81 Hafsé, de rivale van Ajeshe
Mohammad was al bekend in het hele land, maar de wonderlijke
overwinning met de list van de gracht had hem grote roem gebracht.
Hij had een oorlog tegen het leger van Mekka gewonnen zonder zijn
zwaard aangeraakt te hebben. En hij had de dochter van
Aboesoljan in zijn bed gekregen. Mohammad kon dan geen
wonderen verrichten op de manier waarop Mozes en Iezus dat gedaan
hadden, hij was zelf een wonder geworden. Het leek alsof hij
onaantastbaar was. Hij hield alles in de gaten en besprak alles tot
in de kleinste details met zijn adviseurs om eventuele schade te
beperken. Omdat hij al zijn aandacht op Mekka gevestigd had,
had hij nauwelijks tijd voor Ajeshe. Hij zag niet dat hij de
giftige jaloezie van Ajeshe gewekt had doordat hij met de mooie
Habibé had geslapen. Ook was hij vergeten dat de dichters van
Mekka, die meesters waren in het spotten, al jaren op een voorval
wachtten om hem klein te krijgen.
Zij zochten. Zij vonden.
Mohammad, die een solide compromis met Mekka had bereikt, had nu
zijn handen vrij om de rest van het verzet, zoals dat van de joden
in de dorpen tussen Medina en Mekka, te breken. Elke keer als
hij met zijn leger Medina verliet, nam hij een van zijn vrouwen
mee. Toen het de beurt was van Ajeshe om hem te
vergezellen, gebeurde er iets wat verstrekkende gevolgen voor
de vrouwen op aarde zou hebben.
Niemand beter dan Hafsé kon het verhaal vertellen, want zij had het
van nabij meegemaakt. Ze was de dochter van Omar en de tweede jonge
geliefde vrouw van Mohammad. Hafsé en Ajeshe waren elkaars
concurrenten. Nu ze beiden weduwe van Mohammad waren, bezocht
ik Hafsé. Ze ontving me in haar dromerige gastenkamer waar ze door
zeven dienstmeisjes omringd werd. De een stak haar waterpijp aan,
de ander bracht haar een kopje thee op een gouden blad, en weer een
ander kwam met lekkernijen.
‘Ajeshe was geraffineerd en dat is ze nog’, zei Hafsé. ‘Vroeger
gedroeg ze zich alsof Mohammad maar één vrouw had en dat was zij.
Tegenwoordig gedraagt ze zich alsof ze de enige weduwe van Mohammad
is. Ze doet zich voor als de koningin van het land. Kijk hoe ze
woont; ze rijdt op olifanten. Laat haar de koningin zijn, maar laat
niemand het verhaal vergeten dat ik nu ga vertellen.
Mohammad wilde weer vertrekken met zijn leger. Deze keer zou zijn
oude vrouw Salame meegaan. Maar Ajeshe kocht haar om met een
ketting en ging in haar plaats. Ajeshe was een sluwe vos,
niemand had kunnen denken dat ze er een minnaar op na hield. Hoe
haal je het in je hoofd als je de vrouw van de boodschapper bent?
Maar zij had een minnaar en Mohammad verdedigde haar, helaas. Toen
de strijd gestreden was en ze op weg naar huis waren, stopten ze
ergens in de woestijn voor de middagrust. Ajeshe trok zich stiekem
terug; ze verstopte zich achter een zandheuvel en wachtte tot
iedereen weg was. Pas toen het leger weer in Medina was, miste men
Ajeshe. Ze zochten haar overal, maar tevergeefs. De arme
Mohammad dacht dat zijn mooie roodharige vrouw door de verslagen
joden was gestolen. Maar de joden verzekerden hem dat zij haar niet
meegenomen hadden. De volgende dag verscheen Ajeshe bij zonsopgang
op een kameel voor de poort van Medina. Van wie was die
kameel? Van de jonge knappe krijgsheer Safan.’
Ik, Zeeëd, weet het nog. De arme Mohammad stond machteloos toen hij
het bericht hoorde. Hij deed een poging om de schade te beperken,
maar het was te laat, de dichters hadden hun pen al gescherpt en de
spotdichten werden door de vijanden als zoete broodjes in het hele
land verspreid:
‘Waar is Ajeshe?
Achter de zandheuvel.
Wat doet ze daar?
Wij weten het niet.
Alleen de Allah van Mohammad weet het.
Want Hij weet alles.’
82 De hoofddoek
Mohammad nam Ajeshe mee naar huis en deed de deur van binnen op
slot. Ze begonnen ruzie te maken en de hel brak los in
huis. Kolsoem, de persoonlijke bediende van Ajeshe, heeft
alles gehoord. Ajeshe vertelde huilend dat ze verschoond was van
elke blaam.
‘Waar was je?’ riep Mohammad van streek.
‘Ik moest naar de zandheuvel’, zei Ajeshe huilend.
‘Waarom kwam je niet toen we vertrokken?’
