Kannibalen

Achter in de verwilderde tuin, op de grens met het bijenveld, waren de kinderen verwikkeld in een opgewonden spel waarvan ze de regels al doende bedachten. Bezweet joegen ze elkaar tussen de manshoge heesters achterna. Met de pollepels die ze in de keuken hadden gevonden, ranselden ze overhangende takken opzij. Ze zaten onder de schrammen en brandnetelbulten.

De vier meisjes waren in het voordeel: zij kenden het terrein. Ze wisten precies wat de sluiproutes waren en op welke plekken je je het best kon verstoppen. Regelmatig moesten Laurens’ jongetjes hun achtervolging staken om verdwaasd om zich heen te kijken, de oren gespitst op gegiechel achter de struiken. Hijgend hielden ze elkaar bij de hand. Niels, de oudste van de twee, bleef zijn broertje zenuwachtig geruststellen. Wij gaan winnen, hoor. Wij gaan het zeker winnen.

Op het terras bij het huis zaten hun ouders al sinds de lunch over koetjes en kalfjes te praten, op de lome manier van mensen die alle tijd hebben. Het was warm, ze schonken hun glazen voortdurend bij. Tinio hield het bij water. Hij moest, zei hij bij herhaling, tegen het donker nog even een korfvolk overplaatsen naar een kast, en van de lucht van alcohol werden de bijen dol. Zijn vrouw Gwen dronk sap, aangezien ze de baby nog zoogde. Alleen Laurens was aan de witte wijn.

Ze zaten in hun korte broek op gammele houten stoelen rond een tafel die vroeger dienst had gedaan als iets heel anders dan tuintafel, iets veel waardigers. Tegen de nieuwe rol in de buitenlucht uitte het tafelblad zijn protest door in gemene kraters op te bollen. De poten lieten zich evenmin onbetuigd: blote benen raakten vol splinters als ze erlangs streken. Zelfs onder de tafel had het ogenschijnlijk fluweelzachte mos dat uit de kieren tussen de terrastegels puilde iets onverzettelijks, bijna iets agressiefs. En in het ongemaaide gras sloten vergeten knuffels en plastic poppetjes dreigend de rijen.

Maar wat een onzin! Zo was het bij Timo en Gwen immers altijd geweest: een huishouden van Jan Steen. Klimop groeide hier onbelemmerd in de dakgoten, op de vensterbanken stonden verdroogde boeketten, tijdschriften hingen over stoelleuningen, en waar je ook liep knarste of plakte er iets onder je voeten, gemorste suiker, koekkruimels, een stukgetrapt doosje rozijnen, een met stofvlokken beplakte olijf. Gwen en Timo maalden er niet om. Misschien was dat wel een van de geheimen van een lang en geslaagd huwelijk: dat je bijzaken bijzaken kon laten.

Het was maar een terloopse gedachte, maar ze bracht een bijna splijtend gevoel van eenzaamheid bij Laurens teweeg.

Tegenover hem schroefde Timo de fles mineraalwater maar weer eens open. Hij begon opnieuw over zijn bijen. Hij praatte snel, bijna struikelend over zijn woorden. Hij leek op een ijverige kleine jongen die een spreekbeurt hield. Maar ergens was Timo altijd een kind. Hij had dat onuitroeibaar geestdriftige, dat verwonderde ook, van iemand van zes. Zelfs als hij met straffe tegenwind langs het kanaal netste, floot hij nog een enthousiast deuntje. Een fluitende man op de fiets langs het water, het blonde haar wapperend in de wind: hij kon zó in een promotiefilmpje van de vw.

Dankbaar voor de afleiding hoorde Laurens hem aan. Zo nu en dan knikte hij om blijk te geven van zijn belangstelling. Onderwijl bestudeerde hij de uitgebloeide rododendrons, de door de slakken aangevreten lupines, de molshopen in het gras. De zorgeloze Timoheid ervan, de laconieke Gwenheid. Hij begon zich alweer wat beter te voelen. Misschien moest hij gewoon nog een glas wijn nemen en kon hij dan overal om lachen. Op de zonbeschenen tafel stond de fles in de koeler klaar voor het grijpen. Maar drank bracht zekere risico’s met zich mee, en als gast had je je fatsoen te houden. En bij dat besef stak de herinnering aan zijn uitbarsting bij de lunch weer de kop op. Dat hij zich zo van zijn stuk had laten brengen. Abrupt stond hij op, beschaamd en boos op zichzelf.

Onzeker glimlachte Gwen hem toe van onder haar vettige, blonde pony. “Wat bezielt jou opeens?”

“Even kijken wat de kinderen uitspoken.”

“Die houden elkaar heus wel heel,” zei Timo.

“Joh, laat Laurens lekker de benen gaan strekken,” zei Gwen. “Geef hem even vrij. Jij zit nu al uren te oreren over die bijen van je.”

Goeie Gwen. Als er oorlog uitbrak, zou je je geen moment bedenken, dan dook je bij haar onder. Zelfs onder de meest barre omstandigheden zou er op haar fornuis altijd een pan soep staan te pruttelen, en ergens diep binnen in Gwen zouden ongeboren kinderen al even onverstoorbaar bezig zijn met het vouwen en plakken van kleurige stroken papier, kwebbelend en kwetterend. Gwen wierp in paren. De recente baby was haar eerste eenling.

Laurens schudde zijn spieren los, die stijf waren van het lange zitten. “Zouden ze nog terugkomen?” vroeg hij opeens. “Wat denken jullie?”

Tirno zweeg, van zijn apropos gebracht. Gwen begon aan haar kuit te krabben.

“Wat ziet Beatrijs in die kwal,” zei Laurens, weer nijdig wordend op de ongewenste indringer in hun gezelschap.

Gwen sputterde tegen: “Ach, hij is alleen maar wat…”

“Bespaar je de moeite, schat,” zei Timo. “De man is een ontzettende lomperik.” Het was onduidelijk of hij de kwal bedoelde of Laurens.

“We merken het vanzelf,” zei Gwen. “Ze weten hoe laat we aan tafel gaan.”

“Hun spullen staan nog hier,” bracht Timo te berde.

“Dan is er dus geen ontkomen aan.” Laurens stak de handen in de zakken en liep het gazon op, resoluut zijn zinnen verzettend. Hij slaagde er nog net in een berg legoblokjes te omzeilen.

Nu hij toch op pad ging, kon hij net zo goed echt achter de kids aan. Een doel, hoe nietig ook, verschafte het leven zin en betekenis. Vooruit. Waar zouden ze zitten, die lekkere schooiers? Het kon overal en nergens zijn. De oude boerderij van Gwen en Timo was niet opzienbarend groot, maar er waren tal van bijgebouwen en de lap grond eromheen was in de ogen van een stadsmens kolossaal. Bij de Sluis heette het bezit vanouds, en dat was ook de naam van hun bedrijf. Op het erf, aan het kanaal, stond een bord met een getekende honingvette bij die enthousiast voor De Sluis cirkelde. Het kunstwerk werd onverschillig gadegeslagen door passerende binnenschippers en de bemanningen van pleziervaartuigen. Op fietsers en wandelaars had het meer effect. Die onderbraken hun tocht graag voor een bezoek aan het piepkleine winkeltje in het voorhuis, voor de aanschaf van een potje ambachtelijk geslingerde honing, of een paar kaarsen die Gwen had beplakt met bloeiend onkruid waar de aarde nog aan kleefde.

Over het grindpad tussen de al jaren niet gesnoeide heesters liep Laurens langs de kaarsenmakerij. De geur van was die door de openstaande deur naar buiten kwam was zo doordringend dat hij ook zonder naar binnen te kijken de rijen en rijen bleke kaarsen in de houten droogrekken voor zich zag. Op een warme dag als vandaag was verderop het zoemen van de bijen goed te horen, een laag, aanhoudend gebrom, alsof er iemand tussen de klaver en de tijm geduldig aan het stofzuigen was.

