2 Eikels


Linde kneep één oog dicht, schatte de hoogte van de tak en sprong. Stevig sloeg ze haar handen om het hout, en hees zich kronkelend omhoog tot ze haar spillebenen om de tak heen kon slaan. Even, een seconde maar, bleef ze hangen. Dan zwierde ze haar magere lijf met een krachtige zwaai omhoog. Schrijlings, haar rug tegen de stam van de eik, bleef ze zitten. Ze lachte. Haar benen bengelden in het ijle. Ze legde haar hoofd in haar nek en veegde een lok weg die voor haar ogen hing. Hoog boven haar, in de donkere kruin, klaterde een vogel zijn liedje. Telkens opnieuw dezelfde klanken, die klonken als een waterval.

‘Fitis, fitifitifitis…’

Linde riep het zachtjes. Ze probeerde het liedje na te fluiten. Maar dat lukte haar niet zo goed meer sinds de tandarts vorige maand twee van haar hoektanden had weggehaald. De lucht siste tussen haar lippen door als bij een ballon die je plotseling hebt losgelaten. Linde moest er zelf om lachen.

Er kriebelde iets in de holte van haar knie. Net toen ze wilde krabben, zag ze het spinnetje dat danspasjes maakte op haar blote been.

‘He, jij, je kietelt me’, zei ze.

En meteen probeerde ze het beestje voorzichtig op te pakken. Maar het weerde zich met alle acht zijn pootjes tegelijk en liet zich vallen.

‘He, je hangt!’

Verrast keek Linde hoe het spinnetje heen en weer bengelde aan het draadje in haar hand.

‘Rustig maar. Ik doe je niets.’

Linde hing de kruisspin met haar zelfgesponnen draad aan een twijgje en keek hoe het diertje bliksemsnel wegkroop. Dan stond ze op en klauterde verder de boom in. Dat ging makkelijk. De brede takken zaten als de treden van een wenteltrap rondom de stam. Op een dikke stomp bleef Linde zitten. Van hieruit had ze een prachtig uitzicht. Ze zat wel acht meter hoog. Ze kon de kerktoren zien en de populieren in de beemden langs de rivier. Dichterbij, aan de rand van de Brakke Wei, knipte de vrouw van notaris Devreeke rozen in de tuin van de villa. Of beter, ze gaf haar tuinman aanwijzingen welke rozen hij voor haar moest knippen. Eén voor één nam ze die van hem aan en schikte ze in een voorlopig boeket.

‘Raar mens’, dacht Linde, want ze kende mevrouw Devreeke. Toen Linde vorige week zondag bij de bakker in de rij stond, reed de notarisvrouw met haar chique wagen gewoon de stoep op en stapte de winkel binnen met haar neus in de lucht. Ze wachtte niet eens haar beurt af, maar bestelde meteen vijf broodjes en een slagroomtaart. En niemand die er wat van zei.

Linde stak haar tong uit naar mevrouw Devreeke. Daar moest ze zelf zo hard om lachen dat een eekhoorn, die haar al de hele tijd doodstil in het oog hield, van pure schrik over de ruwe stam omhoog rende, tot in de nok van de eik.

Linde plukte eikels. De gladde, groene vruchten kwamen makkelijk los uit hun dopjes. Ze nam een grote, dikke in de palm van haar hand en haalde met haar arm achterwaarts uit boven haar hoofd, zoals jongens gooien. De eikel vloog in een sierlijke boog wel twintig meter ver. Linde volgde hem met haar ogen tot hij in het gras verdween.

Stemmen! Linde had niet meteen door waar ze vandaan kwamen. Ze speurde de weg af. Een fietser. Een hond. Daar kwamen die jongensstemmen niet vandaan. Dan zag ze het gat in de grond, vlak onder de boom. Eerst kroop er een grote, sterk gebouwde jongen uit. Hij had kort, zwart haar en was vast wel elf jaar, dacht Linde. De tweede wipte lenig uit het gat. Hij was blond en had dunne lippen. De jongens lachten. Toen zag Linde dat er nog een derde jongen uit de put probeerde te kruipen. Maar die had er duidelijk meer moeite mee. Hij had een dik, rond gezicht en hij pufte van de inspanning. De andere jongens grepen hem bij zijn armen en trokken hem uit de kuil.

