Sint Joris en de draak
Als ooit iemand zich met recht als gelukkig mocht beschouwen, was het George toch wel, zou je zeggen. In de ogen van ieder redelijk mens en vooral van een uitgedroogde en stoffige stedeling, bevond George zich op dat moment al halverwege het paradijs. Boven hem scheen de warme middagzon uit een onbewolkte zomerse hemel; aan weerszijden gleden de goudgele stoppelvelden van het zuiden voorbij; onder zijn voetzolen trilde zacht een 25-voets motorjacht met zijn vloeiende lijnen en voor hem strekte zich het fraaie Lower Dipworth-kanaal in rustige rakken uit - om nog niet te spreken van het vooruitzicht van een volle maand vakantie. Halverwege het paradijs? De man was er al. Dr. George Rickaby, M.Sc., A.M.I.E.E., beschouwde zichzelf als een allerongelukkigst schepsel. Wat zou de wereld het volslagen mis hebben, bedacht hij verbitterd, als ze op uiterlijkheden afging. Als hij over voldoende geld beschikte om zich over te geven aan zijn voorliefde voor het watertoerisme en bovendien nog tijd in overvloed had - wat dan nog? Als hij als bemanning zijn toegewijde en ijverige oppasser uit zijn diensttijd had, die als enig levensdoel kende George zich niet te veel te laten inspannen - wat dan nog? Als ze in hem een toekomstige grote man van de kernfysica zagen - wat dan nog? En zelfs als de minister van Bevoorrading hem in het openbaar op de schouder had geslagen en bij zijn voornaam had genoemd? Het had allemaal niets om het lijf, bepeinsde George ontroostbaar terwijl hij het jacht behoedzaam om een begroeide hoek van het kanaal stuurde. Het was van geen enkel belang. Maar eigenlijk kon hij de dwaze voorstellingen die een onwetende wereld zich maakte niet al te fel veroordelen. Somber staarde hij naar het smetteloos blanke pitchpine van het dek. Welbeschouwd had hij er zich in zijn jonge jaren ook aan bezondigd. Trouwens, nog maar drie maanden geleden... 'Kijk uit! Je vaart tegen me op!' De dringende hoge stem sneed door de smartelijke mijmeringen van George heen. Haastig richtte hij zich in zijn volle, pijnlijk magere één meter drieëntachtig op, greep naar zijn bril en keek door de dikke glazen kippig voor zich uit. 'Schiet op, idioot, anders is het te laat!' George ving een glimp op van een lichter met zijn boeg vastgelopen tegen de oever, die driekwart van de doorvaart versperde, en op het achterschip een luidruchtig en verwoed zwaaiend jong vrouwspersoon. Dit alles nam hij maar oppervlakkig in zich op. George was geen man van actie en zijn bovenkamer was tijdelijk lamgelegd. 'Stuurboord, stommerd! Roer aan stuurboord!' brulde ze verwoed. George kwam tot leven en greep naar het stuurrad. Maar, zoals gezegd, hij was geen man van actie. In noodsituaties was hij niet op zijn best. Hij draaide aan het wiel en wel zo snel en energiek als hij kon. Alleen draaide hij de verkeerde kant uit. Een mijl verder, op de brink van Upper Dipworth, roerden stokoude mannetjes in boerenjassen zich onrustig in hun dommel bij de klap die over de vredige weiden daverde. Maar het duurde niet lang of ze sluimerden ongestoord verder. Op het kanaal wees alles echter op een veel levendiger ontwikkeling. Door de schok van de aanvaring was de vrouwelijke schipper onder het uitstoten van een allesbehalve damesachtige opmerking op de boeg van het jacht beland. Tegelijkertijd was George naar voren gezwiept. Wel tien tellen lang zaten ze elkaar op een halve meter afstand onvriendelijk aan te staren. De dame nam als eerste het woord. 