Wat hadden ze het hier met z’n allen toch altijd naar hun zin gehad, iedere zomer weer. En dan zaten ze nu opgescheept met die betweter met wie Beatrijs tegenwoordig haar leven verkoos te delen. Uitgerekend nu. Alsof niet iedereen nog moeizaam bezig was te wennen aan de lege plek die Veronica had achtergelaten, of beter gezegd, aan de talloze leemtes waarin die zich kenbaar maakte. Telkens de schok van het gemis. Haar traditionele chocoladetaart voor het dessert van de eerste avond, die nu had ontbroken. Haar schuine limericks aan tafel, de liedjes waarmee ze de kinderen door de reusachtige afwas heen hielp, haar hilarische verhalen bij de late glazen wijn die maar werden bijgevuld en bijgevuld: ze hadden het zonder dat alles moeten stellen. Ieder moment, iedere handeling, iedere onderling gewisselde blik hamerde haar afwezigheid er dieper in. Juist door er niet meer te zijn was zij in zekere zin aanweziger dan ooit: achter elke deur werd haar stem of voetstap nog steeds half verwacht. Wat had een wildvreemde daarbij te zoeken, iemand die Veronica niet eens had gekend?

In het struikgewas kraakte iets, en Laurens stond stil, afgeleid.

Gwens tweelingen waren berucht om hun hinderlagen. Het zou de eerste keer niet zijn dat ze zich uit een boom op hem lieten vallen. Behoedzaam begaf hij zich tussen de heesters. Onder zijn voeten knapten takken. Een valkuil, dat zou hun kunnen evenmin te boven gaan. Het waren woestelingen, vooral de twee achtjarigen die Timo, ongewoon sardonisch, de Engelen noemde. Hoe zo’n zachtaardige man aan zulke dochters kwam was Laurens een raadsel. Tot in hun uiterlijk waren het roverskinderen, met wenkbrauwen die tussen hun ogen in een dikke streep doorgroeiden. Het enige dat hen van elkaar onderscheidde, was dat Marleen in haar onverzettelijke kin een spleetje had en Marise een kuiltje. “Waar zitten jullie, laffe slampampers?” riep hij uit. Hij vond het een geweldig stel.

In het kreupelhout klonk opnieuw gekraak. Hij meende uit zijn ooghoek een glimp van een hardroze T–shirt te zien. Dat moest dan een van de kleinere zusjes zijn, Klaar of Karianne. Het jongste duo was deze zomer hard bezig hun malse armpjes en ronde knieën kwijt te raken. Ze begonnen stakerig uit te groeien, en hun brede, besproete snuitjes vertoonden niet langer een permanente trek van verbazing over hoe groot de wereld was: zij maakten zich in volle vaart op om in de verzengende voetsporen van de Engelen te treden.

Laurens haastte zich erachteraan, takken en twijgen opzij slaand. Hier, op de rand van het veld waar de bijen de honing binnenbrachten, was Gwens Hof van Eden op z’n wildst. Iedere vage poging tot cultiveren was er gestaakt, of gestrand op het vastberaden verzet van de oude bomen en struiken. Je waande je er in een ondoordringbaar woud in plaats van achter op het erf van een boerderij waarlangs een kaarsrecht, door mensenhanden gegraven kanaal liep. Elk jaar kwam het hem voor dat de betoverde wildernis weer verder was opgerukt, maar dat kon verbeelding zijn.

Maaiend met zijn armen brak hij door de volgende bosschage heen. Hij verwachtte een open plek, met zonlicht dat gespikkeld door het gebladerte zou vallen. Maar het lover was zo dicht dat hij even bijna niets meer zag. Hij moest de handen uitstrekken en van boom naar boom tasten. De basten voelden door het gebrek aan daglicht enigszins slijmerig aan. Ze gaven een zurige, gronderige lucht af. De zomer leek opeens heel ver weg. Hij stond al op het punt om te keren toen hij met een galm tegen iets opliep. Het was een grote ijzeren ketel, die zowat tot aan pijpen van zijn korte broek reikte, zo een als Gwen in de kaarsenmakerij gebruikte.

Bevreemd nam hij het gevaarte op, al was het natuurlijk typisch Gwen om oud roest onbekommerd in de bosjes te mieteren. Hij raakte de rand aan. Het ijzer was koud. Het ding stond vol water. Je zou er een forse big in kunnen koken.

Ineens klonk verderop een schrille kreet. De ketel vergetend haastte hij zich de richting van het geluid uit, het zonlicht tegemoet. Op de grens van het bijenveld hield hij zijn pas in: aan de overkant renden zijn zoontjes gevaarlijk dicht langs de kasten.

“Niels! Toby! Voorzichtig aan daar!”

Ze hoorden hem niet. Luidkeels schreeuwend stoven ze verder, verdiept in zichzelf, twee schriele ventjes in zwembroek.

Ze moeten dringend naar de kapper, dacht Laurens, en ze hebben nieuwe schoenen nodig, en er was trouwens ook iets met die T–shirts die hij laatst op de markt voor ze had gekocht, ze waren niet goed genaaid of zo, je koopt zomaar kleren die niet blijken te deugen. Moedeloosheid daalde over hem neer. Toch was het louter en alleen voor zijn kinderen dat hij het ‘s-ochtends opbracht om zijn bed uit te komen, iedere pijnlijke dag opnieuw. In zijn dromen leefde Veronica meestal nog. Het was ook zo onverwacht gebeurd, of misschien verzette zijn geest zich gewoon uit alle macht tegen het onvermijdelijke. In elk geval was het contrast tussen slapen en ontwaken zo wreed dat hij iedere ochtend maar één ding wilde: zich voorgoed naast haar uitstrekken en vergeten wat er was gebeurd.

Zijn jongetjes waren uit het zicht verdwenen. De bijen zoemden voort.

Had hij dit jaar wel naar Bij de Sluis moeten komen? Hij had zijn vrienden momenteel niet veel te bieden. Maar zijn zoontjes hadden zo naar de logeerpartij uitgekeken. Na de begrafenis had Niels hem in tranen gevraagd: “Nou gaan we zeker nooit meer op vakantie, pap?” Verbazend hoe duidelijk iemand van zeven zijn gevoelens onder woorden kon brengen. Want wat betekende die vraag anders dan: wordt het leven ooit weer gewoon, ooit weer gezellig? Bezwerend dacht hij: Ik trek het heus wel. Drie maanden was nog maar zo kort, eerst moest het eerste jaar eroverheen. Maar dan, hoorde je soms, begon het pas echt. Want wat kon gemis, op de keper beschouwd, anders doen dan zich opstapelen, zich eindeloos opstapelen in de tijd?

Die gedachte beklemde hem zó dat hij zich haastig weer in beweging zette. Hij besloot de lange weg terug te nemen, via het oude zomerhuis. Het grindpad was omzoomd door geel onkruid waarvan hij de naam altijd vergat. Als je de stengels knakte, kwam er feloranje sap uit dat je bijna niet meer van je handen af kreeg. Veronica had het hun jongetjes elk jaar weer enthousiast gedemonstreerd. Ontelbare keren had zij hier gelopen, op die lange stelten van haar, die spillebenen, zei ze zelf. Ontelbare keren ook hadden hij en zij hier samen gelopen, kletsend en lachend of juist in gepeins verzonken, misschien zelfs nukkig zwijgend. Zouden de kiezels zich haar voeten nog herinneren, met de zijne ernaast, gewoon een echtpaar, dat herkende zo’n pad natuurlijk meteen, een lichte tred naast een wat zwaardere: kijk eens aan, een stel. Het leek zo doodnormaal.

Hij stond stil en liet het grind onder zijn voetzolen knerpen door langzaam heen en weer te wiebelen. Hij hield er pas mee op toen het hem daagde dat hij in stompzinnige hoop op een of ander antwoord wachtte. Op een ijle stem, zeker: Hallo meneer, hier spreekt die ene kiezel daar linksonder, nee, ietsje meer naar rechts, ja die, dat ben ik, en ik ben nog door uw vrouw betreden, neemt u mij maar mee als aandenken.

Hou nou op, Laurens, hou op!

