Drie is een heilig getal

Met de vuisten tegen de ogen gedrukt zat Laurens in de zelden gebruikte woonkamer op een voorwereldlijke bank die van Timo’s ouders afkomstig was, in de beklemmende wetenschap dat hij de laatste moest zijn geweest die Babette had gezien, vrolijk pruttelend op de plaid, onder haar peterseliegroene zonnehoedje.

Hij had Gwen nog iets tegen haar horen zeggen voordat zij naar het water was gelopen. Mama is zo terug, iets in die trant. Kort daarna moest het dus zijn gebeurd, in elk geval voordat Timo met de Engelen naar de picknickplek was teruggekomen en er automatisch van uit was gegaan dat Gwen Babette op haar wandeling had meegenomen. Hij dacht, verpletterd: Hoe is het mogelijk dat ik niet heb gezien dat die kleine kruimel er niet meer was, waarom heb ik haar niet gemist?

Af en toe las je in de krant dat er op klaarlichte dag, uit een wandelwagen die een halve minuut onbeheerd bij een winkel had gestaan, een baby was gestolen, of soms zelfs uit een couveuse in een ziekenhuis. Zo moeilijk zou het dus niet zijn op een druk veld vol recreanten die in sport en spel waren verdiept, met een handig fietspad ernaast.

De daders waren meestal verwarde stakkers.

Wat deden die zielenpoten met een baby die niet van hen was? Ermee rondtutten als met een levende pop? Haartjes kammen, aan- en uitkleden, flesjes geven, en dan de moed verliezen als het kind maar bleef huilen en gieren, blèren en krijsen? En dan? Terugbrengen naar de vindplaats, zogezegd? Was iemand die zo gestoord was om andermans kind te roven, daartoe in staat?

Maar er waren nog meer scenario’s. Er liepen niet alleen desperate onnozelaars rond, er bestonden ook kinderpornonetwerken, even doortrapt als efficiënt opererend vanuit de kelders van keurige villa’s of vanuit onopvallende nieuwbouwwoningen, recht onder je neus maar onzichtbaar. En dan was er ook nog de orgaanhandel, niet in dit land misschien, maar een baby had je zo de grens over, compleet met haar nog kloppende hartje, haar kostbare, gezonde lever, haar gave huid en hoornvliesjes. Plus dat ze in Afrika golden als hét geneesmiddel tegen aids. Wie daar seks had met een baby, dat had hij eens uit een televisieprogramma opgestoken, achtte zich op slag weer schoon en onbesmet. Als je er met z’n zessen of zevenen eentje bemachtigde, was het…

Halt.

Interpol en de Schengenlanden waren al op de hoogte gebracht. Een kussensloopje en een slab van Babette waren meteen door de politie opgehaald, voor het laten maken van haar DNA-paspoort. Dat was standaard de eerste stap bij de verdwijning van een baby, zo was hun verzekerd door de rechercheurs, twee kundige, bekwame mannen die precies leken te weten wat ze deden. En die dus ook wisten dat zulke maatregelen geen overbodige luxe waren. Die het kwaad van de wereld kenden als hun broekzak.

Het wachten was nu op de hondenbrigade en op de duikers, want ook verdrinking in het kolkje was niet uitgesloten. Hij keek op zijn horloge. Het liep tegen half-acht. Elders in huis hoorde hij Gwens stem verwijtend uitschieten tegen Timo. Het greep hem vreselijk aan.

Waarschijnlijk waren de Engelen nu bezig met speren en bijlen de hele buurt af te stropen, met Klaar en Karianne in hun kielzog. De meisjes naar huis halen, hen kalmeren en naar bed brengen, dat was wel het minste dat hij kon doen. Kon hij zijn eigen zoons meteen ook instoppen. Terwijl hij overeind kwam, zag hij op de schoorsteenmantel een rij kiekjes staan.

Hier had je Babette, hooguit één uur oud, haar gezichtje nog vormeloos na de reis door het geboortekanaal. Ze had een punthoofd en veel te veel vel, als een gerimpelde peer. Later trok dat vanzelf bij, maar wat zat je als ouder niet stiekem te duwen en te kneden aan zo’n koppie. En daar had je Babettes eerste lachje, ook voor haarzelf een geweldige ervaring, zo te zien. En daar een klaarwakkere close-up onder de rand van een gebreid mutsje.

Ze deed hem aan Veronica denken. Het was hem nog niet eerder opgevallen, maar ze keek op dezelfde manier uit haar ogen als Veronica: vol heimelijke pret gluurde ze de wereld in.

Hij liet zich terugvallen op de bank. Nu zag hij zijn dode vrouw al terug in een pasgeboren baby. Veel verder moest het niet gaan. Was de waarheid niet dat hij de hele middag bij het kolkje nergens op had gelet omdat hij met zijn gedachten uitsluitend bij haar was geweest?

Plotseling ging de deur ging open. Beatrijs kwam de kamer binnen. Ze merkte zijn aanwezigheid niet op. Doelbewust liep ze naar de schouw en pakte de foto’s van Babette. Zonder op of om te kijken verliet ze de kamer weer.

Laurens knipperde met zijn ogen. Hij voelde zich onzichtbaar, een merkwaardige, onplezierige sensatie. Of misschien voelde hij zich alleen maar hulpeloos. Hij stond op en ging Beatrijs achterna.

Het was in huis stil geworden. Nergens klonken meer beschuldigende of radeloze stemmen. De telefoon rinkelde één keer en werd toen meteen opgenomen.

In de keuken trof Laurens alleen Timo, die net de hoorn weer ophing. “Het was niks. Een vriendinnetje van Marleen.” Zijn stem klonk schor. Zijn oogleden waren gezwollen. Hij had niets meer weg van een zorgeloze kleine jongen. “Ik vraag me nog steeds af waarom ze geen helikopters inzetten.”

Ellendig zei Laurens: “Omdat het al uren geleden gebeurd moet zijn. Die ene man zei immers dat ze dat alleen doen als…”

“Laurens, alsjeblieft, denk nou nog eens goed na!”

Hij verplaatste zijn gewicht van het ene been naar het andere. “Het wemelde er van de mensen, overal speelden kinderen, jij hebt het in het water misschien niet zo gemerkt, maar het was stervensdruk, en overal een klereherrie, een hoop geroep en gelach en muziek en brommers, horen en zien verging je, echt.”

