Sterretjes
Iedere vrijdagmiddag hadden ze handenarbeid. Dan was er genoeg geleerd, zei Nicky altijd.
Vandaag maakten ze van stevig zwart vouwblad een sterrenhemel. Eerst moesten ze de Ster van Betlehem natekenen die op het bord stond, met die wapperende sluier eronder. Vervolgens prikten ze in het papier een heleboel gaatjes. Daarna vouwden ze onderaan een reep om, ze maakten er inkepinkjes in, en lijmden de rand in de vorm van een halve cirkel vast op een stuk karton. Als je moeder er straks thuis een waxinelichtje achter zette, of je vader, zei Nicky, dan scheen het vlammetje dwars door de gaatjes heen en was het net alsof er echte sterretjes aan je hemel pinkten.
Niels verfde zijn Ster van Betlehem zilver, met een gouden randje eromheen. Met potlood tekende hij er een paar wolken bij. Pas toen hij na lang wikken en wegen tevreden was over het resultaat, durfde hij ze met witte verf in te kleuren. Door de donkere ondergrond bleven ze een beetje grijs en doorzichtig, net als echte wolken.
Het was nu alleen te hopen dat er thuis ergens waxinelichtjes lagen. Sommige dingen waren er tegenwoordig ineens niet meer. Dat besefte hij meestal pas als hij ze bij Perry of Gijs wel aantrof. Een vaas met bloemen. Een kandelaar met een kaars erin. Schaaltjes vol zorgvuldig geschikte koekjes of bonbons. “Hè, leg ze nu eerst even gezellig neer,” zeiden de moeders van zijn vriendjes als iemand in een kast een rol biscuits had gevonden. Hij was blij dat zij niet zagen dat papa, Toby en hij hun koekjes zo uit het pak aten.
Terwijl hij lijm op het karton smeerde, kwam Nicky langs. Hij hield zijn adem in. Het geluid dat haar rok maakte: woesj, woesj. Ze stond stil. “Dat wordt geweldig, Niels. Hoe kom je nu weer op die wolken?”
Hij keek naar haar middel, hoger durfde hij zijn hoofd niet op te heffen.
“Bij jou schijnen de sterren zelfs dwars door de wolken heen.”
Hij hield zijn duimen op het papier gedrukt terwijl zij verder liep. Ze vond zijn hemel mooi. Zodra de lijm droog was, schreef hij met grote letters op het karton: Voor Nicky, van Niels. Dat ze allebei met een N begonnen, vervulde hem van ontzag. Tussen zijn wimpers tuurde hij naar zijn wolken. Misschien moest hij maar piloot worden, dan kon hij haar in een straaljager meenemen, hoog de lucht in. Op de rand van de grootste wolk tekende hij vlug nog een zwaaiend poppetje. Dat was mama, die hen voorbij zag komen. Haar haren wapperden, haar ogen straalden: ze was er trots op dat hij zo’n snoeihard vliegtuig kon besturen. Daarvan had ze altijd gehouden, van het wilde, het avontuurlijke. Zijn moeder was nergens bang voor geweest.
Nadat de les was afgelopen, bleef hij talmen bij zijn tafeltje. Hij had goed nagedacht over hoe hij het zou aanpakken. Dit keer zou hij gewoon wachten tot iedereen weg was. De klas was al bijna leeg. Op de gang klonk gejoel. Door het raam zag hij moeders met fietsen op het schoolplein staan. Om een of andere reden bracht die aanblik hem te binnen dat Toby en hij vandaag rechtstreeks naar huis konden, dat had papa vanochtend gezegd. Hij had een verrassing voor hen.
Een verrassing. Stel dat zijn vader thuis klaarzat met een taart, omdat hij jarig was. Vroeger had mama hem dat altijd op tijd ingefluisterd, zodat hij iets moois voor hem kon maken. Grote mensen kenden alle data uit hun hoofd. Maar hij niet. Zijn vader kon best jarig zijn zonder dat hij het wist. Bij de gedachte aan hoe vreselijk hij het zelf zou vinden als zijn verjaardag zou worden vergeten, werd hij bijna misselijk van medelijden. Hij had voor zijn vader niet eens een sterrenhemel die echt twinkelde! Zou hij Nicky’s naam snel uitgummen? Voor papa, van Niels.
“Wat sta jij bedremmeld te kijken,” zei Nicky. Door het lege lokaal kwam ze op hem toegelopen. Ze boog zich voorover om het werkje in zijn hand nog eens te bezien. Ze begon te lachen. “Nee maar, dat is lief van je, zeg! Dat zet ik thuis meteen op de schoorsteenmantel.”
Schoorvoetend gaf hij haar zijn hemel.
De lach bestierf op haar lippen. Ze wees. “Is dat mama?”
Hij knikte. Allicht. Mensen gingen daar soms zo vreemd en plechtig over doen.
“Weet je wat ik denk?” zei Nicky langzaam. Ze liet zich op haar hurken zakken en keek hem ernstig aan. “Ik denk dat jij het fijn zou vinden om een keer samen met mij naar het graf van mama te gaan. Is het niet?”
Nu was hij helemaal sprakeloos.
“Dat begrijp ik best, hoor. Ik ken alle moeders immers. Haar wil ik ook weleens gedag zeggen. Zullen we dat in de kerstvakantie samen doen? Dan nemen we bloemen voor haar mee en dan zeggen we: Hier zijn Niels en Nicky, Veronica. Ik weet zeker dat ze ons hoort, op haar wolk. Nu trouwens ook, hoor.” Ze streek met haar vingertop over het zwarte papier.
Natuurlijk hoorde mama hem, dat was geen nieuws, maar Nicky’s scheiding zat zo recht en haar ogen glommen zo en ze wist hoe zijn moeder heette! Als zijn vader vandaag jarig was geweest, had ze het hem natuurlijk op tijd verteld, net zoals mama altijd had gedaan. Er viel een pak van zijn hart. Hij riep uit: “Word je eigenlijk nog jarig als je dood bent?”
Ze dacht even na. Haar neus was zo lief en het pukkeltje bij haar lip was zo grappig. “Ja, waarom niet? In de hemel wordt dat vast wel gevierd. Daar komt die uitdrukking natuurlijk vandaan: in de wolken zijn.”
Hij snapte niet wat ze bedoelde, maar ze lachte zo leuk en haar tanden waren zo mooi vierkant, en als ze liep deed haar rok woesj-woesj.
“Wat denk jij, Niels? Hoe zou een verjaarspartijtje in de hemel zijn?”
“Met slingers!”
“Ja, natuurlijk. En alle engelen hebben hun feestjurk aan. En…”
“…er staan overal vazen met bloemen en schaaltjes met koek!”
Ze lachte weer.
“Zeker weten,” zei hij stoer.
Ze ging staan. “Ik zal het wel met papa regelen, goed? En dan gaan jij en ik er in de vakantie samen heen. Ik haal je op met de auto.”
Hij voelde zich net een pakje boter dat in een warme keuken op het aanrecht lag, echt waar.
