Hoofdstuk 5
Maandag, 14 juli, 18.15 uur
Even later zat Tara weer in de auto. Tijdens de rit door de stad naar de tolweg dacht ze koortsachtig na over de betekenis van de foto.
Had Kit Westgate Landover, vorig jaar de lieveling van de beau monde, voordat ze naar Boston was gekomen een heel ander leven geleid?
Dat zou alles veranderen. De politie zou met een heel andere blik naar de verdachten in deze zaak moeten kijken.
Ze keek in haar dodehoekspiegel en gaf flink gas om in te voegen op de snelweg.
Was Kit dezelfde persoon als Brenda?
Of was de foto misschien een vervalsing, om haar om de tuin te leiden?
Daar kon ze alleen achterkomen door verder te spitten.
Hou me op de hoogte, had Kirkland gezegd.
Ze had beloofd dat ze hem informatie zou geven, en dat ging ze ook zeker doen. Uiteindelijk.
Eerst zou ze proberen om alles te weten te komen over Brenda Latimer. Terwijl ze met een hand aan het stuur een auto inhaalde, graaide ze in haar tas naar haar mobieltje. Met haar blik half op de weg, toetste ze het nummer van haar tante in.
‘Hallo,’ zei een diepe hese stem.
‘Hallo, Roxie, met mij. Tara.’
‘Hé, meisje.’
‘Kun je vanavond de eerste twee uur zonder me? Ik moet eerst nog even iets anders doen.’
‘Natuurlijk, popje, dat is prima.’ Op gedempte toon voegde ze eraan toe: ‘Heb je een afspraakje?’
Tara glimlachte.
Haar tante had de afgelopen maanden vaak tegen haar gezegd dat ze, naast de krant en de bar, nodig aan haar sociale contacten moest gaan werken.
‘Ik beloof dat ik je straks uitgebreid verslag zal doen.’
‘Afgesproken. Tot straks, liefje.’
‘Tot straks, Roxie,’ zei Tara vol genegenheid.
Ze was nog maar zes jaar toen haar moeder was omgekomen bij een auto-ongeluk.
Roxie, haar moeders zuster, had destijds net haar eigen zaak geopend en was daarom niet de meest voor de hand liggende kandidaat om voogd te worden. Nadat Tara’s vader de voogdij had geweigerd, had ze Tara toch zonder aarzelen onder haar hoede genomen. Tara wist dat ze zich geen betere ouder had kunnen wensen.
Ze gooide haar mobieltje op de passagiersstoel en liet haar gedachten weer over de mogelijke verbanden tussen Kit en Brenda gaan.
Net voorbij Fifth Street zag ze voor het eerst het zwarte busje in haar achteruitkijkspiegel.
Het kwam met opvallend grote snelheid dichterbij. Al gauw hing het vlak achter haar bumper.
‘Wat moet je, klojo,’ zei ze, van rijbaan verwisselend omdat ze aannam dat hij haar links wilde passeren. ‘Die vent maakt nog een ongeluk,’ voegde ze er hoofdschuddend aan toe.
Tot haar verbazing haalde het busje haar niet in, maar kwam het nog dichterbij. Ze wierp een blik in haar achteruitkijkspiegel om naar het gezicht van de bestuurder te kijken.
De chauffeur had echter een grote donkere zonnebril op, en zijn of haar gezicht ging voor het grootste deel schuil onder een grote capuchon.
Het busje was inmiddels nog maar hooguit twee centimeter verwijderd van haar bumper.
Met haar rechterhand griste ze de telefoon weer van de stoel. Het stuur krampachtig vasthoudend met haar andere hand, toetste ze het alarmnummer in.
Het busje ramde haar bumper. Metaal botste op metaal met een akelig knerpend geluid. Haar auto schoot naar rechts.
Tara vloekte. Ze liet haar telefoon in haar schoot vallen en greep het stuur met beide handen vast. Door tegen te sturen, lukte het haar de auto op de weg te houden. Toen ze in haar spiegel keek, zag ze tot haar afgrijzen dat het busje meteen weer in volle vaart op haar afkwam.