“Sorry,” zei Timo na een moment. Zijn mond vertrok van de inspanning die het hem kostte zich te beheersen. “Niemand had jou als babysitter aangewezen, dus hou me ten goede en begrijp me niet verkeerd, maar, nogmaals, het zou toch kunnen dat je iets ongewoons hebt gezien, iets opvallends, iemand die al een tijdje in de buurt rondhing of zo.” Hij bracht een hand naar zijn ogen.

Timo, joh, je zult zien, zo meteen, zo gaat dat, laten we niet meteen het ergste denken, laten we…Tevergeefs zocht hij naar woorden. Zomer na zomer waren het de vrouwen geweest die ‘s-avonds laat intieme onderwerpen hadden aangesneden, terwijl Timo, Frank en hij nog wat borrelnootjes uit de keuken haalden, zalm op toastjes legden, de glazen in de gaten hielden of gewoon alleen maar lekker achteroverleunden. Er was in dit huis vrijwel geen onderwerp onbesproken gebleven, maar zij, de mannen, hadden er hoofdzakelijk welwillend naar geluisterd, enigszins beducht voor de vraag die altijd op de loer lag: “En jij? Hoe denk jij daar nou over? Hè, zeg nou ook eens wat!” Wat wist hij, na al die jaren, eigenlijk van Timo? Hoe goed kenden ze elkaar? Misschien wilde hij op dit moment wel het liefst alleen gelaten worden.

Laurens durfde niet naar hem toe te lopen en een arm om zijn schouders te slaan. Na wat een eeuwigheid leek, vroeg hij bedeesd: “Heb je al iets gegeten?”

Toen Timo niet reageerde, ging hij, eveneens zwijgend, naar de koelkast en haalde er kaas en boter uit. Hij maakte een dubbele boterham klaar, zo een als zijn jongens het liefst aten. Hij sneed hem doormidden, en vervolgens, na een lichte aarzeling, nog een keer. Naast het bordje zette hij een glas melk op de tafel.

Opnieuw viel de doodse stilte in huis hem op. Maar ook vanuit de tuin kwam geen geluid. Niet alleen de lachende Babette leek van de aardbodem gevaagd, maar met haar alle anderen. Hij ging naar buiten om poolshoogte te nemen.

Aan de tafel op het terras zat Leander, de kiekjes van Babette voor zich. Beatrijs en Gwen stonden hand in hand naast hem, de ogen wijd opengesperd. Ook Bobbie was er, maar zij nam een veilige afstand in acht en schuifelde onzeker met haar voeten. Laurens stond stil en keek sprakeloos toe.

Leander liet zijn vingertoppen over de foto’s glijden. Hij zag wasbleek. Langs zijn ene slaap parelde een dikke zweetdruppel. Van de inspanning leek hij gestopt te zijn met ademhalen. Hij hield zijn blik onbeweeglijk op een ver verwijderd punt gevestigd.

Het was zo stil dat nu zelfs op het terras het zoemen van Timo’s bijen te horen was, tartend bijna, alsof ze te kennen wilden geven dat zij er altijd zouden zijn en onverstoorbaar zouden doorgaan met honing maken en was produceren, wat er ook gebeurde.

Opeens zei Leander, met lichtelijk krakende stem: “Ik zie water.”

“Water?” Gwen klonk gesmoord. “Bedoel je het kolkje?”

Leander schudde zijn hoofd. Hij tastte de foto van de pasgeboren Babette af.

Beatrijs fluisterde: “Wat voor water dan?”

“Ze kunnen anders goed zwemmen, hoor,” zei Bobbie luid. Ze sloeg de armen over elkaar en keek fronsend van de een naar de ander. “Van een beetje water gaan ze echt niet…”

“Sst, Bob,” zei Beatrijs.

Maar Leanders trance, of hoe het mocht heten, was al verbroken. Enigszins glazig nam hij Bobbie op. “Zwemmen?”

Bobbies armen vielen slap langs haar lichaam. Schichtig keek ze naar de grond.

Laurens stapte naar voren, vechtend tegen de aandrang de tafel met foto’s en al omver te kieperen. De oplichter. De charlatan. “Zeker kunnen ze zwemmen,” snauwde hij.

“Praat geen onzin,” zei Beatrijs angstig. “We doen hier een serieuze poging om te helpen.”

“Gwennie,” zei Laurens, haar negerend, “laatje hier alsjeblieft niet mee in. Van dit soort dingen komt alleen maar narigheid en paranoia en…”

Gwen keek naar hem alsof ze een wildvreemde zag. Haar brede, gulle mond beefde. Er zat een veeg grasgroen vuil op haar wang. Verwezen zei ze: “Waar is Timo? Hij moet dit ook horen.” Meteen glipte ze langs hem naar binnen.

In het voorbijgaan rook hij haar zoutige lichaamsgeur. Alle strijdlust verliet hem. Ook hij wilde haar alleen maar helpen. Hoe kon hij het ooit goedmaken dat hij Babettes afwezigheid niet had opgemerkt? Hoeveel kostbare tijd was er door zijn toedoen niet verloren gegaan?

Leander streek het zweet van zijn slapen. “Hoe zit dat dan, Laurens, met dat zwemmen?”

Hij haalde diep adem. “Als ze pas geboren zijn, dat is van zuigelingen toch bekend, vraag me niet hoe, maar je leest het vaak genoeg, vandaar ook die onderwaterbevallingen, hoe zou dat anders kunnen…” De zelfgenoegzame trek die geleidelijk rond Leanders mond ontstond, ontging hem niet. De kwal had hem zover. Hij had hem zover dat hij een heel verhaal tegen hem stond af te steken.

“Mm,” zei Leander nadenkend. “Je betrapt me op kennis die ik helaas ontbeer. Wat denk je, zou het ook kunnen dat ik water heb gezien omdat ik déze foto heb gebruikt, van vlak na haar geboorte? Hoe dan ook, dit is een constructieve bijdrage van je, Laurens. Want aan het begin van een sessie is het soms moeilijk te onderscheiden of je het heden of het verleden van je subject ziet. Ik denk dat je gelijk hebt, ik kan het beter met een recentere foto proberen. Dank je.” Hij pakte de foto met het gebreide mutsje van tafel en wendde zich tot Bobbie: “Is dit de laatste, voor zover je weet?”

