3 De boomhut brandt
‘Oef, ze zijn weg’, zuchtte Arend.
‘Eindelijk’, zei Wolf. ‘Ik was al bang dat ze de hele namiddag zouden blijven.’
‘Aaaah’, kreunde Ever.
‘Kom, laten we er gauw aan beginnen voor het te laat is’, zei Wolf.
Ever keek hem schaapachtig aan.
‘Het is toch niet gevaarlijk, hè?’
‘Maar nee’, zei Wolf kregelig. ‘Er kan niets gebeuren. Volgens het boek duurt het nog geen seconde en dan is alles voorbij.’
‘Maar wat als ik mij verbrand?’
Wolf zuchtte diep.
‘Je verbrandt je niet’, zei hij stellig. ‘Maar goed, als je daar bang voor bent, dan zullen we extra voorzorgen nemen. Arend, loop zo snel je kunt naar de vijver en vul daar een emmer met water. Als hij zijn kont verbrandt, kan hij daarin gaan zitten.’
Arend knikte. Hij nam de oude plastic emmer waar ze ooit een tijdje stekelbaarsjes in hadden gehouden en klom naar beneden.
‘Haast je een beetje’, riep Wolf hem nog na door het raampje van de boomhut.
Arend knikte alleen maar en liep naar de vijver.
Tien minuten later was hij terug. Behoedzaam klom hij met de emmer in de boom, waarbij hij probeerde zo weinig mogelijk water te morsen. Toen hij eindelijk boven was, zette hij de emmer naast Ever op de grond.
‘Zo, kunnen we dan eindelijk met ons experiment beginnen?’ vroeg Wolf.
‘Natuurlijk’, zei Arend. ‘Alleen nog dit: in de buurt van de vijver zag ik Flor, de boswachter.’
‘Ja, en dan?’
‘Als Flor alleen was geweest, zou ik het niet zo gek gevonden hebben. Maar er waren twee mannen bij hem die Frans spraken. Ik verstond er geen woord van, maar ze waren wel flink opgewonden. Ik denk dat ze ruziemaakten.’
Wolf haalde zijn schouders op.
‘Ze spreken Frans’, zei Ever. ‘Zouden die misschien iets met Manon te maken hebben?’
‘Dat denk ik niet’, antwoordde Arend. ‘Linde zei toch dat Manon alleen met de trein was gekomen.’
‘Kom, laten we nu geen tijd meer verliezen’, zei Wolf. ‘Denk je dat het nu lukt?’
‘Zonder twijfel’, zei Ever.
De namiddag was al een flink stuk gevorderd en de zon scheen niet meer rechtstreeks naar binnen. In de hut was het schemerdonker. Ever ging op zijn knieën op de tafel zitten en stroopte zijn broek af Arend en Wolf stelden zich op aan weerszijden van zijn blote kont.
‘Kijk, het is volle maan’, lachte Arend.
Ever draaide zijn hoofd naar achteren en keek hem boos aan.
‘Zeg, als je denkt dat het plezierig is om hier zo te zitten, doe het dan zelf.’
‘Kalm, kalm’, zei Wolf. ‘Zorg maar dat je het op tijd zegt als er iets aankomt.’
‘Hou jullie maar klaar’, zei Ever. ‘Ik voel mijn buik zwellen.’
Wolf haalde een lucifer uit het doosje en streek die aan. De hele boomhut lichtte ervan op.
‘De rosse maan’, proestte Wolf en hield de brandende lucifer nu vlak bij het achterste van Ever.
‘Opgepast!’ gilde Ever. ‘Een, twee.., nu!’
Op hetzelfde moment liet hij een geweldige wind. De ontsnappende gassen vlogen meteen in brand en een halve seconde lang gloeide een blauwgele vlam op met een zucht van vuur die even gauw weer uitdoofde. Arend en Wolf stoven uit elkaar en schoten dan luidop in de lach.
‘Gelukt! Het is gelukt! Zijn scheet brandt!’
Ook Ever lachte. Hij kon maar niet geloven dat de gassen uit zijn buik echt gebrand hadden. Hij trok zijn broek omhoog en ging zitten.
