5 Mooie bips


‘Snel’, zei Linde. ‘Ze zitten vast al op ons te wachten!’

De twee meisjes fietsten de straat uit in de richting van de Tikkebossen.

‘Stom van ons! Het is al bijna elf uur. Dat we ons net nu moeten verslapen!’

‘Ach, steek het maar op mij’, lachte Manon, terwijl ze Linde probeerde bij te houden. ‘Tegen mij durven ze toch niets te zeggen.’

‘Nog niet’, antwoordde Linde. ‘Maar dat zal wel niet lang meer duren. Ik ken ze wel.’

De meisjes fietsten de ziel uit hun lijf. Ze draaiden de laatste hoek om en reden nu langs het rechte stuk onverharde weg dat naar de ingang van de Tikkebossen leidde.

‘Om ter eerst nu’, kraaide Linde en ze ging op de trappers staan.

Manon reageerde een ogenblik te laat en lag al twee lengtes achter. Maar ze was groter en sterker dan Linde en haalde haar beetje bij beetje in. Hijgend van de inspanning stoven ze in elkaars wiel langs de parkeerplaats.

‘Linde! Wacht!’

Manon gooide plots haar remmen dicht en stopte. Linde was al dertig meter verder eer ze stilstond.

‘Wat nu?’ riep ze verbaasd. ‘Kon je me niet inhalen?’

‘Daar gaat het niet om’, riep Manon. ‘Kijk liever hier.’

Linde draaide haar fiets om en reed stapvoets tot bij Manon.

‘Daar, op de parkeerplaats. Die witte Mercedes van gisteren.’

Linde zag de auto nu ook staan. Hij stond achter op de parkeerplaats, een beetje verborgen tussen de struiken.

‘Die geven het blijkbaar nog niet op’, zei Linde zacht.

‘Moeten we je vader niet verwittigen?’ vroeg Manon. Linde haalde haar schouders op.

‘Ik zeg het hem vanavond wel. Tenslotte mag iedereen in de Tikkebossen wandelen als hij dat wil. Kom, de jongens wachten.’

Ze reden zij aan zij tot bij de boomhut. Al van ver zagen ze Wolf, Ever en Arend staan. De jongens stonden onder de boomhut en leunden tegen de stam van de eik. Tussen de struiken lagen hun fietsen.

‘Zo, jullie komen toch nog!’ riep Wolf hen toe, terwijl de meisjes naderden en van hun fietsen sprongen. Hij kruiste stoer zijn armen en lachte spottend:

‘Ze zijn vast bang voor de zwemwedstrijd.’

‘O,’ antwoordde Manon gevat, ‘nu is het al een echte wedstrijd. Ik dacht dat we maar gewoon voor de lol wat over en weer gingen zwemmen. Mij goed, hoor. Als je echt zo nodig wil laten zien wat je kunt, zal ik je niet tegenhouden.’

Linde proestte het uit. Arend en Ever beten op hun lippen. Alleen Wolf keek sip. Hij voelde zich niet helemaal op zijn gemak met Manon in de buurt. Wacht maar tot ze in het water sprongen. Dan zou hij haar wel een lesje Ieren.

‘Zo, vertrekken we?’ vroeg Arend, die ongeduldig werd.

‘Even nog’, zei Linde. ‘Ik heb eerst nog een vraagje. Klopt het dat jullie gisteren de boomhut in brand gestoken hebben?’

‘Dat was een ongelukje’, zei Wolf. ‘Het stelde niets voor.’

‘Het was trouwens meteen geblust’, voegde Ever eraan toe, die meteen hoopte dat de meisjes niet zouden vragen hoe hij het geblust had.

‘Je ziet er haast niets van’, zei Arend nog. ‘Een kleine zwarte plek achter de tafel. Verder niets.’

‘Ik begrijp er niets meer van’, mijmerde Linde. ‘Hoe kom je erbij om vuur te maken in onze boomhut? Ik vond gisteren al dat jullie zo raar deden. Eerst die bonen. Dan dat vuur. Dat had toch niets met elkaar te maken?’

‘Neeneenee’, suste Ever heftig. ‘Helemaal niets. Puur toeval.’

‘En? Nog last van je buik?’ gniffelde Manon met een vleugje spot in haar stem.

‘Nu niet meer’, antwoordde Ever. ‘Maar ik heb wel zowat de halve nacht op de wc gezeten.’

‘Kom, jongens, laten we nu vertrekken’, zei Arend gelaten. ‘Het is zo middag.’

‘Arend heeft gelijk’, zei Linde kordaat. ‘Vooruit, op jullie fietsen.’