Bobbie kreeg een kop als een boei. Verschillende emoties trokken op haar gezicht voorbij. “Voor zover ik weet,” zei ze ten slotte op boze toon, “zijn alle baby’s eerst vissen, voordat ze mensen worden.” Ze maakte een schamper geluid over zoveel domheid, draaide zich op haar hielen om en verdween op een holletje. Waarschijnlijk was ze zich doodgeschrokken van haar eigen vermetelheid.

Laurens kreeg het niet voor elkaar haar iets sussends na te roepen, paf als hij stond van de geoliede manier waarop Leander hem medeplichtig had gemaakt aan deze…deze seance, nota bene.

“Ach Bobbie, toe nou,” riep Beatrijs vruchteloos uit. “Dit vind ik nou zo sneu!” zei ze tegen Laurens.

“Laat haar maar. Ze wordt gewoon een beetje schichtig van dit soort dingen.”

“Wie niet?” Leander legde zijn handen gespreid op tafel. “God weet wat ik Timo en Gwen straks moet vertellen.” Hij boog zijn hoofd en verzonk in gedachten.

Beatrijs liet zich naast zijn stoel op haar hurken zakken. Tranen begonnen over haar wangen te stromen.

Onwillekeurig vroeg Laurens: “Hoezo? Waarom ga je meteen uit van het ergste scenario? Je hebt toch nog helemaal geen bewijs?” Zijn eigen woorden brachten hem van zijn stuk. Maar misschien was het waar. Misschien lag Babettes lot in de handen van deze man. Misschien zelfs kon hij Laurens’ onachtzaamheid op de speelweide als het ware uitwissen, door Babette ergens te lokaliseren, volkomen ongedeerd, klaar om in een van haar stralende lachjes uit te breken, haar grote kijkers vol heimelijke pret omdat niemand ooit te weten zou komen wat een enorm avontuur ze had beleefd. Een klein meisje met nu al een eigen geheim, een geheim dat ook voor haarzelf langzaam zou vervagen, want deden niet alle geheimen dat, op den duur, als je ze met niemand deelde?

Beatrijs veegde over haar wangen. “Wat bedoel je met een bewijs? Wat moet er nou weer door Leander bewezen worden?” Er verschenen rode vlekken in haar hals.

Lang geleden had hij haar daar ooit eens gekust, in die mollige hals van haar, hier, op een zomeravond, in de bongerd die er toen nog was, niet eens zozeer uit lust, meer uit hoffelijkheid, omdat het hem had geleken dat je als vrouw een hoop te kort kwam bij zo’n altijd wat dorre boekhouder als Frank. Nou goed, al doende waren ze best op dreef gekomen. Ze hadden zelfs een beetje aan elkaars kleren staan sjorren. Ze had heel lekker geroken, bloemig, gezond, fris.

Op radeloze toon vervolgde ze: “Jij hebt de spirituele diepgang van een…ontbijtbord, wist je dat? Eeuwenoude wijsheid, kennis en kunde zijn hier aan het werk, en jij spuugt er gewoon op, ontken het maar niet, jij spuugt erop, en ik zal je vertellen waarom!”

Hij dacht: Ze vecht alleen maar voor haar geluk. Zoals ieder ander. Hij voelde zich opeens zonderling ontroerd, en met haar verbonden.

“Uit angst, Laurens!”

“Weet je, Laurens, ik zou jou ook kunnen helpen,” zei Leander zachtjes, bijna alsof het er niet toe deed.

Hij schraapte zijn keel. “Is het heus?”

“Je lijdt.”

Om zich een houding te geven haalde hij een hand door zijn haar.

“Maar je lijdt nodeloos.”

“Al is dat voor ons natuurlijk gemakkelijk praten,” zei Beatrijs vlug. “Dat beseffen wij heus wel, Laurens.” Ze wierp hem een waterig, aanmoedigend glimlachje toe, en keek toen weer naar Leander, die met een bronzen klank in zijn stem vervolgde: “Geen leven eindigt ooit zonder zin. Iedereen die we verliezen, verliezen we alleen maar omdat ze elders nodig zijn. Je moet het zo zien: die persoon was op aarde klaar en is naar boven geroepen om zich voor te bereiden op een nieuw project, een nieuwe opdracht. Kun je dat volgen? Geen mens gaat ooit vóór zijn of haar tijd.”

Een huivering trok langs zijn ruggengraat omhoog. Het was alsof hij Veronica’s plagende nagels langs iedere afzonderlijke wervel voelde krassen. Dat wereldwijf van hem, die vrouw van wie er geen tweede bestond, de enige naast wie hij zijn leven lang wakker had willen worden, zo hadden ze het elkaar ook beloofd. Verdomme, Veer, dat was onze afspraak!

Zenuwachtig zei Beatrijs: “Snap je? Zelfs Babette kan haar taak hier al hebben volbracht. En dan zal ze, met een nieuwe opdracht en in een nieuwe gedaante, onder ons terugkeren. Dat is de troost die we in het ergste geval altijd nog hebben. Zoals Leander altijd zegt: geen enkele ziel gaat ooit verloren.”

“Een geweldige troost,” zei Laurens tussen opeengeklemde tanden. “Gwen en Timo zullen hun geluk niet op kunnen.” Zonder na te denken liep hij het terras af. Met grote stappen beende hij over het grindpad langs het huis. In een paar tellen had hij het terrein verlaten. Het kanaal strekte zich voor hem uit. Het was nog steeds niet donker, maar er zat regen in de lucht.

Er moest gehandeld worden, in plaats van gekletst en gefilosofeerd. Reïncarnatie was iets voor in je vrije tijd. Erg interessant, maar niet als de nood aan de man kwam. Hij wilde alles geloven, zelfs dat iedereen die een vorig leven claimde, toen vreemd genoeg nooit een alledaagse sul bleek te zijn geweest, maar altijd een nobele graalridder of een ten onrechte op de brandstapel gesmeten wijze kruidenvrouw. Oké, oké, dan was er in vorige levens maar geen normaal mens te bekennen geweest, maar die toon waarop het altijd ging, dat heilige weten, terwijl er geen zeker weten bestond, geen enkel weten, en dat was nu precies waarmee je je moest zien te verstaan. En alsof het trouwens iets uitmaakte of je vrouw of kind in een nieuwe gedaante zou terugkeren. Wie had daar in vredesnaam iets aan?