‘Ik kwam terug, maar ik merkte dat ik mijn dierbare halssnoer, dat
jij me gegeven hebt, had verloren. Ik bleef er lang naar zoeken en
toen waren jullie allemaal weg.’
‘Je liegt!’ riep Mohammad.
‘Ik lieg niet! Ik lieg niet! Ik lieg niet!’ gilde Ajeshe en ze
begon zichzelf te slaan.
Mohammad hield van haar, hij kon haar pijn niet verdragen.
‘Wat moet ik nu tegen de mensen zeggen?’
‘Allah weet dat ik onschuldig ben’, riep ze terug.
‘Ga je gezicht wassen! Ik ga nadenken over wat ik moet doen’, zei
Mohammad uitgeput.
‘Je bent mijn man, de boodschapper. Je kunt veel’, merkte Ajeshe
op.
En daar bleef het bij.
Maar Mohammad kon de mond van de dichters niet snoeren. De druk
werd steeds groter. Zelfs de krijgsheren lieten hun ontevredenheid
blijken. Ali liet merken dat hij geen genoegen nam met Ajeshes
uitleg en Omar en Osman suggereerden dat hij Ajeshe tijdelijk naar
haar ouderlijk huis moest sturen. Mohammad had geen keus.
Tegen zijn zin volgde hij hun raad op. De rust keerde even
terug. Maar volgens Hafsé duurde dat niet lang.
‘Mohammad had Ajeshe naar het huis van haar vader, Aboebakar,
gestuurd. Hijzelf lag in die tijd bij mij in bed,’ vertelde Hafsé,
“maar hij kon niet slapen, hij had het de hele nacht door over
Ajeshe. Hij was gek op haar, huilde in mijn bed. Hij
vervloekte de dichters. Hij zei dat het dwazen waren. In de vroege
ochtend liet hij me alleen achter.’
Mohammad stormde naar het huis van Aboebakar. Hij klopte op de deur
en Kolsoem deed open.
‘Waar is Ajeshe? riep hij.
Wederom ontstond er een harde woordenwisseling tussen hen.
Daarna begon Ajeshe zacht te huilen en te klagen: ‘Mohammad de
boodschapper legt zijn oor te luisteren bij de verklikkers. Ik heb
veel gewicht verloren, ik ben mager geworden. Ik ben niet meer
mooi. Mijn gezicht is bleek. En dat komt niet door de dichters,
maar door mijn man. Hij wordt mijn dood. Hij weet dat ik onschuldig
ben, maar hij doet niets.’
Mohammad begon te trillen, hij begon onduidelijk te praten.
Ajeshe kende die momenten, ze wist dat hij een nieuwe tekst van
Allah binnenkreeg. Ze kwam onmiddellijk overeind, pakte een deken,
trok die over zijn hoofd en schouders en hielp hem in bed.
Mohammad bewoog onder de deken, hij ratelde. Hij was in gesprek met
Allah. Het duurde even voordat hij de boodschap ontvangen had.
Daarna viel hij als een blok in slaap. Ajeshe schoof de deken
weg. Het zweet liep van Mohammads hoofd in zijn nek, ze veegde
het met de zoom van haar jurk weg en kuste hem op zijn hoofd.
Mohammad had van Allah de opdracht gekregen om Ajeshe weer mee naar
huis te nemen.
De soera heb ik genoteerd:
‘Zij die de getrouwde fatsoenlijke vrouwen beschuldigen van
overspel en niet met vier getuigen komen, sla hen met tachtig
zweepslagen. Van hen moeten jullie later geen getuigenis
accepteren. Zij zijn foute mensen.
Zij die eerbare vrouwen die geen kwaad kennen, van losbandigheid
beschuldigen, worden vervloekt in dit leven en in het latere leven.
Hun wacht een harde bestraffing.
Op een dag zullen hun tong, hun handen en hun voeten getuigen van
wat ze gedaan hebben. Op die dag zal God bepalen wat ze verdienen
en ze zullen begrijpen dat Allah de waarheid kent.
Mohammad, zeg tot de gelovige mannen dat zij hun ogen neerslaan en
hun kuisheid bewaren. Dat is zuiver voor hen. Allah weet
alles. En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij hun ogen
neerslaan en dat ze hun kuisheid bewaren. Dat zij van hun sieraad
niet meer laten zien dan wat gewoonlijk al zichtbaar is. Dat ze hun
sluiers over hun borsten laten hangen en dat ze hun sieraad aan
niemand laten zien anders dan aan hun mannen, hun vaders, hun
zonen, de zonen van hun mannen, hunbroers, de zonen van hun broers,
de zonen van hun zusters, de vrouwen van hun eigen geloof, hun
mannelijke bedienden die geen behoefte aan vrouwen hebben, en de
kinderen die nog niet op het lichaam van vrouwen letten.
Mohammad, zeg tegen vrouwen dat ze niet hard met hun voeten op de
grond moeten stampen om te voorkomen dat het verborgen sieraad van
hun voeten zichtbaar wordt.’