Ze had hier al gelopen zonder hem. De traditie van deze zomerweek op de imkerij stamde immers al van voor zijn tijd. Al sinds hun schooltijd hadden Veronica, Gwen en Beatrijs ieder jaar een gezamenlijke week gepland om bij te kletsen en te lachen, dronken te worden en samen grote pannen spaghetti te koken. Daaraan was geen einde gekomen toen ze trouwden: hun mannen en later hun kinderen waren gewoon onderdeel van de jaarlijkse week geworden, ze waren in de traditie geschoven zoals Gwen een blik broodjes in de oven schoof. En aangezien de imkerij geen zeven dagen voor zichzelf kon zorgen, was Bij de Sluis, waar je met zo’n groot gezelschap ook veel meer armslag had dan bij een van de anderen thuis, van meet af aan de vaste stek geweest.

Op de talloze foto’s die in de loop der zomers waren gemaakt, stonden de drie vriendinnen er altijd even prominent en brutaal op, de armen om elkaar heen geslagen, gekke gezichten trekkend, ontspannen en vertrouwd. Gwen: Moeder Aarde, allicht, groezelige blote voeten, zongebleekte jurk, een veeg vuil over haar voorhoofd. Beatrijs: nooit anders dan op naaldhakken, haar gedrongen figuur in de meest wufte creaties geperst, enigszins verbluft voor zich uit blikkend, alsof haar net een gedachte was ingevallen die haar verstand te boven ging. Veronica: de sterretjesogen half verborgen achter het donkere haar, mysterieus, ogenschijnlijk afstandelijk, maar onveranderlijk met mondhoeken die krulden van plezier. Achter hen doemden de contouren van hun dierbaren op. Je zag de brede schouders van een echtgenoot, of de bollewangenhapsnoet van een kind dat het hoofd tussen volwassen knieën door had gewrongen. Maar zelfs aan de foto’s waarop ze met z’n allen als één grote Italiaanse familie aan tafel zaten, was te zien dat de mannen en de kinderen in deze ene week per jaar maar bijzaak waren. Figuranten, of toevallige voorbijgangers in het léven van de vrouwen.

Waarover hadden de vriendinnen al die jaren gesproken? Welke geheimen hadden ze elkaar toevertrouwd? Laurens wilde het niet eens weten. Vastberaden beende hij voort en ging hij de hoek van het pad om.

Pal voor de deuropening van het zomerhuis zat Timo’s zuster Bobbie in de late middagzon tuinbonen te doppen.

“Bobbie!” riep hij uit.

Ze keek niet op of om. Met heftige gebaren ging ze door de peulen open te breken. “Ik eet vanavond mijn eigen eten, hoor, in mijn eigen huis! Ik ga niet meer met die man aan tafel!” prevelde ze strijdlustig voor zich uit.

Laurens aarzelde even. Ging het over hem of over de kwal? Toch liep hij op haar toe en ging naast haar op het bankje zitten.

Ze smeet een handvol bonen in het pannetje op haar schoot. “Ik heb hard gewerkt. Ik heb recht op mijn rust.” Toen merkte ze hem pas op, en ze lachte naar hem.

“Drukke middag gehad?” vroeg hij. Bobbie leefde in de veronderstelling dat zij het was die de kost voor iedereen verdiende, in het winkeltje in het voorhuis. De klanten daar betaalden tenminste met echt geld, en dat kon je niet zeggen van de mannen die voortdurend in bestelbusjes af en aan reden om hele pallets honing en kaarsen mee te nemen. Het was Bobbies opinie dat haar broer en schoonzuster niet goed bij hun hoofd waren om dag in dag uit zoveel weg te geven zonder er ooit een tastbare euro voor terug te zien. Iedere middag om klokke zes bracht ze de kassalade naar de boerderij om hun de munten en bankbiljetten te laten zien die zij die dag, als enige, had verdiend. Die twee boften maar met haar.

“Beredruk.” Ze blies haar wangen op en rolde even met haar ogen. “Drie, nee, vier keer mensen over de vloer. Komt door het weer.”

Laurens pakte een tuinboon uit het pannetje en stak hem in zijn mond. “Maar nu is het zaterdagavond. Nu heb je vrij. Nu heb je zin in iets gezelligs, en niet in het gezelschap van een onbekende die nota bene…”

“Laurens!” Ze sloeg naar zijn hand toen hij nog een boon wilde pakken. “Daar krijg je iets van, hoor, als je die rauw eet!”

“Ik niet. Ik krijg nooit wat. Ik ben een man van staal.”

Ze nam hem fronsend op. “Waar zit dat staal dan?”

Hij klopte op zijn borstkas. “Hier. Vanbinnen.” Hij was haar ridder, hij had het vanmiddag bij de lunch voor haar opgenomen. Zoiets hoefde je jezelf niet kwalijk te nemen, je hoorde er juist tevreden over te zijn.

“Dat kan niet,” zei ze pertinent. “Ik geloof er niks van. Wil je een biertje?” Ze stond op en ging naar binnen.

Hij hoorde haar in de keuken op lichtelijk verontwaardigde toon tegen zichzelf praten: “Hij neemt je in de maling, je moet er niet naar luisteren, je doet gewoon je oren dicht, hoor je me?”

Toen ze weer naar buiten kwam, met een blikje bier in de hand, zei hij vlug: “Hé Bobbie, ik heb nog een keer gevoeld, maar je had gelijk, er zitten hier alleen maar botten. Ik vergiste me daarnet.”

“Zo, mooi is dat.” Ze trok het blikje open en overhandigde het aan hem, terwijl ze met de andere hand haar dikke haar achter de oren streek.

Om haar gunstig te stemmen vroeg hij: “Waarom heet het hier eigenlijk nog steeds het zomerhuis? Dat is toch een naam van vroeger?”

Vertrouwelijk boog ze zich naar hem toe. “Omdat bij mij de zon altijd schijnt. Bij mij,” en opeens begon ze te schateren, “bij mij gaat het donker nooit aan.”

“Goed gesproken,” zei Laurens, nippend aan zijn biertje.

“Ach,” zei Bobbie op relativerende toon. Ze pakte het pannetje tuinbonen weer op en zette het op haar schoot.

Gwen was naar binnen gegaan om haar dochter in de babykamer een schone luier te geven. Het was een vredig karweitje, maar toch moest ze er een zucht bij onderdrukken. Het wilde maar niet gewoon worden, het bleef zo onaf lijken, één baby, eentje maar: een meisje dat er haar leven lang alleen voor zou staan. Timo vond het onzin, en dat stak haar. Voor anderen was het immers óók zichtbaar dat er iets niet helemaal klopte. Laatst nog had Bobbie bijvoorbeeld zoiets wonderlijks gezegd. Op die trage, heldere manier van haar had ze ineens opgemerkt: “Een baby is nog geen mens. Maar het is natuurlijk ook geen dier. Wat is het nou eigenlijk wél?” Bij de Engelen had zij die vraag nooit opgeworpen, en bij de kleintjes ook niet.

Veronica had vast een passend antwoord geweten. Ze zou iets zots hebben gezegd dat niettemin logisch en verstandig zou hebben geklonken.

Gwen maakte de luier vast, tilde haar meisje op en gaf haar een zoen op de kruin. Toen legde ze haar in de wieg. Ze liet het uitgelubberde elastiek, waaraan kleurige plastic eendjes bungelden, even heen en weer schommelen. Daarna trok ze aan het touwtje van de muziekdoos. Slaap kindje slaap.

Ze wachtte tot de klare kijkertjes dichtvielen. Ze moest nodig aan het eten beginnen. Maar eerst een douche. Met dit weer wilde je wel drie keer per dag.

In de badkamer gooide ze haar kleren in de altijd uitpuilende wasmand. Ook in de machine zat nog een was, als ze het zich goed herinnerde. Die moest eruit, straks, voordat hij ging stinken. Met haar voet schoof ze een lege shampoofles opzij, een paar sponzen en een brandweerautootje, en stapte onder de douche. De harde waterstraal deed haar hoofdhuid tintelen. Ze dacht: Dood is maar één staat van zijn, slechts een van de vele. Ergens in de kosmos leefde Veronica voort, in het twinkelen van de sterren, het ruisen van de zee, of misschien zelfs in de damp die nu in de douchecabine begon op te stijgen. Maar als ze gewoon op aarde was gebleven, zou Gwen nooit zijn bevallen van zoiets kwetsbaars als een enkel kind, dat wist ze met een duistere zekerheid. Door te sterven richtte je, onbedoeld, in andermans leven van alles aan. Dat zag je ook aan Beatrijs.