Pas toen hij het fietspad had bereikt, ging hij langzamer lopen. In de verte doemde de speelweide al op. Het hele veld was met rood-witte linten afgezet. Een paar opgeschoten jongens zaten op hun fietsen toe te kijken. Laurens bedacht dat hij zijn eigen kinderen en de tweelingen in bed had willen stoppen. Misschien zat Yaja ze op dit moment wel voor te lezen uit De terugkeer van de vampier.

Dichterbij komend werd hij gewaar dat Bobbie tussen de jongens stond. Ze was, over het lint heen, in een heftig gesprek met een van de politiemensen verwikkeld. Hij repte zich naderbij en legde een hand op haar schouder. Ze keek hem aan alsof ze hem al veel eerder ter plaatse had verwacht. “Leg jij het dan uit!” zei ze.

“Wat is het probleem?” vroeg hij aan de agent, een jonge vrouw met een rond, weerloos gezicht. Ze leek geen dag ouder dan zestien.

“Ook de familie mag er niet bij,” zei ze. “Dat is u verteld, neem ik aan.”

“Maar jullie kennen Babette niet eens,” riep Bobbie uit. “Straks weten jullie niet eens of zij het wel is.” Ze hield een molton dekentje over haar arm geslagen.

Enigszins schaapachtig zei hij tegen de agente: “Dat is ons inderdaad gezegd.” Ze wilden niet dat je in de weg liep en sporen uitwiste. Ze wilden niet dat je zag waarmee de duikers boven water kwamen. Ze wilden gewoon hun werk doen.

“Maar vanaf hier zien we niets,” hield Bobbie vol. “Kijk dan, iedereen is bij de kolk. Al die mannen met die…”

“Zo meteen komen er honden,” zei hij, om haar af te leiden. “Dat is toch zo?” vroeg hij het geüniformeerde meisje. Waarom waren die honden er eigenlijk nog niet? Werden sporen niet snel koud, zo heette dat toch? Waar waren die twee verstandige rechercheurs gebleven? Wie had hier de leiding? Had er wel iemand de leiding? Bestond dit hele team soms louter uit piepjonge snotneuzen?

“Meneer, we doen wat we kunnen. Echt, u kunt beter naar huis gaan.”

Bobbie zei smalend tegen hem: “Moet je nagaan, ze kent mij niet eens. Ze is niet van hier. Hoe moet ze Babette dan ooit herkennen?”

“We hebben een signalement, mevrouw,” zei het meisje ernstig.

Het nam Laurens enigszins voor haar in. Ze had ook kunnen zeggen: “Er liggen hier heus geen twintig baby’s, niet iedereen is zo stom als jullie.” Hij pakte Bobbie bij de arm. “Laten we maar gaan, Bob.”

Halsstarrig bleef ze staan, met haar dekentje.

“We bellen direct als er nieuws is, dat beloof ik, meneef,” zei het meisje. Misschien dacht ze wel dat hij de vader was.

“Ik blijf hier,” zei Bobbie. Met een plof liet ze zich neer in het gras.

“Als u maar achter het lint blijft.”

Ook Laurens ging nu maar zitten.

Bobbie trok haar knieën op en omvatte met beide handen haar tenen. “Als ik die bengel zie,” mompelde ze, “dan knijp ik haar vast helemaal fijn. Misschien kun jij haar straks beter naar huis dragen.”

Om haar niet overstuur te maken knikte hij.

Een tijdje zeiden ze niets. Het was niet te zien wat er zich bij het water afspeelde. Af en toe kraakte de walkie-talkie van de agente die onverstoorbaar op haar post bleef staan, maar er kwam blijkbaar nooit een bericht door. De toekijkende jongens waren allang afgedropen. Zo nu en dan passeerde er een fietser, of iemand die een hond uitliet. Geen van hen legde veel belangstelling aan de dag. Maar er was ook weinig drama zichtbaar. Er stond niet eens een auto met een zwaailicht. Blijkbaar was het de bedoeling zo min mogelijk opzien te baren. Anders kreeg je maar mensenmassa’s.

“Ze komt heus wel weer boven water,” zei Laurens.

“Ja, dat is wel het minste!” Bobbie was verontwaardigd. Vervolgens begon ze schamper te lachen. “Merkte je het ook, daarnet? Die griezel weet helemaal niets van baby’s. Niet eens dat ze eerst vissen zijn.”

“Alleen slimme mensen weten dat soort dingen.”

“Ik was misschien wel een goudvis. Jammer, hè, dat je daar later niets meer van weet. En gek dat je er soms toch zo naar terugverlangt.”

Hij keek haar aan. “Heb jij dat dan?”

“O ja.” Er kwam een dromerige trek op haar gezicht, alsof ze zichzelf in ongeboren staat voorstelde, tevreden ronddrijvend in lauwe oersoep.

Langzaam zei hij: “Bobbie, weet jij misschien ook wat mensen…daarna worden?”

“Waarna?”

“Na hun leven als mens, bedoel ik.”

Ze dacht even na. “Een lijk, toch?”

“Ja, maar daarna?”

“O, dan. Dan verteren ze, en dan komen ze in allerlei beesten en bomen terecht en dan zijn ze eigenlijk overal.”

“Eigenlijk overal.” Hij voelde zijn keel droog worden. “Ja, zoiets dacht ik al.”

“Dat heeft Timo me weleens uitgelegd. Zeg, denk je dat ik een stuk van dat lint mag hebben?”

Hij zag Veronica’s ogen voor zich, glinsterend van de binnenpret. Je wist nooit of ze je niet in de maling nam.

Bobbie trok aan zijn mouw. “Laurens! Heb je een zakmes bij je?”