Laurens had de middag vrij genomen, gehaast en gepreoccupeerd. Er was een probleem met een van zijn persen, het was een ongelukkig moment om van zijn werk weg te lopen. Eerst had hij vol ongeduld op een uitbundig versierde straathoek een van de hars klevende kerstboom gekocht en die achter op de fiets naar huis vervoerd. Toen was hij op zolder op zoek gegaan naar de dozen waarop in Veronica’s handschrift ‘Kerstmis’ stond. Het waren er wel vier. Hij had zijn jas weer aangetrokken, de plakboom opnieuw achterop gebonden en was hem gaan ruilen voor een grotere, die hij bij thuiskomst in de serre had gezet. Het versieren had hem uren gekost. Er was iets mis geweest met de lichtjes, hij had ze maar met moeite op gang gekregen. Ze flakkerden onzeker.
Nu zat hij met een kop thee even uit te blazen. Maar dat was geen goed idee, merkte hij algauw. Koortsachtige gedachten staken meteen de kop op. Die kerstboomballen in die glazen schaal uit dat tijdschrift dan maar. In de lade onder de lang niet gebruikte oven vond hij vond een langwerpige glazen schotel met zwart aangekoekte hoekjes: sporen van maaltijden die Veronica nog had bereid, lasagne, zuurkool met ananas. Hij had haar een keer een schort cadeau gedaan waarop het naakte torso van een vrouw stond afgebeeld. Veer met dat ranzige schort om.
Met een schuursponsje boende hij de schaal schoon en schikte de overgebleven kerstballen erin. Het zag er zeldzaam onfeëriek uit. Maar wacht eens. Er was nog een bus poedersuiker in huis, van bij de magnetronpoffertjes van laatst. Met gefronst voorhoofd besneeuwde hij de ballen ermee. Zo in die ovenschaal leek het nog het meest op een gerecht van Beatrijs. Misschien een paar takken uit de boom erbij. Ja, zie je wel, het kwam opeens in de richting van een kerststukje. Nu had hij alleen nog iets roods nodig, rood lint of zoiets. Speurend keek hij om zich heen. Naar boven gaan en een shirtje van een van zijn jongens in repen scheuren? Hij was er gek genoeg voor.
Dan toch maar liever een paar kaarsen, die waren er zat. In een van de dozen lag een nog onaangebroken pak uit de imkerij. Een kaars in alle vier de hoeken van de schaal, en eentje in het midden, dat was het. Hij stak ze aan, liet wat kaarsvet op de bodem druppelen en drukte ze stevig vast, zijn vingers plakkerig van de suiker.
Hij was net op tijd: hij hoorde Niels en Toby al in de gang. Snel schoof hij de dozen onder de tafel, zette de suikerbus terug in de kast en ging, met een opgelaten gevoel, naast de boom staan. “Kom eens in de serre kijken, jongens!” riep hij, zijn stem geknepen. Traag kapseisde in de ballenschaal de eerste kaars, als om de zinledigheid van zijn inspanningen te onderstrepen, het pathetische ervan, misschien.
Toby stoof naar binnen, om meteen op zijn kousenvoeten stil te blijven staan. “Papa!” zei hij, met kogelronde ogen naar de kerstboom kijkend.
“Mooi?”
“Ja, maar pap! Het klokje moet toch bovenin?”
“O ja,” zei Laurens. “Als ik jou niet had.” Hij tilde zijn kind op en gaf hem gauw een kus in zijn smalle nek. “Zo, hang jij het maar goed.”
Op zijn arm gezeten begon Toby in de boom orde op zaken te stellen, waarbij hij luidkeels ‘Stille nacht’ inzette. Wat waren zijn enkeitjes dun en koud. “Hé, krokodil. In de kerstboom op school hebben jullie zeker een klokje bovenin?”
Toby staakte zijn gezang en keek hem wat bevreemd aan. “Nee, maar zo deed mama het toch altijd?”
Bijna zei hij: Dat kun jij helemaal niet weten. Het geheugen werd pas na het derde levensjaar actief, zo had Veronica tenminste altijd zelf beweerd, vanwege de een of andere biochemische oorzaak. Hou nou op, Laurens! Er waren immers albums vol kerstfoto’s uit betere tijden. Dat moest de verklaring zijn.
Niels kwam nu ook binnen. Jas uit, Niels…of laat ook maar. “We gaan het hier de komende tijd reuzegezellig hebben, mannen.”
“Waarom staat hij op langzaam knipperen?” vroeg Niels. “Snel is veel gaver.” Hij liep naar het snoer van de flakkerende lampjes en drukte op de trafo een knopje in dat Laurens tot dusverre was ontgaan. Meteen pulseerden de lichtjes twee keer zo hard. Straks zag iedereen scheel van de koppijn.
Toby begon te giechelen. Hij wees naar de ballenschaal op tafel. “Die ene kaars staat helemaal scheef!”
“Wat is het eigenlijk?” vroeg Niels twijfelend.
“Ik heb het niet zelf bedacht,” haastte Laurens zich te zeggen. “Het stond in de Margriet. Voor een extra feestelijk effect. Het leek me wel leuk.”
“Het is best mooi, hoor pap. Maar ik zal wel even een sterrenhemel voor je maken. Dat heb ik vandaag geleerd.”
“Ik ook!” riep Toby uit.
“Eikel. Dat krijg je helemaal nog niet in groep één.”
Laurens liep naar de koelkast, schonk drie grote glazen appelsap in en zette die op tafel. Door de aanwezigheid van de opgetuigde boom leek het alsof het een kerst zoals alle voorgaande zou worden en Veronica ieder moment de serre kon binnenstappen. Misschien had hij beter niets kunnen ondernemen.
Niels had de knutseldoos al gepakt en er papier uit gehaald. Hij tekende Toby, die op zijn knieën op een stoel zat, een grote ster voor. Met de hoofden vlak bij elkaar togen ze aan het werk.
Het was een ongewoon moment van de dag voor Laurens om, in hun nabijheid, zomaar even wat te zitten, in plaats van van hot naar her te rennen en twaalf dingen tegelijk te moeten regelen. Er kwam een zekere rust over hem. Hij dronk zijn sap. Hij keek naar zijn kinderen en hield van ze. Hij dacht: In het nieuwe jaar ga ik gewoon iedere dag al om halfvier naar huis, ik neem wel wat werk mee, offertes kan ik immers ook best hier op mijn laptop schrijven. Na de vakantie geen naschoolse opvang meer voor Toby en Niels. Gewoon lekker thuis, bij papa, een beetje aanklooien.
Toby kraste met een potlood over het papier, bij elke haal met arendsogen de kunst bij zijn grote broer afkijkend. Niels wierp af en toe een laatdunkende blik opzij, maar wist zich van commentaar te onthouden. Goed zo, Niels. Vrede op aarde.
Kerstkransjes, een tulband, gevulde speculaas: hij zou het allemaal in huis halen.
Niels zei tegen Toby: “Die wolken, kijk dan, die moet je heel groot maken, want mama moet erop kunnen.”
“O, de hemel.” Toby kraste voort. Even later vroeg hij: “Hoe lang blijft ze nou eigenlijk nog dood?”
“Mongool! Altijd, natuurlijk!”
“Pap! Papa! Niels zegt…”
“Toby, dat weet je toch wel? Dood is voor altijd. Dat zegt Niels heel goed.”
“Moet ze dan voor altijd in die doos onder de grond blijven?”
“Kist,” verbeterde Niels. Onaangedaan schroefde hij een potje plakkaatverf open.