'Wat een ongelooflijke klungel! Ben je stekeblind, jij... jij... brokkenvaarder?' wilde ze op hoge toon weten. 'Of misschien, arme kerel' - dit met een giftig lief stemmetje - 'last van de zon?' Daarbij tikte ze veelzeggend tegen haar hoofd. In een verongelijkt en waardig zwijgen kwam George weer op de been. Met deze laatste onrechtvaardigheid liep voor hem de galbeker over. Maar hij had een strenge leerschool doorlopen en hoopte zich als een heer te kunnen gedragen. 'Als uw boot of u zelf op enige wijze schade heeft opgelopen, dan bied ik u mijn verontschuldigingen aan,' zei hij koeltjes. 'Maar u zult moeten toegeven dat het op zijn zachtst uitgedrukt ongebruikelijk is, een lichter overdwars een kanaal te zien opvaren. Ik wil maar zeggen, zo iets verwacht je niet...' Hier onderbrak George zijn betoog. Hij had zijn bril rechtgezet en kreeg de dame voor het eerst duidelijk in het oog. Niet gek om naar te kijken, stelde George zonder enthousiasme in stilte vast. Glanzend rood haar, diepblauwe ogen - al stonden ze dan niet vriendelijk - lange, goudbruine armen en benen, een mouwloos groen truitje en bijzonder korte witte shorts. Eigenlijk had ze alles, moest hij erkennen. 'Overdwars opvaren - grapjas!' beet ze hem toe. Ze maaide zijn toegestoken hand weg en krabbelde pijnlijk overeind. 'Overdwars, zegt-ie.' Voorzichtig probeerde ze haar knie te buigen, waarbij George bewonderend toekeek. Ze leek opgelucht dat dit lichaamsdeel het nog deed. 'Zie je dan niet dat ik tegen de oever ben vastgelopen?' vroeg ze op ijzige toon. 'Het is net gebeurd en ik had nog geen gelegenheid gehad om uit de weg te gaan. Waarom kon je in godsnaam niet achter me om passeren?' 'Het spijt me,' zei George stug, 'maar per slot van rekening ligt uw boot op een beschaduwde plek, waar het geboomte is. Bovendien... uh... lette ik niet zo scherp op,' besloot hij zwakjes. 'Dat staat als een paal boven water,' reageerde de rode vinnig. 'Van al het paniekerige gestuntel dat ik ooit heb meegemaakt -' 'Nou is het wel genoeg,' zei George grimmig. 'Niet alleen was het uw fout, maar die oude schuit van u heeft geen enkele schade opgelopen. En kijk mijn boeg eens!' riep hij spijtig uit. De roodharige wierp het hoofd in de nek met een fraaie mengeling van minachting en onverschilligheid, maakte rechtsomkeert, baande zich behoedzaam een weg over de versplinterde steven en verwrongen reling van de motorkruiser, en stapte met een sierlijke zwaai aan boord van de lichter. Na enige aarzeling stapte ook George op de andere boot over. Ze keerde zich snel om en strekte haar hand uit naar de helmstok, die zich gemakkelijk binnen haar bereik bevond. Het leek George of haar haardos nog roder was. Haar blauwe ogen vonkten bijna van kwaadheid. 'Ik kan me niet herinneren dat ik je aan boord gevraagd heb,' zei ze vervaarlijk. 'Ga van mijn boot af.' 'Ik had u ook niet aanboord genodigd,' wierp George terecht tegen. 'Ik ben alleen meegekomen', zei hij pompeus, 'om eventueel assistentie te verlenen.' Ze verstevigde haar greep om de helmstok. 'Ik geef je vijftellen. Ik kan heel best zelf -' 'Kijk eens!' riep George opgewonden uit. 