2 De magische machine

Het idiote meisje had bepaald nooit de reis naar het heilige Bhelsheved gemaakt. Verder liet men haar maar rondzwerven, en als ze het erg bont maakte dan vingen ze haar met een net en bonden haar vast aan een paaltje, als een hond, tot haar aanval voorbij was. Meestal was haar gewelddadigheid overigens tegen haarzelf gericht, ze viel nooit anderen aan, alleen scheurde ze wel eens wasgoed stuk, dat op de struiken te drogen lag, of stal ze vruchten van de bomen. Het dorp betoonde haar vrome verdraagzaamheid, en wierp haar zelfs de etensrestjes toe, waarop ze zich in leven hield.

En er bestond een traditie om, wanneer er een bruiloft was of een begrafenis, op straat bij haar paal een kroes bier of schrale wijn neer te zetten – of ze er die dag nu vastgebonden zat of niet.

Maar ofschoon het dorp dit alles deed, voelde het zich toch door haar aanwezigheid besmet, en beschouwde haar als een vloek van de goden voor een of ander vergrijp in het verleden. Als ze haar naar hun maatstaven goed behandelden, dan hoopten ze daarmee de gunst des hemels te verwerven zodat die haar zou verwijderen, of zou laten doodvallen.

Maar ze ging niet dood, het idiootje, en niemand durfde haar dood te maken, hoewel ze wel eens met steentjes naar haar gooiden of haar sloegen.

In een zeker jaar kwam, een paar maanden voor oogsttijd, een magiër wonen in een oud landhuis op de heuvel boven het dorp. Hij verkondigde dat hij zich uit de stad had teruggetrokken om zijn kunsten in vrede te kunnen beoefenen, en dat hij daarnaast een vroom en godvrezend mens was. Het dorp begroette hem als een zegening, net zoals ze het meisje als een vloek aanvaardden. Hij had echter weinig omgang met hen, verdiept als hij was in zijn experimenten. Zo nu en dan steeg er een brullend geluid op van het dak van het landhuis, maar die geluiden deden op zichzelf niemand kwaad. Een enkele keer klopte er eens een dorpsbewoner op de met koper beslagen deur die in de poort van het landhuis was gezet, maar kreeg er geen antwoord. En één keer was een herder die de magiër op de helling zag wandelen met zijn bediende, aan komen snellen en had de wijze gevraagd zijn tandpijn te verlichten. Maar de magiër leek het helemaal niet te horen en liep door, terwijl zijn lange gewaad dat met buitengewone tekens bestikt was, door het gras streek. De bediende had zich echter omgedraaid, en toen de wijze een eindje was doorgelopen sprak hij de herder aan.

‘Welke tand is het?’ wilde de bediende weten.

De herder deed stom zijn mond open en wees de lastige hoektand aan.

‘O, dat varkentje was ik wel even,’ kondigde de bediende van de magiër aan en hij haalde uit met zijn staf en sloeg de herder de tand uit de mond – met nog twee goeie tanden erbij.

De herder brullend achterlatend holde de knecht, ook brullend, maar dan van boerse pret, met bokkesprongen achter zijn nietshorende meester aan.

Langzamerhand werd deze knecht nu in het dorp een grote bezoeking, zoals ze nog nooit hadden gekend. Afstotend van uiterlijk en onzindelijk als hij was, werd hij door de magiër in dienst gehouden om zijn ontzaglijke kracht als lijfwacht, en ook omdat deze intellectueel het perverse verlangen had opgevat een dergelijk iemand bij zijn werk gade te slaan. Aangezien zijn geest op het hogere was gericht en hijzelf van de onaangenaamheden van zijn knecht verschoond bleef, zag de magiër absoluut niet wat er elders voorviel.