“Ja.” Hij had haar zelf begraven, hij had althans haar kist gedragen en een handvol aarde in haar graf gestort. Kom Toby, doe ook maar wat aarde, hé rare aap, smeer het nou niet in je haar, hier met je handje, ik hou je vast, papa en jij nemen samen afscheid van mama. Afscheid. Dat had hij werkelijk gedacht.

“Dan bewaar ik het lint voor Babette, als aandenken.” Bobbie spreidde haar handen en hield ze een meter uit elkaar. “Zo’n stuk, kijk dan, dat lijkt me wel genoeg.”

Babette. Haastig kwam hij overeind.

Het lint was opgespannen tussen ijzeren pinnen die inderhaast in de grond waren geslagen. Niet ver van waar hij stond bungelde er een los uiteinde boven het gras. Vlak ernaast keek de jonge agente stuurs voor zich uit.

“Zou ik misschien…” Hij maakte een gebaar met het zakmes.

Er verscheen een hoge blos op haar wangen. “Nee, meneer, u mag er echt niet door.”

“Een stukje lint.” Het was te bezopen, hij leek wel een ramptoerist. Bijna voegde hij er als verklaring aan toe dat het een souveniertje voor Babette was, maar hij wist de woorden binnen te houden. Snel sneed hij een stuk van het loshangende lint af.

De agente zei niets. Ze keek alsof ze water zag branden.

“Merci,” mompelde Laurens. Hij klapte het mes zo snel in dat hij zich bijna sneed. Als een haas maakte hij zich uit de voeten.

Bobbie nam het lint onaangedaan in ontvangst. Ze rolde het op en stak het in de zak van haar vest.

Hij bleef staan. “Laten we nu maar gaan.”

“Ik ga echt niet naar huis zonder Babette, hoor.”

“Maar ze zoeken hier eigenlijk alleen maar naar sporen. Ze zoeken hier naar…naar waar ze moeten gaan zoeken.”

“Wat een klungels!”

“Straks wordt het donker. En dan zit jij hier.” God, wat gemeen. Maar het werkte: ze begon zenuwachtig aan de zoom van het dekentje te friemelen en stond bijna dadelijk met hangend hoofd op. Haar gezicht sprak boekdelen: zelfs voor Babette kon ze het vooruitzicht niet aan.

Hij trok haar arm door de zijne, zich blind houdend voor haar schaamte. “Wij gaan samen thuis bij de telefoon wachten. We blijven gewoon de hele nacht op, met alle lampen aan. Goed?”

Ze maakte een nors geluid. Schoorvoetend zette ze zich in beweging. Om de zoveel meter keek ze nog even terug over haar schouder. Waren we maar dapperder. Waren we maar perfect. O ja, hij wist precies hoe ze zich voelde: waren we maar geen armzalige stervelingen.

Op de weg langs het kanaal kwamen hen twee identieke, blauwe ‘auto’s tegemoet. Dat zouden vast de honden zijn, eindelijk. Precies op dat moment begon het zachtjes te motregenen.

Uitgeput zat Gwen naast Babettes lege wieg met de zachtgele biesjes. Ze hield een luierdoekje tegen haar pijnlijke borsten gedrukt. Ze liep al twee voedingen achter, ze lekte als de hel, maar dat was niets vergeleken bij de kolieken die haar kind van flessenvoeding zou krijgen. Als iemand haar nu tenminste voedde. Als…

Wat voor een moeder was ze, om haar kleine meisje onbeheerd op een drukke speelweide achter te laten?

Maar gelukkig had Babette ook nog haar papa. Timo zou alles oplossen, zo was Tiem wel. Hij had ook zo verstandig gepraat over infraroodcamera’s en helikopters. Ze miste hem vreselijk, maar ze had hem zelf naar de dienstdoende apotheek gestuurd om zo’n handig apparaatje te halen waarmee je moedermelk kon afkolven.

Zo eenzaam als je uiteindelijk was.

Haar hele lichaam hunkerde. Iedere vezel, iedere cel jengelde om Babette. Babette die zij Victoria had moeten noemen. Waar was haar meisje nu, en met wie?

Stil, bonkend hart, wees stil. We zitten, we wachten. We zitten en wachten.

Dat je zelf helemaal niets kon doen!

Onstuimig dacht ze, zonder zelf precies te weten wie ze aanriep: Ontferm je over ons, neem ons op in je erbarmen.

Wacht. Als het om een losprijs ging, zou Beatrijs zeker helpen. Die verdiende geld als water in die kunsthandel van haar, en verder kind noch kraai. Ja, op Bea kon ze rekenen. Alleen, zou er wel om geld worden gevraagd? Hoe waarschijnlijk was dat? Dat gebeurde toch alleen in steenrijke gezinnen?

Ze staarde naar haar nagels die nog steeds wat brokkelig waren na haar zwangerschap. Babette had alle kalk uit haar opgezogen, voor een gezond ruggengraatje, voor stevige botten. Flinke dochter van me.

Haar kind kon net zo goed dood zijn.

Nee, dacht ze, dat zou ik hebben gevoeld, dat zou ik hebben geweten. En had Leander het niet bevestigd? Hij had gezegd dat ze nog leefde, dat had hij zelf gezien, zo duidelijk als wat. Haar teentjes die nog vrolijk krulden. Haar vuistjes die zich openden en sloten. “Ze is nog onder ons,” had hij gezegd, dat had hij zonder de geringste aarzeling tegen Timo en haar gezegd. Zijn bedaarde stem klonk nog steeds na in haar hoofd. Ze is nog onder ons.

Ze hadden hem het elastiek met de plastic eendjes gegeven, en het pluchen konijn dat altijd bij Babette in de wieg lag. Die spulletjes zou hij meenemen in de nacht, zo noemde hij dat, dat was zijn werkwijze. Er een nachtje op slapen. Ze is nog onder ons.

Het geluid van roffelende voeten op de trap deed haar opschrikken. Daar zou Timo zijn, met de borstpomp. Haar hemdje was inmiddels vrijwel doorweekt.

Maar het was Yaja die met fonkelende ogen de babykamer binnenkwam. “Babette was op de televisie!” riep ze uit.

Gwen stoof overeind. “Hebben ze haar? Hebben ze haar gevonden?”

“Nee, natuurlijk niet, het was alleen een foto van haar. Die lieten ze zien in zo’n speciaal politiebericht. Moet je nagaan, net voordat Costa! begon!”