Vanaf dat moment moesten de vrouwen in het openbaar een hoofddoek
omdoen en ze mochten hun schoonheid niet meer aan vreemde mannen
tonen. Vanaf die tijd begonnen mensen hun huizen van een
deurklopper te voorzien. Als de vrouwen de deurklopper hoorden,
verdwenen ze de kamers in.
83 Opmars naar Mekka
Na die duidelijke taal van Allah over Ajeshe verstomden de roddels.
En om het strafrecht te bekrachtigen werden twee dichters op het
marktplein berispt met tachtig zweepslagen. Zij hadden alsnog
nieuwe spotdichten verspreid. Bovendien was het onrustig in
Medina, er gebeurde elke dag wel iets nieuws en men kon zich niet
lang met Ajeshe bezighouden. Mohammad had een wapenstilstand voor
tien jaar gesloten met Mekka, maar alleen ik, Zeeëd, en Allah
wisten wat voor duivels plan hij in zijn hoofd had. Uit alle
hoeken van het land kwamen dagelijks tientallen jongemannen alleen
of in groepjes om zich bij Mohammads leger te melden. Hij viel alle
joodse dorpen die tussen Medina en Mekka lagen een voor een binnen.
Hij ontwapende de mannen en nam de wapens mee naar
Medina. Twee jaar later verscheurde Mohammad de overeenkomst
en hij vertrok onverwachts met vijftienduizend man richting
Mekka. Behalve zijn raadgevers wist op dat moment niemand waar
hij met zijn leger naartoe ging. Ze wilden het tot op het laatst
geheimhouden. De zon was net opgekomen toen Mohammad buiten
Medina op een verhoging ging staan en zich tot zijn leger richtte:
‘Jij schiet. Maar Hij schiet. Jij doodt. Maar Hij doodt.’
Het was een boodschap die hij vannacht van Allah gekregen had. Hij
riep: ‘Allah vecht met ons mee.’
Al zijn mannen juichten en staken hun zwaarden in de lucht.
Aboesofjan ontving een spoedbericht van zijn handlangers dat
Mohammad met een groot leger Medina verlaten had. Het was de
heilige vastenmaand Ramadan. Hij had overal rekening mee gehouden,
maar niet met een oorlog, en al helemaal niet met een onverwachte
opmars van Mohammad naar Mekka. Want Mohammad had zich tot nu toe
strikt aan de afspraken van het vredesakkoord gehouden. Hij viel de
karavaans niet meer aan en was zelfs een keer met een groep
volgelingen naar Mekka afgereisd. Bovendien had Aboesofjan Mohammad
de afgelopen twee jaar regelmatig ontmoet en hadden ze met elkaar
gegeten en gepraat. Dit nadat Mohammad met zijn dochter getrouwd
was. Maar nee, er was geen twijfel mogelijk: Mohammad kon maar
naar één plek onderweg zijn en dat was Mekka.
Ik, Zeeëd, reed te paard achter Mohammad. We waren nu vlakbij Mekka
en het leger stopte op een veilige afstand van de stadsmuur, waar
de pijlen ons niet bereiken konden. Het was een allesbepalende
oorlog. Mohammad had het machtssysteem van de joden compleet
uitgeschakeld. Toch werd er tijdens de besprekingen altijd over hen
gesproken. Ze konden voorlopig niet meer in opstand komen, maar als
Mohammad de oorlog tegen Mekka zou verliezen, zouden ze al hun
krachten kunnen bundelen om Medina weer te veroveren.
Mohammad moest deze keer winnen; hij had geen andere
mogelijkheid opengehouden. Hij was bereid Mekka te vernietigen als
het nodig was.
De inwoners van Mekka waren geschrokken van de onverwachte
aanwezigheid van het leger voor de poort van de stad. ledereen
rende bang naar huis en deed de deuren stevig dicht. De mensen
wisten wat ze Mohammad hadden aangedaan en wat hen te wachten stond
als hij de stad zou binnenvallen. Ze wisten dat hij in staat was
uit wraak de stad in brand te steken.
Mohammads eerste doel was om de stad zonder vechten te veroveren.
Daarvoor had hij op Aboesofjan gerekend. Want Habibé had getracht
een prille vriendschap tussen haar man en haar vader tot stand te
brengen en was een vertrouwelijke bode tussen deze eigengereide
mannen geweest. Ze nam de groeten van Mohammad voor haar vader
mee als ze op familiebezoek naar Mekka ging en bracht de groeten
van haar vader mee voor Mohammad als ze terugkeerde naar
Medina. Nu stond Mohammad opeens voor de poort van Mekka. En
Aboesofjan voelde Mohammads zwaard in zijn nek. Mohammad had
Ali van tevoren naar Mekka gezonden om zijn oom Abbas te ontmoeten
en hem als bemiddelaar naar Aboesofjan te sturen.