'De stuurreep!' Hij pakte een eind touw op dat op een gebroken draadje na glad afgehakt was. 'Doorgesneden.' 'Wat een inzicht,' merkte ze sarcastisch op. 'Zou het misschien door de muizen komen?' 'Heel geestig, werkelijk bijzonder geestig. De kwestie is, als het is doorgesneden, dan is dat door iemand gedaan. Ik neem niet aan', zei hij weifelend, 'dat u er zelf een gewoonte van maakt stuurrepen door te snijden.' 'Nee, ik niet,' antwoordde ze verbitterd. 'Maar Zwarte Bart wel. Die is in staat van alles door te snijden. Stuurrepen, meertouwen, kelen - voor hem maakt het geen verschil.' 'Een door en door slechte booswicht, zo te horen, maar misschien koestert u wel een vooroordeel tegen hem. En wie is die Zwarte Bart dan wel? 'Vooroordeel!' Ze probeerde verwoed uit haar woorden te komen. 'Vooroordeel, zegt-ie. Een man die mijn vader berooft, hem het ziekenhuis in slaat, vrachtcontracten steelt, schepen saboteert. Op het ogenblik is hij onderweg naar de silo in Totfield om mij het zomercontract door de neus te boren. Wie het eerst komt, het eerst maalt.' 'Toe nou, zeg,' merkte George sussend op. 'Piraterij op het Lower Dipworth-kanaal. In 1953 in Engeland en bij klaarlichte dag. Ze hebben wel eens beweerd dat ik me van alles laat wijsmaken, maar -' 'Zie je de marine in de buurt om het te voorkomen?' viel ze haastig in de rede. 'Of ooggetuigen? Dit is het eenzaamste kanaal van het hele land.' Door zijn dubbelfocusglazen nam George haar nadenkend op. 'Daar zegt u wat. Gelukkig bent u niet alleen. Eric, mijn bediende, en ik -' 'Ik heb het te druk om te lachen. Ik kan dit alles zelf wel aan. Ga van mijn boot af.' George voelde zich op zijn tenen getrapt en vergat zijn keurige opvoeding. 'Hoor eens even, Rooie,' barstte hij los, 'ik zie niet in waarom -' 'Noemde jij mij Rooie?' vroeg ze poeslief. 'Inderdaad. Zoals ik al zei -' Nog net op tijd zag hij de helmstok op hem af zwiepen. Hij dook weg, struikelde, sloeg verwoed in de lucht om zich heen en tuimelde achterover in de duistere diepte van het Lower Dipworth-kanaal, met de kostbare dubbelfocusbril in zijn linkerhand geklemd. Toen hij boven water kwam, was de roodharige er niet meer, maar in haar plaats stond de altijd parate Eric met de bootshaak in zijn handen.
***
Een uur later tjoekte het jacht verder over het kanaal, op eerbiedige afstand achter de lichter aan. In een keurige lange tennisbroek gestoken en met een chagrijnige blik naar zijn linnen broek en truitje die aan de mast te drogen wapperden, was George weer aan bittere gedachten ten prooi. Met vrouwen, piekerde hij somber, kun je alleen maar gedonder krijgen. Drie maanden geleden nog was hij gelukkig geweest als geen ander. En nu - op de kop af vandaag - zou zijn trouwdag zijn geweest. Het minste dat zijn verloofde had kunnen doen, overwoog hij, was haar trouwdatum veranderen met hetzelfde gemak als waarmee ze de ene toekomstige echtgenoot voor de andere had verruild. Maar vrouwen kenden geen fijngevoeligheid. Neem deze roodharige nu eens, deze feeks, deze roodkoperen Amazone, deze vrouwelijke draak in engelenkledij. Volslagen bevestiging van zijn geloof in de fundamentele onrechtvaardigheid, onredelijkheid en het gebrek aan fijnere gevoelens bij de vrouwen. Niet dat George een dergelijke bevestiging nodig had, trouwens. 