Hij was nog aan zijn gesp aan het frutselen, toen hij plots het vuur zag.
‘Help! De boomhut staat in brand!’
Nu zagen Wolf en Arend het ook. Verrast door het prachtig gelukte experiment moest Wolf de brandende lucifer hebben laten vallen. Het droge mos dat tussen de takken was gestopt, was meteen in brand gevlogen. De vlammen likten al langs de takken van de eik waarop de boomhut gebouwd was.
‘Brand! Brand!’ krijste Ever.
‘Schreeuw niet zo. Doe liever iets!’ riep Wolf, maar zelf deed hij ook niets. Hij stond er verslagen bij.
‘Water’, riep Arend. ‘We moeten water hebben!’
Hij keek om zich heen waar hij de emmer had gelaten die hij daarnet in de vijver gevuld had. Op hetzelfde moment zette Ever een stap achteruit, zijn ogen strak op het om zich heen grijpende vuur gericht. Te laat besefte hij dat hij de emmer omverliep.
‘De emmer!’ riep Arend.
Hij probeerde te redden wat er nog te redden viel, graaide naar de emmer en zette die recht. Er zat nog een klein beetje water in. Arend goot het over het vuur, dat wel kiste, maar niet doofde. Daarvoor was er niet genoeg water.
‘Sla de vlammen uit!’ riep Wolf.
Ever greep een deken dat in de hoek lag en naar vocht rook. Hij begon ermee op de vlammen te slaan. Dat hielp. Spoedig waren de grote vlammen gedoofd, maar het mos smeulde nog na. Het zou elk ogenblik weer kunnen oplaaien.
‘Ik haal meer water’, schreeuwde Arend.
Vliegensvlug kroop hij met de lege emmer door het luik. Een paar tellen later stond hij op de grond en rende naar de vijver. Hij schepte zijn emmer vol water en wilde net weer vertrekken toen hij de boswachter zag. De twee Franssprekende mannen waren nog steeds bij hem.
‘Hé, Arend! Wat doe je daar? Wat is er aan de hand?’ riep Flor.
Arend keek hem onthutst aan.
‘Eh…, het… de boomhut staat… in brand…’, hijgde hij.
‘Jongens, toch. Het is niet waar!’ riep Flor ongelovig. Hij griste de emmer uit Arends handen en zette het op een lopen in de richting van de boomhut. Arend holde achter hem aan. Op een afstand volgden de twee mannen op een sukkeldrafje.
Flor kon veel sneller lopen dan Arend. Hij kwam het eerst bij de boomhut aan. Tussen de takken kringelde wat rook omhoog, maar vlammen waren er niet te zien. Met vier snelle passen klom Flor de boom in. Wolf en Ever keken hem beteuterd aan.
‘Waar smeult het nog?’ vroeg Flor.
‘Alles is uit’, zei Wolf stil.
‘We hebben het… eh… uitgeplast’, voegde Ever eraan toe.
Flor zuchtte opgelucht en er verscheen een flauwe glimlach op zijn lippen.
‘Gelukkig maar’, zei hij. ‘Ik was al bang dat de Tikkebossen in de fik gingen.’
Voor alle zekerheid goot hij het water uit de emmer over de zwartgeblakerde plek.
Even later stonden ze met zijn allen beneden aan de boom. In de verte kwamen de twee mannen aangesukkeld.
‘Luister, jongens’, zei Flor. ‘Een ding moeten jullie me beloven. Ik wil dat jullie nooit of nooit meer vuur maken in het bos. Zeker nu het al dagen zo droog is, kan het kleinste vlammetje het hele bos in lichterlaaie zetten. Geef mij nu maar die lucifers en laat het nooit meer gebeuren.’
Schuldbewust haalde Arend de lucifers uit zijn zak en gaf ze aan Flor. De twee mannen bekeken hen vol misprijzen en schudden hun hoofd. De drie jongens fietsten met hangende hoofden het bos uit. Een heel eind achter hen aan volgde Flor met de twee mannen.