Om te beginnen had de knecht de neiging de dorpelingen vreemdsoortige poetsen te bakken. Hij bond bij voorbeeld de geslachtsdelen van de bokken aan elkaar en toen de geitehoeder op hun gekrakeel aan kwam hollen, sprong de knecht bovenop hem en bond hem er op dezelfde manier aan vast. Eén keer kroop de ellendeling door een schoorsteen omlaag, waarbij hij eerst het vuur had gedoofd door erin te wateren, en kwam met een plof in het huis van een oud vrouwtje terecht dat van schrik bijna een toeval kreeg. En toen verraste hij een vrouw die in een poel aan het baden was. Wat daarvan gekomen zou zijn, viel moeilijk te raden, maar in dit geval was het de vrouw van de rietsnijder, die van plan was geweest zelf wat riet te gaan snijden, zodat ze een mes tussen haar kleren had liggen, dat ze vliegensvlug pakte, waarna ze de knecht in het dijbeen stak. Krijsend hobbelde hij weg na dit onthaal. Die avond, toen de vrouw het eten stond te koken voor haar man, kwam er een doffe koperen vogel door haar venster gevlogen, die streng tegen haar zeide: ‘Ik spreek namens de magiër en hij laat vragen waarom je zijn knecht hebt gestoken.’ De vrouw was geschrokken, maar haar man kwam eraan en ging voor haar staan en zei tegen de vogel: ‘Laat je meester maar eens over het volgende nadenken. Wanneer een vrouw die zo mooi is als de mijne, dicht genoeg bij was om met haar mes een man, die zo lelijk en afstotelijk is als die knecht van hem, in een dusdanig lichaamsdeel te verwonden met haar mes, dan moet zij daar toch een reden voor hebben, en dan moet er een reden zijn dat hij zo dichtbij was.’ Bij die woorden stak de vogel zijn kop onder zijn vleugels, als was hij beschaamd, en de echtgenoot voegde eraan toe: ‘Zeg tegen je meester dat hij die pummel wel eens beter onder de duim mag houden. Want hoewel we ontzag hebben voor een wijze, kan het tuig dat hem tot knecht dient een dezer dagen de keel afgesneden worden.’

Toen die avond de maan opkwam, stuurde de magiër geesten op de knecht af om hem te geselen, zodat de man jammerend rondholde. Daaraan werden krachtige dreigementen toegevoegd, en daarna werd het dorp geen poetsen meer gebakken.

Maat de knecht was niet voldaan. Zijn fallus was hem tot enorme last, en stond in de duistere uren tegen hem op en tartte hem. Een enkele keer voorzag de magiër hem wel van begoochelingen die het voorkomen en de tastbare vleselijkheid bezaten van verrukkelijke en aanminnige jongens en meisjes, maar de magiër, die zelf boven dat soort zaken stond, dacht er maar uiterst zelden aan dat het bij zijn knecht niet zo gesteld was. In de stad had de knecht zich lange tijd uitstekend weten te redden met een heimelijke voorraad verkrachtingen en bedreigingen – die ook zijn begeerte stilden. Maar in dit landelijke oord waren zijn wandaden al te snel aan het licht gekomen, en waren al zijn pleziertjes voortaan verboden.

Toen, op een dag, terwijl hij een minnend stel bespiedde in een weiland (dat was alles wat hem nog gelaten was) zag hij het idiote meisje langskomen. En na een tijdje zagen de gelieven, die opstonden uit het gras, het meisje ook. Uit hun woorden maakte de knecht op, dat ze haar een bezoeking vonden en wensten dat ze zou verdwijnen.

Dat wetende, begon de knecht de gangen van het meisje na te gaan, en kwam er al gauw achter hoezeer het hele dorp op haar gesteld was. En spoedig kwam er een plan in hem op.

Onder het landhuis waar de magiër in de bovenste vertrekken zijn toverijen bedreef, lag een aantal kelders, die op hun beurt toegang gaven tot een rotszaal met een ondergrondse rivier. Hier was de knecht vaak geweest om zwammen en occulte planten te zoeken op last van zijn meester, en ook om schunnige opschriften in de muren te griffen, en het schuldeloze kruipend gedierte dat hier huisde kwaad te doen.

Ook was hem de gelijkenis van deze krocht met een gevangenis niet ontgaan.

Aangezien hij de idioot nu vrij vaak was gevolgd, had de knecht wel enig idee van de plaatsen waar ze rondzwierf en uitrustte. Hij wachtte tot een nacht met een volle rosse maan, toen de magiër op het oostelijke dak van het landhuis bezig was berekeningen ten aanzien van de maan uit te voeren, en zocht de streek af tot hij het meisje vond op een van haar vaste plekjes, een vervallen hut zonder dak of deur. De knecht sloop naar binnen en bekeek haar eens, zoals ze daar ineengedoken zat met haar samengekoekte haar, en zij, arm hersenloos ding dat ze was, keek hem aan met lege blik.

Aangezien hij zelf onzindelijk was, benam haar smerige staat de knecht niet de lust. Hij verloor geen ogenblik, maar sloeg haar tegen de grond, besprong haar en verkrachtte haar. Gelukkig was zijn begeerte zo dringend, dat ze zijn bezigheden niet erg lang behoefde te verduren.

Wat haar betrof, haar kreten van pijn leken wel plichtmatig, en ze bood geen weerstand. Ze was er zo aan gewend dat ze door de mensen en door de natuur achteloos slecht behandeld werd, dat ze deze nieuwste mishandeling er niet eens van kon onderscheiden.