Jaren later sprak Ali over die dag:
‘Ik ging vermomd als handelaar Mekka in. Ik mocht pas op het moment
dat Mohammad met zijn leger voor de poort van Mekka stond op de
deur van Abbas kloppen. Nu was Mohammad er en ik liep door de
straten van Mekka. De grote handelaren vluchtten de stad uit. De
slavenhouders lieten hun velden en akkers over aan hun slaven en
namen hun toevlucht tot de grotten in de bergen. Iedereen rende
zijn huis in en timmerde de deuren van binnen dicht. De
winkeliers laadden hun bezittingen op kamelen en brachten alles
naar huis om het veilig te stellen. Ze wisten dat als het leger de
stad binnen zou vallen, Mohammads volgelingen alle winkels zouden
plunderen. Het was een chaos, ik had Mekka nog nooit zo gezien.
De mensen reageerden zo angstig; er was geen spoor van
vechtlust te bekennen.
Ik liep op mijn gemak naar het huis van Abbas en klopte
aan. Zijn knecht opende de deur op een kier en vroeg wat ik
wilde. Ik zei dat ik een bode uit Medina was en dat ik Abbas
persoonlijk wilde spreken. De knecht schrok toen hij het woord
“Medina” hoorde, deed de deur dicht en liet me buiten
wachten. Even later werd de deur weer geopend. Dit keer was
het Abbas zelf. Ik groette hem, hij herkende me, nam me naar binnen
en ik vertelde hem meteen het volgende: “Mohammad heeft u gevraagd
om als Allahs bemiddelaar met Aboesofjan te praten. Mohammad
eist dat Aboesofjan te voet door de poort de stad uit loopt, naar
hem toe. Dat is de boodschap. Verder heb ik niets te
vertellen.”
Abbas trok zijn jas aan en riep: "Mijn paard!”’
84 De Kaabé
Het leger stond nu paraat en wachtte op het bevel van Mohammad om
aan te vallen. Behalve Aboebakar, Omar, Osman, Ali en ik wist
niemand dat Mohammad zijn oom Abbas als bemiddelaar naar Aboesofjan
had gestuurd.
De poort van Mekka was dicht en ik zag dat Mohammad zijn ogen niet
van de poort kon afhouden. Op de muren stonden soldaten. Ze hadden
hun pijlen op ons gericht.
Omar en Osman leidden onverstoorbaar de voorbereidingen.
De vaklieden maakten ladders waarmee de strijders straks over de
muren de stad binnen zouden komen. Sterke mannen hadden grote
dadelbomen omgekapt om daarmee de poort van de stad kapot te
beuken. De kamelen en paarden werden achter de frontlinie gebracht.
De troepen bereidden zich voor op een straatgevecht.
Omdat het de heilige maand Ramadan was, had Mohammad een
uitzondering gemaakt. Hij had bevel gegeven dat zijn soldaten goed
moesten eten en drinken.
Mohammad wachtte.
lk wachtte.
Mohammad keek naar de poort.
Aboesofjan verscheen, hij zette een paar stappen en bleef toen
staan. Ook Abbas kwam naar buiten, liep naar Aboesofjan en bleef
naast hem staan. ‘
Mohammad riep: “In positie!’
Het leger stelde zich op. Mohammad gebaarde naar mij. Ik spoorde
mijn paard aan één stap naar voren te zetten en bracht mijn oor
naar hem toe.
Daarop galoppeerde ik naar Omar, boog me voorover en fluisterde:
‘Marcheer naar Aboesofjan! Ontvang hem als een koning en begeleid
hem naar de tent van Mohammad.'
Omar pakte de groene legervlag, hield hem hoog in de lucht en reed
met een groep van zijn mannen te paard naar Aboesofjan. Toen
hij vlak bij was, steeg hij af en liep met de vlag in zijn hand
naar Aboesofjan toe. Hij liet zijn vlag een klein stukje zakken en
nodigde hem zo uit om met hem mee te gaan. Aboesofjan volgde Omar,
terwijl de ruiters hen statig begeleidden.
Omar riep: ‘Pijlen laten zakken!’
Het leger richtte de pijlen naar de grond. Mohammad
verwelkomde Aboesofjan voor zijn witte tent en nodigde hem uit om
binnen te treden. Ik liet het gordijn voor de opening van de tent
vallen. Na een kort gesprek verscheen Mohammad weer voor de
tent en zei: ‘Haal mijn kameel!’
Het was de witte kameel waar Mohammad tijdens de feesten in Medina
op reed. De kameel had een lief gezicht, liep waardig en straalde
rust uit. Ik liet het dier voor de voeten van Aboesofjan knielen.
Hij ging erop zitten en ik liet hem overeind komen. Zo reed
Aboesofjan terug de stad in. Ali stond op dat moment vlakbij
de poort. Hij kon alles zien en wachtte op wat komen
ging.
‘De inwoners van Mekka die de winkels op de bazaar gesloten hadden
en in hun huizen verbleven,’ zei Ali, “hielden door de ramen de
stad in de gaten. Er bewoog echt niets, de mensen hadden zelfs hun
honden en katten tot stilte gemaand. Toen Aboesofjan op de witte
kameel van Mohammad de stad binnen reed, kon ik het niet geloven.