Gwen moest zich vasthouden aan de rand van de wieg, zo snel volgden wanhoop, immense opluchting en nieuwe radeloosheid elkaar op. Er kwam een waas voor haar ogen. Even dacht ze dat ze van haar stokje zou gaan.

Yaja’s bloedrood geverfde mond bewoog nog steeds. “…prime time, dus reken maar dat heel Nederland het heeft gezien. Ik ging helemaal stuk, echt stuk! Voor je het weet, staan er hier journalisten op de stoep.”

Ze drukte een hand tegen haar klamme voorhoofd. “Journalisten?”

“Jullie adres lekt natuurlijk zó uit.”

“Maar dat wil ik helemaal niet,” stamelde ze.

“De pers kun je maar beter te woord staan, hoor, die moet je niet tegen je krijgen.” Verdwenen was Yaja’s lijzigheid, haar landerigheid. Ze knetterde van top tot teen van de energie.

Gwen begon te beven. Ze moest haar handen in elkaar klemmen om te voorkomen dat ze het kind in haar gretige, witte gezicht zou slaan. Het was gewoon pure sensatie voor die puber. Eindelijk gebeurde er hier wat. Eindelijk eens een beetje actie. Wist je veel wat zo’n louter in zichzelf geïnteresseerde meid niet gaf voor een verzetje. Ze kon Babette wel eigenhandig hebben verdonkeremaand om een beetje reuring in de tent te krijgen! Had ze niet voortdurend van die misselijke toespelingen gemaakt dat ze de baby…Verdomd! Ze was als eerste van de speelweide weggegaan, ze had Babette meegenomen en haar op haar gemak ergens verstopt! Gewoon voor de kick! Voor gillende sirenes, persfotografen en het journaal!

Buiten zichzelf greep ze het meisje bij de schouders en begon haar door elkaar te rammelen. “Wat heb je met Babette gedaan? Waar is ze?”

Yaja gaf een gil. Haar haren zwiepten van links naar rechts, haar ene oorbel schoot los.

“Dit is godverdomme geen spelletje! Waar heb je mijn baby gelaten?”

Yaja wist zich los te rukken. “Fuck off!” krijste ze. “Laat je nakijken, bitch!” Ze grabbelde haar oorbel van de vloer, stootte de deur open en vluchtte de kamer uit.

Hijgend leunde Gwen tegen de commode. Haar hart dreunde pijnlijk tegen haar ribbenkast. Het kostte haar een paar minuten om zich in bedwang te krijgen. Toen de woede wat was weggeëbd, ging ze weer bij het wiegje onder het raam zitten. Met onzekere hand verschikte ze Babettes dekbedje met de beertjes erop. Als Yaja nu maar niet regelrecht naar Leander ging om haar beklag te doen. Hij zou haar uitbarsting hopelijk begrijpen. De spanning. De tergende onzekerheid. Maar die had hij toch juist weggenomen met zijn geruststellende boodschap? Straks dacht hij nog dat ze hem niet had geloofd. Ze sloeg haar handen voor haar gezicht en wiegde heen en weer. Ze kon zich niet veroorloven hem tegen zich te krijgen. Ze was van hem afhankelijk voor het terugvinden van haar kind.

Ze is nog onder ons. Hij had een stem waar je vanzelf kalm van werd. En ook mooie handen. Gevoelige handen.

Opeens wilde ze nog heviger dat Timo terugkwam. Hoe ver was het helemaal, naar die apotheek? Tegen hem was ze ook al zo onredelijk geweest. Dat was niemand van haar gewend, en zijzelf nog wel het minst. Mensen die ruzie maakten, daar had ze nooit wat van gesnapt.

“Zal ik nog maar een pot thee zetten?” vroeg Beatrijs, haar hoofd om de hoek van de deur stekend.

“O, Bea! Goddank. Nee, kom liever gewoon even bij me.”

Beatrijs ging in de vensterbank zitten en begon zonder omhaal Gwens schouders te masseren, rustig en stevig. “Wat een nachtmerrie,” zei ze zachtjes. “Wat een nachtmerrie, Gwen.”

“Hoorde je me net tekeergaan?” mompelde ze met gesloten ogen.

“Nee. Moest je het er allemaal even uit vloeken?”

“Zoiets, ja.”

“Geen hond die het je kwalijk zal nemen.”

Op de automatische piloot vroeg ze: “Is het je gelukt de kinderen onder de wol te krijgen?”

“Het was wel even strijden. Ze wilden onder geen beding naar bed, totdat ik op het idee kwam om ze alle zes op de kamer van Marleen en Marise te leggen. Volop praatjes en wapengekletter, maar ondertussen natuurlijk gewoon kleine, bange hartjes. Dus ik heb heel wat matrassen versleept.”

“Aan jou heeft een mens tenminste wat. En een klein mens in het bijzonder.”

“Zal ik je voeten ook even doen?”

Zonder haar ogen te openen draaide Gwen zich om. Ze schopte haar slippers uit en legde haar voeten op Beatrijs’ schoot. Die begon met zachte, aandachtige rukjes aan haar tenen te trekken, één voor één. Het effect was zo weldadig dat ze bijna kermde van genot.

“Wil je niet even gaan liggen? Een klein tukje doen?”

“Ik kan toch niet slapen.”

“Weet je wat Veronica nu zou zeggen?”

“Ja. Slaap je niet, dan rust je toch.”

Ze schoten allebei half in de lach.

“Nooit met lege handen naar de keuken!” citeerde Beatrijs. “Al die geweldige ouderwetse uitdrukkingen van haar.”

“En die theorieën.” Ondanks zichzelf was Gwen even afgeleid. “Kende je die van de kinderen? Volgens Vero lijken baby’s na de geboorte altijd het meest op hun vader. Dat zou een trucje van de natuur zijn om mannen van hun vaderschap te overtuigen. Pas als kleuter, zei ze, krijgen kinderen hun eigen gezicht.”

“Nou, dat is niet opgegaan voor haar eigen stel. Niels en Toby zijn nog steeds Laurens’ evenbeeld.”

“Rustig idee voor Laurens. Een vrouw om op te bouwen, onze Vero.”

“Mm,” deed Beatrijs.

