5 De loerjacht


‘Ach zo, u bent de nieuwe boswachter van de Tikkebossen. Kom binnen.’

Notaris Devreeke hield met een overdreven gebaar de voordeur van zijn villa open en speelde alsof hij een belangrijk iemand – een bankier bijvoorbeeld, of een politicus – binnenliet. Met de andere hand hield hij zijn hond, een dobermann, bij zijn halsband in bedwang. Flor veegde zijn laarzen aan de mat en volgde de notaris op de voet over de dikke loper. Devreeke liet hem binnen in een niet al te groot, maar rijkelijk bemeubeld salon.

‘Ik breng Bran even naar zijn hok’, zei de notaris en hij liet Flor alleen achter.

In het midden van het salon stonden twee kalfsleren fauteuils, die glommen van de ouderdom. In de open haard smeulden een paar houtblokken. Aan de schouw een schilderij met een jachttafereel en op de antieke kasten tegen de muren veel koperwerk en tin. Een geur van verse boenwas.

Toen de notaris weer binnenkwam, gooide hij nog een extra houtblok op het vuur en zei:

‘Ik ben blij dat u zelf langskomt. Ik was al van plan u eens op te zoeken. Ik heb namelijk nog een en ander te regelen in verband met de Tikkebossen. Na de ongelukkige dood van uw voorganger is dat wat blijven liggen. Maar zegt u me eerst wat u wilt drinken. Een likeurtje? Een glaasje port? Whisky?’

‘Een glas water, alsjeblieft’, zei Flor.

‘Kom kom, als u de hele dag buiten loopt, kunt u wel iets sterkers verdragen.’

‘Nee, dank u wel’, zei Flor. ‘Water graag.’

De notaris schelde met een koperen belletje dat op de tafel stond. Hij schonk zichzelf net een likeurtje in toen het dienstmeisje binnenkwam.

‘Dorien, een glas water voor meneer. Enne… breng meteen een kistje sigaren mee.’

Geen minuut later stond het gevraagde op tafel.

‘Een sigaartje, meneer… euh… Hoe is uw naam ook weer?’

‘Sylvester. Flor Sylvester. Maar een sigaartje… Nee, dank u wel. Ik rook niet.’

‘Hemeltje, wat bent u een sober man. U vergeet te genieten, meneer Sylvester.’

‘Ik probeer gezond te leven’, glimlachte Flor. ‘En genieten doe ik echt wel elke dag in het bos, hoor, meneer de notaris.’

‘Zo hoor ik het graag, euh… Ik mag Flor zeggen? Zegt u maar gewoon meneer Devreeke. Dat hoor ik liever dan meneer de notaris. Maar ik benijd u, euh… Flor, dus. U kunt de hele dag in bos en wei rondlopen en naar de reeën en de fazanten kijken. Ik doe dat zelf heel graag, maar als notaris heb ik hooguit tijd voor een korte wandeling met Bran. Alleen in het jachtseizoen neem ik echt een paar dagen vrij. Dat is voor mij het ware leven. Daar vergeet ik al mijn zorgen. Ik nodig een paar vrienden uit, zakenmensen, bankiers, politici, en samen trekken we van ‘s morgens vroeg door het bos. Ik ken de Tikkebossen overigens vrij goed. Met uw voorganger, Wout, heb ik acht jaar lang heel nauw samengewerkt. Hij zorgde voor mijn jachtvergunning en af en toe kreeg hij een haasje van mij. Het is doodjammer dat die man zo ongelukkig aan zijn eind gekomen is.’

‘Dat gebeurde tijdens een van uw jachtpartijen?’ vroeg Flor.