Tranen begonnen over de ronde wangen van de kleuter te biggelen. “Dat wil ik niet, dat wil ik niet!”
“Lieverd, kom eens bij papa.” Laurens strekte zijn armen uit.
“Stel je niet zo aan,” zei Niels. “Je kunt toch nog gewoon met haar praten? Ze hoort je echt wel.”
Met een bonkend hart kwam Laurens overeind en tilde Toby op. “Hoezo, Niels? Praat jij met mama? Wat zegt ze dan?”
“Gewoon,” zei Niels schokschouderend.
“Dat wil ik ook!” snikte Toby.
Een radeloos gevoel maakte zich van Laurens meester. Hij dacht: Waar ben je toch op uit, Veronica, waarom laat je Niels niet met rust? Zeg me in godsnaam wat ik moet doen om hier een einde aan te maken. Wreek je op mij, maar geef Niels en Toby de kans om me te vertrouwen. Kwel onze kinderen niet met kennis die hun leven zal vergallen. Verpletter ze niet onder de waarheid.
Met Toby op zijn arm liep hij naar het aanrecht, scheurde een stuk keukenpapier af en liet zijn zoontje snuiten. Hij was tot alles bereid om haar genoegdoening te verschaffen. Alleen, hoe moest hij haar dat ooit duidelijk maken? Ze hield zich doof voor al zijn aanroepingen. Ze hield zich doof, wat hij ook probeerde.
“Niels,” zei hij, zonder zich om te draaien, “hoe doe je dat dan, als je met mama praat?”
Het bleef even stil. Toen zei Niels: “Jij doet het zelf toch ook? Ik hoor het vaak genoeg.”
Toby greep hem bij de kraag van zijn overhemd. Happend naar adem bracht hij dreigend uit: “Ik blijf huilen, hoor papa, ik blijf nog heel lang huilen.”
“Dan blijf ik je gewoon net zo lang troosten totdat alle tranen op zijn.” Hij klemde zijn tanden even op elkaar. Waar kon hijzelf terecht? Zou hij het wagen Leander nog een keer te benaderen? Hij durfde zichzelf amper te bekennen hoe vaak hij nu al een beroep op hem had gedaan, en telkens nog tevergeefs ook. Bijna iedere keer als de paniek hem in de greep kreeg, bezweek hij voor de verleiding hem op te bellen. Het bezorgde hem een beschaamd en kwetsbaar gevoel zo in Leanders macht te zijn beland. Want dat was het toch. De man kon hem maken of breken. Maar hulp vragen was geen bewijs van falen, zoals Nicky laatst ook nog had gezegd.
“Het is klaar. Nu alleen nog een waxinelichtje,” zei Niels.
En ineens werd hij besprongen door een gedachte. Zeker, tot dusverre had Leander hem steeds al zo ongeveer bij het eerste woord afgepoeierd. Maar zou hij ook zo hardvochtig blijven als hij vernam dat Niels zijn dode moeder voortdurend om zich heen had? Hij dacht dat Laurens iets voor zichzelf wilde bewerkstelligen, daarom hield hij de boot af. Vanwege zijn gekrenkte trots, of omdat het een esoterische of spirituele wet was dat zoiets niet mocht. Maar zijn hulp inroepen voor een kind was een andere kwestie, een die zeker serieus genomen zou worden.
Hij moest erheen. Gewoon aanbellen en zeggen: Leander, ik ben een ezel, ik ben tot nu toe niet duidelijk geweest. Luister alsjeblieft even vijf minuten. Het gaat erom dat ik mijn kinderen moet beschermen.
Het was zo logisch. Het liefst zou hij er meteen op af gaan. Maar het was aan de andere kant van de stad en het spitsuur was al begonnen: hij kon Niels en Toby niet voor onbepaalde tijd alleen laten, dat deed hij nooit. Ze meenemen en in de auto laten wachten? Het hoefde niet lang te duren. Het ging per slot van rekening alleen maar om het maken van een afspraak. Leander zou heus niet meteen tijd hebben.
“Hebben we wel van die lichtjes?” vroeg Niels.
“Verdorie, nee,” zei hij. Hij zette Toby op de grond. “Maar die gaan we direct even kopen. En omdat het al zo laat is, pakken we lekker de auto.”
Gwen keek toe hoe Bobbie in een razend tempo prei voor in de erwtensoep hakte. Het werd tijd haar dochters naar binnen te roepen, die in het donker nog steeds in de tuin aan het rondrossen waren: soms schalde er even, dwars door de gesloten ramen, een bloeddorstige kreet de keuken in. Wat was het warm bij het fornuis, en wat stond de radio hard aan. Ze voelde zich onrustig en lusteloos tegelijk, al zou Veronica hebben gezegd dat dat onmogelijk was. Zelfs als het leek alsof je ten prooi was aan wel twintig tegenstrijdige emoties, dan beleefde je die volgens haar niet gelijktijdig, maar stuk voor stuk. Eén enkele, voorbijflitsende emotie per nanoseconde: tot het vermengen ervan was het menselijk hart eenvoudig niet in staat.
Ze verlegde de rookworst van links naar rechts op de snijplank, om Bobbie niet het idee te geven dat zij vol toewijding in haar eentje stond te koken. Daarna staarde ze, nietsziend, naar de stoffige plinten. Wat zou het heerlijk zijn Vero nu in vertrouwen te kunnen nemen, haar om advies te vragen. Zij zou het meteen hebben gerelativeerd. Gwennie, niet miepen, geniet ervan, wie schaad je nou met een beetje dagdromen, niemand toch?
“Raar hè,” zei Bobbie, terwijl ze de prei in de pan stortte, “wat je soms allemaal droomt. Je raadt het nooit, Gwen. Vannacht droomde ik dat ik met Laurens ging trouwen. Veel gekker moet het niet worden, hoor.”
“Nee,” zei ze vaag. Had Beatrijs er niet ooit op gezinspeeld dat Vero zelf ook eens vreemd was gegaan? Ze wist het alweer, het was op de avond van Babettes verdwijning geweest. Ze moest het verkeerd hebben begrepen, het kon niet waar zijn. Veronica en Laurens waren een hecht en gelukkig stel geweest, na jaren nog helemaal stuk van elkaar. Zoals Veronica naar hem kon kijken, met dat knipoogje van haar, je voelde je bijna beschroomd als je het toevallig onderschepte.
Hoe zouden anderen Timo en haar bezien?
“Ik wist niet hoe ik in huis ruimte voor Niels en Toby moest vinden,” kletste Bobbie verder. “Dat trouwen vond ik al zo gek, maar ja, zoiets kan gebeuren. Alleen wil je dan wel een kamertje hebben voor de kinderen van zo iemand.” Ze keek om zich heen. “Hebben we geen worst?”
“Hier,” zei Gwen.
“Ja, dat zie ik. Maar is dat alles?”
“Hier zullen we het mee moeten doen. Als we Timo moeten geloven, eten we binnenkort alleen nog maar Brinta.”
“Op Brinta heeft Reinier Paping anders mooi de Elfstedentocht gewonnen.”
“Bob! Je lijkt Veronica wel.”
“Ik weet het ook van haar.” Bobbie sneed de worst in flinterdunne plakjes. Ze begon vrolijk te lachen. “Als zij nog had geleefd, had ik natuurlijk nooit kunnen dromen dat ik met Laurens ging. Zeg nou zelf.”