Zou dit betekenen dat Mohammad de stad veroverd had? Zou de kameel
echt het symbool van de overwinning zijn? lk trok me terug in
een steeg en liet Aboesofjan passeren; ik kon echter niets aan zijn
houding aflezen. Toen hij voorbij was, liep ik hem op een afstand
achterna. De mensen keken van achter de ramen naar hem. Hij reed
rechtstreeks naar zijn huis, ging naar binnen en deed de deur
dicht.’
lk, Zeeëd, zie nog hoe de omroepers van Mohammad met hun koperen
buizen op kamelen de stad in reden en aankondigden:
'Wie thuis blijft, is veilig. Wie zijn toevlucht in het huis van
Aboesofjan genomen heeft, krijgt amnestie. Wie de deur uit gaat,
wordt gedood. Iedereen blijft binnen tot de volgende
oproep!’
Mohammad reed vervolgens op zijn paard de stad binnen en achter hem
volgde het leger in drie colonnes.
De eerste colonne stond onder leiding van Aboebakar, deze volgde
Mohammad en liep rechtdoor naar het plein van de Kaabé.
De tweede colonne stond onder leiding van Omar, hij nam het
rechterpad naar het plein van de Kaabé.
De derde colonne stond onder leiding van Osman, hij nam
het linkerpad naar het plein van de Kaabé.
Toen alle drie de colonnes op het plein van de Kaabé bij elkaar
waren gekomen, steeg Mohammad af en liep met zijn zwaard in de hand
de Kaabé in. Direct achter hem volgde ik met een lange bundel
dik touw over mijn rechterschouder. Mohammad liep naar Ozzat,
de belangrijkste afgod van Mekka. Hij gooide het touw om de
nek van de grote stenen god en trok hem naar beneden. Ozzat brak in
stukken op de grond, de vloer trilde, offergeschenken, lantarens en
fakkels vielen. Mohammad hield de grootste afgod, Habel,
achter. Toen hij later de eerste moskee van Mekka bouwde, gaf hij
opdracht de afgod Habel voor de ingang van de moskee te begraven,
zodat iedereen die de moskee binnenging, over Habel zou
lopen.
Mohammad ging naar buiten en gebaarde naar Balal, de omroeper.
Balal zette een ladder tegen de muur van de Kaabé, klom op het dak
en riep: ‘La ilaha ella Allah Mohammaden rasoelallah!’
Onder leiding van Omar gingen vijfendertig sterke mannen met grote
sloophamers de Kaabé in. Ze vernielden de andere afgoden, brachten
de restanten naar het plein en gooiden ze op een hoop. Al het goud
en alle sieraden werden in grote zakken gestopt, op de kamelen
geladen en ter bewaring naar het voormalige huis van Aboebakar
gebracht. De zon was net achter de bergen gezakt toen men klaar was
met het leegruimen van de Kaabé.
Mohammad ging op een verhoging staan en riep:
‘De Kaabé is het Huis van Allah!’
En hij gaf bevel om het te eren.
Vijftienduizend mannen liepen zeven keer rond de Kaabé en
zongen:
‘Labeek, lahom labeek! Wahdahoe wahdahoe wahdahoe wahadah!’
Gedurende de nacht werden tientallen mannen uit hun huizen gehaald
en onmiddellijk omgebracht. Het waren degenen die bloed aan hun
handen hadden en onder geen beding gratie konden krijgen. Mohammad
bleef vijftien dagen in Mekka. Daarna droeg hij de leiding van de
stad over aan Aboebakar en ging terug naar Medina.
85 De Koran en het zwaard
Ik was niet meer de Zeeëd die ik vroeger was.
Ik zat niet meer op de grond te noteren. Ik was de kroniekschrijver
van Allahs Rijk geworden.
In de moskee van Medina werd een aparte kamer voor me ingericht,
waar een werktafel stond met mijn ganzenveren en inktpot. Ook lagen
er allerlei rollen papier en perkamenten in de kast. De muren had
ik zelf versierd met teksten uit de Koran, die ik op grote witte
doeken had geschreven. De tijd dat ik slechts één paar
schoenen had en ze droeg tot ze kapot waren, was voorbij. Nu had ik
diverse paren schoenen en meerdere jassen, die ik naar gelang de
gelegenheid droeg. Ik las meer boeken dan ooit, want nu kon ik
elk boek bestellen dat ik wenste. Ik deed het niet voor mezelf
maar voor Mohammad, omdat hij de machtigste man van het land was en
omdat ik wist dat hij de machtigste man van de wereld zou
worden. Zo’n leider had een elegante, erudiete
kroniekschrijver nodig.
Mohammad kwam regelmatig mijn werkruimte binnen.
‘Doe de deur op slot’, zei hij eens.
Ik deed de deur van binnen op slot en begreep dat hij een
belangrijke brief wilde laten schrijven.
'Drie brieven met dezelfde inhoud’, zei hij.
“De lengte van de tekst ?’ vroeg ik.
Een korte brief.'`zei hij.
‘Op welk soort papier?’
