bloemen in de bak hadden gestaan. Ze constateerde dat ze tegenwoordig net als Donald over het ene onderwerp kon praten terwijl ze aan het andere dacht. Ze hoorde toch eigenlijk haar gedachten te houden bij het gesprek met tante Aggie; in plaats daarvan zat ze aan een bloembak te denken. Ze had tante Aggie niet meer gezien sinds die dagen voordat de bom was gevallen en dat was nu meer dan een maand geleden. Op die gedenkwaardige dag was Aggie naar Devon vertrokken om een weekje bij haar schoonzuster te logeren, maar die ene week was tot vier weken uitgelopen, want Aggie was weer met huizen bezig - en deze keer om te kopen en niet om te verkopen. Ze had gedurende haar verblijf drie huizen gekocht. Ze was erg enthousiast over een van haar aankopen, een verwaarloosd landhuisje in het bos bij Buck-fastleigh. Ze had het voor een appel en een ei gekocht en niet met de gedachte om het weer te verkopen wanneer de oorlog voorbij was, maar om er een vakantiehuisje voor Grace en de kinderen van te maken. Graces gedachten draaiden nu om dit huisje; het leek het juiste antwoord op haar huidige problemen. Als het weer bewoonbaar was gemaakt, kon ze daar met de kinderen heengaan en iedereen kwijt zijn - Kate Shawcross en Peggy Mather, alle gezichten uit het dorp - weg van tante Susie en oom Ralph en hun 'familiebesprekingen'. Iedereen kwam in haar gedachten, behalve Donald. Maar wat te doen met mevrouw Maclntyre? De laatste woorden van Andrew door de telefoon waren geweest: 'Wil je alsjeblieft kijken hoe het met mijn moeder gaat, Grace?' en ze had nadrukkelijk beloofd: 'Ja natuurlijk, liefste. Maak je maar geen zorgen.' Misschien zou mevrouw Maclntyre wel met haar mee willen gaan wanneer ze uit het ziekenhuis kwam ... misschien. Maar als ze nu eens echt blind werd? Nee, nee, ze mocht niet blind worden, ze kon niet blind worden. Ze waren tegenwoordig zo knap met die dingen, ze kon niet blind worden. O nee! In gedachten protesteerde ze fel tegen de mogelijkheid dat mevrouw Maclntyre blind zou worden. Dat kon ze niet ook nog op haar geweten hebben: blindheid van mevrouw Maclntyre. 'Maar hij had er toch weieens iets over kunnen zeggen?' 'Ja, dat had hij kunnen doen.' Ze merkte dat ze steeds herhaalde wat tante Aggie zei. 'Stuurt hij het er soms op aan dat je weer afknapt?' 'Of hij het er op aan stuurt of niet, het is er in ieder geval niet ver van af.' 'Wel verdraaid, dat moetje niet laten gebeuren, hoor! Als die oude Maclntyre het hem verteld heeft waarom komt hij daar dan niet eerlijk, op de man af, mee voor de draad? En als hij niets weet, waarom praat hij dan niet over die bom? Hij is er in ieder geval heel genadig afgekomen.' 'Ze denken dat hij een shock heeft gehad.' 'Een shock? Wel nee!' 'Ja, dat heb ik ook al gezegd. Wat dat huisje betreft, tante Aggie, Hoeveel kamers zei u dat er waren?' 'Zes - maar bedenk wel, dat het hokjes zijn.' 'En staan er meubels?' 'Ja, als je het meubels wilt noemen. Het staat sinds het begin van de oorlog leeg, en in die tijd heeft niemand er meer naar omgekeken.' 'Is het bewoonbaar te maken?' 'O ja. Natuurlijk. Ik wil alleen maar zeggen dat het geen Wilgen-weide is. Maar als het wordt schoongemaakt en nagelopen kan het erg leuk worden. Er moet gewoon eens een klusjesman aan het werk. Ik zal er van de zomer heengaan en iemand zoeken om de boel weer piekfijn in orde te maken.' 'Het zal eerder piekfijn in orde moeten zijn, tante Aggie.' 'Wat bedoel je?' 