Wat probeerde ze zich wijs te maken? Veronica zou er nooit om hebben gelachen. Ze zou haar stevig door elkaar hebben gerammeld. Als je het maar uit je hoofd laat, Gwen, geen gedoe met de vent van een vriendin, een van je beste vriendinnen nog wel, die in het ziekenhuis ligt nota bene, je lijkt wel niet goed snik.
Morgen zou Bea thuiskomen. Ze had er speciaal over opgebeld.
Gwen dacht: Juist, en dat zal mij dan voor verdere misstappen behoeden, zo zal het gaan, dat is dat, einde verhaal. Het was een benauwende gedachte Beatrijs en Leander weer samen te zien, wat vroeg of laat onontkoombaar zou gebeuren. Ze nam het Beatrijs al op voorhand kwalijk hoe akelig ze zich dan zou voelen.
“Ik had een roze jurk aan,” zei Bobbie dromerig. “En Klaar en Karianne waren de bruidsmeisjes. In de kerk werd op het orgel die muziek gespeeld, weet je wel: pa-PA-pa-paaa! Iedereen zong mee. Jij ook, hoor Gwen. Je droeg een hoed met een stel pauwenveren erop, maar dat had je zelf gelukkig niet in de gaten, anders had je je doodgeschaanid voor Frans Bauer en Marco Borsato, die naast je zaten. Ik vond het net een droom. Wat het ook was. Goed, hè?”
“Ik zou wel eens op vakantie willen.”
Verstoord keek Bobbie haar aan. “Hoe kom je daar nou ineens bij?”
Ze zag het voor zich. Een week voor zichzelf en haar eigen dromen en gedachten. Eén enkel, miezerig weekje maar. Was dat nou werkelijk te veel gevraagd? Straks hadden de meisjes weer vrij van school en zou het dag in, dag uit van de vroege ochtend tot de late avond bal in huis zijn. Ze zou geen seconde aan zichzelf toekomen.
“We kunnen helemaal niet weg! Ik kan de winkel toch niet zomaar dichtgooien?”
“Nou, dan blijf jij hier.” Waar stond eigenlijk geschreven dat je in een gezin altijd maar met iedereen rekening moest houden en andermans belang moest laten prevaleren boven het jouwe? Vijftien jaar had ze hier vanwege Timo’s bijen zonder een enkele onderbreking aan huis gekluisterd gezeten. Nu de laatste volken dood waren, was ze eindelijk vrij. Het was opeens zo klaar als een klontje.
Bobbie hield op met in de soep te roeren. “Alsof Timo het gezellig zou vinden om zonder mij op vakantie te gaan! Zo zout heb ik het nog nooit gegeten.”
“Dan blijft Timo toch thuis, bij jou?” Drift maakte zich van haar meester. “En de meiden hoeven ook niet mee, anders missen ze maar een judoles of iets anders belangrijks. En Babette blijft ook hier, want die merkt niet eens waar ze is, als iemand af en toe maar een fles in haar steekt, kan niet schelen wie.”
“Maar dan ben jij helemaal alléén.” Onzeker bevingerde Bobbie het sleutelkoord om haar nek.
“Ja. Vreselijk, hè?”
Bobbie keek alsof zij plotseling licht in het duister zag. “Dan blijf je toch gewoon lekker bij ons?”
“Ik stuur jullie wel een kaartje als ik heimwee krijg.”
“Nee, echt, dat kan ik niet over mijn hart verkrijgen. Oké, Gwen, vooruit dan maar. Ik ga wel met je mee.”
“O mijn god,” bracht Gwen uit. Ze wilde iets of iemand slaan.
Op dat moment kwam Timo, met een gezicht als een oorwurm, binnen met Yaja, die hij van de trein had gehaald. Hij zag eruit alsof hij van plan was zijn handen meteen van haar af te trekken.
Welja, Timo. Gooi het maar weer op mijn bord, zadel me maar op met nog meer verantwoordelijkheden en verplichtingen.
“Yo,” zei Yaja in het algemeen en gooide haar tas op de grond. Ze droeg een enkellange jurk van bloedrood velours met een armoedig jack van zwart nepleer eroverheen.
Bij haar entree was Bobbie van kleur verschoten. “Komt die man ook?” vroeg ze ongerust aan Timo.
“Relax,” zei Yaja. Ze pakte een stukje worst van de snijplank op het aanrecht en stak het in haar mond. “Mijn vader heeft me hier gedumpt omdat-ie even zwaar moest chillen.”
“Ja, daar zijn we mooi klaar mee,” zei Timo terwijl hij zijn ogen liet rollen.
Hij was echt nijdig geweest over de logeerpartij. Verdomme Gwen, we hebben dit weekend al genoeg aan ons hoofd, we moeten het veld opruimen, en de voorraden van de winkel en de kaarsenmakerij inventariseren, en je wist toch ook dat ik Laurens heb gevraagd om morgen nog even naar de boeken te komen kijken, en nu ik het daar toch over heb, we zijn momenteel niet in de positie om er een extra eter bij te hebben en benzine te moeten verstoken met heen en weer rijden naar het station.
“Je bent hier van harte welkom, Yaja,” zei ze om Timo te ergeren, of omdat Leander het altijd zo waardeerde als ze lief was voor zijn dochter. “Als je het leuk vindt, mag je Babette haar volgende flesje geven.”
Haar man keek haar aan alsof ze gek was geworden. “Ik dacht het niet. We moeten even uitkijken met het hoe en wat van haar voedingen.”
“O Timo,” zei Bobbie angstig, “zou ik haar gisteravond niet goed heb laten boeren? Is het daardoor gekomen?”
“Welnee, meisje. Het kwam door die banaan.”
“Wat Timo bedoelt,” zei Gwen, “is dat het mijn schuld was. Nietwaar, Tiem?”
Terwijl ze het ene plakje worst na het andere naar binnen werkte, volgde Yaja met interesse de discussie. Met volle mond vroeg ze: “Wat was er dan met Babette?”
“Ze had kramp. Ik had haar iets verkeerds te eten gegeven.”
“Wat ging dat wurmpje tekeer,” zei Bobbie hoofdschuddend. “Ze leek wel van de duivel bezeten.”
Onwillekeurig moest Gwen even aan Stan denken, die volgens Klaar en Karianne de baas was in de hel. Stan de Stoker, dat zou zijn volle naam wel zijn. Hield hij je zonden bij, je dwalingen en je onkuise gedachten, en wreef hij zich dan al bij voorbaat vergenoegd in zijn zwartgeblakerde knuisten? Eigenlijk kon het haar geen zier schelen. Ze leefde nu. Ze was toe aan iets roekeloos. Ze was toe aan avontuur.
Alsof zij haar gedachten raadde, riep Bobbie opeens uit: “Zeg! Maar nu nog eens iets anders. Gwen en ik gaan op vakantie.”
Snel zei Gwen tegen Yaja: “Ik ga Babette wel even halen. Dan kun je zelf zien dat ze weer blaakt van gezondheid.”
“Die Babette,” zei het meisje. “Er is altijd wat met haar. Echt vet.”
