13 De aansteker


Tien minuten later vloog het hele gezelschap in de politiehelikopter over de afgebrande Tikkebossen. Het was een triest gezicht. Zwartgeblakerde stammen staken nutteloze geraamtes in de hoogte. Aan de randen brandde het nog. Brandweerkorpsen uit de omgeving waren nog volop aan het nablussen. Het hele bos tot aan de vijver lag in de as. Alleen de overkant van de vijver was nog groen. En natuurlijk ook het eilandje dat als een groen oog midden in het water lag.

De leden van de bende van de mol waren zo in de wolken over dat onverwachte vluchtje met de helikopter dat ze even hun problemen vergaten. Maar toen de helikopter landde op het strandje, ongeveer op de plek waar het bootje had gelegen, wisten ze plots weer dat dit geen plezieruitstapje was. Terwijl de wentelwieken nog langzaam draaiden, sprong de officier al uit het toestel en hielp de anderen uitstappen. Een paar agenten die waren meegevlogen, hielden de wacht bij de helikopter.

‘Zo, heren’, zei de officier. ‘Jullie zijn hier dus op onbekend terrein. Nooit eerder hier geweest als ik het goed begrepen heb.’

‘Jamais!’

‘Goed’, zei de officier. ‘En jullie, meisjes. Jullie beweren dat je hen wel degelijk hier op het eiland hebt gezien?’

‘Ja, meneer’, zeiden Linde en Manon netjes tegelijk.

‘En wat deden ze hier dan?’ vroeg de officier.

‘Ze groeven er een put, waar ze allerlei spullen in legden en die ze dan weer dichtgooiden. Net toen ze daarmee klaar waren, liepen ze Ever tegen het lijf en namen ze hem mee. Ons hebben ze gelukkig niet gezien. Nietwaar, Manon?’

Manon knikte. De twee mannen trokken lijkbleek weg toen ze hoorden dat de meisjes hen hadden gezien bij het graven van de put. Maar ze bleven hardnekkig ontkennen ook maar iets met dit eilandje te maken te hebben.

‘Laat eens zien waar ze die put groeven’, ging de officier verder.

Het kostte Linde en Manon geen enkele moeite om de pas gegraven put terug te vinden. Er kwam al een politieagent aanlopen met een spade en in geen tijd was de put weer opengelegd. Enkele ogenblikken later lagen twee overalls en twee paar rubberlaarzen in het gras. Onder in de put stootte de agent nog op een hard voorwerp. Het bleek een lege fles te zijn. De officier trok de kurk eruit en rook eraan.

‘Benzine’, zei hij. ‘Hier heeft benzine in gezeten. Wel, wel, benieuwd wat jullie daarop te zeggen hebben.’

‘Rien’, zei de kleine onverstoorbaar. Hij herhaalde nog eens dat hij nooit op het eilandje was geweest en dat hij die kleren en die fles nooit had gezien. Wie weet hadden die kinderen dat niet zelf in de grond gestopt om hen verdacht te maken?

Alweer krabde de officier in zijn haar.

‘OK’, zei hij. ‘We zullen dit verder moeten onderzoeken.’ Hij wendde zich tot de agent met de spade en ging verder:

‘Wil je deze bewijsstukken zorgvuldig inpakken en meenemen, alsjeblieft?’

De politieagent knikte, bukte zich en nam een overall beet. Hij schudde het zand eraf en vouwde het kledingstuk op. Dan nam hij de tweede overall, maar toen hij daarmee schudde, gleed er iets uit een van de zakken. Een glimmend metalen voorwerp lag te schitteren in het gras.

‘Mon…!’

De kleine schrok, maar hield net op tijd zijn mond. Hij probeerde ongemerkt zijn voet op het voorwerp te zetten. Maar Manon had het gezien. Ze sprong op de kleine af en duwde hem achteruit. Dan bukte ze zich en raapte het ding op van de grond.

‘Zijn aansteker!’ riep ze. ‘Hij zei nog dat hij zijn aansteker verloren had.’

‘Ce n’est pas mon briquet!’ suste de kleine. En hij schudde heftig zijn hoofd.

‘Geef hier’, zei de officier.

Hij nam de aansteker aan van Manon en bekeek die zorgvuldig. Dan zuchtte hij nog eens heel diep en zei tegen de kleine:

‘Nooit eerder gezien, zeg je? Een zilveren aansteker met daarin je naam gegraveerd! Wil je nu nog ontkennen?’