‘Euh… ja, natuurlijk. Natuurlijk tijdens een van mijn jachtpartijen. Ik pacht immers de jacht. Ik had een loerjacht op reeën georganiseerd voor een vijftal vrienden. Enkele daarvan jaagden voor het eerst. Ze hadden nog nooit een geweer in hun handen gehad. Misschien wat onvoorzichtig van mij. Maar ik had die mensen nodig voor zaken. Laat ik ze dus maar eens een pleziertje doen, dacht ik. Op een bepaald ogenblik schoten we met drie, vier tegelijk op een reebok die voorbijsnelde. Dat is niet makkelijk, want je moet meezwaaien en iets vóór het dier mikken. Ik ben zeker dat ik de ree gedood heb. Mijn schot was raak. Maar een van mijn vrienden moet wat ongelukkig gemikt hebben, want achteraf bleek Wout dodelijk geraakt door een verdwaalde kogel. Dat was natuurlijk heel vervelend. Ik heb zelf de procureur opgebeld. Die heeft meteen een verklaring opgesteld dat het om een jachtongeval ging. Tot overmaat van ramp had een van de politici in ons gezelschap niet eens een jachtvergunning. Dom van mij natuurlijk, maar daar konden we maar best niet teveel ruchtbaarheid aan geven. Dat vond de procureur ook. De zaak was dus heel gauw geregeld. Ik vond het vooral erg voor de vrouw van Wout. Ik heb de begrafenis betaald en haar een appartement in de stad aan de hand gedaan, want ze wilde hier niet blijven. Af en toe stuur ik haar nog wat geld, want ik weet dat ze het moeilijk heeft. Maar goed, u kwam waarschijnlijk voor heel andere zaken, Flor. Laat eens horen wat ik voor u kan doen.’

Flor ging rechtop in de fauteuil zitten en wreef zijn baard.

‘Er zijn eigenlijk twee dingen die ik u wilde vragen, meneer Devreeke. Het eerste is iets persoonlijks, een kleinigheid. Laat ik daar maar mee beginnen.’

‘Ga uw gang. Ik ben er om u te helpen’, slijmde de notaris.

‘Euh… Mijn dochtertje Linde heeft hier een paar dagen geleden bij het spelen haar fiets achtergelaten. Toen ze terugkwam, was die weg. Maar ze dacht gezien te hebben dat uw tuinman…’

‘O, maar daar weet ik van, Flor. Was dat uw dochtertje? Schattig kind. Ik dacht nog: die laat haar fiets zomaar achter en straks is een van die kwajongens er mee weg. Er loopt hier altijd uitschot van het dorp rond dat de buurt onveilig maakt. Ik ben trouwens volop bezig om daar een eind aan te maken. Ik heb de Brakke Wei gekocht en daar wil ik een kleine golfbaan van maken. Niet meer dan drie holes, hoor. Maar dan kan ik vlakbij huis wat oefenen om een balletje te slaan als ik even de tijd heb.’

‘Op de Brakke Wei, zegt u?’ probeerde Flor.

‘Ja ja, dat is dat stuk braakliggende grond hier naast mijn huis.’

‘Ik ken de Brakke Wei wel’, antwoordde Flor. ‘Die maakt deel uit van de bufferzone voor de Tikkebossen. U zal nooit een vergunning krijgen om daar een golfterrein aan te leggen.’

‘Ach, Flor, ik ben notaris voor iets, hé. Daar valt altijd wel een mouw aan te passen. Ik ben al een paar keer met de burgemeester gaan eten en dat komt wel voor mekaar. Maar goed, de fiets van uw dochtertje dus. Ik zag dat zij die daar onbeheerd achterliet en ik heb meteen aan Thomas, dat is mijn tuinman, opdracht gegeven om die fiets veilig bij ons in de garage onder te brengen. Ik zou het doodjammer gevonden hebben als dat kleine meisje haar fiets was kwijtgeraakt.’

Tegelijk schelde Devreeke tweemaal en toen Thomas eerst klopte en dan onderdanig de deur opendeed, zei de notaris:

‘Thomas, dat fietsje dat ik je eergisteren in de garage heb laten zetten, weet je nog? Wil je dat even in de jeep van meneer leggen. Die staat op de oprit. En… voorzichtig hé. Ik zou niet willen dat er iets aan komt.’

Thomas bleef verbouwereerd in de deuropening staan, alsof de boodschap even moest bezinken. Dan knipperde hij met zijn ogen, draaide zich om en trok de deur achter zich dicht.

‘Ziezo, Flor, dat is geregeld’, zei Devreeke. ‘Maar u had nog iets?’