Ze kreeg een wee gevoel in haar maag. Hoe kon ze zelfs maar spelen met de gedachte haar hummel een week uit het oog te verliezen? Het was de goden verzoeken. Er was nog steeds een psychopaat op vrije voeten. Ging Leander maar over aardse gerechtigheid, dan was alles allang opgelost. Maar op dit niveau was zelfs hij machteloos.
Met moeite iedere gedachte aan hem uit haar hoofd bannend, repte ze zich naar de babykamer. Ze bukte zich net over de wieg om haar slapende dochter op te tillen toen Timo met grote stappen achter haar aan kwam.
Eerder verbaasd dan ontstemd vroeg hij: “Wat is dat nou voor geklets over een vakantie, mop? Dat kunnen we ons toch helemaal niet veroorloven? Straks rekent Bobbie er nog op.”
Ze zocht naar woorden. “Ik ben gewoon zo moe.”
Hij schuifelde als een bedremmeld kind met zijn voeten. “Als jij er zelf even uit wilt, als het daarom gaat…Ik bedoel, ik wil niet hebben dat je doordraait. Eerst die spanningen rond Babette, en nu weer dat financiële gezeik. Is er niet iemand bij wie je een paar dagen kunt logeren?”
Nee, niet meer. Want Vero was dood, en morgen kwam Beatrijs alweer thuis. Wat was het ooit zo behaaglijke weefsel van haar leven dun en schraal geworden.
“Bij Laurens bijvoorbeeld,” vervolgde Timo. “Als ik Niels en Toby in de kerstvakantie nou een paar dagen neem. Dan is het bij hem thuis lekker rustig en hoef je nergens achter aan te draven.”
Zijn grootmoedigheid maakte haar gemeen. “En dan red jij het hier wel met al die koters? Kom op, zeg. Alleen Yaja erbij is je al te veel. En wat moet ik nou bij Laurens? Samen met hem naar de Bijenkorf gaan?” Ze lachte onaardig.
“Hij vindt het vast leuk je een beetje te verwennen. Hij is dol op je, Gwen. En jullie kunnen toch ook naar een museum, of zo?”
“Jezus, man, ben je er soms opuit mij in zijn armen te drijven? Wil je van me af?”
“Ik vraag alleen maar wat jij wilt.”
Redelijkheid was niet waar ze nu op zat te wachten. “Leuk hoor, dat je je vrouw bij een andere man wilt parkeren. Maar evenzogoed mooi dat ik het weet.”
Ineens was het gedaan met zijn kalmte. Hij greep haar bij haar pols en trok haar ruw naar zich toe. Zijn ogen in de hare borend bracht hij uit: “Wat mankeert je toch?”
Ze rukte zich los. “Ik heb er gewoon schoon genoeg van! Van alles!”
Babette schrok wakker en begon te huilen, grote, trage tranen uit haar nog gesloten ogen persend, die meteen overgingen in een waterval van verdriet. Ze zwaaide met haar armpjes terwijl ze rood aanliep van woede, ongemak, honger, wie zou het zeggen, een volle luier, te warm of te koud…wat een ramp toch om zo klein te zijn en niets te kunnen zeggen, niet wat je nodig had, niet wat je miste, niet wat je pijn deed, niet waar het om ging. Gwen pakte haar dochter op en drukte haar tegen zich aan, automatisch haast.
“Alles?” zei Timo bitter. “Dat is wel een beetje veel. Je gaat me toch niet vertellen dat ik daar opeens ook onder val?”
Ze draaide hem de rug toe. Met de krijsende baby op de arm ging ze voor het raam staan. Het was buiten al helemaal donker: ze zag niets anders dan haar eigen weerspiegeling in het glas. “Op het moment wel, ja.” Het klonk koud en hard, als iets wat iemand zonder gevoel zou zeggen. Waar was ze mee bezig, wat richtte ze aan? Maar toch had ze niet de geringste neiging haar woorden terug te nemen. De onverschilligheid ervan beviel haar eigenlijk wel. Waarom zou ze er doekjes om winden?
Achter haar zei Timo: “Wat krijgen we nou, Gwen?” Hij moest zijn stem verheffen om boven Babette uit te komen.
“Je hoort me toch?” Nukkig bleef ze voor zich uit kijken.
“Ik ben er anders altijd van uitgegaan dat wij voor goede én slechte tijden samen waren. Maar nu we even pech met de bijen hebben, gooi jij meteen de handdoek in de ring.”
Ze was zo perplex dat ze zich omdraaide. “Denk je nou werkelijk…”
Hij pakte Babette uit haar armen en hief haar hoog in de lucht. “Even dimmen, liefje.” Het geblèr van de baby nam enigszins af.
Gwen sloeg haar ogen neer. Misschien moest ze hem maar in de waan laten. Typisch Timo om te denken dat alles om zijn bijen draaide. Zo argeloos. Ja, maar ook zo oppervlakkig, zo stupide, zo laag-bij-de-gronds. Dat hij niets aan haar zag, niets aan haar rook. Al hield ze er zeven minnaars op na. Zo belangrijk en onmisbaar was ze nou voor hem.
“Gwennie. We hebben wel eerder magere jaren gehad. Maar we zijn er altijd weer bovenop gekomen. Je kent ons toch? We zijn net onkruid.”
“Zeg, spreek voor jezelf.”
Hij perste zijn lippen even op elkaar en zei toen: “Ik denk dat de meiden zo onderhand wel toe zijn aan een bordje soep. Ga je mee naar beneden?”
Toen ze geen antwoord gaf, liep hij met Babette de kamer uit. Als een geslagen hond, of als een zuil van tolerantie en zelfbeheersing? Ze wist het niet. Maar wat kon het haar schelen of ze hem op z’n hart had getrapt? Wat kon het haar schelen of ze hem had gekwetst? Hij kon er zelf ook wat van. Onkruid! Altijd even complimenteus, die Timo.
“Vooruit, mop!” zei ze hardop tegen zichzelf, ineens hartgrondig van het woord walgend, terwijl ze driftig wat Heertjes begon op te rapen die op de grond lagen.
Geen tel kon je in dit huishouden zitten niksen. Zelfs als je alle reden had om je man z’n hersens in te slaan, kon je beter eerst even een wasje draaien, anders groeide het je allemaal boven het hoofd. En als je de situatie in alle oprechtheid onder woorden trachtte te brengen, werd je uit logeren gestuurd. Bij Laurens nog wel.
Opeens stokte ze, de handen vol vochtige, onwelriekende rompertjes. Was Timo eigenlijk wel zo onschuldig als hij zich voordeed? Hij wist best dat Laurens en Leander water en vuur waren. Zou zij buddy-buddy haar intrek onder Laurens’ dak nemen, dan zou Leander dat hoogst onaangenaam vinden. Dus zo zat het. Ze werd helemaal niet voor haar welverdiende rust naar Laurens verscheept, het was alleen maar Timo’s bedoeling dat Leander van haar zou balen. God, wat doortrapt. Je dacht dat je iemand kende, je dacht dat hij treurde om zijn bijen en om de verloren idylle van de imkerij met de zonnige, geurige weide, de van goudgele honing druipende raten, de rijke, royale droogrekken vol kaarsen—even was het alsof ze zichzelf neuriënd in de kaarsenmakerij bezig zag en haar hart kromp ineen—en de tuin die zoveel onderhoud vroeg, met al die oude bomen die voor onuitroeibaar mos zorgden, en…Ze was de draad kwijt. In gedachten rondde ze boos af: maar ondertussen ging het Timo om heel iets anders.
