Het satanskruid

1

 

Er was die ochtend geen post voor me, maar dat was niets bijzonders. Gedurende de drie weken dat ik de kleine kantoorruimte op de tweede verdieping in de nabijheid van Oxford Street had gehuurd was er nog helemaal geen post voor me geweest. Ik sloot de deur van het voorste kantoor, liep langs de tafel en de stoel waarop wellicht eens een secretaresse zou zetelen, indien ooit de tijd kwam dat het Inlichtingenbureau Cavell zich zulke uitzonderlijke uitgaven zou kunnen permitteren, en duwde toen de deur open waarop ‘privé’ stond aangegeven. Achter die deur bevond zich het kantoor van de directeur van het Inlichtingenbureau Cavell, Pierre Cavell. Mijn persoon. Niet alleen de directeur, maar de hele staf! De kamer was groter dan het ontvangkantoor, dat wist ik omdat ik de vertrekken nauwkeurig had opgemeten, maar alleen een geoefend oog zou dit zonder hulpmiddelen hebben kunnen schatten. Ik ben allerminst een verwend man, maar ik moet wel bekennen dat het een vrij naargeestig vertrek was. De gesauste muren hadden een vale kleur, die het midden hield tussen gebroken grijs en gebroken wit, een kleur die naar het plafond overging in vaalzwart, zoals dit alleen kan worden veroorzaakt door de Londense mist en een jarenlange verwaarlozing. In de ene muur was een lang smal raam aangebracht dat uitzag op een kleine grauwe binnenplaats en waartegen aan de binnenzijde een maandkalender was opgehangen. Op de met linoleum bedekte vloer stond een vierkant bureau, tweedehands, een draaistoel erachter voor mij en een met leer beklede leunstoel ervoor voor de cliënt. Voorts lag er een versleten lopertje om de voeten van de eventuele cliënt warm te houden. Dan nog een kapstok en een paar groen metalen archiefkasten, beide leeg. Verder niets. Er was geen plaats voor iets anders. Ik nam juist in de bureaustoel plaats toen ik de zware bel van het ontvangkantoor hoorde overgaan en de scharnieren hoorde piepen. Op de gangdeur stond ‘binnen na bellen’ en iemand had dit advies dus blijkbaar opgevolgd. Bellen en binnen! Ik opende de linkerbovenlade van mijn bureau, haalde enige papieren en wat enveloppen te voorschijn en strooide die voor me op het bureau en ik was net opgestaan toen er op de deur van mijn privé-kantoor werd geklopt. De man die binnentrad was lang, slank en blijkbaar een toegewijd lezer van herenmodebladen. Een jas met smalle lapellen hing los over een perfect gesneden en volgens de laatste Italiaanse herenmode vervaardigd donkergrijs kostuum, en in zijn suède gehandschoende linkerhand droeg hij zijn andere handschoen, een zwarte bolhoed, een aktetas en even boven zijn pols hing een stijf opgerolde zwarte paraplu met een hoornen haak. Hij had een lang, smal, bleek gelaat, dun zwart haar in het midden gescheiden en vrijwel recht naar achteren geborsteld, een bril, een haakneus en op zijn bovenlip een dun zwart streepje, dat bij nader onderzoek nog steeds op een dun zwart streepje leek, doch een tot in het onmogelijke geperfectioneerd klein zwart snorretje bleek te zijn. Hij leek in elk opzicht een volmaakte accountant; ik kon hem geen andere functie toedichten. ‘Neemt u me niet kwalijk dat ik zo zonder meer naar binnenstap.’ Hij glimlachte even en liet een drietal gouden boventanden zien, toen keek hij even over zijn schouder en sprak: "t schijnt dat uw secretaresse...’ ‘Nee, dat is in orde. Komt u alstublieft binnen.’ Hij sprak ook als een accountant, beheerst, beslist, iets te sterk gearticuleerd. Hij bood mij zijn hand en ook de handdruk was volkomen in stijl, snel, keurig, zonder iets prijs te geven. ‘Martin,’ stelde hij zich voor. ‘Henry Martin. Meneer Pierre Cavell als ik het wel heb?’ ‘Ja. Wilt u gaan zitten meneer Martin?’ ‘Dank u zeer.’ Hij wachtte tot ik om mijn bureau was heengelopen, gaf een ostentatief tikje met zijn handschoen op de leren zitting van de stoel, zo’n imaginair tikje dat er ook niet zou kunnen zijn, en ging toen behoedzaam zitten, heel rechtop, zijn voeten naast elkaar, zijn aktetas dwars op zijn knieën en hij keek langzaam om zich heen; er ontging hem niets en hij glimlachte even zonder zijn tanden te tonen. ‘De zaken gaan niet zo... bijzonder... eh... naar wens op ‘t ogenblik, meneer Cavell?’ Misschien was hij toch wel helemaal geen accountant. Accountants zijn in de regel bijzonder beleefd, welgemanierd en men verwacht van hen geen onnodige beledigingen. Maar misschien was hij wel niet helemaal op zijn gemak. Mensen die een privé-detective bezoeken, zijn doorgaans niet in een normale geestestoestand. ‘Op deze wijze tracht ik de inspectie van de Inkomstenbelasting om de tuin te leiden,’ legde ik uit. ‘Kan ik iets voor u doen meneer Martin?’ ‘Ik zou graag enige inlichtingen over uzelf hebben.’ Hij glimlachte nu niet meer en zijn blik zwierf niet langer door het vertrek. ‘Over mijzelf?’ Mijn stem klonk scherp, nog niet bijzonder scherp, het was alleen de stem van een man die nog geen enkele cliënt heeft mogen ontvangen gedurende de drie weken dat hij deze zaak had opgezet. ‘Weest u alstublieft zakelijk, meneer Martin. Ik heb nog meer zaken af te handelen.’ ‘Het spijt me. Maar ik wens inderdaad inlichtingen over uzelf. Ik heb het voornemen u te belasten met een bijzonder delicate en moeilijke opdracht. Ik moet er zeker van zijn dat u hiervoor de juiste man bent. Dat is toch redelijk, meen ik?’ ‘Een opdracht?’ Ik bekeek Henry Martin met een keurende blik en overwoog bij mezelf dat het me niet veel moeite zou kosten een enorme hekel aan hem te hebben. ‘Ik voer geen opdrachten uit, meneer Martin. Ik verstrek uitsluitend inlichtingen.’ ‘Natuurlijk. Wanneer er inlichtingen te verstrekken zijn.’ De toon was te vlak om aanstoot aan zijn woorden te nemen. ‘Misschien kan ik de inlichtingen wel verstrekken. Ik verzoek u een ogenblik mijn zonderlinge wijze van benaderen te willen verdragen, meneer Cavell. Ik geloof dat ik u bij voorbaat kan beloven dat u er geen spijt van zult hebben.’ Hij opende zijn aktetas, haalde er een gele map uit, waaruit hij een vel stevig papier pakte en begon met nadruk het volgende op te lezen: ‘Pierre Cavell. Geboren te Lisieux, Calvados, uit Engels-Franse ouders. Vader John Cavell, civiel-ingenieur, uit Kingsclere, Hampshire, moeder Anne-Marie Lechamps, uit Lisieux. Moeder van Frans-Belgische afkomst. Een zuster Liselle. Beide ouders en zuster werden gedood tijdens luchtaanval op Rouaan. Ontsnapte in een vissersboot vanuit de haven van Deauville. Werd gedurende de laatste oorlogsjaren zes keer boven Noord-Frankrijk met parachute neergelaten, kwam telkens terug met inlichtingen van grote strategische waarde. Werd twee dagen voor D-day boven Norman- die neergelaten. Ontving aan het einde van de oorlog niet minder dan zes onderscheidingen - drie Britse, twee Franse en een Belgische.’ Henry Martin keek op en glimlachte dunnetjes. ‘Hier komt de eerste dissonant: Weigerde zijn onderscheidingen. Onder het motief dat de oorlog de mensen snel had doen verouderen en dat hij nu te oud geworden was om nog met speelgoed te spelen. Nam dienst in het Britse beroepsleger. Werd bevorderd tot majoor bij de Inlichtingendienst, heeft nauw samengewerkt met M.I. 6, contraspionage naar ik meen. Nam toen dienst bij de politie. Waarom trad u uit het leger, meneer Cavell?’ Ik zou hem er later wel uitgooien. Nu was ik te veel geïntrigeerd. Wat zou hij nog meer weten - en op welke manier had hij die inlichtingen gekregen? Ik antwoordde: ‘Slechte vooruitzichten.’ ‘U werd ontslagen’; weer die korte glimlach. ‘Wanneer een jonge officier een oudere officier verkiest te slaan, dan moet hij uit tactische overwegingen iemand van een lagere rang uitzoeken. U beging de kardinale fout om hiervoor een generaal-majoor uit te kiezen.’ Hij wierp weer een blik op het papier. ‘U nam dienst bij de politie. Uw bevorderingen volgden snel op elkander - men moet wel toegeven dat u op uw terrein een grote begaafdheid bezit - en u verwierf de positie van inspecteur. In de laatste twee jaar zijn u vaak bijzondere plichten opgelegd, waarvan de aard niet werd omschreven. We kunnen daar echter wel naar raden. En toen nam u uw ontslag. Is dat juist?’ ‘Inderdaad.’ ‘Op een staat van dienst lijkt de uitdrukking "ontslag nemen" eleganter dan "ontslagen". En dat zou gebeurd zijn wanneer u nog vierentwintig uur langer in dienst gebleven was. U schijnt een zekere genialiteit op het gebied van insubordinatie te bezitten. Dit keer betrof het een commissaris van politie als ik het goed begrepen heb. Maar u had nog vrienden en heel machtige vrienden. Binnen een week na uw ontslag was u benoemd als hoofd van de Veiligheidsdienst in Mordon.’ Ik staakte mijn bezigheden, dat wil zeggen het heen en weer schuiven van papieren op mijn bureau en zei rustig: ‘Bijzonderheden omtrent mijn loopbaan zijn overal te verkrijgen indien men weet waar men moet zoeken. Maar u hebt geen enkel recht te beschikken over deze laatste inlichting.’ Het Microbiologisch Onderzoekingscentrum te Mordon in Wiltshire bezat een veiligheidssysteem in vergelijking waarmee een bezoek aan het Kremlin een eenvoudige onderneming leek. ‘Dat ben ik mij volkomen bewust, meneer Cavell. Ik beschik over allerlei gegevens en inlichtingen waarover ik eigenlijk niet zou mogen beschikken. Zoals bijvoorbeeld het feit dat ik weet, en dat ook in uw staat van dienst is opgenomen, dat u ook uit deze betrekking werd ontslagen. En dan nog het volgende punt - en dat is de werkelijke reden waarom ik vandaag hier ben: ik wéét waarom u werd ontslagen!’ De zekerheid waarmee ik mijn eerste conclusie had getrokken, namelijk dat mijn cliënt accountant was, pleitte niet voor goede vooruitzichten voor mijn detectivebureau: Henry Martin zou nooit een balanspost hebben herkend, ook al zou deze hem op een zilveren schaal zijn gepresenteerd. Ik vroeg me af welk beroep hij eigenlijk wel zou hebben; maar ik kon het in de verste verte niet raden. ‘U werd uit Mordon ontslagen, ging Martin nauwgezet verder, ‘in de eerste plaats omdat u niet kon zwijgen. O, dat had niets te maken met de veiligheidsdienst zelf, dat weten we.’ Hij nam zijn bril af en poetste peinzend de glazen schoon. ‘Na vijftien jaar in uw vak werkzaam te zijn geweest vertelt u waarschijnlijk uzelf nog niet de helft van wat u weet. Maar u sprak wel met geleerden, met directeuren te Mordon en u maakte geen geheim van uw mening over de aard van het werk waarmee zij bezig waren. U bent niet de eerste man die een bitter commentaar uitspreekt over het feit dat dit Instituut, waarover in regeringspublikaties wordt gesproken als over de Mordon Gezondheidsdienst, uitsluitend onder beheer staat van het ministerie van Oorlog. U weet natuurlijk dat men in Mordon als belangrijkste bezigheid heeft de ontwikkeling en de produktie van microbiologische organismen voor oorlogsdoeleinden, maar u bent ook een van de weinigen die precies weten hoe afschuwelijk en angstaanjagend de wapens zijn die daar worden geperfectioneerd, en dat enkele vliegtuigen voorzien van deze wapens, alle leven in ieder land binnen enkele uren zouden kunnen vernietigen. U had een zeer sterk geprononceerde mening inzake het gebruiken van een dergelijk wapen tegen een argeloze en onschuldige burgerbevolking. En u hebt deze mening te kennen gegeven op vele plaatsen en aan vele mensen binnen Mordon. Op te veel plaatsen en aan te veel mensen. En daarom bent u op het ogenblik privé-detective.’ ‘Het leven is onrechtvaardig,’ stemde ik toe. Ik stond op, liep naaide deur, draaide de sleutel in het slot om en stak die in mijn zak. ‘U moet wel beseffen, meneer Martin, dat u al veel te veel hebt gezegd. Ik wens de bronnen van uw inlichtingen omtrent mijn activiteiten in Mordon te weten. U vertrekt niet eerder voordat u mij dit hebt verteld.’ Martin zuchtte en zette zijn bril weer op. ‘Melodramatisch, onbegrijpelijk en volkomen onnodig. Denk je een dwaas tegenover je te hebben Cavell? Zie ik eruit als een dwaas? Wat ik je verteld heb moest ik je vertellen om mij zeker te stellen van je medewerking. Of ik mijn kaarten op tafel wil leggen?’ Hij haalde een portefeuille te voorschijn, nam daar een rechthoekig ivoorkleurig kaartje uit en legde dit op tafel. ‘Zegt u dit iets?’ Het zei me inderdaad heel veel. Over de breedte van het kaartje stond gedrukt ‘Bond voor Wereldvrede’. En rechts in de benedenhoek: ‘Henry Martin, secretaris afdeling Londen’. Martin trok zijn stoel wat dichterbij, boog zich voorover en legde zijn gekruiste armen op mijn bureau. Zijn gelaat stond gespannen en ernstig. ‘Natuurlijk hebt u hierover gehoord, meneer Cavell. Ik geloof niet dat ik overdrijf wanneer ik zeg dat wij op het ogenblik de grootste vredesbond ter wereld zijn. Anders dan de meeste van dergelijke organisaties die het woord "vrede" in hun banier dragen, hebben wij geen banden met het communisme. Ook zijn we niet anti-communistisch. Wij willen alleen vrede, een gezonde reële vrede. Onze bond overkoepelt elk ras, elk geloof en elke politieke overtuiging. U zult wel gehoord hebben dat de minister-president en vele leden van het kabinet lid zijn. Maar ik kan u ook verzekeren dat de meeste kerkelijke autoriteiten in Engeland, van zowel Protestantse, katholieke als joodse zijde, lid zijn. Onze lijst van leden met titels lijkt een uitgave van Who’s who. Het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat over alle gegevens beschikt en daardoor het meeste beangst is, is in volle overtuiging op onze hand. We hebben de steun van de beste, de wijste en meest vooruitziende mannen van het vaderland. Ik heb zeer machtige mannen achter mij, meneer Cavell. De Bond is ook in Amerika, Frankrijk, Duitsland en eigenlijk in geheel West-Europa bijzonder sterk en zelfs de neutrale Zweden en Zwitsers zijn onze ideeën bijzonder genegen.’ Hij glimlachte even. ‘We hebben zelfs invloedrijke leden in Mordon.’ Alles wat hij zei, wist ik, was waar - behalve dan die opmerking over Mordon, en misschien was dat ook nog wel waar, voor zover zijn kennis reikte. Ik was zelf geen lid van de Bond, en ik was ook niet het type man om opgenomen te worden in een Who’s who, maar ik wist wel dat de Bond voor Wereldvrede een publiek geheim was in de eerste kringen en dat deze beweging, alhoewel nog zeer jong, door de gehele westerse wereld beschouwd werd als de laatste en enige hoop voor het mensdom op vrede. Martin nam het kaartje van me aan en schoof het weer in zijn portefeuille. ‘Ik probeer u hiermee dus uit te leggen dat ik een eerlijk man ben, die werkt voor een hoogstaande, eerlijke zaak.’ ‘Dat geloof ik,’ zei ik. ‘Dank u zeer.’ Hij nam weer een duik in zijn aktentas en haalde nu een stalen huls te voorschijn die ongeveer de afmetingen van een zakflacon had. ‘In dit land nu, meneer Cavell, bestaat een militaire clan, waarvoor wij bijzonder bang zijn en die van plan is al onze dromen en onze hoop te vernietigen. Krankzinnigen, die elke dag luider schreeuwen en die een preventieve oorlog tegen de Sovjet-Unie willen ontketenen. Bacteriënoorlog. Het is zeer onwaarschijnlijk dat zij hun plannen zullen kunnen doorzetten, maar ook tegen de meest onwaarschijnlijke onzekerheden moeten wij tot het uiterste op onze hoede zijn.’ Hij sprak als een man die zijn toespraak een honderdtal keren heeft gerepeteerd. ‘Tegen een bacteriologische aanval bestaat geen verdedigingsvorm. Na twee jaar intensieve onderzoekingen is er een vaccin tegen dit virus gevonden, maar de enige voorraad die er ter wereld van bestaat, bevindt zich in Mordon.’ Hij zweeg even, aarzelde en schoof toen de fles over de tafel naar me toe. ‘Dit is een bewering die niet meer geheel juist is. Deze fles werd drie dagen geleden uit Mordon weggenomen. De inhoud ervan kan dusdanig worden bewerkt dat deze voldoende vaccin oplevert om elk volk ter aarde immuun te maken. Wij zijn onze broeders’ hoeders, meneer Cavell.’ Ik keek hem aan. Ik zei niets. ‘Zoudt u zo goed willen zijn deze fles onmiddellijk naar dit adres in Warschau te brengen?’ Hij schoof een stukje papier over de tafel in mijn richting. ‘Uw beloning bedraagt honderd pond nu, alle onkosten worden vergoed, en u krijgt honderd pond bij uw terugkomst. Ik ben er volkomen van bewust dat dit een zeer delicate opdracht is, misschien zelfs wel een gevaarlijke opdracht, alhoewel ik dit in uw geval niet geloof. we hebben zeer zorgvuldig navraag naar u gedaan, meneer Cavell. U staat erom bekend de wegen door Europa te kennen als een taxichauffeur de straten van Londen; ik geloof dat grenzen u niet veel moeilijkheden zullen opleveren.’ ‘En mijn antipathie tegen oorlog,’ prevelde ik. ‘Natuurlijk, natuurlijk.’ Hier vertoonde zich voor het eerst iets van een zeker ongeduld. ‘we moesten dat natuurlijk ook zeer zorgvuldig onderzoeken, dat zult u kunnen begrijpen. U had de allerbeste kwaliteiten voor het doel. U was onze enige keus.’ ‘Kijk eens aan,’ prevelde ik. ‘Dat is vleiend. En interessant.’ ‘Ik begrijp niet wat u hiermee bedoelt,’ zei hij kortaf. ‘Wilt u het doen, meneer Cavell?’ ‘Nee.’’Nee?’ Zijn gelaat werd onbeweeglijk. ‘U zegt: nee? Dus zover gaat uw bijzonder groot mededogen voor uw medemens? Al dat gepraat in Mordon…’ ‘U hebt zelf al gezegd dat het er niet naar uitzag dat mijn zaken buitengewoon goed gaan,’ viel ik hem in de rede. ‘Ik heb de laatste drie weken geen enkele klant gehad. Integendeel, alles wijst erop dat ik er de eerste drie maanden ook geen een zal krijgen. En’, voegde ik eraan toe, u hebt zelf gezegd dat ik de enige keus was.’ De smalle mond vertrok in een snier. ‘U weigert dus niet beslist om te gaan?’ ‘Ik weiger niet beslist.’ ‘Hoeveel moet u hebben?’ ‘Tweehonderdvijftig pond voor iedere reis.’ ‘Is dat uw laatste woord?’ ‘Precies.’ ‘Zal ik je dan eens iets zeggen, Cavell?’ De man verloor nu zijn goede manieren. ‘Nee, dat mag je niet. Bewaar je toespraken en je zedenpreken maar voor je Bond. Dit is een zakelijke kwestie.’ Hij staarde me lange tijd aan, met vijandige blik vanachter zijn dikke brillenglazen, toen tastte hij weer in zijn aktetas en haalde vijf platte pakjes bankbiljetten te voorschijn, legde deze keurig naast elkaar voor zich op tafel en keek me aan. ‘Tweehonderdvijftig pond. Precies.’ ‘Misschien moet de afdeling Londen wel een nieuwe secretaris benoemen,’ suggereerde ik. ‘Zou ikzelf of de Bond die extra 150 pond hebben moeten opbrengen?’ ‘Geen van beide.’ Zijn toon klonk, evenals de blik waarmee hij mij opnam, ijskoud. Hij mocht me bepaald niet. ‘We hebben een eerlijk bod gedaan, maar in een zaak van een dergelijk belang zijn we bereid aan buitensporige wensen tegemoet te komen. Neemt u uw geld.’ ‘Als u dan eerst de elastiekjes van de biljetten hebt afgedaan en ze voor me hebt uitgeteld, vijftig stapeltjes van vijf, hier voor mij op tafel.’ ‘Lieve God.’ De kille afgemeten toon was weg en er kwam iets woests voor in de plaats, "t Is geen wonder dat je uit zoveel baantjes bent getrapt.’ Hij rukte de bandjes eraf, stapelde de bankbiljetten op elkaar en telde ze uit. ‘Alsjeblieft. Vijftig maal vijf. Nu tevreden?’ ‘Volkomen.’ Ik opende de rechterlade van mijn bureau, nam de bankbiljetten, het adres en de fles, wierp alles in de la en sloot deze op hetzelfde ogenblik waarop Martin klaar was met het sluiten van de riempjes van zijn aktetas. Er was iets in de atmosfeer, misschien wel een zekere bewegingloosheid van mijn kant, dat hem plotseling met scherpe blik deed opzien. Toen bleef hij even onbeweeglijk als ik zitten, behalve dan dat zijn ogen voortdurend verder opengesperd werden zodat ze de gehele ruimte achter zijn brillenglazen in beslag schenen te nemen. ‘Ja, dit is een revolver,’ verzekerde ik. ‘Een Japanse Hanyatti, een automatische met negen schoten, er zit een veiligheidspal op. Vergeet u dat lintje voor de mond van de loop maar. Dat zit er alleen maar om een heel subtiel mechanisme te beschermen. De kogel gaat er doorheen en ook door u en als u een tweelingbroer achter u had zitten ging ie daar ook doorheen. Uw armen op tafel alstublieft.’ Hij legde zijn beide armen op tafel. Hij zat behoorlijk stil, wat doorgaans het geval is met mensen die vanaf een korte afstand in de loop van een revolver kijken, maar zijn ogen hadden heel snel de normale afmetingen weer aangenomen en hij scheen zich absoluut geen zorgen te maken dat ik dit zou merken. Dit vond ik vervelend, want als er nu één sterveling was die zich wél bezorgd zou moeten maken, dan was dit wel Henry Martin. Misschien maakte dit Henry Martin wel tot een bijzonder gevaarlijk mens. ‘U houdt er een heel vreemde manier van zakendoen op na, Cavell.’ Zijn stem beefde niet, er viel alleen een kille verachting in te beluisteren. ‘Wat heeft dit te betekenen, een poging tot afpersing?’’Doe niet zo gek - zo gemakkelijk kom je niet van me af. Ik heb je geld al. Je hebt me daarnet gevraagd of ik dacht dat je een dwaas was. De tijd en de omstandigheden leken niet geschikt voor een rechtstreeks antwoord, maar ik kan je dat nu wel geven. Jij bent een dwaas. Je bent een dwaas omdat je vergat dat ik in Mordon gewerkt heb. Ik was daar hoofd van de Veiligheidsdienst. En in de allereerste plaats behoort een hoofd van een Veiligheidsdienst te weten wat er in zijn eigen zaak aan de hand is.’ ‘Ik ben bang dat ik het niet helemaal begrijp.’ ‘Dat komt dan nog wel. Dit vaccin hier is dus vervaardigd om immuniteit tegen welk speciaal virus te geven?’ ‘Ik ben alleen vertegenwoordiger van de Bond voor Wereldvrede.’ ‘Dat doet niets ter zake. Wat ter zake doet is dat alle vaccins tot nu toe alleen en uitsluitend zijn vervaardigd en opgeslagen in Horder Hall in Essex. Hier is van belang dat wanneer deze fles uit Mordon is gekomen hij geen vaccin bevat. Hij bevat dan waarschijnlijk een van de vele virussen. In de tweede plaats weet ik dat het normaal gesproken onmogelijk is, voor wie dan ook, sympathiserend met de Bond voor Wereldvrede of niet, om een topsecret-virus uit Mordon weg te halen, hoe knap hij ook te werk zou gaan. Wanneer de laatste man de laboratoria heeft verlaten dan komen gedurende viertien uur de tijdsloten in werking en de combinatie waardoor deze geopend kunnen worden is slechts aan twee mensen bekend. Wanneer er iets weggenomen zou zijn, dan zou dit alleen door geweld kunnen zijn gebeurd. En dan zou onmiddellijk een onderzoek zijn ingesteld. In de derde plaats hebt u gezegd dat het ministerie van Buitenlandse Zaken op uw hand zou zijn. Indien dit zo is, waarom dan al dit romantische geheimzinnige gedoe om mij dit vaccin toe te spelen? De diplomatentas naar Warschau is het duidelijke antwoord. Ten slotte, de grootste fout die je gemaakt hebt, mijn beste vriend: je bent vergeten dat ik op de een of andere wijze gedurende een vrij lange tijd betrokken ben geweest bij de Contraspionagedienst. Elke nieuwe vereniging of organisatie die in Engeland wordt opgericht komt automatisch onder de loep. Dat is ook gebeurd met de Bond voor Wereldvrede toen die zijn hoofdkwartier hier vestigde. Ik ken een van de leden, een wat oudere, kale, gezette en bijziende man, die in elk opzicht uw antithese is. Hij heet Henry Martin en hij is de secretaris van de Londense afdeling van de Bond. De echte.’ Hij keek me gedurende enkele ogenblikken zwijgend aan, geheel onbevreesd, de armen nog op de tafel gekruist; toen zei hij kalm: ‘Dan valt er niet veel meer te zeggen, is ‘t wel?’ ‘Niet veel.’ ‘Wat gaat u nu doen?’ ‘U overdragen aan de Speciale Dienst. Ik stuur een bandje van ons gesprek met u mee. Dit is een gewone voorzorg, ik heb de bandrecorder aangezet voor u de kamer binnenkwam. Dat is nog geen bewijs, dat weet ik wel, maar het adres, de fles en de afdrukken van uw duim op de vijftig bankbiljetten zullen wel voldoende zijn.’ ‘Het ziet er naar uit dat ik me in u vergist heb,’ gaf hij toe. ‘Kunnen we niet tot een overeenkomst komen?’ ‘Ik ben niet te koop. Tenminste niet voor die ellendige vijftig vijf- pondbiljetten.’ Even zweeg hij, toen zacht: ‘Vijfhonderd?’ ‘Nee.’ ‘Hou je mond.’ Ik reikte naar de telefoon, legde de hoorn op de tafel en begon met mijn linkerwijsvinger een nummer te draaien. Ik was bij het derde cijfer toen er luid op de deur van mijn kantoor werd geklopt. Ik liet de hoorn liggen en stond op zonder lawaai te maken. De deur naar de gang was dicht geweest toen Martin mijn kamer binnengekomen was. Niemand kon die deur openen zonder dat de bel overging. Ik had geen bel gehoord; er was beslist niet gebeld. En toch was er nu iemand in het voorste kantoor, vlak buiten mijn deur. Martin glimlachte. Het was een nauwelijks merkbare glimlach, maar toch vond ik het bijzonder onprettig. Ik bewoog mijn revolver even en zei zacht: ‘Met je gezicht in die hoek daar, Martin, en je handen in je nek gevouwen.’ ‘Ik geloof niet dat dit nodig is,’ zei hij kalm. ‘Die man daar buiten is een gemeenschappelijke vriend.’ ‘Onmiddellijk,’ beval ik. Hij gehoorzaamde. Ik liep naar de deur, ging opzij staan en riep: ‘Wie is daar?’ ‘Politie, Cavell. Doe open alsjeblieft.’ ‘Politie?’ De woorden werden met een bekende stem uitgesproken, maar er zijn heel wat mensen in staat heel wat stemmen te imiteren. Ik keek naar Martin, maar hij bewoog zich niet. Toen riep ik: ‘Uw papieren alstublieft. Schuift u ze maar onder de deur door.’ Er was wat beweging aan de andere kant van de deur, toen kwam er een langwerpig kaartje onder de deur te voorschijn. Geen penning, geen papieren, niets van dat al, alleen een visitekaartje waarop de naam "D.R. Hardanger" en een telefoonnummer in Whitehall. Het aantal lieden dat wist dat hoofdinspecteur Hardanger zich uitsluitend op deze wijze identificeerde was bijzonder klein. En het kaartje klopte met de stem. Ik draaide de sleutel om en opende de deur. Daar stond hoofdinspecteur Hardanger, groot, stoer, met een rood hoofd, wangen als een buldog, gekleed in hetzelfde vale grijze pak en met dezelfde zwarte bolhoed die hij al droeg toen ik nog met hem samenwerkte. Ik zag een glimp van een kleinere man achter hem, een arm en een been in kaki, anders niet. Ik kreeg ook geen gelegenheid meer te zien want Hardanger had zijn massale autoritaire gestalte over de drempel van mijn kantoor gewerkt en mij gedwongen een paar stappen achteruit te gaan. ‘In orde Cavell.’ Een zweem van een glimlach lichtte even in de abnormaal lichtblauwe ogen. ‘Doe die revolver maar weg. Je bent nu veilig. De politie is er.’ Ik schudde het hoofd. ‘Het spijt me Hardanger, maar ik ben niet meer in je dienst. Ik heb een vergunning voor deze revolver en je bent in mijn kantoor zonder mijn toestemming.’ Ik knikte in de richting van de hoek. ‘Fouilleer die vent eerst maar, dan doe ik mijn revolver weg. Eerder niet.’ Henry Martin, zijn handen in zijn nek gevouwen, draaide zich langzaam om. Hij grinnikte eens tegen Hardanger, die terug lachte en zei: ‘Zal ik je dan maar fouilleren, John?’ ‘Liever niet, meneer,’ zei Martin snel. ‘U weet wel dat ik niet tegen kietelen kan.’ Ik keek naar hen, van Hardanger naar Martin en weer terug. Ik liet mijn revolver wat zakken en zei vermoeid: ‘Goed dan, wat is er precies aan de hand?’ ‘Het spijt me allemaal meer dan ik je zeggen kan, Cavell,’ sprak Hardanger met zijn zware rasperige stem, ‘maar het was noodzakelijk. Hoe noodzakelijk dat zal ik je uitleggen. Deze man heet werkelijk Martin - John Martin. Hij is pas terug uit Toronto en werkt bij de Speciale Dienst. Moet je zijn papieren nog zien of geloof je me op mijn woord?’ Ik liep naar mijn bureau, legde mijn revolver weg en haalde de fles, het geld en het vodje papier met het adres in Warschau te voorschijn. Ik voelde hoe gespannen mijn gezicht stond maar ik kon mijn stem beheersen. ‘Neem dat vervloekte geld terug Martin en donder op. Jij ook Hardanger. Ik weet niet waar die stomme vertoning en al die rotzooi voor nodig waren, maar ik mag doodvallen als jullie me nieuwsgierig kunnen maken. Eruit! Ik hou er niet van dat er slimmeriken zijn die denken zo’n spelletje met mij te kunnen spelen, ook niet als ze in de Speciale Dienst zijn.’ ‘Kalm nou, Cavell,’ protesteerde Hardanger. ‘Ik heb je toch al gezegd, dat het noodzakelijk was en...’ ‘Laat mij maar met hem praten,’ viel de man in kaki hem in de rede. Hij liep om Hardanger heen en nu zag ik hem voor de eerste keer duidelijk. Beroepsofficier, geen ondergeschikte, slank, autoritair, het soort vent waar ik allergisch voor ben. ‘Mijn naam is Cliveden, Cavell, generaal-majoor Cliveden. Ik moet...’ ‘Ik werd de Dienst uitgeschopt omdat ik een generaal-majoor een dreun heb gegeven,’ viel ik in de rede. ‘Denk je dat ik er bezwaar tegen zou hebben het nog eens te doen nu ik burger ben? Jij ook. Vort. Eruit! Ogenblikkelijk.’ ‘Ik heb u toch al gezegd hoe hij is,’ mompelde Hardanger tegen niemand in het bijzonder. Hij haalde moeizaam zijn schouders op, stak zijn hand in de zak van zijn raglan jas en haalde een polshorloge te voorschijn. ‘Dan gaan we maar. Maar dan moet ik je dit nog eerst teruggeven. Ik dacht dat jij het graag zou willen hebben als herinnering. Hij had het naar Londen gebracht om te laten repareren en het werd gisteren aan het kantoor van de generaal afgegeven.’ ‘Waar praat je nu eigenlijk over?’ vroeg ik scherp. ‘Ik heb het over Neil Clandon. je opvolger als hoofd van de Veiligheidsdienst in Mordon. Ik geloof dat hij een van je goeie vrienden was?’ Ik maakte geen beweging om het horloge uit de uitgestrekte hand te nemen. ‘Was, zeg je? Clandon?’ ‘Clandon is dood. Vermoord, als je dat liever hebt. Gisteravond laat - of misschien vanochtend vroeg, toen er ingebroken werd in Mordon.’ Ik keek de drie mannen aan, toen wendde ik mij om en keek door het grauwe raam naar de grijze mistslierten die langs Gloucester Place dwarrelden. Na een tijdje zei ik: ‘Komt u binnen.’

*** 

Neil Clandon was even na twee uur die morgen door een patrouillerende bewaker gevonden in de gang naast de zware stalen deur die toegang gaf tot het eerste laboratorium. In blok E. Het leed geen twijfel dat hij dood was. Waar hij aan gestorven was, was nog niet bekend, want niemand had verlof bij de dode man te komen. Dit was een strikte regel, die absoluut niet mocht worden overtreden. Als de alarmklok werd geluid, dan was dit een zaak voor de Speciale Dienst en alleen voor de Speciale Dienst. De hoofdbewaker was erbij geroepen en deze was het lijk tot op ongeveer twee meter genaderd. Hij had gemeld dat Clandon vóór hij stierf erg ziek moest zijn geweest en dat hij blijkbaar onder hevige krampen en de verschrikkelijkste pijnen was gestorven. De symptomen duidden alle in de richting van een vergiftiging door blauwzuur. Als de wacht ook nog de typische bittere amandellucht had kunnen waarnemen, dan zou daardoor natuurlijk niet aan de aarzelend gestelde diagnose getwijfeld behoeven te worden. Maar dat was natuurlijk onmogelijk geweest. Alle bewakers die binnen de gebouwen de wacht liepen, waren voor hun rondgangen uitgerust met gasdichte pakken en een zuurstofapparaat. De hoofdbewaker had nog iets anders opgemerkt. De klok, die op de stalen deur was gemonteerd, had men verzet. Gewoonlijk stond hij op de tijd van zes uur namiddags tot acht uur voormiddags afgesteld. Nu was hij afgesteld vanaf middernacht. Dat betekende dat het betreden van laboratorium nummer één onmogelijk was tot twee uur ‘s middags, behalve voor diegenen die de combinatie van het tijdslot kenden. Het was de soldaat en niet Hardanger die deze inlichting verstrekte. Ik luisterde naar hem en vroeg: ‘Waarom bemoeit u zich hiermee? Waarom stelt u hier belang in?’ ‘Generaal-majoor Cliveden is tweede commandant van de Koninklijke Medische Legerdienst,’ legde Hardanger uit. ‘Dit maakt hem automatisch directeur van het Microbiologisch Onderzoekingscentrum te Mordon.’ ‘Hij was er nog niet toen ik er was.’ ‘Mijn voorganger is met pensioen gegaan,’ zei Cliveden kortaf, maar zijn onuitgesproken bezorgdheid was duidelijk. ‘Gezondheidsredenen. De eerste rapporten kwamen bij mij binnen. Ik was in Londen. Ik heb onmiddellijk de hoofdinspecteur in kennis gesteld. Op eigen initiatief heb ik een ploeg met snijbranders uit Aldershot laten komen; die zullen de deur openen onder oppertoezicht van de Speciale Dienst.’ ‘Snijbranders?’ Ik staarde hem aan. ‘Bent u helemaal gek?’ ‘Wat bedoelt u?’ ‘Trek die order in man. Trek die onmiddellijk in. Waarom heb je dat in godsnaam gedaan? Weet je dan niets van die deur? Afgezien van het feit dat er geen enkele snijbrander bestaat die door dat speciale staal van die deur heen zou kunnen komen, weet je dan niet dat die deur zelf met gas gevuld is? Met giftig gas?’ ‘Dat wist ik niet, Cavell!’ Zijn stem klonk zacht. ‘Ik heb de zaak nog maar net overgenomen.’ ‘En hebt u erover nagedacht wat er zou kunnen gebeuren als ze werkelijk binnen zouden kunnen komen? U bent bang is het niet, generaal-majoor Cliveden, u bent doodsbang, alleen al bij de gedachte dat er al iemand in is geweest. Misschien heeft die iemand een ongeluk gehad. Misschien heeft hij een kolf omvergegooid of een verzegelde tank gebroken. Bijvoorbeeld een kolf met botulinus-toxine - dat is een van die virussen die gemaakt en opgeborgen worden in het eerste laboratorium. Er is minimaal een tijdsduur van twaalf uur voor nodig om het toxine, wanneer het met de buitenlucht in aanraking komt, te oxyderen en het onschadelijk te maken. Iedereen die er vóór die tijd mee in aanraking komt is gedoemd te sterven. In dit geval dus voor twaalf uur. En Clandon, hebt u aan hem gedacht? Hoe weet u dat hij niet met de botulinus in aanraking is geweest? De symptomen daarvan zijn precies gelijk aan die van vergiftiging door blauwzuur. Hoe weet u dat de twee bewakers niet geïnfecteerd zijn? Als de hoofdbewaker die met u gesproken heeft besmet was, dan heeft de botulinus hem geïnfecteerd onmiddellijk nadat hij zijn gasmasker afdeed om met u te spreken. Dan zou hij een minuut later onder de gruwelijkste pijnen zijn gestorven. Hebt u gecontroleerd of de man nog leeft?’ Cliveden stak zijn hand uit naar de telefoon. de hand beefde. Terwijl hij het nummer draaide zei ik tegen Hardanger: ‘Wilt u me uw aanwezigheid hier nu eens precies uitleggen, hoofdinspecteur?’ ‘En ook van Martin?’ Ik knikte. ‘Daar zijn twee redenen voor. De eerste is dat jij de hoofdverdachte bent.’ ‘Herhaalt u dat nog eens?’ ‘Jij bent ontslagen,’ zei hij grof. ‘En in de mist verdwenen. Jouw mening over de taak van Mordon was overal bekend. Jij hebt de naam de wet in eigen hand te nemen.’ Hij glimlachte zonder enige vriendelijkheid. ‘Daar heb ik met jou al voldoende ervaring mee opgedaan.’ ‘U bent krankzinnig. Denkt u dat ik mijn beste vriend zou vermoorden?’ vroeg ik woedend. ‘Jij bent de enige buitenstaander die de hele veiligheidsinstallatie van Mordon kent. de énige, Cavell. Als er iemand is die zich daar toegang zou hebben kunnen verschaffen, dan ben jij dat.’ Hij zweeg een ogenblik veelbetekenend. ‘En op het ogenblik ben jij de enige overlevende die de combinaties van de verschillende laboratoriumsloten kent. Deze combinaties kunnen uitsluitend veranderd worden - en dat weet je - in de fabrieken waar de deuren gemaakt werden. Na je vertrek werd het niet noodzakelijk geacht hierin verandering te brengen.’ ‘Dokter Baxter, de civiel-directeur kent de combinaties.’ ‘Dokter Baxter wordt vermist. We kunnen geen spoor van hem vinden.’ Ik zweeg. Ik liep naar het raam en staarde naar buiten in de mist, mij vaag bewust van de telefonerende stem van Cliveden. Ik tastte naar mijn tabakszak en begon mijn pijp te vullen, terwijl ik evenveel tabak naast de kop stopte als erin. Toen Hardanger weer sprak werd het gesuis in mijn oren wat minder. ‘We moesten weten waar we aan toe waren. Dit was de beste manier en de enige. Onmiddellijk nadat je vanochtend van huis gegaan bent hebben we met je vrouw gesproken. Zij zei...’ ‘U bent naar mijn huis gegaan?’ Ik staarde hem aan. ‘U hebt Mary lastig gevallen? U hebt haar ondervraagd? Ik geloof dat...’ ‘Doe geen moeite,’ zei Hardanger droog. ‘Je zou er toch geen voldoening in hebben een vals gebit kapot te slaan. Ik ben er niet geweest, ik heb er een inspecteur naar toe gestuurd. Ik geef toe dat het dwaas van me was om te verwachten dat een twee maanden geleden getrouwde vrouw haar man zou verraden. Natuurlijk zei ze dat je de hele avond thuis was geweest.’ Ik keek hem zwijgend aan. Zijn ogen waren op gelijke hoogte met de mijne. Hij sprak: ‘Sta jij nu te bedenken of je me een oplawaai zult verkopen omdat ik zo maar verondersteld heb dat Mary gelogen zou hebben, of waarom ze je niet telefonisch heeft gewaarschuwd?’ ‘Alle twee.’ ‘Ze liegt nooit. je vergeet hoe goed ik haar ken. En ze heeft je niet opgebeld omdat we de telefoonverbinding hebben verbroken, zowel thuis als hier. We hebben de telefoon ook afgetapt voor je vanochtend hier kwam: ik heb alles gehoord wat je tegen Martin zei.’ Hij glimlachte. ‘Ik heb me toen wel een paar minuten zorgen over je gemaakt.’ ‘Hoe bent u naar binnen gekomen? Ik heb u niet gehoord. De bel ging niet over.’ ‘Het contact zit in de buitengang. Ik ben bang dat het allemaal wel heel illegaal gegaan is.’ Ik knikte. ‘Dan zal ik dat moeten laten veranderen.’ ‘Nu weet je dus alles, Cavell. Inspecteur Martin heeft wel een Oscar verdiend, vind ik. Precies twaalf minuten heeft hij nodig gehad om alles te weten te komen wat we wilden weten. Maar we moesten deze inlichtingen hebben.’ ‘Maar waarom op deze wijze? Een paar uur puzzelen door enkele mannetjes van uw dienst, wat inlichtingen bij taxi’s, restaurants, schouwburgen en u zou geweten hebben dat ik gisteravond onmogelijk in Mordon kon zijn geweest.’ ‘Ik kon niet wachten.’ Hij schraapte zijn keel. ‘Dit herinnert me aan de tweede reden. Als jij niet de moordenaar bent, dan ben jij de man die de moordenaar zult moeten vinden. Nu Clandon dood is ben jij de enige man die de gehele veiligheidsinstallatie in Mordon kent. Niemand anders weet er iets van. Dat is verdraaid onhandig, maar het is een feit. Als er iemand is die iets zal kunnen vinden, ben jij het.’ ‘Om nog niet te spreken over het feit dat ik de enige man ben die de deur open kan krijgen nu Clandon dood is en Baxter vermist wordt.’ ‘Dat komt er nog bij,’ gaf hij toe. ‘Dat komt er zeker bij,’ praatte ik hem na. ‘Dat is wat u alleen maar wilt. En als die deur dan open is, ben ik een brave jongen en mag ik weer gaan.’ ‘Dat hoeft niet, tenzij je zelf wilt.’ ‘Meent u dat? Eerst Derry en nu Clandon. Ik zou er wel graag iets aan willen doen.’ ‘Dat weet ik. Ik geef je carte blanche.’ ‘De generaal zal het niet prettig vinden.’ Er was niemand die Hardangers opperste chef ooit bij zijn naam noemde; heel weinigen wisten hoe hij heette. ik heb het met de generaal al in orde gemaakt. Je hebt gelijk, hij vindt het niet prettig. Ik neem aan dat hij je niet graag mag.’ Hardanger grinnikte zuur. ‘Dat is vaak zo met familieleden.’ ‘Dus u hebt dat al van tevoren geregeld. Dank u voor het compliment.’ ‘Jij was de hoofdverdachte. Maar ik heb je nooit verdacht. Toch moest ik zekerheid hebben. Er zijn de laatste jaren wel meer van onze beste mannen achter het IJzeren Gordijn verdwenen.’ ‘Wanneer gaan we?’ vroeg ik. ‘Nu?’ Cliveden had net de hoorn weer op het toestel gelegd. Zijn hand beefde nog steeds. ‘Als u klaar bent.’ ‘Een ogenblik.’ Hardanger was een meester in het beheersen van zijn gelaatstrekken, maar nu lag er een zekere nieuwsgierigheid in zijn ogen die hij niet kon verbergen. Ik vroeg aan Cliveden: ‘Hoe is het met de bewakers? Nog nieuws?’ ‘Die maken het goed. Dus kan Clandon nooit door botulinus zijn omgekomen. de centrale laboratoria zijn nog allemaal gesloten.’ ‘En dokter Baxter?’ ‘Nog geen nieuws. Hij...’ ‘Nog geen bericht? Dat zijn er dus al twee. Vreemde samenloop van omstandigheden.’ik begrijp niet waar je het over hebt,’ zei hij. ‘Over Eastern Derry. Mijn voorganger in Mordon. Hij is een paar maanden geleden verdwenen - zes dagen nadat hij getuige bij mijn huwelijk is geweest. Dat wist u toch zeker?’ ‘Hoe zou ik dat kunnen weten? Ik ben er nog maar twee keer geweest sedert mijn benoeming... Baxter is dus wat later dan gewoonlijk van het laboratorium weggegaan. Hij is niet teruggekomen. Hij woont met zijn zuster, een weduwe, in een buitenhuisje in de buurt van Alfringham. Hij is gisteravond niet thuisgekomen, vertelde ze.’ Hij wendde zich tot Hardanger. ‘We moeten er onmiddellijk naar toe, inspecteur.’ ‘Akkoord. Cavell gaat met ons mee.’ ‘Daar ben ik blij om,’ zei Cliveden. Hij zag er niet naar uit en ik kon het hem niet kwalijk nemen. Je wordt geen generaal-majoor in het leger zonder een beroepsmentaliteit te verwerven en het leger ziet de wereld als een nette, geordende en gereglementeerde zaak waarin geen plaats is voor particuliere detectives.’ Hij probeerde hoffelijk te zijn en er het beste van te maken, want hij vervolgde: ‘We zullen alle assistentie nodig hebben die we maar kunnen krijgen. Zullen we dan maar gaan?’ ‘Zodra ik mijn vrouw heb gebeld om haar te vertellen wat er aan de hand is... als ze tenminste weer verbinding heeft.’ Hardanger knikte. Ik wilde de hoorn opnemen, maar Cliveden was mij voor en drukte hem stevig op het toestel. ‘Geen getelefoneer Cavell. Het spijt me wel. Maar we moeten de grootste voorzichtigheid in acht nemen. Het is van het allergrootste belang dat niemand maar dan ook niemand weet dat er iets gebeurd is in Mordon.’ Ik trok zijn pols omhoog - de hoorn nog in zijn hand - en ik nam deze van hem over. Ik vroeg: ‘Wilt u het hem uitleggen, inspecteur?’ Hardanger keek een beetje ongelukkig. Toen ik het nummer draaide zei hij verontschuldigend: ik ben bang dat Cavell niet langer in dienst is, generaal. Hij valt niet onder de reglementen van de Speciale Dienst. Bovendien is hij allergisch voor eh... voor gezag.’ ‘Wij kunnen ingevolge de Speciale Veiligheidswet van iemand verlangen...’ ‘Het spijt me, generaal.’ Hardanger schudde somber het hoofd. ‘Een informatie die vrijwillig aan een burger wordt verstrekt buiten een regeringsbureau om is niet langer een officieel geheim. Niemand heeft van ons gevraagd iets aan Cavell te vertellen en hij heeft ons nergens om gevraagd. Hij staat onder geen enkele dwang. En we hebben zijn medewerking nodig.’ Ik belde dus op en vertelde Mary dat ik niet gearresteerd was, dat ik naar Mordon ging en haar later op de dag nog eens zou bellen. Daarna deed ik mijn jasje uit en trok een schoudervest aan waarin ik de Hanyatti opborg. Het was een grote revolver, maar ik had een wijd jasje aan waar veel ruimte in zat. Hardanger sloeg mijn verrichtingen met een onbewogen gelaat gade; Cliveden keek afkeurend. Tot tweemaal toe wilde hij iets zeggen, tweemaal bedacht hij zich weer. Het was allemaal nogal erg ongeregelementeerd. Maar dat was moord ook.