De jongens raapten hun fietsen op en even later reden ze met zijn vijven langs het brede bospad dat naar de vijver leidde.

Ze fietsten langs de machtige beuken die een donkergroene gloed over het bos legden. Rechts stonden de roodbruine dennen, links van hen lag het dichte, natte bos vol wilg en eis. Het leek wel een ondoordringbaar oerwoud.

‘Kijk daar!’ riep Arend gesmoord. Hij reed voorop en gaf de anderen een teken om te stoppen. Drie reegeiten stonden nieuwsgierig midden op de weg, nauwelijks vijftig meter van hen verwijderd. De dieren keken hen strak aan alsof ze zich afvroegen wat die mensen daar deden. Dan wipte de eerste met een sierlijke sprong het struikgewas in en de andere volgden. Manon kon haar ogen niet geloven. Zoiets had ze in Parijs natuurlijk nog nooit gezien.

‘Waren dat echte, wilde herten?’ vroeg ze.

‘Reeën’, antwoordde Linde. ‘Dat is een kleinere soort hert.’

‘Er zitten er hier wel twintig in het bos’, vulde Wolf aan, blij dat hij eindelijk iets gevonden had waarmee hij Manon kon overbluffen. ‘We zien ze hier haast elke dag.’

‘Hij overdrijft weer, hoor’, kwam Ever tussenbeide. ‘Zolang ik in de Tikkebossen kom, is het nog maar de vierde of de vijfde keer dat ik een ree zie. Dat is dus niet haast elke dag.’

‘Jij hebt ook geen ogen in je kop’, snauwde Wolf hem toe.

Verongelijkt stapte hij naast zijn fiets van het groepje weg en trapte pardoes in een verse hondendrol. Woest veegde hij zijn schoen schoon aan het gras.

‘Wie heeft hier geen ogen in zijn kop?’ zei Ever zachtjes, er wel zorg voor dragend dat Wolf het niet zou horen.

‘Kom, jongens, niet kibbelen’, zei Linde. ‘Laten we gaan zwemmen.’

Wolf mokte nog een beetje, maar volgde de anderen toch toen ze naar de vijver fietsten. Ze gooiden hun fietsen onder de struiken en gingen bij elkaar zitten aan de rand van het water.

Dit was echt een heerlijk plekje. De zomerzon was warm, maar over de waterspiegel heen gleed een koele wind.

‘Wie wil iets drinken?’ vroeg Linde, terwijl ze haar picknicktas openritste en er een fles limonade uit haalde.

‘Sleur jij altijd met zulke zware glazen flessen?’ vroeg Ever, die zelf een brik appelsap uit zijn rugzak viste.

‘Natuurlijk’, zei Linde. ‘Dat is veel beter voor het milieu, zegt mama. Zo’n fles wordt telkens opnieuw gebruikt.’

Tegelijkertijd draaide ze de fles open, nam een slok, veegde de hals van de fles met haar hand schoon en gaf de limonade door aan Manon.

‘Heerlijk fris’, zei Manon. ‘Dat smaakt.’ Ze gaf de fles aan Arend door.

Intussen zat Ever te prutsen om zijn brik open te krijgen, want hij had natuurlijk vergeten een schaar mee te nemen. Voorzichtig scheurde hij het afgetekende hoekje er af en gooide het in het gras.

‘O… pardon’, stotterde hij meteen, voor Linde zelfs maar de kans kreeg om er iets over te zeggen. Hij strekte zijn arm zo ver hij kon om het weer op te rapen, maar kneep daarbij in de geopende brik, waardoor een hele gulp appelsap op zijn broek gutste. Iedereen lachte.

Arend had intussen zijn schoenen uitgeschopt en zijn T-shirt en zijn broek uitgetrokken. Zijn bleke, maar gespierde benen staken fel af tegen zijn blauwe zwembroek.

Ook Wolf had zijn zwembroek thuis al aangetrokken en was dus in een wip klaar. Ever had daar niet aan gedacht. Hij trok zijn trui uit en begon onhandig een handdoek rond zijn middel vast te maken om zich daaronder te verkleden.

‘Kom, Manon’, zei Linde. ‘Wij verkleden ons in de struiken.’

Ze pakten hun spullen en verdwenen tussen het dichte gebladerte.

Arend stond al met zijn voeten in het water.

‘Brrr… Het is nog koud’, riep hij.

Ever probeerde intussen op één been in de opening van zijn zwembroek te stappen, maar hij verloor telkens zijn evenwicht. Pas toen hij tegen een boomstam aan leunde, wilde het lukken.