Je zou zien dat ze hem zelf nog op het idee had gebracht ook, toen ze hem onlangs had verteld dat Laurens op een donderdagavond vlak voor de sessie bij het souterrain op de gracht was opgedoken, als verstekeling tussen de overige bezoekers. Leander had hem resoluut de deur gewezen. Wie zijn dode vrouw niet met rust kon laten, zei hij, was bij hem aan het verkeerde adres. Maar Laurens had zich niet zomaar laten wegsturen. Het was kennelijk zowat op een handgemeen uitgedraaid.
Het was die keer geweest dat zij op de heenweg een lekke band had opgelopen en meer dan een uur op de Wegenwacht had moeten wachten. Anders had ze Laurens misschien nog kunnen kalmeren.
Ze verzamelde de laatste babykleertjes en bracht de hele bundel naar de badkamer om die in de wasmachine te stoppen. Morgen zou hij hier zijn, om Timo met de administratie te helpen. Ze moest de gelegenheid te baat nemen om een serieus onderonsje met hem te hebben. Hij moest Veronica loslaten. Hopelijk zou hij naar haar luisteren als ze zei: Ze is uit alle macht bezig wakker te worden. Ze probeert te ontwaken, en jij hindert haar daarbij. Dat wil je toch niet?
Van beneden riep Marleen: “Mam! Mama! Waar blijf je nou, mam?”
Even aarzelde ze. Toen trok ze, in een impuls, haar kleren uit, draaide de douche open en stapte onder de straal, ineens obstinaat. Door het warme water liet ze iedereen die een beroep op haar deed, van zich afspoelen. Voor Jan en alleman klaarstaan, ieders geluk dienen, zelfs dat van de doden, ze had er genoeg van.
Al brandde er geen licht in huis, toch drukte Laurens tegen beter weten in tot drie, vier keer toe op de bel. Hij moest zich bedwingen niet ook nog met zijn vuisten op de deur te roffelen: in de auto, die vlakbij geparkeerd stond, konden zijn jongetjes alles volgen.
Had hij zijn ingeving maar een halfuur eerder gekregen. Gezien het tijdstip was de kans groot dat Leander al op weg was naar het bezoekuur van het verpleeghuis. Terwijl hij de straat afspeurde in de hoop zijn rijzige gestalte in de verte te zien lopen, viel zijn blik op een klein café aan de overkant. Het nuttige met het aangename verenigen, zo heette dat toch?
Hij liep naar de auto en opende het portier aan Niels’ kant. “Zullen we lekker biefstuk met frietjes gaan eten?”
Met een zorgelijke frons keek zijn zoontje op van de doos waxinelichtjes die hij op schoot hield. “Gaan we niet thuis eten dan?”
“Je hebt toch wel gemerkt hoe hard ik van de week heb gewerkt? Ik heb een hoop geld verdiend, hoor.”
Even later zaten ze met z’n drieën aan een tafel bij het raam. Het was met rode linten in kleine vierkantjes verdeeld waarvan de hoeken waren ingespoten met kunstsneeuw, maar er viel nog redelijk door naar buiten te kijken. In theorie had hij nu minstens een uur. Een gevoel dat bijna te omschrijven viel als welbehagen nam bezit van hem. Hier zaten ze dan, hoog en droog en met elkaar, in een gezellige buurtkroeg met op de toog een stoffige bladplant waarin kerstballen hingen. Bij de slonzige maar opgewekte serveerster die naar hun tafeltje kwam, bestelde hij bier en cola, en drie keer biefstuk, patat en appelmoes.
“Weet jij hoe je het beste een konijntje kunt vangen, papa?” vroeg Toby.
Een levende knuffel voor zijn kleintje: wat een goed idee. “Weet je wat? Morgen zijn we toch bij Timo. Daar in de buurt hebben ze vast wel konijnen te koop.” Samen zouden ze in de tuin een hok timmeren, hij had er nu al zin in, met een ren erbij.
Achter zijn hand souffleerde Niels: “Het is een raadsel.”
Toby’s ogen blonken. “Je moet achter een boom gaan zitten en het geluid van een worteltje nadoen!” Hij sloeg voorover van het lachen.
Met het dédain van iemand die zich baas boven baas weet, zei Niels: “Het is rood en het ligt op het strand. Weten jullie het echt niet? Roodkrabje!”
Toby bleef erin. Nog even en hij brak in tweeën van het gieren.
“Het is groen en het’ is altijd moe? Een krop slaap.”
“Niet zo vlug, zo onthoud ik ze nooit,” zei Laurens lachend. Hij nam een slok bier.
“Waarom drinken muizen geen alcohol? Omdat ze bang zijn voor een kater. En nou komt er een goeie voor op je werk, pap. Iedereen stinkt erin. Wat voor kinderen krijg je van een geel condoom? Nou?” Genietend kneep Niels zijn ogen samen.
“Een condoom?” Hij zette zijn glas terug op tafel.
“Een geel condoom.”
Blijkbaar begon de school tegenwoordig maar alvast in groep vier met het verstrekken van nuttige informatie over soa en aids. Had Niels weet van dit soort dingen dankzij zijn juf, of van het schoolplein? Wat maakte het ook uit. Even werd het hem van dankbaarheid bijna licht in het hoofd: zijn kinderen hadden een heel leven buiten hem om. Ze smoesden met leeftijdgenoten, ze leerden van anderen volwassenen. Hij was niet het enige baken waarop ze voeren. Waar hij tekortschoot, vielen er niet per definitie gaten.
“Gele kinderen,” zei hij.
Niels barstte in hoongelach uit. “Géén kinderen krijg je ervan.”
“Nee maar, die is goed.”
Er was een verontruste trek op Toby’s ronde gezicht gekomen. Snel zei Laurens: “En nu jij. Ik zie ik zie wat jij niet ziet.”
De hele maaltijd lang spoorden ze voorwerpen op die zwart, groen, rood of blauw waren. Af en toe keek Laurens naar buiten. Onder de straatlantaarns passeerden mensen met capuchons en mutsen op, klaar met hun werk, op zoek naar vertier. Hun adem kwam in rokerige narden uit hun mond. Het huis aan de overkant was nog steeds donker.
Na het eten werd het moeilijker om Niels en Toby gelukkig te houden. Ze wilden naar huis, om een waxinelichtje achter hun sterrenhemels te zetten.
“Nog even, jongens. Ik krijg nog koffie. Niels, ander woord voor auto, vijf letters.” Hij trok Toby bij zich op schoot en gaf hem zijn balpen om ermee op de papieren onderleggers te tekenen.
“Wagen.”
“Hé, Batman, niet zo vlug! Ander woord voor kooi…”
“Hok,” mompelde Toby.
“Ja zeg, die was veels te makkelijk,” zei Niels verontwaardigd.
“Ander woord voor machine.” Hij telde op zijn vingers. “Acht letters.”
Daar was zijn koffie verdomme al. Vlug keek hij naar buiten.
“Machine?” zei Niels. “Wat voor soort machine dan?”
“Om koffie mee te zetten bijvoorbeeld.” Koud laten worden, dat was voorlopig het beste idee.