Deze keer was de klap zo groot, dat haar auto van de weg schoot. Haar wielen schoten over de witte lijn naast de berm en ze raakte in een slip. Het volgende moment vloog de auto over de kop en knalde de airbag open.
Alex vond het vreselijk om weer in het ziekenhuis te zijn. De geur van ontsmettingsmiddelen herinnerde hem aan de tijd die hij hier zelf had doorgebracht, vechtend voor zijn leven.
Vandaag was hij er omdat Brady’s oudste zoon, die net bij de verkeerspolitie was begonnen, hem had gebeld met de mededeling dat Tara Mackey van de weg was gereden.
Haar auto was total loss, en ze was met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht.
Hij was meteen van zijn werk vertrokken en naar het St. Bridget’s Hospital gegaan.
Zijn been voelde pijnlijk aan nadat hij er de hele dag op had gelopen en gestaan. Zijn spieren waren stijf geworden, waardoor hij weer een beetje mank liep. De pijn verbijtend, liep hij naar de balie aan het einde van de gang. ‘Ik ben hier voor Tara Mackey.’
De blonde verpleegster tuurde naar hem over de halve glazen van haar bril. Ze zag er moe uit, en haar blik was zakelijk. ‘Bent u familie?’
‘Nee,’ zei hij, zijn politiepenning uit zijn borstzak halend. ‘Ik werk bij de politie van Boston.’
‘Wat kan ik voor u doen?’ vroeg de verpleegkundige, nadat ze de penning uiterst grondig had bestudeerd.
Hij stopte de penning terug in zijn zak. ‘Ik zou graag Ms. Mackey even willen zien en met haar willen praten over wat er vanavond is gebeurd.’
‘Ik kan u vertellen dat ze aardig bont en blauw is, maar dat het helemaal goed komt met haar,’ zei de verpleegkundige op iets vriendelijker toon.
‘Gelukkig,’ zei hij, opgelucht glimlachend. ‘Mag ik naar haar toe?’
‘Ze ligt in kamer vijf.’
‘Bedankt.’
‘Bent u een vriend van haar, rechercheur Kirkland?’
‘Dat zou je wel zo kunnen zeggen,’ antwoordde hij.
‘Mooi. Wilt u dan proberen haar over te halen om een nachtje te blijven? Ze probeert de dokter steeds over te halen om haar te ontslaan, maar het is echt verstandiger als ze blijft.’
Ruzie maken met de dokter was typisch iets voor Tara, dacht hij geamuseerd. ‘Als ze zich eenmaal iets in haar hoofd heeft gezet, is ze niet zo gemakkelijk te overtuigen,’ zei hij grinnikend. ‘Maar ik zal mijn best doen.’
‘Succes.’
Bij kamer vijf gluurde hij eerst even om het gordijn om te zien of het een geschikt moment was om binnen te komen.
Ze zat in een stoel bij de onderzoektafel. Haar ziekenhuishemd lag op de grond. Ze had haar broek al aangetrokken en was nog aan het worstelen met haar bloes. Hij ving een glimp op van haar roze beha en haar borsten, boven het kanten randje. Snel wendde hij zijn blik af. Hij moest wel toegeven dat hij erg onder de indruk was van wat hij had gezien. Hij trok zich weer terug achter het gordijn en vroeg: ‘Mackey, ben je aangekleed?’
‘Kirkland?’ Ze klonk verrast en een beetje verlegen.
‘Ja, ik ben het.’
‘Wat doe jij hier?’
‘De agent ter plaatse was Brady’s oudste zoon. Hij heeft me gebeld.’
Ze kreunde. ‘Ken jij iedereen die bij de politie van Boston werkt?’
Haar bitse opmerking maakte hem duidelijk dat het wel weer goed zou komen met haar. ‘Niet iedereen.’
‘Geef me heel even,’ zei ze kortaf.
Hij hoorde het geritsel van kleding. ‘Hulp nodig?’
‘Nee.’
‘Oké.’
Er klonk nog wat gestommel en toen zei ze: ‘Ik ben klaar.’
Hij schoof het gordijn opzij en zag dat ze bij de onderzoektafel stond, gekleed in dezelfde broek en bloes als vanmorgen.