‘Bijzonder papier!’ zei hij.
Ik sneed drie stukken melkblank papier af dat uit China kwam.Ik
pakte mijn fijnste pen en keek naar Mohammad, klaar om zijn woorden
op te schrijven.
Hij dicteerde, ik schreef:
Van de boodschapper van Allah
Aan Parviz, de koning van het Perzische Rijk
In de naam van Allah
Ik vraag de koning der Perzen om de islam te aanvaarden.
Aanvaardt hij het, is hij veilig.
Aanvaardt hij het niet, is hij persoonlijk verantwoordelijk voor de
gevolgen.
Getekend,
Mohammad de boodschapper
Toen de grote Perzische koning de brief van Mohammad had gelezen,
verscheurde hij die en gooide hem op de grond. Vervolgens stuurde
hij de bode met lege handen weg. Zeven jaar later viel Omar
met geheven zwaard en met duizenden soldaten het Perzische Rijk
binnen. De soldaten plunderden de paleizen en Omar stak ze
persoonlijk in brand. De aanval was zo onverwachts en zo hevig
dat Parviz geen tijd had om na te denken. Hij sprong op zijn paard
en ontsnapte naar de oostelijke grenzen. ’s Avonds klopte hij
uitgeput op de deur van een watermolen met de vraag of hij er de
nacht mocht doorbrengen. De molenaar wist niet wie hij was. ’s
Nachts onthoofdde hij hem voor zijn dure jas.
De tweede brief werd naar Herakleios, de keizer van het Byzantijnse
Rijk, gestuurd.
Toen de keizer de brief las, onthoofdde hij persoonlijk de
bode.
Mohammad viel met zijn leger het Byzantijnse Rijk binnen, maar werd
verslagen.
Hij ging niet verder en wist door zijn leger terug te trekken de
schade beperkt te houden.
De derde brief werd naar Nadjashi, de koning van het buurland
Habashe, gestuurd.
Hij aanvaardde de islam en stuurde goud, bijzondere geurige
kruiden, prachtige stoffen en twee buitengewoon mooie slavinnen
naar Mohammad. Deze twee beeldschone vrouwen heetten Marihe en
Sirin. Mohammad sliep met beiden in dezelfde nacht.
86 Nachtreis
Het ging goed met Mohammad. Overdag straalde hij als de zon en ’s
nachts als de maan. Hij wist alle stammen van het land onder zijn
groene vlag te verenigen. Nu was de tijd aangebroken dat hij een
bezoek aan Allah moest brengen om samen met Hem over hun
wereldplannen te spreken. Ik hoorde het voor het eerst op de
markt.
‘Mohammad heeft door de hemel gereisd.’
'Wat?’
'Hij heeft Allah op de zevende verdieping van de hemel
ontmoet.’
‘Van wie heb je dat gehoord?’
‘Iedereen weet het. Iedereen praat over zijn nachtreis.’
Ik, Zeeëd, wist niets van zijn bezoek aan Allah. Mohammad had nooit
een woord over zijn nachtelijke reis laten vallen in mijn
aanwezigheid. De mensen wisten zelfs wat Allah aan Mohammad
verteld had en welke opdrachten hij gekregen had: ‘Mohammad!
Val het Perzische Rijk aan. Bevrijd de Perzen van die corrupte
koningen. Ontbind hun valse geloof van Zarathoestra. En vernietig
al hun vuurtempels. Er is maar één God en dat ben Ik: Allah!’
Verder weet ik niets over die nachtreis, maar hij staat vermeld in
de Koran:
‘Geprezen zij Hij die Zijn dienaar bij nacht een reis liet
maken.
Door het heelal.’
Ik, Zeeëd, ben slechts een katieb, een kroniekschrijver, daarom mag
ik mijn eigen mening niet verkondigen. Maar dit keer moet het voor
mijn toekomstige lezers duidelijk zijn waar ik mijn gegevens
vandaan heb gehaald. Ik kan niet vaststellen of het eerst
Mohammad was die over zijn nachtreis heeft verteld of dat het de
mensen op straat waren die deze reis voor hem verzonnen hebben.
Maar ik heb een eigen versie van de nachtreis, die ik pas later van
Mohammad heb gehoord.
Het was na de overwinning op Mekka. We waren in Medina in het huis
van Mohammad, we stonden op de binnenplaats. Opeens kwam Ajeshe met
haar bediende aanlopen. Ze stevende op Mohammad af en zei: ‘Waarom
weet iedereen het behalve ik? Waarom moet ik het van anderen op de
markt horen? Ben ik soms niet de vrouw van de boodschapper?
‘Ik wist het van tevoren ook niet. Ik zal nooit kunnen weten
watAllah van plan is. Hij weet alles, en ik weet niets,’ zei
Mohammad glimlachend, ‘maar ik zal je iets vertellen wat nog
niemand weet.’
Ik, Zeeëd, kon niet uitmaken of hij serieus was of dat hij Ajeshe
wilde vermaken.