Gwen droogde zich af. Ze bond haar natte haar in een paardenstaart. Op haar blote voeten liep ze naar de slaapkamer. En al die tijd zag ze Beatrijs voor zich, verliefd en stralend. Als een van je beste vriendinnen op haar zesendertigste zomaar opeens aan een hersenbloeding overleed, aldus Beatrijs, dan keek je jezelf eens diep in de ogen. Je vroeg je af waarmee je zelf nu eigenlijk bezig was. En dan had je plotseling de moed om knopen door te hakken en een stap te zetten die allang gezet had moeten worden. Dan bleef je kortom niet langer hangen in een huwelijk waarvan de houdbaarheidsdatum al ruimschoots was verstreken. Je wierp je zonder aarzeling in een nieuw paar armen.

Beatrijs met een nieuwe man. Gwen wist precies wat Vero zou hebben gezegd. Als er iemand was die een beetje geluk verdiende, was Bea het wel. Enigszins schuldig dacht ze aan Frank, die zo onverhoeds door Beatrijs was gedumpt, en die ze nu vermoedelijk nooit meer zou zien, na al die gedeelde zomers. Frank was weliswaar nooit de gangmaker van het gezelschap geweest, maar wat je gezamenlijk had, dat had je.

Ofschoon de dag al ten einde liep, was het nog steeds warm. Met tegenzin opende ze haar kleerkast. Ze besloot een jurk aan te trekken waarvan ze wist dat Timo haar er graag in zag, die niet de zonnebloemen. Dat zij tweeën nu het enige stel waren dat was overgebleven…Het zou wel wennen. Alles wende. Maar opeens, zonder overgang, was ze ongewoon korzelig gestemd. Mensen gingen maar dood of zadelden je op met hun nieuwe partners! Iedereen dacht dat zij onverstoorbaar was en alles aankon. Hoe kwamen ze erbij? Ze wilden gewoon met z’n allen op haar leunen en steunen. Kom maar bij Gwen, en alles komt goed. Kom maar bij Gwen, en alles zal je worden vergeven.

Om te kalmeren ging ze naar het open raam en haalde een paar keer diep adem. Beneden haar, op het terras, zei Laurens net iets tegen Timo. Ze boog zich voorover. “…overal gekeken, maar ik zie ze nergens,” ving ze op.

Timo zei: “Dan ga ik er zo nog wel even achteraan.”

“De jongens wel, die waren op het bijenveld, maar die…”

Gwen stak haar hoofd naar buiten. “Laurens! Hoe vaak moet ik het je nog zeggen: dat moet je ze verbieden! Zelfs ónze kinderen mogen niet bij de bijen in de buurt komen! Timo, ga ze alsjeblieft meteen halen!”

De beide mannen keken omhoog. Timo kwam overeind van zijn stoel, wuifde even naar haar en ging de tuin in. Laurens bleef haar schaapachtig aanstaren, het hoofd in de nek. “Sorry, Gwen,” zei hij na enkele ogenblikken. Toen wendde ook hij zich af.

Ze keek naar zijn rug, terwijl hij doelloos over het terras scharrelde. Ze dacht: Jij leefde dag en nacht met haar, jij had iets moeten opmerken, een of ander voorteken, hoofdpijn, duizeligheid. Weer eens te druk met je werk zeker, zeker weer een of andere onnozele crisis op je drukkerij? Denk maar niet dat ik niets van je weet! Maak je geen illusies over hoe vriendinnen over hun mannen praten!

Aan de rand van het grasveld bukte hij zich en raapte een T–shirt op.

Geen enkel gevoel voor prioriteit, had Veronica altijd lachend gezegd: zich druk maken om niks, en als het erop aankomt, juist staan te dromen, echt, bij Laurens weet je de helft van de tijd niet waar zijn gedachten zijn.

Met het shirtje in de hand draaide hij zich om. En ineens trof de uitdrukking op zijn gezicht haar. “Joh, Laurens! Wat is er?” riep ze uit het raam.

Als betrapt keek hij op. Hij hield het kindershirtje omhoog. Het leek heel klein in zijn grote mannenbanden. “Die mouwtjes zijn zo strak,” bracht hij uit. “Kijk dan, ze rimpelen helemaal. Dat kan toch niet lekker zitten?”

Terstond vloog haar hart bijna uit haar borst, zo ging het naar hem uit. “Dat fiks ik wel voor je. Dat maak ik zo in orde, jongen.” Ze schoot een paar slippers aan en rende naar beneden over de houten trap die Timo een paar maanden geleden had geschuurd, maar nog steeds niet opnieuw had gelakt. Er was nooit genoeg tijd om de projecten af te maken waar zij beiden aan begonnen.

Buiten zat Laurens met het shirtje voor zich uitgespreid aan de tuintafel. “Zie je wat ik bedoel?” vroeg hij. Onbeholpen trok hij aan de naden.

“Ja. Maar dat kan ik wel verhelpen.”

“Zij kleedde ze altijd zo leuk aan. Dat zal mij nooit lukken. Dankzij haar heb ik twee prachtige jongens, Gwen. Maar dankzij mij lopen ze er straks als debielen bij. Ik weet niet eens wat ik tegen de kapper moet zeggen.” Zijn ogen werden vochtig.

“Ik zet die mouwtjes er vanavond zo opnieuw voor je in, heus.” En bij die woorden voelde ze hoe ze als het ware weer met zichzelf samenviel, met haar aardse zelf. Dit was vertrouwd, dit was overzichtelijk: straks nog even een naaiwerkje doen, en de wereld zou weer rustig kunnen doordraaien.

De zon was gedaald tot achter de hoogste takken van de oude eiken. Het was vast al over zevenen. En de kinderen moesten nog in bad of onder de douche, iedereen moest nog van alles. “Ik ga maar eens gauw naar de keuken.”

“Ik ga met je mee,” zei Laurens. “Hakken en snijden kan ik als de beste.”

Toen ze opstonden, raakte zijn arm de hare. Beschroomd dacht ze: Vero’s man.

In de keuken bleek de afwas van de lunch nog op het aanrecht te staan. Werktuiglijk begon ze bordjes en bestek af te spoelen. “Ik moet er nog even inkomen,” zei ze. “Ik ben bang dat het hier elk jaar een beetje chaotisch begint. Om een of andere reden kan ik nooit verder denken dan de eerste avond.”

“Maar die had je perfect in de knuisten.” Laurens liet nooit een kans lopen om je een compliment te maken: een heerlijke eigenschap. Ze nam het zich nog steeds kwalijk dat ze er gisteren niet aan had gedacht voor een chocoladetaart te zorgen.

“Waar vind ik een theedoek?”

In de wasmachine, vermoedelijk. Ze zei: “De vaat druipt wel uit in het rek. Misschien kun jij de tafel vast dekken.”

“Voor hoeveel personen?”

Over haar schouder wierp ze hem een blik toe. “Wat dacht je?”

Ostentatief keek hij op zijn horloge. “Je verwacht toch niet dat ze nu nog…”

“Anders had Beatrijs wel gebeld. Of ons door dinges een telepathische boodschap laten sturen.”

“Door Leander.”

“O ja. Leander.” Misschien was ‘koriander’ een bruikbaar ezelsbruggetje.

Ze zette een pan water op het vuur, maar draaide het gas meteen weer uit. Het kon nog wel een uur duren voordat de kinderen allemaal schoongeboend klaarzaten. Eerst de saus maar, die werd alleen maar lekkerder als hij inkookte. Gehaast goot ze een flinke scheut olijfolie in de bakpan. Tot haar ergernis kon ze nergens een pollepel vinden.

“Gwen!” riep Timo van buiten. “Mogen ze nog even onder de tuinslang?”

“Vijf minuutjes,” riep ze door het raam terug. Met een beetje geluk liep het niet uit op een moddergevecht.