Haar bloes zat echter niet in haar broek en haar jasje lag nog op de stoel. Haar gezicht was heel bleek, en haar haren hingen los.
‘De verpleegster wil dat je vannacht hier blijft,’ zei hij, haar ernstig aankijkend.
‘Ze is overdreven voorzichtig,’ zei ze, met haar ogen rollend. ‘De dokter zei dat ik best naar huis kon als ik dat wilde.’
De bleke kleur van haar huid en de grote blauwe plek op haar sleutelbeen bevielen hem niets. ‘Waarom heb je zo’n haast, Mackey? Blijf toch een nachtje.’
‘Nee, dank je,’ zei ze resoluut. ‘Ik slaap liever in mijn eigen bed.’
Hij vroeg zich af of haar weelderige glanzende haar net zo zacht was als het eruitzag. ‘Het is verstandiger als je een nachtje hier blijft, ter observatie.’
‘Nee, ik moet naar huis.’
‘Waarom? Wacht er iemand op je?’ De gedachte dat er misschien een vriendje op haar zat te wachten, stond hem in het geheel niet aan.
‘Inderdaad.’
Voor het eerst van zijn leven, voelde hij een steek van jaloezie. ‘Wie?’
Ineenkrimpend van de pijn reikte ze naar haar tas op de stoel. ‘Wat maakt jou dat uit?’
‘Het zou niet verstandig zijn als je alleen thuis was.’
Ze begon in haar tas te rommelen. ‘Ik zal ook niet alleen zijn.’
‘Mooi.’
Ze viste haar mobiele telefoon uit haar tas en klapte hem open. ‘Ik weet dat de zoon van Brady je heeft gebeld, maar wat kom je hier doen, Kirkland?’
Hij was gekomen om met eigen ogen te zien dat ze in orde was. Hoewel hij zelf ook niet wist waar die onlogische drang om haar te beschermen vandaan kwam, had hij er geen weerstand aan kunnen bieden. ‘Ik hoorde dat je het de verpleegsters erg moeilijk hebt gemaakt.’
Ze bloosde. ‘Dan moeten ze maar naar me luisteren.’
Hij zette zijn handen op zijn heupen. ‘Je bent door een busje van de weg gereden, Mackey! Ze hebben alle reden om bezorgd te zijn.’
‘Maar ik ben door dat ongeluk niet de helft van mijn IQ verloren. Ze behandelen me als een baby.’
Hij begreep hoe ze zich voelde. Toen hij zelf in het ziekenhuis had gelegen, was hij ook bijna gek geworden van de constante zorg en controle van de dokters en de verpleegkundigen. Mackey zat net zo in elkaar als hij, en hij wist dus dat verdere discussie over dit punt geen enkele zin had. ‘Vertel eens over het ongeluk.’
Ze klapte haar telefoontje weer dicht en haalde diep adem. ‘Er reed opeens een zwart busje achter me, en die rotzak bleef aan mijn bumper hangen. Ik dacht dat hij me wilde inhalen, dus ik ging naar de rechter rijstrook. Hij ging me niet voorbij, maar kwam weer achter me rijden. En toen ramde hij me. Ik werd finaal van de weg geschoven.’
Ze had wel dood kunnen zijn, schoot het door hem heen. ‘Had je hem misschien kwaad gemaakt? Hem afgesneden, of zoiets?’
‘Dat vroeg die andere agent ook al,’ zei ze, intussen pogend om haar bloes in haar broek te stoppen. Haar gezicht vertrok van de pijn, en ze gaf het op. ‘Maar ik weet zeker dat ik hem niet had afgesneden. Zoals ik al zei, kwam hij uit het niets tevoorschijn.’
Hij probeerde zijn emoties uit te schakelen zodat hij zich op de feiten kon concentreren, maar dat lukte niet erg. ‘Heb je de chauffeur gezien?’
Ze streek haar haren glad en bond ze daarna met een elastiekje naar achteren. ‘Nee, hij had een zonnebril op en een grote capuchon.’
‘Waar ging je naartoe?’
Ze aarzelde even. ‘Naar Roxie.’