Toby ging tegen hem aanhangen. Niels geeuwde.
“Niels, ik geef je de eerste letter cadeau. Het begint met een a.” Als Leander na zijn bezoek aan Beatrijs direct naar huis was gegaan, zou hij nu ieder moment kunnen arriveren. Ik ben een ezel geweest, Leander. Ik had je meteen moeten zeggen dat het erom gaat mijn kinderen te beschermen.
Hij rechtte zijn rug. Eindelijk deed hij het juiste. En wacht eens, hij had ook altijd nog een kans via Beatrijs. Tot nu toe had hij, uit schaamte, vermeden haar bemiddeling in te roepen. Ze was er zelf ook nooit over begonnen, al zou Leander haar heus wel over zijn telefoontjes en de rest hebben verteld. Ze vond het vast zijn verdiende loon dat hij steeds bot ving. Maar Niels zou ze zonder enige aarzeling te hulp komen.
“Apparaat,” zei zijn zoon, zo te zien verbaasd over zijn eigen vondst.
“Bingo, buster. Gefeliciteerd.”
“Maar nou wil ik niet meer, hoor.”
Haastig boog hij zich weer naar het raam. “Goed, dan doen we galgje, oké?”
“Je zit de hele tijd te kijken of we weer een parkeerbon hebben. Laten we nou gewoon gaan.”
“Of we doen spreekwoorden. Dat zijn die dingen die…die iedereen altijd zegt. Doen jullie al spreekwoorden, bij Nicky?”
Het was midden in de roos. Bij het horen van haar naam kreeg Niels op slag een vage, verliefde blik. “Weet je wat zij altijd zegt, pap?”
“Nee, schat.”
“Zolang er leven is…”
“Is er…?” Op dat moment zag hij Leander de straat in lopen, ietwat ineengekrompen van de kou. Behoedzaam, om Toby niet wakker te maken, kwam hij overeind en zette het slapende kind op zijn stoel. “Heel even op Toby letten, Niels. Ik ben over drie minuten terug en dan gaan we meteen naar huis.”
“Wat ga je dan doen? Papa!”
Ander woord voor leven, vier letters. Zonder jas sprintte hij het café uit.
Leander stond bij zijn voordeur, in zijn broekzak naar zijn sleutels tastend. Blijkbaar hoorde hij iemand naderen, want opeens keek hij over zijn schouder. Hij verstrakte.
Laurens schoof snel tussen hem en de deur, terwijl hij verontschuldigend beide handen hief. “Sorry, ik weet dat het een idiote indruk maakt dat ik hier zo onaangekondigd opduik…”
Leander was bleek geworden. “Nu ga je echt te ver.”
“Laat het me even uitleggen. Het gaat niet om mij, het gaat…”
“Laat me erdoor.”
Laurens klemde zijn handen ineen om te voorkomen dat hij de ander bij zijn mouw zou grijpen. Dat was laatst ook al verkeerd uitgepakt. “Het gaat om Niels en Toby, ze hebben je hulp nodig, ik heb ze meegenomen, ze zitten daar in het café, je kunt het Niels zelf vragen.” Het ging niet goed, hij was niet duidelijk, er stond te veel op het spel.
Leander stak zijn hoofd naar voren en trok zijn schouders op. “Als je me niet naar binnen laat gaan, haal ik er de politie bij. Dat je nu zelfs al bij mijn huis staat te posten, is werkelijk de limiet.”
Hij dwong zich tot kalmte. “Help mijn kinderen alsjeblieft. Ik smeek het je.”
Er gleed een trek van weerzin over Leanders gezicht. “Wat ben je toch een theatrale aansteller, Laurens. Ik heb het je al vaak genoeg gezegd, er zijn zat paragnosten bij wie mensen zoals jij terecht kunnen. Waarom doe je dat niet in plaats van mij te achtervolgen en jezelf te vernederen?”
Aan de overkant zag hij Niels’ gezicht opdoemen achter het raam van het café. Met zijn neus tegen de ruit gedrukt keek zijn zoontje door een van de besneeuwde rode vierkantjes toe. Ineens vond hij de juiste woorden. “Niels blijkt hele gesprekken met Veronica te voeren. Dat moet stoppen.”
“O, en daar moet ik je vrouw opdracht toe geven?”
“Als dat kan, ja.” Dit was het langste gesprek dat ze de afgelopen maanden hadden gehad. Ditmaal ging het goed aflopen.
Leander boog zijn lange gestalte voorover. “Misschien troost het je zoon wel dat zij hem opzoekt. Heb je die mogelijkheid weleens overwogen, of denk je alleen maar aan jezelf?”
Het was alsof hij een stomp in zijn gezicht kreeg. “Maar je hebt me zelf verteld dat contact met aardgebonden entiteiten gevaarlijk is! Dat heb je zelf gezegd! En nu beweer je…”
De ander nam hem op alsof hij een zeldzaam smerig insect was. “Dit is precies de reden waarom ik me niet met jou wens in te laten: je bent er alleen maar op uit om mij ergens op te betrappen. Onder het mom van je zielige verhalen is het van meet af aan je ziekelijke missie geweest om mij als een bedrieger te ontmaskeren en door de mand te laten vallen. Het is maar goed dat ik Yaja vanmiddag op de trein naar Gwen heb gezet. Anders had jij haar wel omgekletst je binnen te laten. Dan had je nu pontificaal in mijn woonkamer gezeten. Ga opzij, man, of ik bega een ongeluk.”
“Nee, wacht! Ik zal je…”
Met opeengeklemde tanden zei Leander: “Je vergist je als je denkt dat je me kunt commanderen of intimideren. Ik verzoek je dringend me verder met rust te laten. En dat geldt ook voor mijn dochter.”
Nu moest hij zich niet van de wijs laten brengen door ongerijmde insinuaties. “Maar laten we dit dan ook oplossen, dan ben je van me af. Ik zal je er goed voor betalen.”
“Dat geldt voor mij als een onzedelijk voorstel.”
“Dan moet je zelf maar bepalen hoe ik je kan belonen.”
“In zulke termen denk ik helemaal niet. Mijn werk is mijn beloning. Plus de vrijheid, natuurlijk, dat ik zelf kan beslissen mijn handen aan jou niet vuil te maken.”
In een moment van onaangename helderheid dacht Laurens: Waarom sta ik hier eigenlijk met die pedante kwast te praten? Waarom loop ik niet weg en kijk ik thuis op internet onder ‘paragnost’? Onzeker zei hij: “Als je me blijft wegsturen, lever je me in feite uit aan de spirituele onderwereld. Is dat je bedoeling? Wil je soms dat ik een lesje leer? Wens je me toe dat ik…” Hij hoorde zelf dat hij klonk als iemand die om klappen vroeg. En ineens daagde het hem hoe waar dat was. Hij was al die maanden niet eens op het idee gekomen om iemand anders dan Leander te raadplegen, omdat diens verbrijzelende zelfgenoegzaamheid onderdeel van het geheel was: het was zo’n helse beproeving hem te moeten bidden en smeken en voor hem door het stof te moeten kruipen, dat het iets purgerends had. Als een hond achter deze man aanlopen, dat was zijn manier geweest om zichzelf te straffen voor een daad die anders onbestraft zou zijn gebleven.