Wolf stond opzij te treuzelen. Hij probeerde onopvallend wat dichter bij de bosjes te komen waar de meisjes zich verkleedden. Vanuit zijn ooghoeken zocht hij tussen de bladeren of hij geen glimp kon opvangen van Manon in haar blootje. Maar plots sprong Linde in haar badpak tussen de struiken uit en stond vlak voor hem:

‘Wel, loerder, wat doe jij hier?’

‘Eh, niets’, stotterde Wolf. ‘Ik zocht… eh… mijn sok.’

‘Je sok!’ spotte Linde. ‘Die zocht jij helemaal niet. Ik zie je sokken van hieruit liggen naast je kleren. Maak dat je wegkomt.’

Op dat ogenblik kwam ook Manon uit de bosjes. Ze droeg een roodgestreepte bikini en ze had haar donkere haar in een paardenstaart samengebonden. Wolf durfde haar haast niet aan te kijken. Rood als een klaproos draaide hij zich om en dook het water in, waar hij meteen afkoelde.

Ever was er intussen met veel moeite in geslaagd zijn zwembroek tot op zijn knieën te krijgen. Maar toen hij die het laatste stuk omhoog wilde trekken, schoof de handdoek los en viel naar beneden. Bliksemsnel trok hij zijn zwembroek omhoog.

‘Mooie bips heb jij!’ lachte Manon, die net voorbijkwam op weg naar het water.

Linde stond al op de oever en voelde met haar teen hoe warm het water was. Maar Manon nam meteen een aanloop en sprong wel drie meter ver in het water. Heel even ging ze kopje onder. Toen ze proestend weer bovenkwam, schudde ze het water uit haar haar en riep naar Linde:

‘Waar blijf je? Je moet er meteen inspringen. Dan voel je de kou niet.’

Toen de bendeleden eindelijk alle vijf in het water zaten, begonnen ze een watergevecht waarmee ze de grootste pret hadden. De jongens spatten de meisjes nat, maar die lieten zich niet doen. Rug aan rug spatten Linde en Manon met handen en voeten het water in het rond.

‘Kom, ik zwem tussen je benen door’, riep Arend naar Linde.

Linde ging wijdbeens in het water staan, terwijl Arend achter haar onder water verdween. Het duurde even voor hij haar gevonden had in het troebele water. Hij zwom echter helemaal niet tussen haar benen door, maar tilde haar op zijn schouders uit het water. Linde schaterde het uit.

‘Vooruit, Wolf, nu jij!’ riep ze.

Wolf liet zich dat geen twee keer zeggen. Hij dook achter Manon naar beneden en even later duwde hij haar met een zalig gevoel op zijn schouders uit het water.

‘Kom, we spelen waterridder. Ever is de scheidsrechter’, riep Arend.

Ever knikte een beetje schaapachtig. Hij had natuurlijk ook liever een meisje op zijn schouders gehad. Maar er waren er maar twee en bovendien wist hij niet eens zeker of hij wel rechtop zou kunnen blijven met zo’n gewicht in zijn nek.

Wolf en Arend stonden nu vlak tegenover elkaar. Manon greep Lindes pols beet en trok haar arm opzij. Arend wankelde even, maar kon zich rechthouden. Nu was het de beurt aan Linde. Ze sloeg haar linkerarm om de nek van Manon en wrong naar links en naar rechts. Zowel Wolf als Arend moesten voortdurend bijsturen om niet te vallen. Uiteindelijk slaagde Linde erin Manon uit evenwicht te krijgen. Maar de Parijse gaf het nog niet op. Ze sloeg haar benen kruiselings rond de hals van Wolf, die even naar adem hapte. Nog liet Linde niet los. Ze trok aan Manons nek en omdat Arend intussen een stap opzij zette, draaide Manon om Wolfs hals heen tot ze achterstevoren op zijn schouders zat. Met één hand hield ze zich vast in de nek van Wolf, waardoor ze zijn gezicht tegen haar buik drukte. Dat was te veel voor de bendeleider. Hij kreeg helemaal geen adem meer, wankelde op zijn benen, zeilde nog twee stappen opzij waarna hij achterover in het water viel. Omdat Manon echter nog steeds Lindes pols vasthield, tuimelden zij en Arend ook het water in. Naar lucht happend kwamen ze alle vier weer boven, schaterend en proestend.

‘Linde en Arend hebben gewonnen’, riep Ever, die allang blij was dat hij zelf niet kopje onder hoefde te gaan.

‘OK’, zei Manon tegen Wolf. ‘Wij hebben verloren. Allebei. Dat is een goed uitgangspunt voor onze wedstrijd.’

‘Onze wedstrijd?’ vroeg Wolf.

‘Of was je dat al vergeten?’ grapte Manon.