'Ik zoek een plekje, een plekje voor de kinderen, een plekje waar hij ons niet kan vinden. Ik neem ze gewoon mee en verdwijn. Ik hoef hem dat niet te vragen, zelfs niet voor een paar maanden, want hij zou er gewoon niet van willen horen. Hij zou me gewoon opsluiten. Hij zou me op de een of andere manier opsluiten ... of laten opsluiten. Nee, de enige manier is de kinderen meenemen en verdwijnen.' Aggie staarde haar nichtje aan. 'Dus je hebt eindelijk een besluit genomen?' zei ze rustig. 'Nou, ik ben blij dat te horen. Soms dacht ik weieens dat je niet goed wijs was, want ieder ander zou in jouw plaats al haar biezen hebben gepakt na Stephen - of zelfs daarvoor; weet je, soms dacht ik weleens dat hij een vreemde macht over jou bezat. Alsof hij je aan een elastieken band vasthield. Hij hoefde er maar even aan te trekken of jij sprong op.' 'Nou, tante Aggie, deze keer zal ik niet opspringen. Het besluit werd voor mij genomen ... ik ... ik ben weer in verwachting.' Aggie keek even verbijsterd. 'Grote genade! Ben je nou helemaal gek geworden om dat te doen? O hemel nog aan toe!' Ze stak haar handen in de lucht alsof ze een smeekbede hield, en ze zei toen boos: 'Maar waarom ben je nou niet voorzichtig geweest? Ik had je toch gewaarschuwd?' 'Hoe kon ik nu voorzichtig zijn als ik nergens op voorbereid was? Hij had maar een uur de tijd en de helft daarvan zat hij bij zijn moeder. Ik dacht dat het er helemaal niet van zou komen. Zulke dingen gebeuren nu eenmaal en je kunt het op zo'n moment niet maken om te zeggen: "Nee ... nee, ik ben er niet op voorbereid." Het is nou eenmaal gebeurd, tante Aggie, het heeft geen zin om u daar nog over op te winden. Er moest nou eenmaal toch iets gebeuren. Andrew zei die dag: "Laat mijn vader het maar vertellen, er is toch iets voor nodig om er mee voor den dag te komen." Maar dat pakte anders uit. En als het toch zo was, dan houdt Donald het achter de hand als een geheim wapen. Maar hier kan hij geen aanspraak op maken. Dit is een feit waar hij niet omheen kan.' Ze klopte op haar buik. Ze ging staan en tante Aggie ging tegelijkertijd zitten. Van hen beiden was zij het meest opgewonden. Grace keek nu neer op tante Aggie en ze vroeg: 'Hebt u tante Susie en oom Ralph van dat huisje verteld?' 'Nee, ik ben pas gisteravond thuisgekomen, en ik ben nog niet bij ze geweest, hoewel ze me vanmorgen al hebben opgebeld om te vragen of ik nog leefde en of ik thee kwam drinken.' 'Vertel ze er dan alstublieft niets over, tante Aggie, want als Donald oom Ralph zou gaan bewerken, zou die zich al snel verspreken. Oom Ralph hecht veel waarde aan de rechten van echtgenoten.' 'Maar ik zal er toch eerst het een en ander aan moeten laten doen. Het dak lekt ook.' 'Kan ik het een keertje zien?' 'Ja, we zouden er, laat eens kijken, volgend weekend heen kunnen gaan.' 'Prima. Ik zal aan tante Susie vragen of Beatrice bij haar mag logeren. Stephen kan wel thuisblijven. Ik zou er graag binnen drie maanden in willen trekken.' Ze zei niet: 'Voordat het zichtbaar wordt dat ik in verwachting ben.' Grace ging bij het raam staan en keek naar de bloembak. 'Weet u, tante Aggie,' zei ze, 'ik ben erg blij met deze baby. Donald kan er deze keer geen aanspraak op maken. U weet niet wat voor een opluchting dat voor mij betekent. Dat ik niet meer dat trotse-vader-gedoe hoef te aanschouwen. Afschuwelijk was dat. O tante Aggie, wat heb ik toch een raar leven gehad.' Ze draaide zich om en glimlachte naar Aggie, maar Aggie kon niet teruglachen - inwendig moest ze huilen.