Een geheime gang! Linde kneep haar benen stijf tegen elkaar, want diep in haar buik had ze een gevoel alsof ze dringend moest plassen. Ze wist dat het van de spanning kwam. Hetzelfde gevoel dat ze op school had als de meester rondkeek wie hij aan het bord zou roepen en zij haar les niet had geleerd. Maar dit hier was nog spannender. Ze voelde hoe haar mond helemaal droog werd. Onder haar ribben bonkte haar hart als de grote trom in de dorpsfanfare.

De jongens stonden nu naast de kuil. De dikke sloeg de aarde van zijn kleren en wreef zijn knie. Ze deden geen enkele moeite om iets te verbergen. Ze spraken luid en lachten met heldere stemmen. Ze dachten dat ze alleen waren.

Linde beet op haar lip. Plots kreeg ze een inval. Ze wist meteen dat ze het eigenlijk beter niet kon doen, maar ze kon het gewoon niet laten. Ze plukte een grote eikel. Met haar mond wijd open, hijgend van de spanning, hief ze haar arm op en mikte. Het projectiel zoefde door de lucht en kwam met een droge tok op het hoofd van de zwarte terecht.

‘Aauw!’ riep Wolf en greep naar zijn hoofd.

Woest keek hij naar omhoog, zoekend naar de boosdoener. Linde drukte zich tegen de stam. Wolf zag haar niet. Arend en Ever schaterden het uit.

‘De eekhoorns hebben het op jou gemunt’, hikte Arend.

‘Hou je kop!’ snauwde Wolf.

‘Die eikel is gewoon uit de boom gevallen. Dat gebeurt.’

Ever trachtte zijn lach in te houden, want hij zag wel dat Wolf boos was.

‘Mmm, misschien wel’, gromde de bendeleider.

Linde kon het niet laten. Een tweede eikel raakte de schouder van Arend. Die schrok.

‘Dat kan geen toeval meer zijn’, siste Wolf. ‘Er zit een spion in de boom. Ten aanval!’

Linde schrok wel even. Was ze te ver gegaan? Het was toch maar een geintje. Ze wilde toch maar liever geen ruzie zoeken met die jongens.

Intussen deed Wolf een paar stappen achteruit en speurde de boom af. Toen hij de schim van Linde door de bladeren heen zag schemeren, schreeuwde hij:

‘Daar zit hij, de spion. Neem hem gevangen!’

Tegelijk raapte hij een gevallen eikel op en gooide die in de richting van de schim. Maar hij kwam niet eens half zo hoog. Intussen was Arend naar de onderste tak gesprongen en hees zich op. Ever stond er een beetje bedremmeld bij te kijken. Ze zouden toch niet gaan vechten, hoopte hij.

Arend was al een eind de boom in geklauterd en keek langs de stam omhoog op zoek naar de vijand. Eerst zag hij de spichtige blote benen… dan het korte rokje, een flits van haar katoenen slipje.

‘Het is… een meisje’, zei hij halfluid alsof hij zijn ogen niet geloofde.

‘Heb je hem?’ schreeuwde Wolf, veilig op de grond als een generaal achter zijn troepen.

‘Wolf, het is een meisje!’ riep Arend nu luider en keek hijgend en vragend naar zijn leider.

Ever slikte. Zo gevaarlijk zou het gevecht dus wel niet worden. Maar ze zouden haar toch niet…

‘Neem haar gevangen!’ beval Wolf.

Arend krabde achter zijn oor. Hoe neem je in hemelsnaam iemand gevangen als je je twee handen nodig hebt om zelf niet te vallen? En dan nog wel een meisje. Met een jongen kun je nog vechten. Maar met een meisje? Misschien knijpt ze wel pinnig in je vel. Of ze krabt je ogen uit. Arend kuchte.

‘Hallo, daar. Kom naar beneden. Dan doen we je niets.’

‘Jullie gaan me gevangen nemen!’ antwoordde Linde.

‘Nee, dat zegt hij zomaar’, suste Arend.

Linde liet zich een paar takken lager zakken. Ze was liever wat dichter bij de grond voor het geval het tot een gevecht zou komen. Arend reikte omhoog en greep haar enkel beet.

‘Kom, ik zal je helpen.’

‘Laat me los. Ik kan het wel alleen!’

En omdat hij niet meteen deed wat ze vroeg, trapte ze met haar hiel op zijn vingers. Arend liet los en zoog op zijn knokkels.

‘Zeg, ik wilde je alleen maar helpen. Kom dan naar beneden.’