Ze concentreerde zich op de saus. Ze raspte de kaas. Ze waste de sla. Voor de Engelen trok ze een blikje worstjes open. Haar oudste dochters hadden recentelijk aangekondigd nog uitsluitend vlees te willen eten. Als je je tegen zoiets verzette, had je geen leven meer. Elke dag dat de twee kleintjes nog tot een hap groente te verleiden waren, was winst.

Waar waren die verhipte pollepels toch? Waren ze misschien in het zomerhuis beland? Ze nam de hoorn van de telefoon die naast de koelkast hing en draaide Bobbies nummer. Het duurde even voordat haar schoonzusje opnam. “Bobbie, heb jij soms…”

“Ik zit net te eten!”

Verbouwereerd zei Gwen na een moment: “Maar we gaan zo aan tafel.”

“Eet smakelijk, dan.”

“Wat krijgen we nou? Je zit daar toch niet alleen te eten?”

Met een grafstem zei Bobbie: “Die man is veel te donker voor mij.”

“Joh.” Als iedereen zo moeilijk deed, was er voor Beatrijs zo meteen niets meer aan. Die koriander moest het voordeel van de twijfel worden gegund. Hij had vast ook plezierige kanten. Een vriendin die je bijna levenslang als redelijk had gekend, op haar manier dan, die maakte niet plompverloren een verkeerde keuze. En het zei toch al genoeg over hem dat hij zo gek op Bea was dat hij haar bij iedere stap die ze zette met zijn ogen volgde? Nou dan. “Ik ga wel naast hem zitten om ervoor te zorgen dat hij niet weer iets engs tegen je zegt.”

Bobbie maakte een geluid alsof ze een kat wegjoeg. “Jij bent te goed voor de wereld. Dat heb ik je al zo vaak gezegd.” Meteen verbrak ze de verbinding.

Ook Gwen hing op. Ze draaide het vuur onder de sauspan laag en ging naar buiten.

Op het inmiddels beschaduwde grasveld hield Timo de tuinslang op hun gillende dochters gericht. Ze waren allevier spiernaakt. Het haar hing in klissen tegen hun schedel geplakt. De knieën hoog optrekkend spetterden ze uitgelaten rond. Om hen heen lagen hun kleren, in het natte gras. “Nog even, mama, nog heel even,” riepen ze in koor toen ze haar in het oog kregen.

Bij de tuintafel keken de twee jongetjes met een mengeling van ontzag en verlangen toe. Laurens stond tussen hen in, de armen om hun schouders geslagen. Hij was een man die zijn kinderen voortdurend aanhaalde, beetpakte, in de lucht gooide. Het sneed Gwen opeens weer zo door de ziel hoe hij er daarnet met dat shirtje bij had gezeten, dat ze vergat dat ze bij Bobbie poolshoogte had willen nemen. “Hé, mannen,” zei ze. “Willen jullie ook niet lekker onder de tuinslang spelen?”

Laurens zei: “Er is voor vandaag geloof ik genoeg gespeeld. Ze zijn bekaf.”

“Laten we in dat geval maar gauw aan tafel gaan.” Ze klapte in haar handen. “Timo!”

Haar man draaide haar zijn roodverbrande gezicht toe. Kijk nou, zeiden zijn lachende ogen, kijk nou Gwen, naar dat mieterse spul van ons. En groeien ze op in het paradijs of niet? Laat de mensen maar lullen. Er is niks mis met een ouderwetse imkerij. Wij hebben het goed, en onze kinderen ook.

Die blikken van verstandhouding, over kinderhoofden heen, die heerlijke trots op je gezin, die je alleen maar met je eigen partner kon delen. Als ze Laurens daarmee nu maar niet de ogen uitstaken. “Doe dat ding uit, Timo! Het wordt veel te laat!” riep ze. “Meiden, vaart maken! Over tien minuten eten we.” Toen hurkte ze bij de jongetjes en vroeg: “Zo, en wat hebben jullie gespeeld?”

Ze hadden allebei Laurens’ regelmatige, scherpe trekken, als uit ivoor gesneden beeldjes. Knappe kinderen.

“Het is nog niet klaar,” zei Niels.

“Nog niet klaar?”

Laurens stootte haar aan. “Moeten die natte kleren van de meiden niet naar binnen?”

Het feit dat iedereen altijd voor alles haar akkoord nodig had, maakte andermans behulpzaamheid in zekere zin alleen maar tot een last. Maar misschien kon Laurens meteen de was voor haar uit de machine halen en in de droger stoppen. “Als je je toch over die kleren ontfermt,” begon ze. Op dat moment klonk er vanaf het voorerf het geluid van fietsbellen.

“Daar heb je ze,” zei Laurens gelaten.

Een ogenblik later kwamen ze gedrieën de tuin in lopen: Beatrijs en Leander hand in hand, zij zo klein en mollig en in een turquoise mantelpak, hij zo lang en tanig en in een vormeloze grijze joggingbroek, en achter hen, met hangend hoofd, Leanders broodmagere dochter Yaja in haar sleetse zwarte spijkerjack.

Yaja! Gwen was haar bestaan even helemaal vergeten. Je kreeg niet alleen een wildvreemde man in je midden, maar ook nog eens zijn minstens zo vreemde en gemelijke kind, en dat louter vanwege de bezoekregeling. Benard dacht ze: Hoe gaan we haar de hele week gelukkig houden? Ze is te oud voor die van ons, maar nog veel te jong om de hele tijd met volwassenen te moeten optrekken, ze gaat zich hier doodvervelen. Dertien. Een wandelend ongeluksgetal.

Met een glimlach gaf Beatrijs de sla door aan Timo, de wijn aan Laurens, de worstjes aan de Engelen. Ze haalde extra stokbrood uit de keuken, zodat Gwen even kon blijven zitten. Onvermoeibaar maakte ze grapjes met de kinderen. De hele middag, tijdens de fietstocht, had ze zich hartstochtelijk voorgenomen dat ze zich vanavond zou gedragen alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Het was maar een onnozel meningsverschil geweest, bij de lunch, of misschien zelfs alleen maar een misverstand. Kwam je op zoiets terug, dan werd het alleen maar groter dan het was.

“Wat is je pasta weer lekker,” zei ze tegen Gwen, terwijl ze haar bord nogmaals volschepte. Het werd altijd geapprecieerd als je goed toetastte, en er stonden nu belangrijker zaken op het spel dan haar taille. Gwen lachte haar toe. “Variant honderdzestien.” Beatrijs ontspande zich wat. Als ze Gwen toch niet had. Straks, onder de afwas, als ze eindelijk even alleen met haar was, zou ze haar uitleggen dat Leander nu eenmaal iemand van grote gevoelens was. Het was ongelooflijk, het was haast onvoorstelbaar, maar het bestond toch: een man met emoties, een man met het vermogen, nee zelfs met de behoefte eindeloos over alles te praten, een man die zich met hart en ziel en zonder een enkel voorbehoud aan je wilde geven en niets anders van je verlangde dan je nabijheid. Een spirituele man, bovendien. En dat laatste was precies de dimensie die zij haar huwelijk lang, zonder het zelf te beseffen, had gemist.

Haar vrienden zouden vast ook weleens hebben gedacht: Wat ziet Beatrijs toch in die saaie Frank? Misschien waren ze haar inwendig wel dankbaar dat ze niet meer met hem opgescheept zaten. Het was een ietwat pijnlijke gedachte, maar ze ging ook gepaard met een gevoel van trots: Geloof het of niet, mensen, maar ik ben een man als Leander waard. Ik ben zijn godin, zijn aanbedene, zijn zon, zijn alles.

Hij had haar niet alleen uitverkoren en uit haar ingedutte situatie verlost, hij had haar ook nodig. Daardoor was ze niet langer de zoveelste persoon op aarde die er uiteindelijk weinig toe deed. Ze was nu iemand die een ander gelukkig maakte, een taak zo groots en simpel tegelijk dat het haar dagelijks verbaasde.

Even had ze de aanvechting zich tot in haar tenen uit te rekken. Het zou een heerlijke avond worden. De atmosfeer was zwoel, het gras geurde, in de vijver bij de rododendrons kwaakten zomerzotte kikkers, en ze was omringd door haar beste vrienden. Ze voelde dat ze van blijdschap een kleur kreeg.