Hoewel hij zijn uiterste best bleef doen om zich niet door emoties te laten meeslepen, maakte hij zich ernstig zorgen om haar. ‘Kwam de chauffeur nog achter je aan toen je van de weg af was geraakt?’
‘Nee, gelukkig niet,’ zei ze, bijna haar evenwicht verliezend. ‘Ik was helemaal van slag.’
Zachtjes pakte hij haar bij de arm. ‘Je moet even gaan zitten,’ zei hij, haar naar de stoel meevoerend.
‘Nee hoor, ik voel me prima,’ zei ze, met een vastberaden uitdrukking op haar gezicht. ‘Ik laat mijn leven niet in de war schoppen door de een of andere idioot op de snelweg. Het is al erg genoeg dat hij mijn avond heeft verknald. Ik ga naar huis.’ Ze keek de kamer rond. ‘Zie jij mijn schoenen ergens?’
Hij haalde ze voor haar onder het bed vandaan. Terwijl ze haar voeten erin stak, hield hij ze voor haar vast.
‘Nu alleen nog even een taxi bellen, en dan kan ik gaan,’ zei ze, met een zwak glimlachje. ‘Ik moet echt naar huis, anders gaat mijn tante zich zorgen maken.’
Hij moest een grijns van opluchting onderdrukken. ‘Wacht je tánte op je?’
‘Ja. Ik woon op de bovenste verdieping van het pand waarvan zij de eigenaar is. Zelf woont ze op de eerste verdieping, en haar bar is op de begane grond.’
Voor de tweede keer die dag besefte hij dat hij weinig over haar persoonlijke leven wist. Hij merkte dat hij daar graag verandering in wilde brengen. ‘Weet ze dat je hier bent?’
Enigszins in verlegenheid gebracht, keek ze hem aan. ‘Nee, en dat wil ik graag zo houden. Als ze erachter komt wat er is gebeurd, raakt ze heel erg overstuur. Haar zuster, mijn moeder, is omgekomen bij een auto-ongeluk. Vanwege haar kan ik niet een nacht in het ziekenhuis blijven. Als ik dat doe, weet ze dat er iets aan de hand is.’
Hij grinnikte. ‘Ik heb al die tijd gedacht dat je een heel onafhankelijk mens was. Zeker niet het type dat bij haar tante inwoont.’
‘Mijn tante wordt een dagje ouder,’ zei ze schouderophalend. ‘Ze heeft hulp nodig met de bar. Het scheelt mij geld dat ik bij haar woon, en het help haar uit de brand.’
‘Ik zal je een lift naar huis geven. Blijf rustig hier, dan regel ik de ontslagpapieren.’
‘Bedankt, Kirkland,’ zei ze met een opgelucht gezicht. ‘Ik sta bij je in het krijt.’
Het kostte hem ruim twintig minuten en een grote dosis overredingskracht om dokter Finley ervan te overtuigen dat Mackey best naar huis kon.
In tegenstelling tot wat Mackey had gezegd, vond de man het absoluut geen goed idee dat de patiënt al vertrok.
Pas nadat Kirkland hem had verzekerd dat hij persoonlijk op haar zou letten, ging de dokter akkoord met haar ontslag.
Drie kwartier later duwde een verpleegkundige Mackey in een rolstoel naar de uitgang terwijl Alex vast zijn auto ging halen.
Voor het ziekenhuis hielp hij haar voorzichtig uit de rolstoel. Hij zag aan haar gezicht dat ze pijn had, maar het lukte haar toch om in de auto te gaan zitten.
Zodra ze zat, begon ze te grinniken alsof haar iets grappigs te binnen schoot.
‘Waarom lach je?’ vroeg hij, zich naar haar toe buigend.
‘Ik heb gekneusde ribben. Jij loopt mank. Geweldig stel zijn wij.’
Hij fronste. ‘Ik loop niet mank meer.’
Vanuit de auto keek ze naar hem op. ‘Vanochtend was het bijna niet te zien, maar nu je moe bent, valt het meer op.’
Hij spande zich tot het uiterste in om niet met zijn been te trekken toen hij om de auto heen liep. Dat kwam hem duur te staan, want toen hij eindelijk zat, deed zijn been echt pijn.