'Sluis verderop, meneer,' riep Eric van de boeg af. 'En nog een andere boot.' George tuurde voor zich uit, tegen de ondergaande zon in. Die rode stuurde de lichter handig naar de kant en terwijl hij toekeek, sprong ze met een meertouw in de hand aan wal en maakte vast. Even voorbij die van haar lag een veel oudere lichter die achter een sluisdeur aan het verdwijnen was. Eén deur was al gesloten, de andere werd langzaam dichtgedraaid door een potige figuur die de zware zwengel bediende. Dat, vermoedde George, zou best eens Zwarte Bart kunnen zijn. De situatie had interessante mogelijkheden. 'Maak maar langszij vast, Eric,' zei George. 'De aanwezigheid van iemand met tact zal daar hard nodig zijn of ik moet me sterk vergissen.' Met die woorden sprong hij van boord en krabbelde tegen de oever op naar het toneel van het conflict. Een conflict heerste er ongetwijfeld, maar het was buitengewoon eenzijdig. De man die de sluisdeur aan het sluiten was - een donkere, ongeschoren beul van een vent met de kop van een bokser in ruste - ging daarmee door terwijl hij minachtend met één arm de roodharige afweerde. De enkele stomp waarmee ze hem toch nog raakte, miste elke uitwerking. Een oude en kennelijk doodsbange sluiswachter hield zich zenuwachtig op de achtergrond op en deed geen poging om tussenbeide te komen. 'Nou, nou, Mary, mijn hartje,' bracht de bokser in het midden. 'Bedaar een beetje. Een arme, onschuldige knaap als ik in de nek springen. Een schandaal - dat is het. Een misdrijf.' 'Laat die sluisdeur open, Jamieson,' brieste ze. 'Er is ruimte zat voor twee lichters, dat weet je best. Andermans roertouwen doorsnijden! Het kost me een uur achterstand als jij alleen gaat schutten. Jij... jij stuk ellende!' De roodharige raakte een beetje de kluts kwijt. Ze weerde zich verwoed, maar het haalde niets uit. 'Pas op je woorden, beste meid.' Zwarte Bart grijnsde boosaardig. 'En stuurtouwen' - hij deed uiterst verbaasd - 'ik weet niet waarover je het hebt. Wat het binnenlaten van jouw boot betreft... nee-hee.' Hij schudde het hoofd met een gezicht alsof het hem speet. 'Ik ga mijn verf niet riskeren.' Hij spuugde met overgave in de richting van de verfomfaaide schuit beneden in de schutkolk. 'Kan ik helpen?' onderbrak George hen. 'Rot op, broekenman,' zei Bart hoffelijk. 'Ach, ga weg,' beet de roodharige hem toe. 'Ik ga niet weg. Dit gaat ook mij aan. Dit gaat iedereen aan. Hier geschiedt onrecht. Laat dit maar aan mij over.' Jamieson staakte zijn inspanning en stond van onder zijn laaghangende wenkbrauwen George op te nemen. George negeerde hem en richtte zich tot het meisje met het rode haar. 'Mary, mijn hartje... uh... ik bedoel: juffrouw, waarom wil deze rouwdouw uw boot niet binnenlaten?' vroeg hij. 'Omdat - snap je dat niet? - omdat hem dat een uur voorsprong op mij geeft. Zijn schuit is veel ouder en langzamer. Het is nog honderd kilometer naar de silo. Hij wil daar het eerst aankomen, vandaar dat hij iedere methode wil aanpakken om mij tegen te houden.' Er welden tranen van woede in haar ogen op. George draaide zich om en stelde zich voor Zwarte Barts neus op. 'Doe die sluisdeur open,' commandeerde hij. Bart liet heel even zijn mond openzakken en zette toen een onheilspellend gezicht. 'Schiet op, mannetje,' spotte hij. 