Over de tafel keek ze naar Leander. Hij zat met de armen over elkaar geslagen te luisteren naar iets wat Laurens te berde bracht over een ketel die hij in het struikgewas had gevonden. Haar minnaar straalde rust en kracht uit. Geen mens zou kunnen raden hoe moeilijk het voor hem was om in het gezelschap van vreemden te vertoeven, tussen al die onbekende energieën. Gaven zoals de zijne waren een geschenk voor de mensheid, maar een zware last voor de bezitter.

“Weet je,” zou ze straks aan Gwen uitleggen, “soms komen er mensen op aarde die van Sirius of van de Plejaden afkomstig zijn, dat klinkt wel idioot, maar toch is het zo, met geestelijke bagage waarvan iedereen mag meeprofiteren. Uitvinders, bijvoorbeeld. Of Moeder Teresa’s. Of mensen zoals Leander. Ze lijken groter dan de rest van ons, maar ze zijn ongelooflijk kwetsbaar.”

Gwen was iemand die zulke dingen begreep. Gwen oordeelde niet.

Bevreemd vroeg Timo aan Laurens: “Een ketel? Je bedoelt een ketel uit de kaarsenmakerij? Waar stond die dan?”

“Achter in die wildernis van jullie. En hij was tot aan de rand gevuld met water.” Laurens pakte de wijnfles en keek Timo vragend aan.

“Nee, dank je, ik moet straks nog naar mijn bijen. Jezus, Engelen, zit niet zo te klieren.” Timo greep zijn dochters in het nekvel en trok ze uit elkaar. Meteen begonnen de beide meisjes eendrachtig te loeien.

Beatrijs keek vlug naar Leander.

“Je bent een zure zult, papa!”

“Ja, een echte Van Zeikenstein, hoor pap, zo zielig!” Het meisje schudde het hoofd.

Genietend zei Timo: “Wat een vocabulaire, hè?”

“Stil eens. Hoor ik de baby?” Gwen tikte hem aan. “Jouw beurt.”

Timo stond op. “Ik begrijp het niet. Jij hoort haar altijd eerder dan ik.”

“Moederlijke intuïtie, jongen.”

“Hebben vaders dan geen intuïtie?” vroeg Laurens op onzekere toon.

Beatrijs dacht: Ik moet hem die scène van vanmiddag vergeven, ik zie toch zelf hoe ongelukkig hij is?

Alsof hij gedachten kon lezen, wat hij natuurlijk ook werkelijk deed, boog Leander zich voorover en zei: “Iedereen heeft intuïtie, Laurens. Ook jij. Iedereen kan namelijk…” Zorgvuldig als hij was zocht hij even naar de juiste woorden, terwijl hij zijn vingers voor zijn neus kruiste. Voor zo’n grote man had hij opvallend sierlijke, expressieve handen. Handen die door Holbein geschilderd leken.

Botweg zei Laurens: “Dus je begrijpt, ik dacht: Wat doet een ketel vol water hier, midden tussen de struiken? Heb jij daar een verklaring voor, Gwen?”

Beatrijs hapte naar adem. Hij had net zo goed kunnen zeggen: die man daar is lucht voor mij. Zo gingen ze hier toch niet met elkaar om! Verhit dacht ze: Leander heeft meer recht om hier te zijn dan jij, hij hoort bij mij, en jij hoort bij niemand van ons meer, dat had je zelf ook wel eens kunnen bedenken in plaats van je doodleuk aan ons te blijven opdringen. De felheid van haar gevoel bracht haar enigszins van haar stuk. Ze was toch altijd erg op Laurens gesteld geweest?

“Ik heb geen idee hoe die ketel daar kan zijn beland,” zei Gwen. “Misschien…o, daar is mijn schat.” Ze strekte haar armen uit naar de baby die Timo op zijn heup aandroeg.

“Mag ik haar even?” riep Yaja uit, opverend uit haar landerige gehang.

“Natuurlijk,” zei Timo. Hij zette de baby bij haar op schoot.

Omdat ze het niet verdroeg Leanders gekwetste gezicht te zien, nam Beatrijs nog wat sla. Dezelfde spanning die de lunch voor haar had bedorven, nam ook nu weer bezit van haar. Zo zou het toch niet bij elke maaltijd gaan? Heel deze komende week lang? Dan zat ze liever gewoon in de Spiegelstraat tussen haar zeventiende-eeuwse gravures.

“Wat zonde toch,” zei Gwen zachtjes, “dat Vero onze kleine meid nooit heeft meegemaakt. En wat jammer dat zij nu zonder tante Veronica moet opgroeien. Het is allemaal zo vreselijk zonde en jammer.”

Er viel een korte stilte, waarin de volwassenen allemaal even naar de baby keken, enigszins begaan, alsof in haar twee maanden oude lijfje al het onrecht van de wereld was opgeslagen. Yaja wiegde haar heen en weer, zachtjes tegen haar koerend.

“Ja,” zei Timo. “Het is zonde, Laurens. Ik wou dat ik het beter kon uitdrukken, jongen, maar…”

“Zonde is precies goed,” zei Laurens snel.

Beatrijs was hem dankbaar dat hij er niet meer van maakte. Het moest voor Leander ongemakkelijk zijn, telkens die emoties, reminiscenties en bespiegelingen die hem tot buitenstaander bestempelden. Hij voelde de dingen zo hevig, hij leed zo snel. Hij kreeg soms migraineaanvallen die haar doodsbang maakten. Ook in zijn hoofd kon een bloedvat knappen. Hun leven lang waren ze naar elkaar op zoek geweest, en net nu ze elkaar hadden gevonden…

“Ze lacht naar me,” zei Yaja.

“t Is zo’n lekkere allemansvriendin,” zei Timo vertederd.

“Let je op haar hoofdje?” vroeg Beatrijs. Sinds kort vermoedde ze angstaanjagende krachten in Leanders dochter. Ze was laatst een keer mee geweest naar de manege, waar het meisje zonder enige moeite een kolossaal, bokkig paard in bedwang had gehouden. Het beest had hoeven zo groot als kolenkitten gehad, en een nek waarin spierbundels dreigend golfden. Maar Yaja had met het monster rondgetut alsof het een dwergkonijntje was.

Beatrijs was altijd dol geweest op de kinderen van haar vrienden. Ze compenseerden haar eigen gemis een beetje. Ze had niet anders verwacht dan dat het ook met Yaja vanzelf zou gaan. Misschien was het de leeftijd waardoor dat was mislukt. Of wellicht lag het aan de hondenriem met puntig ijzerbeslag die het meisje om de hals droeg en aan haar T–shirts met doodshoofden en Dracula’s erop. Gothic heette dat, wist ze sinds kort. Er hoorde een witgekrijt gezicht bij, met kohl omrande ogen, sluik, zwartgeverfd haar dat in het midden was gescheiden, en een koele arrogantie jegens de rest van de wereld.

Op de toon die ze ook tegen haar paard had gebruikt, fluisterde Yaja tegen de baby: “Ga je mee? Ga je met me mee?”

“Dat kan niet, want ze is van ons, hoor,” zei kleine Klaar. Haar tweelingzusje lag met het hoofd op tafel een liedje te neuriën, de wangen rood van de slaap.

Met bedtijden werd het in dit huishouden niet nauw genomen. Het had Beatrijs vroeger nooit gestoord. Maar toen had ze ook nog niet geweten hoe onontbeerlijk structuur is voor innerlijke harmonie. Opnieuw keek ze tersluiks naar Leander. Hij at met aandacht van zijn pasta.

“Ik houd haar,” zei Yaja uitgestreken. “Yo, reken maar, ik neem haar lekker mee naar huis.”

“Mam! Mama! Die goochem zegt…”

Gwen suste: “Ze plaagt je alleen maar, joh.”

“Ik ben bloody serious,” zei Yaja gebelgd. “Jullie hebben elkaar, maar ik heb niemand. Ik ben thuis alleen met mijn moeder.”

“Wat een heerlijk rustig leven moet dat zijn,” zei Timo. Hij schoot in de lach.

Koud nam Yaja hem op.

“Nou ja, ik bedoel alleen maar: aan veel situaties zit ook altijd nog een goede kant.”