Toen hij klaar was schudde de knecht zich uit als een groot dier dat uit de modder omhoog komt, sleurde zijn magere minnares tegen wil en dank overeind, en smeet haar over zijn schouder. Zo bracht hij haar naar het huis van de magiër en voerde haar zonder medeweten van zijn meester door de kelders naar de rotszaal waar de rivier stroomde. Daar bond hij haar vast aan een goed van pas komende stalagmiet – ze was al zo vaak vastgebonden dat ze zelfs daar niet tegen protesteerde. Hij verkrachtte haar toen nog een aantal keren (want de ziel had het erg lang zonder moeten stellen) waarna hij kalmpjes naar boven vertrok en zich meldde bij de magiër. Hij was net op tijd om aan het werk te worden gezet aan de zware machine die de magiër op het dak in werking wilde hebben. Het was een machine met reusachtige raderen en zuigerstangen, die werd aangedreven door de spierkracht van de knecht en een vreemde kracht die werd afgeleid uit zekere stralingen van de sterren en andere hemellichamen.

Terwijl de knecht de hefbomen in de juiste stand zette en de machine begon te bulderen, schreeuwde de magiër: ‘Over slechts honderdennegen dagen en nachten zal, gezien de aura van de maan en het rythme van de sterren, de komeet die ik verwacht zeker verschijnen.’

‘Ja meester,’ riep de knecht plichtsgetrouw terug. Zijn gedachten waren bij aardser zaken, en dat was een zeer aangename bezigheid.

De magiër evenwel had het toppunt bereikt van die bleke, schitterende vreugde die de intellectueel ten deel valt wanneer een lang verwacht geestelijk dompelbad in aantocht is. En dat was ook hier het geval. In feite was het doel van de komst van de magiër naar deze afgelegen plek speciaal de ontmoeting met de komeet geweest. Hij was een paar maanden tevoren uit zijn boeken te weten gekomen dat de verschijning zou optreden in dat gedeelte van de hemel waar het dorp aan grensde. Hij had daarom al zijn andere projecten terzijde geschoven en zich hierheen gehaast. En nadat hij zijn knecht opdracht had gegeven de vreemde machine te vervaardigen, was de magiër nu bezig hem warm te draaien, want hij was van plan om door middel van de machine een deel van de uitstraling van de komeet aan te trekken en te vangen.

De knecht maakte zich echter weinig druk om de begeerte van de magiër, lustig bezig zijnde met die van hemzelf. Hij beukte op de hefbomen van de machine en wond hem op. Toen zijn werk erop zat, sloop hij opnieuw naar de onderaardse grot waar hij muf brood en zure wijn in de mond van het idiootje stopte, voor hij haar opnieuw besteeg met het bezittersgenoegen van een meester. Want hij had in zijn leven nog nooit iets bezeten.



Negentig dagen lang of daaromtrent ging alles op deze wijze zijn gang. De knecht ging naar de kelder, en naar de zaal die daaronder lag, en bevredigde daar zijn gevoelens. Van tijd tot tijd voedde hij het idiootje met etensrestjes. Als drank schonk hij haar goedgunstig de hele rivier, althans het gedeelte dat ze bereiken kon, voortdurend vastgebonden als ze was.

Na negentig dagen echter drong er iets door tot het duister onvermogen van de knecht. Het viel hem op dat een zekere maandelijkse rite, die aan vrouwen eigen was, bij zijn liefje stelselmatig ontbroken had. Eerst hoopte hij nog, dat haar imbeciliteit ook haar schoot had aangetast, maar al gauw meende hij aan haar veranderingen te ontdekken, die samenhingen met zwangerschap.

Toen greep een verschrikkelijke wanhoop de knecht aan. Natuurlijk niet ter wille van de vrouw, maar om zichzelf. Want zwak, half uitgehongerd en achterlijk als ze was, zou ze de geboorte van een kind vrijwel zeker niet overleven, en zo zou hij haar verliezen terwijl hij haar nog maar pas tot de zijne had gemaakt. En dus overlegde hij bij zichzelf over diverse methoden en kwam uiteindelijk met wijn die hij haar liet opdrinken, waarna hij haar flink trapte en sloeg, in de hoop dat ze een miskraam zou krijgen maar het zelf zou overleven. Helaas, helaas, het meisje herstelde en bleef gevuld.