Mackey trok een wenkbrauw hoog op. ‘Knap gedaan, hoor,’ zei ze zacht. ‘Deze keer viel het bijna niet op.’
‘Ik loop niet mank,’ zei hij, de motor startend.
Met een gesmoord kreetje van pijn klikte ze haar veiligheidsgordel vast.
‘Ik had je niet mee moeten nemen uit het ziekenhuis,’ zei hij geschrokken. ‘Je hebt te veel pijn.’
Ze ademde langzaam uit en keek hem vervolgens recht aan. ‘Hé, als jij niet mank loopt, dan heb ik geen gekneusde ribben.’
Ondanks zijn bezorgdheid moest hij lachen. ‘Je bent erg lastig, Mackey.’
Ze legde haar hoofd achterover tegen de stoelleuning, waardoor haar lange sierlijke hals zichtbaar werd. ‘Dat heb ik nog nooit gehoord,’ zei ze met een zucht.
Hij kon zijn ogen bijna niet van de blanke huid van haar hals afhouden. Hij slikte. ‘Zeg het maar, waar gaan we naartoe?’
Nadat ze hem het adres had gegeven, werd het stil in de auto.
Toen hij even later naar haar keek, zag hij dat ze in slaap was gevallen. Slapend zag ze er heel anders uit. Jonger. Kwetsbaarder.
Vandaag was hij meer over Tara Mackey te weten gekomen dan in het hele afgelopen jaar. De rit naar het adres dat ze hem had opgegeven, duurde ongeveer twintig minuten. Het was rustig op straat, en hij kon de auto voor de deur parkeren.
Op de benedenverdieping van het pand knipperde een roze neonbuis de naam van de zaak: Roxie’s. Aan de deur hing een bord waarop stond dat de bar was gesloten. Het leek hem een typische buurtkroeg.
Waarschijnlijk kwamen hier iedere avond dezelfde mensen, dacht hij, weer naar de slapende Mackey kijkend. Hij probeerde zich voor te stellen hoe het voor haar geweest moest zijn om in deze eenvoudige buurt op te groeien.
Zelf had hij een bevoorrechte jeugd gehad, altijd genoeg geld. Hij had nooit een baantje gehad, alles werd voor hem geregeld. ‘Mackey,’ zei hij zachtjes. ‘We zijn er.’
Haar hoofd kwam met een ruk overeind. Ze keek naar buiten en zag dat de bar al dicht was. Op de eerste verdieping brandde nog licht.
‘Wil je iets voor me doen?’ vroeg ze.
‘Helpen bij het uitstappen?’
‘Dat ook, ja,’ zei ze, de kreukels in haar shirt glad strijkend.
‘Wat nog meer?’
‘Wil je doen alsof we vanavond samen uit zijn geweest?’
Hij geloofde zijn oren niet. ‘Zeg dat nog eens.’
‘Voor ik met de ambulance naar het ziekenhuis werd gebracht, heb ik mijn tante gebeld om te zeggen dat ik vanavond niet meer zou komen omdat ik een afspraakje had. Ik wilde niet dat ze wist dat ik naar het ziekenhuis moest. Ik heb je al uitgelegd waarom.’
Hij legde zijn arm achter haar langs over haar stoel en keek haar aan. Het maanlicht accentueerde haar hoge jukbeenderen.
‘Dus je mag van haar wegblijven van je werk als je een afspraakje hebt?’ vroeg hij verbaasd.
‘Ze zou haar ziel verkopen om mij aan een vriendje te helpen,’ antwoordde ze met een wrang glimlachje. ‘Het is haar liefste droom dat ik ga trouwen en dat ik haar een hele rits achterneefjes en achternichtjes bezorg.’ Het volgende moment bloosde ze, alsof ze spijt had van haar openhartigheid. ‘Je hoeft alleen maar even mee naar binnen te komen. Ik verzin wel even snel een verhaal en dan kun je weer weg. Goed? Je kunt toch wel voor een paar minuutjes doen alsof je me leuk vindt?’
Dat zou hem geen enkele moeite kosten. Niet met Mackey. ‘Natuurlijk.’