Vier maanden later zat Grace nog steeds op Wilgenweide, maar ze zat als het ware klaar voor de start. Het ene incident na het andere had haar vlucht uitgesteld. Eerst was het moeilijk geweest om aan vakmensen en materiaal te komen om het huis te repareren, en het was pas drie weken geleden klaargekomen. Toen kreeg Stephen de mazelen, gevolgd door Beatrice en Veronica. Maar nu waren er geen belemmeringen meer. Ze beschouwde Donald niet als een belemmering, want hij zou er niets van weten, totdat ze weg was. Alles was gepakt en om het nog gemakkelijker te maken was David ook vertrokken. Drie dagen geleden had hij zijn intrek genomen op een paar kamers boven de winkel van Stanley. Hij had een huishoudster gevonden, een zekere mevrouw Maitland, een weduwe met een kind van drie jaar en Grace had goede hoop dat ze snel mevrouw Cooper zou worden. In gedachten stelde ze al de brief op die ze die avond aan Donald zou schrijven, om hem te vertellen dat ze wegging omdat ze een kind verwachtte van iemand die ook de vader was van Stephen en Beatrice. Ze zou zeggen dat hij maar beter niet kon proberen haar te zoeken want als hij dat deed en de kinderen opeiste zou ze voor de rechter dingen moeten vertellen die voor hen beiden erg gênant en pijnlijk zouden zijn, dus was het maar beter enz. enz. Gedurende de laatste weken had ze uit voorzorg allerlei kledingstukken en bezittingen naar tante Aggie gebracht en ze wilde nu een doos van een kast in de kinderkamer pakken, om daar wat speelgoed in te doen. Ze had in haar eigen kamer juist haar wijde jasschort uitgedaan. Ze droeg het tegenwoordig veel, zogenaamd om haar kleren te beschermen, wanneer ze met de kinderen bezig was. De maaltijden waren sinds Davids aanwezigheid wat rommelig geweest, en aangezien het een leuk schort was, had Donald er geen bezwaar tegen gehad. Ze rekte zich uit om de doos van de kast te pakken en ze had hem al in haar handen toen de deur openging en Donald binnenkwam. Hij staarde haar aan. Zijn blik was onbeschrijfelijk. Hij keek niet naar haar gezicht, maar naar de welving van haar buik, die nog werd geaccentueerd door haar strakke rok cn het feit dat ze zo mager was. Hij stapte langzaam de kamer in en deed de deur achter zich dicht. Ze waren alleen in de kinderkamer, want de kinderen waren op dat moment op de oprit aan het spelen; hun kreten klonken door het open raam. Ze probeerde niet zichzelf te verbergen; ze had buiten haar handen ook niets om zich achter te verbergen. Ze liet haar armen slap naast zich neerhangen en keek hem aan, terwijl ze bedacht dat ze er veel voor over zou hebben gehad als ze dit moment had kunnen vermijden. Ze had het geprobeerd, ze had haar best gedaan, hij had haar de laatste maanden ijzig koud behandeld, haar bijna dagenlang genegeerd, behalve wanneer er anderen bij waren, dan deed hij zo te zien heel normaal, zodat niemand er iets van kon denken. 'Je ...je bent...' '...Inderdaad, dat ben ik.' Haar stem was rustig en beefde niet. Op dat moment voelde ze geen angst of schaamte. Eindelijk, eindelijk kon ze eerlijk zijn. De afschuwelijke jaren van leugens waren voorbij, haar leven zou weer eerlijk en open kunnen zijn, de lucht zou weer zuiver worden. Als ze in zonde moest gaan leven, nu, dan zou ze in zonde gaan leven, dan moest dat maar. Zo voelde en dacht ze op dat moment, maar het volgende hield ze haar handen voor haar gezicht en ze riep: 'Nee, niet doen!' In een onderdeel van een seconde had Donald een grote, zware waterkan van de tafel gepakt. Hij haalde uit, alsof hij die op haar hoofd wilde stukslaan. Ze vouwde zich bijna dubbel, toen ze onder haar elleboog door zag dat hij de kan weer liet zakken en op de grond liet vallen. Ze zocht struikelend steun tegen de muur. Zijn gezicht was paars aangelopen, alsof hij een hartaanval zou krijgen. Hij zag er enorm uit, zoals hij daar stond met