Zelf klauterde hij de boom uit, liet zich aan de onderste tak naar beneden zakken en kwam met een sprongetje op de grond terecht. Wolf en Ever liepen op hem toe.

‘Waar zit ze?’ gromde Wolf.

‘Rustig, ze komt’, zei Arend terwijl hij zijn geschaafde hand bekeek.

Linde stond nu op de onderste tak en aarzelde. Wat waren die jongens van plan?

‘Ga weg’, zei ze.

‘Nog in geen honderd jaar’, zei Wolf stoer. ‘Jij weet ons geheim en je hebt ons aangevallen. Ik neem je gevangen. Kom van die tak af.’

De bendeleden gingen nu alle drie vlak onder haar staan en staken hun handen omhoog om haar te grijpen zodra ze naar beneden kwam. Linde woog haar kansen af. Vechtend maakte ze geen enkele kans tegen drie jongens. Vluchtend misschien wel. Zou ze kunnen ontsnappen?

Eén seconde lang berekende ze haar sprong. Dan dook ze als een kat naar beneden, bovenop Ever, die ‘Ooo’ zei en achterover tuimelde. Bliksemsnel krabbelde Linde overeind en schoot als een haas de wei op, huppelend over de ongelijke zoden.

‘Grijp haar!’ schreeuwde Wolf.

Hij keek naar Ever. Die bleef liggen, totaal van zijn stuk. Dan naar Arend. Die stond met open mond het bloed van zijn hand te likken.

‘Moet ik hier alles zelf doen’, vloekte Wolf en schoot weg als een roofdier achter zijn prooi.

Linde had wel twintig meter voorsprong. Maar Wolf was een snelle loper en haalde haar zienderogen in. Linde trachtte nog als een echte haas haken te slaan door plots van richting te veranderen. Twee keer liet Wolf zich door haar verrassen en verloor hij een paar meter voor hij weer de juiste richting vond. Maar net toen Linde voor de derde keer een haak wilde slaan, dook Wolf naar voren en greep haar been vast. Samen rolden ze hijgend door het gras.

Meteen zat Wolf boven op haar en drukte haar tengere armen met zijn knieën tegen de grond. Ze stampte en kronkelde en schreeuwde dat hij haar los moest laten. Maar dat deed hij niet. Uiteindelijk gaf Linde het op en bleef doodstil liggen. Maar haar ogen keken zo woest dat Wolf er eigenlijk een beetje om moest lachen.

Arend en Ever, die de achtervolging van op afstand hadden gezien, kwamen toegelopen.

‘Neem haar mee naar het hol. En hou haar vooral goed vast’, zei Wolf en veegde met zijn mouw zijn neus schoon.

Linde liet zich gedwee naar het hol voeren. Arend en Ever klemden elk een van haar polsen vast en ze besefte wel dat er geen ontkomen aan was. Wolf volgde op een paar passen afstand.

Ever verdween als eerste in de put en kroop achterwaarts de gang in. Dan volgde Linde en ten slotte Arend en Wolf.

‘Wees maar niet bang’, fluisterde Ever haar in de donkere gang toe. ‘We doen je niets, hoor.’

Linde voelde zich op een vreemde manier opgewonden. Ze hield wel van een avontuur, tenminste als het allemaal goed afliep. Ze kreeg een plaats aangewezen tegen de wand. Arend en Ever gingen aan weerszijden van haar zitten, alsof ze bang waren dat ze weer zou gaan lopen.

‘Goed, laten we met het verhoor beginnen. Wie ben jij?’ zei Wolf nadat hij de kaarsen had aangestoken en op zijn stam was gaan zitten.

‘Ik heet Linde.’

‘Hoe oud ben je?’

‘Negen.’

‘Waar woon je? In het dorp?’

‘In de tuinwijk. Nog niet zo lang.’

‘Ik heb je hier nog nooit gezien. Waar ben je op school?’

‘Na de vakantie kom ik naar de dorpsschool. Nu ga ik nog naar mijn oude school, waar we vroeger woonden. Papa brengt mij met de jeep.’

‘Met de jeep? Die jeep in de tuinwijk, is die van jullie?’

‘Ja. Papa is boswachter. In de Tikkebossen.’

‘Je liegt. De boswachter van de Tikkebossen is dood. Een ongeval tijdens de jacht vorige winter.’

‘Mijn papa is de nieuwe boswachter. Daarom zijn we ook hier komen wonen.’