Gwen opende haar ogen. “Wat krijgen we nou? Vertel op.”

“Niks,” zei Beatrijs, maar ze keek erbij alsof ze aan een half duwtje genoeg zou hebben.

We gaan hier toch niet zitten te roddelen, dacht Gwen, over Veronica nog wel, en onder deze omstandigheden? Ontzet over zichzelf trok ze haar voeten van Beatrijs’ schoot. Ze stond op. Ze liep naar de commode en begon een stapel rompertjes opnieuw op te vouwen. “Als ze om losgeld vragen,” zei ze zonder haar vriendin te durven aankijken, “dan moeten we misschien een beroep op je doen.”

“Dat spreekt voor zich. Dat had ik zelf al bedacht. Dus zit daar nou maar niet over in.”

“Echt?” Ze draaide zich om. “Had je daaraan gedacht?” Het behoorde dus wel degelijk tot de mogelijkheden. Er kon ieder moment een brief komen, opgesteld uit losse woorden die uit krantenkoppen waren geknipt. Of er kwam een telefoontje vanaf een ontraceerbaar nummer. Het kon. Het kon heus.

Ze drukte haar handen tegen haar natte hemdje en begon te huilen.

Niels en Toby lagen op hun matrassen naast het bed van Marleen. Klaar en Karianne waren naast dat van Marise geparkeerd. Liggend op hun buik waren ze alle zes met viltstiften aan het werk, keihard.

Telkens als Niels even opkeek en de betraande wangen van de tweelingen zag, zonk er een steen naar zijn maag en werd hij tegelijkertijd halfdol van opwinding. Hoe het precies was gegaan snapte hij niet, maar het was hem gelukt. Op een bepaalde manier gelukt in elk geval, want het was per slot van rekening vooral zijn bedoeling geweest, met hart en ziel zelfs, om Babette uit Yaja’s handen te houden. Had je die mutsen eens moeten horen als Yaja de baby als een karbonaadje had opgekluifd! Hij had Babettes leven gered. Hij zou voortaan bekendstaan als die heel speciale jongen die bij gevaar precies het juiste had weten te doen. Die stomme mutsen hoefden echt niet zo te snotteren. Een zusje kwijt, wat stelde het helemaal voor? Moesten Toby en hij soms de enigen zijn die iemand hadden verloren?

Maar het was niet zijn opzet geweest dat Babette zoek zou blijven, echt niet. Ergens moest hij toch iets fout hebben gedaan. Hij gaf een stomp op zijn kussen. Bedrukt zette hij zich weer aan het werk.

De Engelen hadden het bedacht, van de briefjes. Via die methode was hun poes het afgelopen voorjaar ook weer terecht gekomen. Langs het hele kanaal zou iedere boom en lantaarnpaal vóór morgenochtend met hun oproepen zijn beplakt. Een zaklantaarn lag al klaar. En de regenjacks ook, want het goot inmiddels, het goot werkelijk pijpenstelen.

De viltstiften en de taken waren met beleid verdeeld. Marleen en Marise schreven boven aan elk velletje, zo groot als ze konden: “Wie heeft ons zusje gezien?” Daaronder tekenden Klaar en Karianne een portret van Babette, dat iedere keer een beetje anders uitviel. Niels voegde tot slot het telefoonnummer toe, en liet Toby, die nog moest leren schrijven, er een dikke streep onder zetten.

“Mooi hè?” vroeg zijn broertje elke keer.

“Prachtig,” zei hij, verstrooid en angstig.

“Tering,” zei Marleen, “nou is het papier op.”

“We hebben er best al een hoop,” zei Marise.

Net begonnen de meisjes de al voltooide tekeningen in plastic mapjes te schuiven, toen de deur van de slaapkamer met een knal openvloog. Yaja kwam naar binnen. Met langzame, doelbewuste tred begaf ze zich tussen de matrassen. Hoog torende ze boven iedereen uit. Ze droeg puntige, zwarte laarsjes met afgetrapte hakken. Van die laarsjes die je er eens te meer van doordrongen waartoe zij allemaal in staat was. Ze was als iets wat Niels alleen kende uit dromen die hij het liefst snel wilde vergeten, dromen waarin achter iedere kierende deur en elk beslagen venster een belager op de loer lag.

“Wat moet jij hier?” vroeg Marleen op strijdvaardige toon.

Midden in de kamer stond Yaja stil. Ze zette haar handen in de zij. “Jullie moeder is mega geflipt. Ze ging daarnet tegen me tekeer alsof ik Babette heb vermoord.” Nijdig boorde ze een schoenpunt in de eerste de beste matras, die van Karianne. “Ze heeft mijn oorbel eruit gescheurd! Hier, moet je zien!”

Marleen zwaaide haar benen over de rand van haar bed en stormde op haar af. “O ja? O ja? En wie zegt dat jij zo onschuldig bent? Je wou Babette toch ook mee naar huis nemen?”

Marise vloog eveneens overeind. “En omdat je haar niet mocht hebben, heb je haar natuurlijk maar gelijk…”

“Holy shit, zeg! Beginnen jullie nu ook al?”

“Ja, jij hebt toch geen zusje? Daarom wilde je het onze inpikken!”

Yaja keek naar haar nagels. “Wat heb ik er dan aan om die koter te mollen? Doe een beetje flex, zeg. Ik kan wel wat leukers met een baby verzinnen.”

De Engelen wisselden een woeste blik, de wenkbrauwen hoog opgetrokken. “Bewijs het dan maar!”

“Wat bewijzen?”

“Dat je Babette niet hebt omgelegd!”

Er verscheen een glimp van een grijns op Yaja’s gezicht. “Get real. Omleggen, dat is iets voor Joego’s. Met van die bivakmutsen op, weet je wel.” Ze maakte een vierkantje van haar handen en hield het voor haar ogen. Toen zei ze, alweer dodelijk verveeld: “Oké, ik zal het wel bewijzen. Mij best.” Ze draaide haar hoofd om en liet haar blik zoekend door de kamer dwalen.

Niels trok Toby tegen zich aan. Zonder nog te durven ademhalen wachtte hij op het moment dat de druipsteengrotogen op hem zou vallen en dan gemeen blinkend zouden oplichten: hij daar. Hij zit erachter.