van haat vervulde ogen. Toen begon hij te beven, als een oude seniele man. Zijn benen, zijn armen, zijn gezicht, alles beefde. Hij draaide zich wankelend om en leunde met zijn hoofd tegen de kastdeur. Grace stond nog steeds tegen de muur en keek naar hem. Hij beefde verschrikkelijk. Ze was altijd al bang geweest dat er zo iets zou gebeuren en daarom had ze weg willen gaan zonder erover te moeten praten. Hij had haar bijna geslagen met die kan: de minzame, beschaafde, beheerste dominee had haar bijna geslagen. De slag had haar en het kind kunnen doden. Zij had zijn trots een slag toegebracht waar zijn laagje vernis niet tegen bestand was. Hij draaide zich om, maar bleef tegen de deur leunen, alsof hij bang was zijn steun kwijt te raken. Hij keek haar aan en zei ten slotte hijgend: 'Jij - jij - zie je nu waar je me toe gebracht hebt ...' Hij keek naar de kan en liet toen zijn hoofd hangen en schudde het heen en weer. 'Jij hebt me dit aangedaan, me tot schande gemaakt, me vernederd ...' Op dat moment klonk Beatrices stem gillend van beneden: 'Nee! Stevie! Niet doen!' Stephen antwoordde iets maar dat was niet te verstaan en er volgde nog een gil van Beatrice. Grace begreep dat Stephen iets in zijn schild voerde, en ze wilde naar het raam lopen, maar ze kon haar ogen niet van Donald afwenden. Op dat moment was ze vervuld van medelijden met hem. Hij wankelde naar de tafel en leunde ertegenaan. Zijn lichaam verkrampte terwijl hij moeizaam uitbracht: 'Je bent slecht, je bent een ... hoer.' Haar medelijden verdween op slag. 'En wie z'n schuld is dat dan wel?' Ze gaf hem geen kans te antwoorden en ze ging snel en verbitterd verder: 'Nou, morgen zal ik je van deze slechte vrouw verlossen, ik ga weg ... voorgoed.' Hij schoot met een ruk overeind en terwijl Beatrice oorverdovend krijste gebaarde hij met een bevende hand naar het raam en vroeg met verstikte stem: 'De kinderen, laat je de kinderen achter?' 'Nee.' Ze schudde haar hoofd. 'Nee, dat doe ik niet...' Met zijn armen wijd zwaaiend liep hij naar haar toe, als een dolgedraaid stuk opwindspeelgoed. 'Je kunt m'n kinderen niet alleen achterlaten. Je kunt ze niet moederloos achterlaten, hoor je me?' Onsamenhangend brabbelde hij door over zijn kinderen. Grace keek hem aan. Hij was net een kind dat bij wijze van verweer iets niet wilde horen. Hij wilde niet horen dat ze zou zeggen: 'Ik neem de kinderen met me mee.' Hij wilde niet aan die mogelijkheid denken. Als hij nu maar steeds over de kinderen bleef praten, kon zij niet zeggen dat ze hen zou meenemen. Hij bleef maar doorgaan, als een grommend dier. Plotseling schreeuwde ze, zoals ze wel eens tegen de kinderen deed: 'Hou op! Hou op zeg ik je! Meteen!' En toen hij zweeg en haar aanstaarde, terwijl het zweet langs zijn gezicht droop, zei ze langzaam en nadrukkelijk: 'lk vertrek morgen en ik neem de kinderen met me mee. Hoor je me? En ... en ik wil je ook vertellen dat het niet jouw kinderen zijn.' Daar, nu wist hij het. Hij boog zich voorover en legde zijn handen op de tafel; hij leek net een orang-oetang in deze houding. Er klonk zelfs dierlijk gegrom in zijn stem toen hij zei: 'Het zijn mijn kinderen; je krijgt ze nooit bij mij vandaan ... nooit. Begrijp je dat? Nooit zal ik mijn kinderen laten gaan, dat zweer ik.' 'Stevie! Stevie!' Beatrice stond nog steeds op de oprit te krijsen en Grace huiverde nu ze haar kalmte voelde verdwijnen en de angst in zich op voelde stijgen. Ze bleven elkaar aanstaren totdat Donald langzaam weer overeind kwam, zijn zakdoek zocht en het zweet van zijn gezicht veegde. Hij bleef een paar minuten naar de grond staren, haalde diep adem en zei, zonder haar aan te kijken: 'lk wil er niets meer over horen en ik zal het je vergeven, als je voor God wilt beloven niet meer te zondigen.' 