Zo wanhopig werd ten slotte de knecht, dat hij er over dacht bij de magiër te informeren naar een methode om de zwangerschap af te breken, maar inmiddels waren de honderdennegen dagen bijna om en de wijze had zich teruggetrokken in zijn privé-cel om te vasten en te mediteren, om zich te reinigen voor de machtige betovering die hij van plan was te verrichten. Hij kwam alleen zo nu en dan te voorschijn om de machine op het dak te inspecteren en dan was hij met zijn gedachten ergens anders.

‘Meester,’ fleemde de knecht, ‘een arm meisje uit het dorp kwam hier gisteren aan de deur om te vragen of u een medicijn hebt tegen een ongewenste zwangerschap van haar moeder die al gezegend is met drieënveertig kinderen–’

‘Nee, nee,’ mompelde de magiër, ‘dat heb je verkeerd opgeteld. Het aantal lettergrepen van de astrale mantra, die ik bij het uiteenvallen van de komeet moet opzeggen, is zevenenveertig.’

‘Meester,’ jankte de knecht, ‘als ik nu eens opbiecht dat ik me door een slechte vrouw, die dol was van verlangen om mij te bezitten, van het rechte pad der deugdzame onthouding heb laten lokken, en dat ze me nu dreigt met de toorn van haar vader, als ik haar niet verlos uit haar staat–’

‘Wat is dat allemaal voor onzin? De machine is in prima staat. Maar je moet dat tandwiel wel oliën.’

Ten slotte liet de knecht het er maar bij. Hij begon, in plaats daarvan, het meisje in de grot wat beter voedsel te brengen, vruchten en vlees. Hij bracht haar zelfs warme tapijten om op te slapen. Zelfs maakte hij haar soms los van de stalagmiet en liep met haar op en neer om haar in beweging te krijgen. Als ze zich van deze geheel nieuwe vriendelijkheid bewust was, dan liet ze dat niet blijken. Ook leek ze zich niet van haar zwangerschap bewust te zijn. Wanneer de knecht haar om de zoveel tijd op de grond gooide en wanhopig bereed (want hij wilde geen enkele kans voorbij laten gaan, aangezien hij haar hoogstwaarschijnlijk zou verliezen) dan staarde ze omhoog naar de stenen zoldering door haar smerige klittenhaar, met een lichte frons op haar voorhoofd.

Op de honderdenachtste dag van de afwachting van de magiër, verscheen het eerste vóórbeeld van de komeet aan de schemerhemel.

Nu waren de kometen van de vlakke aarde van een heel andere oorsprong en levensloop dan de kometen die de ronde aarde bezoeken. Sommige waren samenballingen van chaos uit de massa voorbij de uithoeken van de toenmalige aarde, en wanneer ze per ongeluk of door een seismische of kosmische omwenteling naar de bovengebieden van de aardse lucht werden gestoten, werden ze haastig door de instinctieve elementen van deze lucht bekleed met beschermende deeltjes – want de zuivere chaos en de gestandaardiseerde atomen van de wereld kunnen niet naast elkaar bestaan, zonder dat er een tussenliggend mengsel wordt gevormd om ze van elkaar te isoleren. Deze kometen kwamen en gingen en bezochten de hemel zelden een tweede maal, want als ze eenmaal de buitenste regionen bereikten, werden ze weer door de chaos opgeëist.

Een tweede vorm van komeet werd gevormd door vallende sterren, die elk de aangeslagen vlam van hun afdaling achter zich aan slierden en die om een of andere reden niet insloegen op aarde maar steeds heen en weer trokken op de willekeurige stromingen van de atmosfeer, of dankzij de verfijnde toverij van de luchtgeesten (die op dergelijke lichtbakens wel door de ether voeren). Deze tweede soort komeet kwam wel terug, op gezette maar ook ongezette tijden, en bleef eeuwenlang in de koepel boven de aarde rondcirkelen tot hij helemaal was opgebrand. Maar er was nog een derde variëteit en tot deze groep was het, dat de komeet van de magiër behoorde.