Maar Yaja vroeg, om zich heen speurend: “Is hier ergens een glas?”

De Engelen waren zichtbaar in tweestrijd. Moesten ze die engerd niet een pak slaag verkopen? Blijkbaar won de nieuwsgierigheid het toch, want Marleen zei nors: “Daar, op de wastafel.”

Yaja’s laarsjes schampten zo rakelings langs zijn handen dat Niels zijn vingers moest intrekken. Er klonk wat gerinkel en geplens. Toen hij weer durfde op te kijken, stond Yaja met een schoongespoeld glas in haar hand. “Maak eens wat ruimte voor die tafel,” zei ze zakelijk. En met die woorden was het pleit op de een of andere manier beslecht: zij had nu onomstotelijk de leiding.

Onwillig hielp Niels de matrassen uit de weg te sleuren. Daarna werd de houten tafel vol butsen, plakplaatjes en lijmvlekken naar het midden van de kamer versleept.

Yaja liet haar wijsvinger cirkelend rondgaan. “Eromheen. Ja, jullie tweeën ook, suckers.”

Op wankele benen ging Niels bij de zusjes staan, Toby stevig bij de hand houdend.

Yaja zette het glas ondersteboven op het tafelblad.

“Als je probeert ons iets wijs te maken, ben je dood,” zei Marleen.

Met de punt van haar tong maakte Yaja haar lippen nat. Ze streek het steile haar achter haar oren. En nog een keer. Met schelle stem zei ze: “Wat zeg ik nou net? Alsof ik Babette iets zou aandoen! Ik zou juist hartstikke goed voor haar zorgen. Ik weet alles van flesjes en zo, hoor. Maar niemand vraagt me of ik dat eens even wil bewijzen. Losers. Jullie zijn nog te stom om voor de duvel te dansen.” Toen verdween ze onverhoeds uit de kring. Meteen ging het licht uit.

In het plotselinge donker klonk Klaars stem: “Waar is Yaja nou ge…”

“Ssst!” siste Marise.

Het bleef een tijdje stil.

Nu zijn ogen aan het duister begonnen te wennen, kon Niels de bleke gezichten van Toby en de tweelingen onderscheiden. Ook het omgekeerde glas was dankzij z’n glans goed zichtbaar.

In de hoek van de kamer bewoog iets. Er doemde een lichtgevend doodshoofd op dat langzaam naar hem toe zweefde, een glinstering in de diepe, zwarte oogkassen. Voordat hij het van de schrik kon uitschreeuwen, slaakte Karianne al een gil.

“Kop dicht,” zei het doodshoofd bars, “anders komt hier geen fuck van terecht. Ik beschijn me alleen maar even zodat jullie zien waar ik sta, oké? En hier blijf ik dus staan, oké? Dat jullie weten dat ik niet stiekem aan die tafel sta te schudden. Anders krijgen we straks dat weer.”

Yaja liet de zaklantaarn zakken en deed hem uit. Haar witte gezicht bleef als een schimmige vlek in het donker hangen. Zo te zien mompelde ze binnensmonds nog iets nijdigs. Toen zei ze: “Let’s go. Dus let goed op het glas.”

Even bleef het stil. Zo stil dat het kraken van het huis te horen was, alsof het op zijn manier aan het weeklagen was om Babette, die nu veilig in haar eigen wieg had horen liggen slapen, met haar pluchen konijn naast zich.

“Babette?” vroeg Yaja zo zacht als een zucht. “Kun je me horen?”

“Ik snap er niks van,” fluisterde Klaar. Iemand gaf haar een doffe stomp.

“Babette!” Ditmaal klonk Yaja bevelend. “Kun je me horen?”

Niels hield het glas zo scherp in de gaten dat zijn ogen begonnen te prikken. Misschien zou het zich vullen met rondwervelende rook of mist, net zoals kristallen bollen op tv deden. En in die rook zag je dan…maar hij zag niets. Helemaal niets. Van buiten kwam het gestage ruisen van de regen, alsof inmiddels heel de wereld huilde om het kleine meisje dat door zijn toedoen per ongeluk in een morfologisch veld was verdwenen.

“Babette! Voor de derde en laatste keer: kun je me horen? Kom dan door en maak je kenbaar!”

Van de spanning begon Niels in de mouw van zijn pyjamajasje te bijten. In het glas gebeurde niets, maar in zijn gedachten zag hij Babette op haar knietjes door een mistig veld kruipen. Boven haar vrijwel haarloze hoofdje hing een traanvormige bel waarin met beverige letters stond: “Help!”

Zijn darmen begonnen te kronkelen van ellende. Hij moest Leander vragen hoe hij zijn wens ongedaan kon maken. Dan kwam het maar uit. Dan was iedereen maar kwaad op hem.

Net zo plotseling als de kamer zojuist in duisternis was gedompeld, ging nu het licht weer aan. “Zie je wel?” zei Yaja voldaan.

“Wat?” vroeg Marleen.

Yaja sloeg met vlakke hand op haar dij. “Heeft het glas bewogen?”

“Nee.”

“Nou, dan leeft ze nog. Doden komen altijd door als je ze drie keer aanroept. Ze moeten wel, zelfs al willen ze niet.” Misprijzend keek ze naar de niet-begrijpende gezichten. “Drie is immers een heilig geta-hal!”

“O, dat,” mompelde Marise.

“Ik heb het meegemaakt, lord oh lord, dan ging zo’n glas klepperen en stuiteren! Niet te houden. Dan weet je zeker dat ze zo dood als een pier zijn. Dus één ding staat vast, en zeg dat maar tegen jullie moeder: Babette is springlevend.”

Na een moment zei Marleen: “Jemig. Ik wou dat ik dat kon.”

“Wat ik allemaal kan, dat wil je niet weten.”

Niels liet zijn broertje los. Hij keek nog eens goed naar het glas. Nee heus, het was geen millimeter verschoven. Hij vatte weer wat moed. Misschien had Babette, waar zij ook was, het wel geweldig naar haar zin. Zo’n morfologisch veld zat immers stampvol hamsters, en daar waren kleine meisjes dol op. Hopelijk had hij de baby gewoon de tijd van haar leven bezorgd.

Deel II

Herfst