‘Ik lag alleen in bed’, zei Mohammad, ‘en dacht met gesloten ogen
na. Opeens hoorde ik mijn naam. Ik werd uitgenodigd om bij Allah te
komen. Ik was nog niet van het geluk bekomen, toen er een wit paard
met vleugels verscheen. Ik nam plaats in het zadel en het paard
vloog met ongekende snelheid door de lucht. We passeerden de maan
en andere planeten die ik nog nooit gezien had. Ik voelde dat het
paard dwars door de verschillende verdiepingen van de hemel vloog.
Toen we bij de zevende verdieping waren, stopte het voor een
statige poort, ik steeg af en liep naar binnen. Het was een
grote, wonderlijke tuin met oude bomen, aparte geurige bloemen,
magische watervallen, mysterieuze vogels, goudkleurige vliegjes,
zilveren vlinders, rode mieren, elegante katten met glanzende,
groene ogen en grote herten met indrukwekkende geweien. Er liepen
ook mooie meisjes langs met wijnkannen. Was ik in het paradijs? Of
stond ik op de binnenplaats van Allah? Op dat moment hoorde ik
voetstappen op een met goud geplaveid pad achter de bomen. Zou het
Allah zijn?’
‘En toen?’ vroeg Ajeshe verwonderd.
‘De rest is iets wat tussen Allah en Zijn boodschapper heeft
plaatsgevonden’, zei Mohammad serieus.
‘Ja, maar hoe mooi waren de meisjes in de tuin van Allah? vroeg
Ajeshe onzeker.
‘Mooi, bijzonder mooi, maar geen van hen was mooier dan mijn
Ajeshe.’
Later kwam Mohammad met een nieuwe versie van zijn reis. Ik heb
deze in de Koran onder de titel ‘De ster’ opgenomen:
“In de naam van Allah
Hij is lief
Hij geeft
Hij vergeeft
Bij de ster op het moment dat hij valt,
Jullie medemens Mohammad is niet verdwaald, ook niet misleid.
En hij praat niet naar eigen wil.
En het is niets anders dan een duidelijke openbaring.
De engel Ghabriël heeft het hem geleerd.
Allah is scherp. Hij bezit kracht.
Hij stond aan de verst gelegen horizon.
Hij kwam dichterbij en Hij daalde neer.
Tot een afstand van twee bogen, of minder.
Hij openbaarde Mohammad wat Hij openbaren moest.
Diens hart loog niet over wat hij gezien heeft.’
87 Hassan en Hossein, de kleinzonen van Mohammad
Mohammad was gelukkiger en machtiger dan ooit. Maar ik zag iets wat
anderen nog niet was opgevallen. Mohammad was oud geworden.
Plotseling. Het leek alsof hij voor de verovering van Mekka geen
tijd had gehad om oud te worden en had gewacht tot hij Mekka had
veroverd.
lk merkte het toen hij in het zadel van zijn paard ging zitten en
we naar Medina terugkeerden. Gedurende de reis door de woestijn was
hij stil, ik hield hem van achter in de gaten, hij reed gebogen,
verloren, alsof het na de verovering van Mekka afgelopen was met de
wereld.
Soms vergat hij alles, vergat hij zijn Allah, zijn Koran, zijn
Mekka, zijn leger, zijn mooie vrouwen, en dacht hij alleen aan zijn
twee kleinzoontjes, Hassan en Hossein. De zonen van zijn lieve
dochter Fatemé, die met Ali getrouwd was.
Een delegatie machtige handelaren uit Mekka was zojuist gearriveerd
in Medina. Ze zouden met Mohammad in de moskee samenkomen over het
toepassen van een heffing op grote handel. Mohammad reed op
zijn paard voorop en de handelaren volgden hem in hun vorstelijke
kleding, op hun vorstelijke paarden. We reden richting de
moskee. Onderweg merkte ik dat Mohammad onaangekondigd van richting
veranderde. Ik dacht dat hij via een omweg langs het marktplein
naar de moskee wilde gaan om de vernieuwingen van het centrum aan
zijn gasten te laten zien. Maar hij meed het centrum en reed
verder. Ik wilde hem vragen waar hij naartoe ging, maar ik bleef
hem zwijgend achtervolgen. De delegatie volgde ons, ze
bewonderden de werkzaamheden in de stad en constateerden hoe
Medina, de oase van rust, in een levendige stad veranderd was.
Overal was beweging. Nieuwe gebouwen, nieuwe wegen, nieuwe bruggen.
Geleidelijk aan kwamen we in de wijk waar Ali, zijn vrouw Fatemé en
hun twee kleintjes Hassan en Hossein woonden.
Ik dacht dat Mohammad de vergadering opzettelijk buiten het centrum
in het huis van Ali wilde houden. Maar hoe zou ik moeten weten dat
hij zijn kleinkinderen miste en dat hij hen even wilde bewonderen
voordat hij met de handelaren ging vergaderen? Toen we bij
Ali’s huis waren, stopte Mohammad. Hij steeg af en zei tegen mij:
‘Ik ben zo terug.’