'Ik ben aan het werk.' George deed zijn zeilpet af en legde haar zorgvuldig op de grond. 'U laat geen andere mogelijkheid over,' verklaarde hij. 'Ik zal geweld moeten gebruiken.' Mary klampte zijn arm vast. Haar blauwe ogen stonden niet vijandig meer, maar werkelijk bezorgd. 'Ga alsjeblieft weg,' smeekte ze. 'Toe... je kent hem niet.' 'Dat is een feit. Ach toe...' spotte Bart. 'Vertel hem toch hoe ik je vader heb aangepakt.' 'Stilte, vrouwmens,' gebood George. 'En houd dit vast.' Hij stopte zijn bril in haar onwillige hand en draaide zich met een ruk om. Helaas kon George zonder bril letterlijk geen tram van een hooiberg onderscheiden, maar hij was te kwaad om zich daarvan iets aan te trekken. Zijn normale kalmte was volkomen verdwenen. Hij deed snel een stap naar voren en haalde blindelings uit naar waar Zwarte Bart stond, de laatste keer dat hij hem had gezien. Maar daar bevond Zwarte Bart zich niet meer. Hij was al ruim van tevoren zo attent geweest uit de weg te gaan. Bovendien beschikte Zwarte Bart, helaas voor George, over uitstekende ogen en geen enkele fijngevoeligheid. Een moorddadige rechtse kwam aansuizen en raakte George een paar centimeter onder zijn linkeroor. Wat betreft de kracht die erachter zat en de stemming waarin hij werd toegediend, viel hij in geen enkel opzicht te vergelijken met de bemoedigende klap op de schouder die hij kortelings van de minister van Bevoorrading had gehad. George vloog omhoog, naar achteren, kwam net niet tegen de rand van de sluis aan en beschreef voor de tweede keer in een uur tijds een sierlijke parabolische boog naar de diepte van het Lower Dipworth-kanaal. Wit weggetrokken stond het meisje enige ogenblikken verstard te beven, daarna barstte ze verwoed los tegen Zwarte Bart. 'Rotzak! Gemene bruut! Je hebt hem gedood. Vlug, vlug - haal hem eruit! Hij verdrinkt, hij verdrinkt!' Het scheelde niet veel of de rode barstte in tranen uit. Zwarte Bart haalde onverschillig de schouders op. 'Mij een zorg,' zei hij harteloos, "t Is zijn eigen schuld.' De kleur kwam op Mary's wangen terug en ze keek hem ongelovig aan. 'Maar... maar jij hebt het gedaan. Jij hebt hem in het water geslagen. Ik heb het zelf gezien.' 'Zelfverdediging,' legde Zwarte Bart zorgvuldig uit. 'Ik ben alleen maar tegen hem opgebotst.' Er kwam langzaam een gemeen glimlachje bij hem op. 'Bovendien kan ik niet zwemmen.' Enkele tellen later verbrak nog een plons de stilte van de zomeravond. De dame was haar redder te hulp geschoten.
***
'Ga van boord,' gelastte ze boos. 'Ik moet je hulp niet.' George ging er wat gemakkelijker bij zitten op de roersteven van de lichter en liet een vreedzame blik gaan over de houten steiger waaraan de drie boten voor de nacht afgemeerd lagen. Hij leek geen last te hebben van het incident van een paar uur geleden. 'Ik ga niet van boord,' zei George met een bedaard trekje aan zijn pijp. 'En Eric ook niet.' Hij wees naar zijn metgezel, die daarop de nachtelijke hemel door de bodem van een omgekeerde bierkroes begon te bekijken. 'Elke jongedame - vooral een jongedame die zich inspant om het bedrijf van haar vader op de been te houden -heeft bescherming nodig. Eric en ik zullen op je passen.' 'Bescherming!' schimpte ze verbitterd. 'Bescherming!' George volgde haar veelbetekenende blik naar de witte shorts en het groene truitje die aan de lijn hingen. Ze dropen nog. 