“Zeg, we gaan toch niet opeens positief denken, hè?” vroeg Laurens. Hij klonk oprecht ontzet.

Er verscheen een klein, gretig lachje om Yaja’s bloedrode mond. Ze nam Laurens op alsof ze in hem, een volwassene nog wel, een bondgenoot zag. “Ja, want als we zo gaan beginnen! Dan zullen jullie ook wel vinden dat ik bof dat ik tegenwoordig twee moeders heb. Bedankt, pa, maar niet heus.” Toen wijdde ze haar beste krachten weer aan de baby.

Beatrijs beet op haar lippen. Hier zat niemand op te wachten, en het bracht Leander ook in zo’n vervelende positie. Haar vrienden zouden nu vast verwachten dat hij zijn dochter tot de orde zou roepen.

Gwen zei: “Tja, we krijgen het helaas niet altijd precies zoals we het willen hebben.” Ze gaf Beatrijs een bemoedigend knipoogje.

Dankbaar sprong ze op en begon borden in elkaar te stapelen. “Zal ik het toetje halen, Gwen?”

“Laat mij dat maar doen, godin.” Bedaard kwam Leander overeind, nam de borden van haar over en liep naar de keuken. Zagen de anderen het ook? Hij was domweg niet vatbaar voor manipulaties. Hij liet zich niet door Yaja op stang jagen.

Na enige tijd merkte Laurens op: “Wat je noemt een aanwinst.”

“Waar slaat dat nou weer op?” Haar stem sloeg over.

“Ja, Laurens,” zei Gwen. “Hij is heel wat behulpzamer dan jij.”

“Waarom doe je de hele tijd zo naar tegen hem? Leg dat eens uit!” zei Beatrijs.

“Laurens, jongen, neem nog wat wijn.” Timo reikte naar de fles.

“Of liever water.”

“Maak je geen zorgen, Gwennie,” zei Laurens. “Maak je absoluut geen zorgen over mij. Ik heb het helemaal onder controle.” Op zijn schoot was kleine Toby in slaap gevallen.

Boos wendde Beatrijs haar blik van hem af. Haar stemming werd er niet beter op toen ze zag dat Yaja nog steeds als een paardenfluisteraar in het roze oorschelpje van de baby zat te mompelen. De beide Engelen hadden zich aan de tafelrand opgehesen om het beter te kunnen volgen. “Wat zeg je? Wat zeg je?”

Yaja snoof even. Ze had fijne, geciseleerde neusvleugeltjes. Ze zou er best leuk en fris kunnen uitzien, als ze daarvoor haar best deed. “Ik zeg: Het kan jou ook gebeuren. Van de ene dag op de andere ben je ineens iemands freaking stiefkind.”

“Ben jij een stiefkind, dan?”

“Ja. Van haar.” Yaja bewoog haar hoofd een fractie opzij.

Zo grappig mogelijk zei Beatrijs: “Lease-kind lijkt me een betere term.” Eén keer per maand een weekend en twee keer per jaar een week vakantie, dat was al gedurende bijna Yaja’s gehele leven de afspraak. Stomme pech dat een van die vakantieweken nu net moest samenvallen met de jaarlijkse reünie. Maar iedereen zou het er toch over eens zijn dat ze Leander moeilijk samen met die kleine spinnenkop thuis had kunnen laten. Hij haatte het sowieso als zij zonder hem iets ondernam, hij verdroeg het gewoonweg niet als ze zich buiten zijn blikveld begaf. En ze had hem al helemaal niet kunnen achterlaten met dat kind dat hij amper kende, dat kind dat er voortdurend op uit leek te zijn hem te vernederen en te straffen voor het feit dat hij haar had verwekt.

Haar minnaar kwam het terras alweer op, met een schaal vla en een mand kersen. Hij zette alles op tafel. Ze glimlachte naar hem.

“Dank je wel, eh,” zei Gwen. Er verscheen een geconcentreerde trek op haar gezicht, alsof ze zich iets probeerde te herinneren. Toen begon ze vla en kersen uit te delen.

“Mam, wat is een lease-kind?”

“Ach liefje,” antwoordde Gwen, een duim vol vla aflikkend, “waarom moet ik altijd alles weten?”

“Ik moet zo nog even naar de bijen. Hoe lang zijn we nog bezig, Gwen?”

“Dat zeg ik net, Timo, waarom moet ik altijd alles weten?”

“Waarom is oom Frank er eigenlijk niet?” vroeg een van de Engelen, Marleen, aan haar kin te zien.

“Omdat hij niet meer met mij getrouwd is,” zei Beatrijs geduldig. Gisteren was dit ook al doorgenomen, maar goed, opvoeden was herhalen, of andersom. Ze dacht: Evenzogoed was de seks tot op het allerlaatst geweldig. Hemel, hoe kwam ze aan die gedachte?

“Bobbie is er ook niet,” ontdekte Marise. Ze maakte een toeter van haar handen. “Bobbie!” brulde ze in de richting van het zomerhuis.

“Tief een eind op met die herrie,” riep Marleen terwijl ze haar zusje een duw gaf, zodat Marise van haar stoel tuimelde. In haar val sloeg ze Leander de lepel uit de hand. De vla droop langs zijn shirt. Even zat hij roerloos. Op zijn verweerde gezicht met de hoge jukbeenderen viel geen enkele emotie af te lezen. Toen pakte hij zonder een woord zijn servet.

“Meiden!” waarschuwde Timo. Het leek alsof hij moeite had zijn lachen in te houden.

Van het kabaal was Laurens’ zoontje wakker geschoten. Lodderig keek hij om zich heen, totdat zijn blik op Klaar en Karianne viel, die elkaar met kersenpitten zaten te bekogelen. Meteen klaarwakker deed hij een graai in de schaal met kersen. Maar Beatrijs was hem te snel af. Ze griste de kersen uit zijn hand, het waren dubbele paren, en hing ze vliegensvlug aan haar oren. “Kijk dan! Oorbellen!” Als Leander nu maar niet had gemerkt dat ook zij had gezien wat er was gebeurd.

“Bó-ób!” loeide Marleen voort. “Waar blijft ze nou, die eikelien?”

Timo suggereerde vredig: “Jullie kunnen er ook gewoon heen lopen, hoor.”

“Mam, waarom is Bobbie er niet?”

Luidop zei Yaja: “Vast omdat mijn vader vanmiddag zo tegen haar zat te bullshitten.” Vanuit haar kohlgaten keek ze van de een naar de ander.

Beatrijs had het zonderlinge gevoel dat ze opeens helemaal poreus was en er niet in zou slagen zichzelf nog langer bij elkaar te houden. Alleen met beide vuisten op de tafel beuken zou haar misschien nog kunnen redden, heel hard en heel lang beuken.

Gwen zei: “Bobbie wilde gewoon een keer in alle rust eten, in plaats van altijd maar tussen wilde beesten aan tafel te moeten zitten. Vooruit, uit mijn ogen, jullie. Het is voor vandaag wel weer welletjes geweest.”

De kinderen stuiterden van hun stoelen. Joelend, kibbelend en snaterend renden ze de tuin in en waren binnen een oogwenk uit het zicht verdwenen.

Pas nu durfde Beatrijs weer naar Leander te kijken. Hij liet zijn lange, gevoelige vingers over voorwerpen gaan. Hij betastte de rand van een bord, de zoom van een servet, de kromming van een vork. De hemel mocht weten wat hij in al die dingen las en welke verschrikkelijke informatie over haar vrienden hij eruit verzamelde.

“Was dat nou verstandig, Gwen, om ze van tafel te sturen?” vroeg Laurens beduusd. “Nu kunnen we weer van voren af aan beginnen om ze allemaal bij elkaar en schoon te krijgen.”

“Ik probeer het alleen maar een beetje gezellig te houden, hoor!” Gwen stond op. Ze zag er ineens geërgerd uit. Ze pakte de baby van Yaja’s schoot, mompelde iets over een voeding en liep naar binnen.

“Sorry jongens, maar als ik nu niet aan mijn bijen begin…” En weg was ook Timo.