'Ik heb geen behoefte aan jouw zogenaamde vergeving en ik doe geen enkele belofte.' Langzaam hief hij zijn hoofd omhoog en staarde haar weer aan. 'Grace ... ik zei dat ik je zou vergeven. Besef je niet wat het voor mij betekent om zulke woorden te spreken? Ik ben een priester van God, maar ik ben ook een man en je hebt mij het ergste onrecht aangedaan, het ergste onrecht...' 'Het ergste onrecht? Laat me niet lachen!' Ze stootte een schamper geluid uit. Er welde een stroom scheldwoorden in haar op en ze had de grootste moeite die te onderdrukken. Ze knikte snel en zei: 'Opnieuw zeg ik je: wees niet zo'n zeldzame huichelaar ... het ergste onrecht ... O God!' 'Stop dat gevloek. Ik kan er niet tegen, hoor je me? Noem me een huichelaar of wat jouw platvloerse hersenen ook maar weten te bedenken, maar ik wil niet dat je vloekt in mijn aanwezigheid ...' 'Mamma! Mamma! Mamma!' De woorden klonken nu zo wanhopig dat Grace naar het raam liep en terwijl ze dat deed zei ze verbitterd over haar schouder: 'Het ergste onrecht!' Zelfs toen ze uit het raam keek besteedde ze maar weinig aandacht aan het kind dat beneden stond te gillen, want haar hoofd was vol woorden, vol afschuwelijke woorden die ze Donald voor de voeten wilde gooien. Toen, binnen een seconde, trok Beatrice haar volle aandacht want toen ze de angstige blik van het kind volgde, zag ze tot haar grote schrik waarom het kind zo gegild had. Stephen klom tegen het traliewerk op, dat naar het raam van de kinderkamer voerde. Het werd gebruikt als draadwerk waar de clematis langs kon groeien en Stephen was nu halverwege. Instinctief greep Grace naar haar keel. Ze wist dat ze nu niet tegen hem moest roepen, maar de angst en de spanning van de afgelopen minuten speelden haar parten en ze riep uit: 'Stephen!' De jongen keek verschrikt op. Toen lachte hij blij omdat ze zijn gedurfde klimpartij zag. Hij riep: 'Kijk, mamma, ik kan ...' Hij stak zijn hoofd te ver naar achteren om haar triomfantelijk toe te lachen. Toen stak hij zijn hand uit om zich verder omhoog te trekken, maar hij verloor hierbij zijn evenwicht. Met een schreeuw die Beatrices gegil nog overtrof viel hij op de oprit. Binnen enkele seconden was Grace de kamer uit, de trap af en buiten op de oprit. Beatrices gekrijs had nu het stadium van hysterie bereikt, maar Stephen gaf geen geluid. Toen ze haar armen om hem heensloeg om hem op te tillen werd ze ruw opzij geduwd. 'Raak hem niet aan!' Donald sprak tegen haar op een toon alsof ze met haar aanraking het kind zou besmetten en ze werd razend. Maar ze moest toezien hoe hij het kind optilde en het naar binnen droeg. Toen ze hem in de zitkamer zag verdwijnen met de bewusteloze gestalte in zijn armen dwong ze zichzelf naar de telefoon te gaan en belde David op. Tot haar eigen verbazing hoorde ze zichzelf nog steeds mompelen : 'Het ergste onrecht. Het ergste onrecht.' Om negen uur die avond belde Grace Aggie op en ze zei zonder verdere omhaal van woorden: 'Stephen is gevallen, tante Aggie. Ze denken dat hij zijn heup heeft gebroken. Hij ligt nu in het ziekenhuis.' 'Nee!' 'Ja, tante Aggie.' 'En je zou morgen gekomen zijn.' 'Ja, tante Aggie.' 'Wat ontzettend.' 'En dat is nog niet alles. Hij is ook achter de rest gekomen... en u zult blij zijn te horen dat het mij vergeven zal worden.' 'O, kind toch!' 'Ik mag de kinderen niet van hem meenemen... De elastieken band zit weer strak aangetrokken, tante Aggie.' 'O hemel nog toe.'