Wolf aarzelde even.

‘Waarom heb je ons bespioneerd?’

‘Ik heb jullie helemaal niet bespioneerd.’

‘Jawel. Je wilde weten waar ons hol was.’

Linde schoot in de lach.

‘Ik wist helemaal niets van een hol. Tot jullie zelf zo stom waren het te verraden.’

‘Wat deed je anders in die boom? Meisjes kruipen niet in bomen.’

‘O, ik wel hoor. Waar we vroeger woonden, stond een hoge perenboom in de tuin. Daar bovenin had papa voor mij een kamp getimmerd. Het was mijn liefste plekje. ‘s Avonds keek ik daar naar de zon die onderging. En soms zag ik de herten uit het woud komen om op de weiden te grazen.’

‘Hmmm’, kuchte Wolf. ‘Maar toch ben je een spion. Je kent ons geheim.’

Hij keek naar zijn twee vrienden.

‘Wat doen we met haar? Ze zal ons verraden.’

Arend en Ever keken verbaasd naar elkaar. Tja, wat konden ze met dat meisje doen? Ze konden haar toch niet…

‘Ze moet zwijgen’, zei Wolf. ‘Voorgoed!’

‘Ja’, antwoordde Arend. ‘Dat vind ik ook. Ze moet voor altijd zwijgen.’

‘Tja’, vond Ever ook. ‘Ze moet natuurlijk zwijgen. Maar de vraag is hoe?’

Wolf dacht even na. Dan verscheen er een grijnslachje op zijn tronie. Hij keek naar Linde en zei:

‘We zouden je tong kunnen afsnijden.’

Ever kromp in elkaar. Zijn angstoogjes flikkerden in het kaarslicht.

‘Of… of haar mond… dichtplakken’, probeerde hij.

Wolfs ogen bliksemden. Dan klonk er een gesmoord geluid. Even dacht Wolf dat Linde begon te huilen. Maar nee…, ze lachte. Ze kreeg de slappe lach en schokte tot ze dubbel lag. Het duurde een hele tijd voor ze weer een woord kon uitbrengen. Dan, met de lachtranen in haar ogen, gooide ze het eruit.

‘Zeg, jongens…, ik kan heus wel een geheim bewaren, hoor.’

‘Dat zeggen meisjes altijd’, zei Arend verontwaardigd. ‘Ik heb één keer een geheim aan mijn zus verteld. Daags nadien wist de hele school het.’

‘Zeg, ik ben je zus niet, hoor!’

Linde zei het heel kordaat en keek Arend daarbij zo verwijtend aan, dat hij niet wist waar hij het had.

‘Ik kán een geheim bewaren. Als ik het jullie beloof, dan doe ik het.’

‘En hoe weten wij of je je belofte wel zult houden?’ vroeg Arend op een venijnig toontje.

‘Laat me lid van de bende worden. Dan is het ook mijn geheim’, zei Linde beslist.

Wolf schrok. Dat had hij niet verwacht. Hij keek vragend naar Arend. Dan naar Ever. Arend schudde zijn hoofd.

‘Dat kan niet’, zei hij. ‘Meisjes kunnen geen lid worden van de bende van de mol.’

‘En waarom niet?’ bitste Linde verongelijkt.

‘Euh… dat is zo. Gewoon.’

‘O’, zei Linde. ‘Dat is gewoon zo. Staat dat in… de wetten van de bende?’

‘Ja, ja’, stotterde Arend. ‘Zo zou je het kunnen zeggen. In zekere zin staat het in de wetten van de bende.’

‘Verander die wetten dan.’

Linde kruiste haar armen voor de borst, sloeg haar benen over elkaar en keek de bendeleden één voor één aan.

Het was Wolf die het eerst weer iets zei.

‘Ik heb een idee’, zei hij, terwijl hij knipoogde naar Arend en Ever. ‘Linde kan lid worden van de bende. Tenminste… als ze de proeven doorstaat die elk bendelid heeft moeten volbrengen.’

‘OK’, zei Linde. ‘Zeg me maar wat ik moet doen.’

‘Niet alles tegelijk, meid. Voor de eerste proef moet je een mol vangen. Daar kun je alvast mee beginnen’, zei Wolf.

Zijn oogjes twinkelden. Hij hoopte heimelijk dat ze tot de derde proef zou geraken. Dan zouden ze nog eens kunnen lachen.