Beatrijs schoof heen en weer op haar stoel. Daar zaten ze dan, met Laurens. Hoe ze haar hersens ook pijnigde, ze kon geen enkel gespreksonderwerp verzinnen.

Yaja wel. “Laurens,” zei ze lijzig, haast flirterig, voor zover iemand die eruitzag alsof ze het liefst vers gedolven graven bezocht tenminste kon flirten, “jij bent het toch met me eens dat mijn vader vanmiddag zwaar fout zat, die loser?”

Laurens begon met zorg zijn servet op te rollen.

Beatrijs was hem zo erkentelijk dat hij niet op Yaja inging, dat haar op slag allerlei Laurens-kwaliteiten te binnen schoten: zijn hartelijkheid, zijn oprechte interesse, de manier waarop hij altijd voor je klaarstond, de complimenten waarin hij zo goed was en die hij zo gul uitdeelde, zijn nooit verflauwde verliefdheid op Veronica, zijn blijdschap en trots bij haar triomfen, zijn medeleven met haar pech.

“Weet je,” begon ze, haar hand naar hem uitstrekkend.

Leander was haar voor. “Laten we het uitpraten, Laurens,” zei hij, zijn stem warm en diep. “Volgens mij was er sprake van een misverstand.”

Yaja lachte kort. “Als-ie zo ranzig doét, moet je hem gewoon dissen.”

Wat ben je toch een loeder, dacht Beatrijs. Het luchtte haar even hartgrondig op. Het wicht dacht misschien dat ze haar vader voor schut zette, maar ze maakte alleen zichzelf belachelijk.

“Laurens?” Leander legde zijn handen open voor zich op het tafelblad. “Zullen we…”

“Ik zal de kids eens bij elkaar gaan drijven,” zei Laurens, met vage blik langs hem heen kijkend. “Ze hadden allang in bed moeten liggen.” Hij stond op en liep de tuin in.

Met een leeg gevoel besefte Beatrijs dat ze de kersen nog steeds aan haar oren had hangen. Ze haalde ze eraf. Het bleef enige tijd stil, nu zij alleen met Leander en Yaja was overgebleven. Een verdwaalde bij klauterde sloom over de laatste kersen op de bodem van de schaal. Af en toe probeerde hij op te vliegen en dan hoorde je het machteloze geronk van zijn kleverige vleugels. Zo klein en onbeduidend te zijn, zo helemaal niet in staat je eigen lot te beïnvloeden. Ze wilde haar hoofd op tafel leggen en om de hele schepping huilen.

Tegenover haar zat Yaja haar haarpunten te bestuderen. Ze bekeek een lok hier, ze bekeek een lok daar, en gaf er dan nuffige rukjes aan. “Wat je noemt een vet chille boel, mensen,” zei ze na een tijdje.

“Ik wilde met hem praten.” Leander klonk perplex.

“Maar hij niet met jou. Waarom flip jij toch altijd meteen als je je zin niet krijgt? Die Laurens zit echt niet op jouw gezwets te wachten, hoor.”

“Je kunt Gwen vast wel helpen met de afwas,” zei Beatrijs afgemeten. Zweet had zich op haar bovenlip opgehoopt.

“Forget it.”

Leander rechtte zijn schouders. “Wat wil je dan doen, Yaja?”

“Iets met de baby. Die lacht tenminste als ze me ziet.”

“Maar die is nu naar bed. Weet je wat, pak een boek. Of je gaat televisie kijken. Of je vraagt of je op de computer mag.”

“Je wilt me alleen maar lozen. Omdat je liever met haar alleen bent.”

“Of we kijken of er ergens een badmintonset ligt. Lijkt dat je wat?”

“Badminton? Ga een cactus beffen, man. Zie ik er soms uit als een kleuter of een bejaarde?” Yaja duwde haar stoel naar achteren en slofte er beledigd vandoor.

Beatrijs voelde iedere spier in haar lichaam zeven zuchten van opluchting slaken. De ervaring leerde dat je je nooit met de opvoeding van andermans kinderen moest bemoeien. Je kon alleen maar denken: Geef die etter toch een schop in plaats van je zo voor haar uit te sloven.

Ze schoof wat dichter naar Leander toe. Eindelijk samen. Zonder anderen erbij was hij altijd meteen een stuk ontspannener. Hij was niet degene die haar dat strakke, verscheurde gevoel bezorgde, het waren de mensen om hen heen, zoals Laurens, zoals Yaja…zoals wie niet, in feite? Toen ze samen voor de vakantie nog even wat nieuwe zomerkleren waren gaan kopen, had Leander het geweldig aan de stok gekregen met een verkoopster die haar al jaren hielp, hij zag immers wat haar stond, maar je kon moeilijk tegen mensen zeggen: “Sorry mevrouw, ik heb me weliswaar al die tijd op u verlaten, maar nu heb ik mijn man en mijn man hier is een ziener, dank u wel.”

Ze pakte zijn hand en kneep in zijn vingers. “Zullen we zo nog even een wandelingetje maken?”

“Vind jij soms ook dat ik vanmiddag onheus was tegen Bobbie?”

Ze aarzelde. Bobbie. Bobbiemans zeiden ze vroeger allemaal, of Bobbie de Beer. Ze kende haar al vanaf het moment dat Gwen op school verkering met Timo had gekregen. Bobbie was er altijd bij geweest, op feestjes, uitjes, verjaardagen. Leren breien, haken en naaien, dat was Bobs ambitie geweest. Als je kon handwerken, dan mocht je naar de sociale werkplaats. Maar het katoenen garen was in haar zweterige handen zo hard als steen geworden, en haar korte vingers waren te plomp gebleken voor het gepriegel met naalden. Ze had bitter gehuild toen ze haar droom moest opgeven. Als troost hadden Veronica en zij haar meegenomen om een jurk voor Gwens trouwerij uit te zoeken. Bobbie was weg geweest van een blauw zijden geval, waarin ze eruitzag als een lampenkap, zielsgelukkig. Bij de bloemist hadden ze met z’n drieën de rozenblaadjes ingeslagen die Bobbie later, op het bordes van het stadhuis, geconcentreerd over zichzelf zou uitstrooien in plaats van over haar broer en schoonzusje.

Maar reken maar dat Bobbie op haar eigen manier helemaal bij de les was. Zo helder als zij altijd kenbaar kon maken wat haar bewoog (“Weet je wat ik wel eens zou willen, Beatrijs? Ook eens ergens heel veel van weten.”). Met het gevoel dat ze haar verloochende zei ze: “Ik geloof niet dat ze helemaal begreep wat je bedoelde.” Ze strekte haar hand uit om Leander door zijn haar te strijken.

Haar minnaar bewoog zijn hoofd nukkig naar achteren, buiten haar bereik. “Ik was anders duidelijk genoeg. Bobbie is een zeldzaam mens met een bijzondere opdracht, dat is het enige dat ik vanmiddag tegen haar heb gezegd.”

Niels rende door de bosjes, Toby met zich mee trekkend. Het onafgemaakte spel lokte, en met een beetje geluk zouden de volwassenen nog uren natafelen. Onder de bomen was het al helemaal stikkedonker. Het was net alsof het spel daardoor ook duisterder werd, spannender, vreemder en enger.

Zo vlug als hij kon begon Niels het dode hout bijeen te slepen dat her en der onder de struiken lag. Puffend van inspanning hielp Toby mee. Ze stapelden de takken op rond de ijzeren ketel. Toen stapten ze achteruit om het resultaat in ogenschouw te nemen. Het was precies goed, zo.

Nu was het alleen nog maar een kwestie van tijd. En van toeval, natuurlijk. Misschien zou het Marleen worden, die immers altijd haantje de voorste was. Of anders Marise, of een van die kleine sproetenkoppen. Het lot zou bepalen wie zich hier het eerst in de buurt waagde. Het lot was er niet op uit eerlijk of rechtvaardig of zelfs maar logisch te zijn. Onverschillig en zonder aanzien des persoons sloeg het toe. Het ene moment was er nog geen vuiltje aan de lucht en het volgende moment was je in onuitsprekelijke rampspoed ondergedompeld. Dat was het enige waarvan je op aankon: dat het lot verzot was op het totaal onverwachte.