'Jij zou niet eens op een kruiwagen kunnen passen. Kan niet varen, kan niet zwemmen, kan zich niet verweren - een mooie beschermer zou je zijn.' Ze zuchtte diep en hield zich met moeite in bedwang. 'Wegwezen!' 'Nou, nou, juffrouw,' zei Eric gekrenkt, 'dat is niet helemaal redelijk. Meneer is heus geen mietje. Hij is nog onderscheiden, zelfs.' 'Waarvoor dan? Stijldansen?' 'De dame is helaas geïrriteerd, Eric,' zei George. 'Misschien met reden. Alle draken', mompelde hij zachtjes, 'verkeren in een gedurige staat van irritatie.' 'Wat zeg je nou?' vroeg de dame vinnig. 'Niets,' zei George, beleefd maar vastberaden. 'Ga jij nu maar naar bed. Er zullen jou of je boot verder geen narigheden overkomen. Eric en ik', besloot hij poëtisch, 'zullen over je waken tot de ochtendstond.' Mary leek te willen tegenstribbelen, aarzelde, haalde gelaten haar schouders op en wendde zich af. 'Doe maar wat je niet laten kunt,' zei ze onverschillig. 'Misschien', voegde ze er hoopvol aan toe, 'lopen jullie allebei wel longontsteking op.' Er volgde enige tijd wat gerommel in het roefje, daarna ging het licht uit. Geleidelijk kwam het geluid van diepe, vredige slaap langs het trapje omhoog. Het klonk prettig oneindig aangenamer dan de obligato-snurkpartijen die al door de trouwe wachters op het achterschip waren ingezet. Maar de slaap heerste niet alom. Verre daarvan. Zwarte Bart en zijn knecht waren niet alleen nog wakker, maar zelfs buitengewoon in de weer. De laatste was stiekem in het motorkamertje van het jacht van George verdwenen. Zwarte Bart zelf zat gehurkt op een van de onder water gelopen dwarsbalken van de steiger. Over zijn schouder had hij in lussen een meter of twintig staaldraad hangen. Het ene uiteinde was bevestigd aan de steiger, het andere aan het roer van de lichter, vlak onder de vingerlingen. Hij liet de lussen draad zachtjes naar de bodem van het kanaal zakken.
***
Om 07.00 uur de volgende ochtend verlieten George en Eric de lichter halsoverkop. De koekenpan gehanteerd door de roodharige was al ontmoedigend genoeg, maar nog veel verschrikkelijker waren haar minachting en hoon. Om 07.30 uur voer de boot van Zwarte Bart af, tjoekte een paar honderd meter door en stopte weer. Jamieson wilde van een tribuneplaats af de gang van zaken volgen. Om 08.00 uur verscheen Eric aan dek, met felle verwensingen aan het adres van de smeerlap die de brandstoftanks had laten leeglopen en daarna met water had gevuld. Om 08.02 uur haastte George zich langs de oever naar de boot van Mary, dringend op zoek naar dieselolie. Hij werd geweerd met onvriendelijke woorden en een vaarboom. Om 08.05 uur gooide Mary los en om 08.06 uur werd met een allerakeligst scheurend en versplinterend geluid het roer losgerukt. Onmiddellijk maakte de lichter een zwenking en liep in de oever vast. Om 08.08 uur kwam George over het jaagpad toegesneld en aan boord gesprongen om hulp te bieden. Om 08.09 mepte de roodharige hem het kanaal in en om 08.10 viste ze hem er weer uit. Tweehonderd meter verderop lag Zwarte Bart dubbel, uitzinnig van plezier over de resultaten van zijn geweldige inval. Na verloop van tijd richtte hij zich op, veegde de tranen van het lachen uit zijn ogen en ging weer op weg naar het beroemde Watman's Folly, het laatste overnachtingspunt van de tocht.