In die dagen had de zon, die altijd op precies dezelfde afstand bleef op zijn tocht boven de aarde, net als de maan de gewoonte te wassen en af te nemen, en hierdoor werden zomer en winter geschapen. Ook werd de zon elke nacht, als hij was ondergegaan, gedompeld in de nauwelijks verklaarbare tussenwereld die onder de laagste regionen van de aarde lag – die nederdiepten die zelfs beneden de Binnenaarde, het rijk van de Dood lagen. Deze psychische dood, gedurende elke periode van duisternis, gaf op geheimzinnige wijze de schijf van de zon nieuwe kracht, zodat zij elke ochtend weer in staat was zich in het oosten omhoog te slingeren en de wereld met haar licht te verfrissen. (De maan was aan een vergelijkbaar proces onderworpen.) Maar soms gebeurde het wel – eens in de duizend jaar misschien, en dan tijdens wassende zon – dat de zon opkwam, gehuld in meer levenskracht dan noodzakelijk of gezond was. Deze te hoge lading stroomde dan weg, zoals stoom van kokend water afslaat, soms zichtbaar voor het oog der stervelingen in de vorm van wolken, soms helemaal onzichtbaar. De zonnedamp dreef na een tijdje omhoog naar het toppunt van de dagelijkse zonnebaan. Daar, in de koudere regionen van de hogere hemel, begon de damp om beurten te gisten en te condenseren, te verhitten en af te koelen, tot hij uiteindelijk een vlammende gasbol was geworden.

Eenmaal gevormd, werd deze spookachtige vuurbal aangeroepen door het magnetisme van de aarde, en begon traag omlaag te vallen, maandenlang, soms jarenlang. Zonder uitzondering zou dan, op een bepaald punt ver boven het oppervlak van de aarde, het gas eens te meer uiteenvallen. De straling die op dergelijke ogenblikken vrijkwam was ontstellend, maar goedaardig. De gassen zelf werden opgeslorpt door de dampkring van de aarde of in het niets verwaaid.

Dergelijke voorvallen waren zeer zeldzaam en de magiër achtte zich daarom zeer fortuinlijk, dat hij mathematisch en astrologisch op zo een komeet was gestuit, want de zichtbare voortekenen kwamen pas zeer kort tevoren. Het vooruitgeworpen beeld van de komeet kon de avond voor zijn komst worden waargenomen, meer niet; een effect dat geleek op het schijnsel van een lamp dat op een muur wordt weerkaatst.

Bij het zien van het vóórbeeld was de magiër buiten zichzelf van vreugde.

Het dorp des te minder. Onbekend met de aard van een dergelijk verschijnsel, sloegen zij de nieuwe, vreemde, bolle ster aan de hemel zonder vreugdebetuigingen gade. Toen zij, naarmate de nacht vorderde, steeds groter werd, nam hun onrust naar verhouding toe. Toen de dag aanbrak en het geval nog steeds zichtbaar was, ja zelfs groter was en helderder, met een diamantverlichte staart erachteraan, werd ieders gemoed met schrik vervuld.

Sommigen snelden naar de koperbeslagen poort van het landhuis van de wijze en bonkten daar aan. Zoals gewoonlijk kwam er geen antwoord, maar na een tijdje verscheen de knecht, die de heuvel kwam opgeklommen. Hij was uitgestuurd om zekere kruiden te zoeken, en het beviel hem niets dat de menigte hem de weg versperde, want hij had wel gemerkt dat mensenmenigten hem persoonlijk weinig goeds voorspelden.

Maar het dorp verkoos, in zijn paniek, te vergeten dat het een hekel aan hem had.

‘We smeken je om je meester te verzoeken naar buiten te komen,’ riep de menigte, ‘en ons te verklaren wat voor ontzettend noodlot het is, dat daar brandend boven ons hoofd hangt.’

De knecht geeuwde verveeld. Hij had geweten hoe de komeet eruit zou zien en hij was er niet bang voor.

‘O, dat geval? Dat is niets dan een fluim die door de zon is uitgebraakt. Die zal morgen weer weg zijn, en da’s maar goed ook.’

De menigte overlegde onderling, gedeeltelijk wel gerustgesteld, maar nog besluiteloos. Intussen schoof de knecht langs hen heen en bereikte de deur, die hij snel ontsloot met een zegel dat hem door de wijze gegeven was.

‘Maar wacht toch even,’ zei iemand. ‘Wil je je meester niet vragen of hij ons wil toespreken? Ondanks jouw woorden zijn sommigen van ons ervan overtuigd, dat het voorwerp in kwestie een verschrikkelijke kracht herbergt en het kwaad met ons voorheeft. Van de schrik alleen al hebben drie vrouwen een miskraam gehad.’

De knecht, die bezig was de deur door te gaan, aarzelde. Zijn aanstootgevend gelaat vertrok zich in diepe gedachten.

‘Wacht maar even,’ zei de knecht tegen het volk, en sloeg de deur voor hun neus dicht.

Na drie, vier uur wachten, zonder dat er van binnen taal of teken te vernemen viel, verlieten de dorpelingen de poort en snelden huiswaarts. Daar begonnen zij met hun vrouwen hun meubilair en kleren in te pakken, en hun kudden bijeen te drijven. Tegen het midden van de namiddag was het dorp vrijwel verlaten.