‘Ja’, aarzelde Flor, alsof hij niet goed wist hoe te beginnen. ‘Het is in verband met de Tikkebossen. Ik ben hier nu drie maanden en ik mag wel zeggen dat ik elk plekje van het gebied gezien heb. Ik heb ook zorgvuldig een inventaris opgemaakt van het wild. Ik heb nesten en legers geteld en de dieren geobserveerd.’

‘Ja, zeker, dat is uw werk. Ga verder.’

‘Wel,’ zei Flor, ‘het is zo dat de toestand van het wild in de Tikkebossen niet zo goed is. Er zijn nog nauwelijks jonge reeën, op de weiden achter de bossen heb ik met moeite één haas gezien en wilde fazanten zijn er helemaal niet meer. Ik vrees dat het gebied de voorbije jaren overbejaagd is. Ik heb een rapportje gemaakt voor de overheid, waarin ik aanraad om de jacht in de Tikkebossen voor minstens tien jaar op te schorten.’

Notaris Devreeke verslikte zich in zijn glaasje likeur en trok wit weg. Hij keek Flor strak aan en kauwde langzaam op zijn woorden alvorens ze uit te spreken.

‘Mijnheer Sylvester’, zei hij ten slotte.

‘Zegt u rustig Flor, hoor.’

‘Mijnheer Sylvester’, herhaalde hij. ‘U gaat me toch niet vertellen dat u mij mijn jachtgebied wilt afpakken?’

‘Mijnheer Devreeke, er is haast geen wild meer in de Tikkebossen. Als u dit jaar nog doorgaat met jagen, kunt u het volgend jaar helemaal vergeten. Dan is uw jachtgebied leeggeschoten.’

‘Leeggeschoten, leeggeschoten. Dan kunnen we toch gewoon nieuw wild uitzetten. Fazanten kweken bijvoorbeeld en ze loslaten een paar weken voor de jacht. Mijn vrienden zien het verschil niet, hoor.’

‘Het spijt me, meneer de notaris, maar zo werkt de natuur niet. Als boswachter ben ik verantwoordelijk voor een goed wildbeheer. Voor mij kan dat best samengaan met een verstandige vorm van jacht. Maar zoals u in de voorbije jaren in Tikkebossen hebt gejaagd, dat is helaas niet te verenigen met goed natuurbeheer.’

‘Luister eens, meneer Sylvester, dat jachtgebied in de Tikkebossen is heel belangrijk voor mijn zaken. Of er daar al dan niet wilde beesten zitten, kan mij geen barst schelen. Desnoods wil ik ervoor betalen om wild uit te zetten. Als mijn gasten maar af en toe een fazant of een ree zien lopen en er op kunnen schieten. Zodat ik nadien in een prettige sfeer mijn zaken met hen kan bespreken bij een fazantenbout en een goed glas wijn. Ik vraag u dus met aandrang om niet moeilijk te doen over die jachtvergunning. Denk erom dat ik een machtig man ben en veel mensen ken, ook bij de regering. Zo’n zaak zou ook voor u wel eens onaangename gevolgen kunnen hebben.’

‘Moet ik dat als… een bedreiging opvatten, meneer Devreeke?’

‘Ach nee, meneer Sylvester, of… ik mag Flor zeggen, hé. Luister Flor, we moeten daar nog eens rustig over praten. Ik nodig u uit om morgenavond met mij een hapje te gaan eten in… laten we zeggen in de Cigale Dorée. U kent de Cigale? Op de weg naar de stad, net voorbij de Vossenberg. Ik ken de chef. Jean-Pierre kookt voortreffelijk. Zijn zwezeriken moet je proeven. Hou je van zwezeriken?’

‘Ik geloof niet dat ik ooit al zwezerik heb gegeten. En bovendien…’

‘U moet ze proeven. Ik nodig u uit, Flor. Morgenavond. En dan kunnen we eens rustig praten.’

‘Meneer de notaris, het is tijd voor mijn namiddagronde. En morgenavond eet ik blinde vinken. Mijn vrouw Els kookt namelijk ook voortreffelijk. Tot kijk.’

Zonder nog een woord te zeggen, stond Flor op en stapte naar buiten. Hij wierp een vlugge blik op de fiets in zijn laadbak, startte de motor van zijn jeep en reed de oprijlaan af. Notaris Devreeke keek hem na door het raam, de lippen op elkaar geperst.