***
'Bezjte kerel, 'k heb je mizjkend - helemaal verkeerd beoordeeld. Sorry hoor, Bart, bezjte kerel. Maar je zjnapt wel hoe dat zjit. Vrouwvolk! Vrouwvolk! Foei! Hejje gezjien wat zje mij flikte? Hè? Zag je dat?' George kon zijn verontwaardiging niet de baas. 'Jazeker, Dok, ik heb het gezien.' Zwarte Bart vloekte vlot een eindje weg. 'Ze is een kwaadaardige jongedame.' 'Jongedame' was niet een omschrijving die Bart gekozen zou hebben. 'We moeten haar kwijt zien te raken. Sorry van dat gebakkelei op de sluis, Dok. Allemaal haar schuld, dat lelijke kleine kreng.' 'Zand erover, Bart, ouwe reus, da's alweer vergeten. Helemaal mijn eigen schuld. Alles vergeven en vergeten, ouwe jongen?' De nieuwe ouwe jongens gaven elkaar plechtig een hand en wijdden zich toen weer aan de serieuze onderneming van het uitputten van de voorraad West Country cider van de Watman's Arms. Het was koppig spul. George leek een neuslengte voor te liggen, maar hij goot dan ook bijna al zijn cider in een goed van pas komende bloembak in de vensterbank. Gelukkig drong dit niet tot Zwarte Bart door. Waar hij eveneens onwetend van bleef, was de grote zorgvuldigheid waarmee George deze toevallige ontmoeting op touw had gezet - de Arms was een geliefde verblijfplaats van Jamieson. Kennismaking op een vriendschappelijke basis had geen moeilijkheden opgeleverd. Na wat Zwarte Bart die ochtend had meegemaakt, kwam de vriendelijke gezindheid van George niet als een verrassing voor hem. Bovendien was George bijzonder gul met het geven van rondjes. "t Is nu tien uur, Dok,' waarschuwde Bart. 'Hoogste tijd. Ze gooien de tent dicht, weet je.' 'G-godsonmogelijk, bezjte kerel. We zjijn hier pasj tien minuten. Weejjewat,' liet hij er levendig op volgen. 'Lawe gaan doorzjakken. Hè? Ouwe reus? Kom op.' Tien minuten later waggelden de ouwe reuzen over het jaagpad, onder het uiten van wat ze herhaaldelijk als prachtige samenzang prezen, met in elke hand een mandfles cider bungelend. Eerst passeerden ze het jacht, toen de lichter van Mary met het provisorisch herstelde roer - Bart was van plan daar later nog wat aan te doen -en stapten ten slotte aan boord van Barts lichter. Barts boot lag dicht bij Watman's Folly en vandaar was het nog maar vijftien kilometer naar de silo. De Folly was wat men een blinde sluis noemt. Er waren sluisdeuren aan beide kanten, maar de verste liep dood en keek alleen maar uit op de laagte van Upper Totfield - een kanaal dat door gebrek aan geldelijke middelen in de kiem gesmoord was. Zoals de meeste blinde sluizen was ze dichtgemetseld. Ze werden van harte welkom geheten door Barts knecht, en de avond kwam nu pas goed op gang. Om half twee gleed de knecht onder tafel. Om kwart voor twee werd hij gevolgd door George en om twee uur sloeg Bart bij het uitdrinken van de laatste mandfles hoogst spectaculair tegen de planken. George kwam kwiek overeind, stofte zijn kleren af en stapte aan wal. Eerst ging hij bij Mary aan boord, waar hij dringend aanklopte. Er ging onmiddellijk licht aan en tien seconden later keek een warrig rood hoofd met nogal verschrikte blauwe oogjes om de hoek van het deurtje. Toen ze zag wie het was, veranderde de gelaatsuitdrukking in wat merkwaardig veel op blijheid leek, daarna in opluchting en ten slotte in ergernis. 'Ik weet het, ik weet het,' zei George. ' "Ga van mijn boot af." Nou, ik ga al. Vannacht', voegde hij er haastig aan toe, 'houd ik de wacht niet over je. Ik kwam alleen maar zeggen dat je morgenochtend vroeg klaar moet staan om te vertrekken. Ik denk niet dat Zwarte Bart over een paar uur al te vriendelijk tegenover wie van ons ook gestemd zal zijn.' 'Waar heb je het over? En wat ben je precies van plan?' informeerde ze argwanend. 'Wacht maar af,' zei George, niet erg galant. 'Misschien ben ik dan geen schipper, zwemmer of bokser, maar' - hij gaf een tikje tegen zijn voorhoofd - 'mogelijk ben ik niet op ieder terrein volkomen waardeloos. Goedenacht.' Hij ging naar zijn jacht terug om Eric te halen en samen stapten ze op Barts lichter af. Ze maakten zijn meertouwen los, sleepten de schuit het kanaal door, zetten de deuren van de Folly open, die krakerig en stug waren van hun jarenlange onbruik, en verhaalden de lichter naar de sluisklok. Toen hij daar eenmaal lag, sloten ze de deuren en haalde George een metaalzaag te voorschijn. Daarmee zaagde hij de zwengel van het rinket af, zodat er geen water in de kolk kon worden binnengelaten. Intussen was Eric aan het worstelen met het rinket aan het blinde uiteinde. Ze wisten het gezamenlijk omhoog te werken en meteen spoot er een ononderbroken straal water door naar buiten. Toen zaagden ze ook daarvan de zwengel af, zodat het niet meer kon worden afgesloten. In tien minuten tijds was de kolk leeggelopen en lag de lichter met zijn uitgetelde bemanning op het droge in de modder vast. Zwarte Bart zou daar nog wel enige tijd met zijn boot blijven zitten.