Op zijn eerste ingeving had de knecht met vernuft verder geborduurd.

Zodra het donker was zou de magiër de aanwezigheid van zijn knecht verlangen bij de magische machine, maar ook zou, zodra het donker werd, de volle majesteit van de komeet worden onthuld. Daarop zou de climax van de verstrooiing volgen. Nu was het bij de knecht opgekomen, dat als hij het idiootje nu maar naar het dak van het huis kon krijgen, en haar daar kon vastbinden, misschien op het westelijke deel van het dak, een heel eind bij de plaats van de machine en de magiër vandaan, dan zou zij het hoogtepunt van de komeet meemaken en er overeenkomstig door ontzet worden. Het lawaai van de bovennatuurlijke machine zou haar gekrijs wel overstemmen. Als het geluk de knecht gunstig gezind was, zou ze voor het einde van de nacht van haar dracht worden verlost. Wat de magiër betrof, die zou in de naweeën van het toverwerk verkeren, als dronken en verdoofd, en zou wankelend naar zijn kamer gaan en weinig tot niets van andere gebeurtenissen merken.

De nacht viel. De hemel was heel zwart, alle sterren waren verblind. Zelfs de maan was dof toen ze omhoog zweefde uit het oosten. Maar licht was er, te over. Als een gouden medaillon aan een zilveren ketting hing de komeet boven de aarde, en schijnsel ontplooide zich aan weerszijden als vleugels, en elk ogenblik was stralender dan het voorgaande. Alle kleurschakeringen in het metselwerk werden zichtbaar, en de kleuren van de bloemen op de helling beneden, alsof ze werden gevangen in de stralen van een jonge ochtend.

De machine stond tegen de lucht afgetekend als een stuk speelgoed dat een reuzenkind zelf geknutseld had uit stukjes en beetjes metaal; alleen golfde er zo nu en dan een flakkerende aura langs de buizen en pijpen en raderen. De wijze was met zijn allerlaatste voorbereidingen doende, en nog niet op het dak verschenen. De knecht kwam langs een achtertrap door een koekoek, het idiote meisje voor zich uit duwend. Haar polsen waren aan elkaar gebonden en om haar hoofd was een zwarte doek gewonden om de aanblik van de komeet nog even een verrassing te laten blijven.

De knecht liet het dakluik weer zakken en maakte het touw, dat van de handen van het meisje afhing, vast aan de ijzeren ring. Hij deed het met zo weinig speling, dat ze ineengedoken naast de ring moest blijven zitten. In die houding zou de in zichzelf gekeerde wijze haar vast niet zien zitten. In feite – maar dat wist de knecht ook allang – hoorde of zag of merkte de wijze vrijwel nooit iets, dat niet met wetenschap te maken had.

Toen de doffe kei van de maan een handbreedte de hemel in was geklommen, en het schijnsel van de komeet was toegenomen tot het licht van een volle morgen, kwam de magiër het dak op en liep regelrecht op de machine af, nergens heen blikkend dan naar het ding daarboven.

Dit keer waren de hefbomen al in gereedheid gebracht en de magiër behoefde zijn hand slechts op een winding te leggen om het proces in beweging te zetten. Dat doende riep hij om zijn knecht.

‘Ik kom, o, meester,’ riep deze op zijn meest flemende toon. Terwijl het lawaai van de machine begon, rukte de knecht de doek van het hoofd van zijn vrouwe en snelde de magiër te hulp, haar – zoals hij meende – blootstellend aan hersenloze verschrikking, en de abortieve gevolgen daarvan.



Wat ging er om in de verwarde geest van het meisje?

In tegenstelling tot wat de knecht hoopte, eerst niet veel. In heel haar bestaan was alles altijd verward geweest en was niets haar ooit duidelijk. Een verwarring te meer zou haar heus niet uit haar doen brengen. Ook had de pummel die haar verkracht had, er geen rekening mee gehouden dat ze, aangezien ze tijdenlang in het donker gevangen had gezeten zonder zon of maan te zien gedurende meer dan honderd dagen en nachten, heel wel tot de slotsom zou kunnen komen dat het schijnsel van de komeet betekende dat de dag aanbrak, meer niet, en dat er niets abnormaals was.

Natuurlijk deden haar ogen, die door het ondergrondse duister waren verzwakt, haar pijn in het licht, zodat ze er jankend haar handen voor sloeg. Maar dat was niet uit angst, het was gewoon een nieuwe pijn, die ze kon toevoegen aan de reeks pijnen die ze al kende. De meeste pijn aanvaardde ze als voor haar van nauwelijks enig belang.