“Ik wens je helemaal niets toe. In mijn universum besta je niet eens.”
“Ik begrijp het,” zei Laurens, maar ditmaal was zijn nederigheid gespeeld. De ban was op een of andere manier verbroken, nu hij zichzelf doorzag. Hij kon beter een andere methode bedenken om zijn schuldgevoel te delgen, want hiermee schoten zijn kinderen en hij niets op. “Ik zal je niet meer lastig vallen. Een goedenavond nog.” Hij draaide zich om en stak de straat over, verbaasd over zichzelf.
Achter het raam van het café veerde Niels op. Hij begon enthousiast te zwaaien.
Laurens zwaaide terug in het besef dat hij niets had opgelost. Toch ervoer hij een kortstondig moment van immense opluchting. Het spel was uit, hij was weer een vrij man. Als hij niet uitkeek, ging hij nog denken dat hij Leander een zware slag had toegebracht door eigener beweging af te haken.
Hij ging het café in en rekende aan de tap af. Zijn zoontjes zaten er helemaal reisklaar bij, de ritssluiting van hun jack tot aan de kin opgetrokken.
“Wat zei Yaja’s vader?” vroeg Niels.
“Niet zoveel bijzonders. Zullen we eens gaan kijken hoe het met jullie sterrenhemels is?”
Ze reden naar huis. In de serre schitterden de kerstboomlampjes hen tegemoet. Ze deden ze uit en staken twee waxinelichtjes aan. In het donker keken ze met z’n drieën naar de pinkelende hemeltjes. Ze deden Laurens denken aan de sterretjes in Veers ogen, en meteen opende zich een afgrond voor zijn voeten, een afgrond van angst, maar ook van verdriet, gemis en verlangen. Die ene avond over te kunnen doen. Hij zou er zijn ziel voor aan de duivel verkopen, maar eerst zou hij moeten verzinnen wat nu te beginnen.
Blij dat hij zo’n topdag had gehad, kroop Niels onder zijn dekbed. Het vervulde hem van trots dat hij zijn vader met zijn raadsels aan het lachen gekregen. Misschien zou hij het ook wel leuk vinden om te horen wat de grote jongens op het schoolplein allemaal zeiden. Als ik jouw kop had, ging ik ernaast lopen. Krijg de galkanker.
Pis maar in je panty. Laat je restaureren. Een kropje slaap was leuk voor iemand van Toby’s leeftijd, maar eerlijk was eerlijk, ook daar had zijn vader om gelachen, echt gelachen, met zijn bierglas in de hand, als een vader uit een televisiereclame.
Het was gezellig als je daarop leek, op mensen die samen rookworsten of chips aten.
Hij trok mama’s trui onder zijn kussen vandaan en legde zijn wang erop. Mama, vandaag heb ik pap aan het lachen gemaakt, ik heb de big een sterrenhemel geleerd en weet je wat? In de kerstvakantie komt Nicky me in haar auto ophalen.
Dat laatste was zo ongelooflijk, dat was echt maximum galkanker. Hij zou naast haar in haar paarse Rover zitten, en misschien zou ze zijn hand wel vasthouden als ze samen over de begraafplaats liepen. Ze had van die zachte handen, en als je naar haar vingers keek, dan vroeg je je af waarvoor mensen eigenlijk van die volmaakte halve maantjes in hun nagels hadden, zomaar of met een bedoeling?
Hij zuchtte diep en wilde zich net omdraaien toen zijn vader binnenkwam. Hij deed de gordijnen dicht, vouwde een broek op en legde die in de kast, en ging toen op de rand van het bed zitten om de wekker in te stellen. Hij leek helemaal niet meer op een vader uit een televisiereclame. Hij was weer in zichzelf gekeerd en treurig. Op zijn elleboog kwam Niels overeind. Hij stompte hem tegen zijn schouder. “Laat je restaureren, pap!” Vol zelfvertrouwen begon hij te lachen.
Zijn vader zette de wekker terug en streek langs zijn ogen.
Had hij de grap wel gehoord? Niels’ blije bui ebde weg. Eén keer in de honderd jaar lachen was niet genoeg. Hij wilde iedere dag samen plezier maken.
Onverwachts vroeg zijn vader: “Vertel eens, Niels? Is het eng of fijn om met mama te praten?”
Hij wist niet wat hij moest zeggen. Het was geen van beide, het was gewoon. En ze hadden het hier vanmiddag toch ook al over gehad?
“Of laat ik het anders vragen. Zou je willen dat het ophield, of zou je het dan juist missen?”
“Missen, natuurlijk,” zei hij verbaasd. “Maar het houdt toch niet op?”
“Als je het niet prettig vindt, kun je dat tegen mama zeggen, bedoel ik.” Zijn vader liet het hoofd in de handen zakken.
Het was zwaar om in je eentje twee kinderen op te voeden en ook nog al het geld te moeten verdienen, dat had hij de moeders van Perry en Gijs weleens tegen elkaar horen zeggen. Als zijn vader maar niet zo bekaf raakte dat hij het bijltje erbij neergooide. Hij moest iets verzinnen om hem een beetje op te vrolijken.
“Je vraagt je misschien af waarom ik hier zo over doorzeur, maar dat komt doordat ik me soms zorgen maak of…Wat doe je nou?”
Niels dook onder zijn bed en grabbelde in de doos die daar stond. Hij had het flesje met de gouden dop dadelijk te pakken. Het was nog steeds meer dan halfvol.
“Niels, nu even geen…” Zijn vaders stem stokte toen hij het parfumflesje zag.
“Dit is nog van mama, weet je dat? Wil je een beetje?” Voortvarend schroefde hij de dop open. Het vertrouwde geurtje steeg op. Hij pakte zijn vader bij de pols, kantelde het flesje en sprenkelde een paar druppeltjes op zijn mouw. Toen duwde hij de mouw naar zijn gezicht. “Je moet goed ruiken, dat doe ik ook altijd.”
Zijn vaders voorhoofd was helemaal zweterig geworden. Hij zat roerloos, de mouw tegen zijn neus gedrukt, met starre ogen voor zich uit starend. Alleen zijn kaak bewoog even, alsof hij iets wilde zeggen, maar het niet kon. Na een paar momenten begonnen zijn schouders te schokken.
“Vind je het niet lekker?” vroeg Niels.
Zijn vader deed zijn ogen dicht en toen weer open. “Dus zo doe jij het ook altijd, zeg je?”
“Wat praat je raar.”
“Sorry.” Hij schraapte zijn keel. “Dank je wel, buster, en welterusten.” Schielijk stond hij op en liep, met de zwalkende passen van iemand die een borreltje te veel op heeft, de kamer uit.
Niels liet zich achterover vallen. Het stomme van grote mensen was dat ze niet gewoon zeiden wat ze dachten of voelden. Daarom kon je ze nooit echt helpen, al deed je nog zo je best.
Pis maar in je panty, papa! Boos klauterde hij uit bed om de deur te sluiten en het licht uit te doen. In het donker kroop hij weer onder zijn dekbed. Het flesje parfum was naar het midden van de matras gerold: hij voelde het in zijn zij drukken. Hij groef het op en zette het met een bons op zijn nachtkastje. Het had hem nog wel zo’n goed voorstel van zijn moeder geleken, toen ze het hem daarnet had ingefluisterd.