***
Uiteindelijk werd het nog een dubbeltje op zijn kant. Het plan was perfect verlopen, maar de bedenker ervan kwam bijna voortijdig aan een kleverig einde. George had Zwarte Barts enorme recuperatievermogen onderschat. Iedereen was de volgende ochtend vroeg op en om zeven uur, op het moment dat George de touwen van Mary losgooide, doemde Zwarte Bart op, met bloeddoorlopen ogen en een stoppelbaard, van top tot teen onder de modder, blubber en vettigheid over het hoogste punt van Watman's Folly heen. Hij leek wel een of ander woest voorhistorisch monster. Die vergelijking was nog verder door te trekken. Zwarte Bart wilde bloed zien. George had niet de gelegenheid meer zijn eigen boot te bereiken die juist van wal stak. Vloekend en tierend als een dolleman kwam Zwarte Bart met een tijgersprong op hem af en molenwiekte in blinde woede met zijn kolossale vuisten, maar zijn eigen snelheid en kracht beroofden hem van zijn wraak. Een enorme stoot raakte George aan de schouder. Hij zwenkte om en dook voor de vierde keer in zesendertig uur voorover het kanaal in. George worstelde verwoed proestend en hoestend in het water rond, ging nu en dan kopje-onder en kwam weer boven water. Maar aanleiding tot werkelijke bezorgdheid was er niet. Voor de derde maal doorkliefde een slank visioen in rood, bruin en wit het water van het kanaal en sleepte de zwakjes spartelende George mee naar de lichter. Eric hielp hen aan boord.
***
Er waren tien minuten verstreken en George had zich nog niet hersteld. Met Zwarte Bart op een veilige afstand van ettelijke honderden meters, waar hij nog steeds verschrikkelijk aan het tieren was, had George geen enkele haast om zich te herstellen. Zijn hoofd lag op Mary's schoot - een heel gerieflijke peluw, vond hij. Bovendien hoorde hij zijn eigen boot langszij meeronken en hij voelde er niets voor Erics beschuldigende blik op te vangen. Hij deed een voorzichtige poging om zich te roeren en sloeg knipperend zijn oogleden op. De roodharige zat nog steeds onbeweeglijk op het dek zonder op haar doorweekte kleding te letten en stuurde werktuiglijk met één hand. 'George, George, o George,' fluisterde ze op een toon die George bijzonder plezierig in de oren klonk. Haar blauwe ogen die meestal zo vijandig en venijnig stonden, waren nu wazig van verontrusting en een zachte bezorgdheid. Maar, bedacht hij in de heerlijke doezeligheid die zich van hem meester maakte, ik moet niet vergeten Eric te waarschuwen over die onderscheiding. Mary mag dat nóóit te weten komen, nou ja, eventueel later pas. George was drager van niets minder dan de George Medal, die hem was toegekend voor een wonderbaarlijke prestatie toen hij met zijn jachtvliegtuig in de Middellandse Zee was neergestort op dertien kilometer van de Libische kust. Hij was gewond, versuft, slap door bloedverlies en eigenlijk had hij het niet kunnen overleven. Maar George had de vaste wal weten te bereiken. En die hele afstand had hij zwemmend afgelegd.