Maar toen de komeet schitterender werd, als een zomernamiddag, begon er iets bijzonders te gebeuren.

De mens had, naarmate logica en rede in hem opzwollen, het grootste deel van zijn instinctieve talenten verloren, zodat ze in het geval van de magiërs over het algemeen opnieuw moesten worden aangeleerd. Door zijn studie had de wijze zichzelf geleerd te begrijpen dat de stralen van de komeet, verre van kwaadaardig te zijn, levensopwekkend waren, een geneesmiddel. Als hij een werkelijk vroom iemand was geweest, en minder in zijn eigen wereldje had geleefd, dan had hij misschien tegen het dorp gezegd: ‘Blijf toch en trek je voordeel uit dit wonderbaarlijk gebeuren.

Leg je zieken buiten waar ze de lichtstofjes en stralen volop kunnen ondergaan.’ In plaats daarvan had hij de hele zaak geheim gehouden, uit angst anders te worden lastig gevallen. Hij had daarbij het plan, een deel van de weldadige straling in zijn machine te vangen om later te gebruiken voor de kunst der genezing en verfraaiing van het uiterlijk. Ook zij gezegd, dat de wijze erin geïnteresseerd was wat voor effect de straling zou hebben op zijn ellendige bediende – maar dat was meer een particulier experiment. Verder begreep de wijze dat de komeet verwelkomd diende te worden, en niet gevreesd, en was het de knecht tot op dat moment onverschillig, daar hem verteld was dat het ding hem geen kwaad kon doen en hij te weinig verbeelding had om uit zichzelf te gaan twijfelen.

Aan de andere kant hadden de mensen uit het dorp, die hun dierlijk bewustzijn waren kwijtgeraakt, en die niet beter wisten, gemaakt dat ze wegkwamen.

De dieren zelf, alle wezens in de omtrek die van niets wisten maar instinctief wijzer waren, waren samengestroomd in plaats van weg te lopen.

Terwijl de komeet steeds feller brandde, begonnen alle vogels in de omtrek te zingen, hun meest klankvolle, weelderige ochtendkoor, om het grote licht te verwelkomen. En terwijl ze zongen vlogen ze op en fladderden rond als bladeren in een draaikolk, dronken van verrukking. Bijen en vlinders en kevers vulden daarnaast de lucht als vliegende sieradenpracht; salamanders en slangen ontrolden zich uit de aarde en genoten van de warmte. Katten en hazen en vossen kwamen eraan, schapen die waren achtergebleven, geiten, een ocelot; zonder aan elkaar aandacht te besteden begonnen ze in het gras te rollen en te spinnen. Aapjes en ouistiti’s kwetterden in de toppen van de bomen en bekogelden elkaar goedmoedig met kalebassen. Bloemen vouwden zich open. Vruchten rijpten en spatten van rijpheid uit elkaar en vulden de lucht met de geur van vruchten en parfums en wijn. Zelfs de stenen van het landhuis en van het dorpje aan de voet van de heuvel leken omhoog te streven, en hun barsten wijd open te zetten als dorstige mondjes om het gouden licht in te drinken.

De dreunende, gonzende machine overstemde het geluid van bijna al wat daar gebeurde, op het luidruchtige, hartstochtelijke vogelgezang na, dat er als beiaardklokjes doorheen scheen te klinken. Zeker had het gedreun het krijsen van het idiote meisje kunnen overstemmen. Als ze gekrijst had.

Zonder verstand als ze was, had ze van haar leven nooit iets geleerd, op wellicht dat ene na, dat het leven wreed was en dat haar medemensen haar haatten. Zonder verstand als ze was, had ze nooit de rede bezeten die haar instincten kon verdringen.

Nadat ze omstreeks een minuut lang haar ogen had bedekt tegen het licht dat haar pijn deed, spoorde haar instinct haar aan om ze toch niet te bedekken. Met de tranen langs haar vuile gezichtje stromend had ze omhoog gekeken in het hart van het licht. En aangezien ze alles heelden, hadden de verblindende stralen al gauw haar zwakke gezichtsvermogen genezen en kon ze goed zien, en was ze blij met wat ze zag.

Wat leek alles haar opeens mooi toe, zelfs vastgebonden als ze was. De smaragden krekels die met elkaar over de stenen rand langs het dak dansten, de vogels die liederen schreven langs de hemel, de hele glorie van deze dag in de nacht. En opeens, voor het eerst in jaren, misschien zelfs voor het eerst van haar leven, lachte het idiootje van louter gelukzaligheid.

Een taankleurige rat zat vlak bij haar op het dak. Net als de rest aangetrokken door de komeet, was hij gestoord toen hij het avondmaal van de magiër trachtte op te maken. Nu mijmerde hij over het sappige touw dat de handen van het meisje verbond met de ijzeren ring. Op zijn manier was de rat ook aan onheuse bejegening gewend, dus waagde hij zich de eerste tijd niet in de buurt. Toen hij echter zag dat het meisje geen aandacht aan hem besteedde, sloop hij erheen en begon te knabbelen aan de hennep die vol gemorst kaarsvet en smeer zat – een lekker beet je voor een smulpaap, gedrenkt als het was in het schijnsel van de komeet.

Toen het meisje opeens merkte dat haar handen los waren, was ze niet verwonderd. Ze had zich nog nooit iets afgevraagd.

En op dat zelfde moment begon de komeet zich te verstrooien.

De hemel, die achter het goud zwart had geleken, veranderde nu in een weelderig, rozig blauw, een blozend blauw, warm en lieflijk. En dwars over deze baan van kleur begon een gouden regen alle kanten uit te spatten, als de vonken die vrijkomen bij een kleurig stuk vuurwerk. En toen begonnen de vonken omlaag te stromen naar de aarde, in glinsterende aaneenrijgingen.

‘Kom er nu niet te dicht bij, mijn kind,’ zei de magiër tegen zijn knecht – zelfs de wijze was onder de invloed. Maar de knecht stond al op veilige afstand van de gierende machine met open mond te staren naar de hemel. De machine pulseerde en snorde, en kronkelingen als juwelen schoten heen en weer rondom de raderen. Snel en zeker en geoefend begon de magiër zijn mantra van zevenenveertig syllaben op te zeggen. Toen hij de laatste woorden uitsprak kwam een gouden schicht omlaaggekronkeld uit de glanzende hemel en priemde in het bovenste deel van de machine neer, en bleef daar steken. De machine kreet het uit in een felle toonaard. Galvanische golven drongen bonzend binnen, via de vastgeklonken en nog steeds zichtbare bliksemschicht van de zon, en alle kleuren van het spectrum stortten zich over de machine uit.

‘Kijk!’ riep zwakjes de magiër, die bijna buiten zichzelve was.

En toen zag hij nog iets anders.

Aangetrokken zonder reden – natuurlijkerwijs, zoals een insekt wordt aangetrokken door een felgekleurde bloem – draafde het idiootje over de daken van het landhuis recht op de machine af, op de hemelse toren van regenboogkleuren af.

‘Hou haar tegen!’ riep de magiër naar zijn knecht, maar deze was omgevallen, met zijn mond nog open. De wijze trachtte een betovering te bedenken, maar zijn inspanningen hadden zijn vaardigheid verzwakt. Voor hij zijn kracht weer in de hand had, had het meisje de machine al bereikt.

Motten vliegen tegen het zengende hart van de kaars op, en komen om. Zij vloog tegen het zengende hart van het brokstuk van de komeet dat in de machine gevangen was. Maar ze kwam niet om. O nee.

Ze klemde zich vast aan de omkasting van de machine, legde haar wang tegen een knoedel buizen. Haar gezicht was vol verzaliging, doorschijnend. De wijze kreunde van ellende, toen hij zag hoe de regenbooglichtjes nu vanuit de hemel via de machine haar lichaam binnenstroomden.

Het was zijn bedoeling geweest een geleider te bouwen met een vergaarbak. Maar geen instrument om de straling rechtstreeks over te brengen.

Ondanks de vertroosting van de zonneregen was hij vervuld van woede en frustratie. Zoals de lucht toestroomt om een vacuüm te vullen, zo werd de kracht door de machine in de leegte van het meisje gemagnetiseerd. Hij durfde het meisje nu niet los te trekken. Het zou gevaarlijk kunnen zijn voor de machine – net als wanneer een bloedzuiger van het vlees werd getrokken. Daarbij zou misschien een beving ontstaan die het landhuis tegen de grond zou beuken. Of wellicht zou hij zelf de geconcentreerde stralen van de komeet rechtstreeks in zich ontvangen. Hij wist dat hij te zeer volgestopt zat met knapheid en beschaafde gedachten om een dergelijke rauwe aanraking te kunnen overleven. Alleen een idioot kon het overleven – een ledig vat. Ach, ach! Zij alleen.

En zo was hij gedwongen toe te zien hoe al die bijzondere energie, waar hij zoveel moeite voor had gedaan, verspild werd in haar magere ongezonde vrouwenlichaam.