Hij ging naar binnen zonder de delegatie in te lichten.
Ik hield de mannen bezig en vertelde hun over de veranderingen in
de stad en de nieuwe gebouwen voor het landelijke bestuur. Ook
vertelde ik over een grote kazerne die buiten de muren van de stad
werd gebouwd.
De afwezigheid van Mohammad duurde langer dan verwacht en ik merkte
dat de delegatie zich begon af te vragen waar hij bleef.
‘Hij is bij Ali voor advies’, legde ik uit.
We wachtten nog even, maar hij kwam niet terug. Ik maakte me
zorgen, klopte op de deur en ging naar binnen. Wat ik daar aantrof,
was onaanvaardbaar gezien het feit dat de vorsten van Mekka op hem
stonden te wachten.
Ali was weg met zijn oudste zoontje en had Hossein bij zijn moeder
thuis gelaten. Hossein huilde, omdat zijn vader hem niet meegenomen
had. En Mohammad kon het niet verdragen dat Hossein huilde; hij was
zo in beslag genomen om hem te vermaken dat hij de hele delegatie
vergeten was.
Stomverbaasd stond ik daar en keek naar Mohammad.
‘Het is al goed, je moet niet meer huilen. Kom, we gaan je vader
opzoeken’, zei Mohammad tegen de kleine Hossein. Mohammad ging op
zijn handen en voeten naast Hossein staan en zei: ‘Op mijn rug! Zo
kunnen we sneller je vader vinden.’
De kleine Hossein klom met moeite op Mohammads rug en ging er
wiebelig op zitten.
‘Zit je goed?’ vroeg Mohammad.
De kleine Hossein pakte de vlechten van Mohammad als teugels vast
en zei: ‘Ja. Nu zit ik goed.’
‘Maar wacht eens even,’ zei Mohammad, ‘wat ben ik nu? Een paard? Of
kameel?’
‘Een kameel’, zei Hossein.
Mohammad begon als een wiegelende kameel op zijn handen en voeten
te lopen.
88 Bij de morgenster
De tijd van Mohammad leek ten einde. Hij was op de top van zijn
geluk toen hij bezweek.
Onverwachts werd hij gegrepen door een hoge koorts. Maar toen de
koorts weg was, leek ook Mohammad weg te zijn. Hij was de oude niet
meer, net als een kaars die in de nacht was uitgeblazen.
Hij verloor veel gewicht en kon niet goed meer op zijn benen staan.
De boodschapper kon niet meer lopen. Uitgeput leunde hij op de
binnenplaats tegen de muur.
Men wilde hem naar de moskee dragen, maar dat wilde hij niet, hij
zei: ‘Liever kruipen dan gedragen worden.’
Steunend tegen de muren liep hij naar de moskee.
Ajeshe keek toe van achter het gordijn en huilde zacht.
Aboebakar was in Mekka, hij had de leiding van de stad. Omar, Osman
en Ali waren constant op pad om het nieuwe rechtssysteem overal in
het land te doen gelden. Er was niemand meer om het gebed in
de moskee te leiden.
Op een dag zei Mohammad tegen mij: ‘Zeeëd! Ik kan mijn bed niet
verlaten, maar de mensen wachten op mij in de moskee. Jij! Verricht
het gebed.’
Ik waste meteen mijn handen, voeten en gezicht, trok schone kleren
aan, gordde Mohammads zwaard aan mijn zij, zadelde mijn paard en
reed naar de moskee. Tot ieders verdriet richtte ik me tot Mekka en
leidde het gebed.
Mohammad ging vanaf dat moment niet meer naar de moskee.
Hij lag de hele dag in bed en ik las hem een nieuw boek voor dat de
koeier had gebracht. Het was een Grieks wetboek dat men speciaal
voor Mohammad vertaald had.
‘Stop !’ zei hij op een gegeven moment. ‘Ik heb daar genoeg van,
lees me iets uit de Koran voor!’
Ik zocht in mijn geheugen naar een mooie tekst en zei deze soera
op, terwijl Mohammad met gesloten ogen luisterde:
‘Wanneer de hemel openbarst
En naar Allah luistert en zijn plicht nakomt
En wanneer de aarde gespreid wordt
En alles naar buiten gooit wat in haar is en zich leegt
En naar Allah luistert en haar plicht nakomt ‘
O mens, jij streeft naar Allah en jij zult Hem ontmoeten.’
Mohammad bleef stil liggen en zijn tranen liepen in zijn grijze
baard. Ik merkte dat het opzeggen van de Koran het beste
geneesmiddel voor hem was. Ik droeg nog een tekst voor:
“Bij de hemel en de morgenster
En weet gij wat de morgenster is?
Het is een ster met een doordringende helderheid.
De mens moet eens kijken waaruit hij gernaakt is.
Hij wordt geschapen uit een springende druppel.
Die uit een plek tussen de rug en ribben vandaan komt.
Allah heeft de macht om de mens weer terug te roepen na zijn
dood.
Op de dag waarop de geheimen worden geopenbaard.
Bij de wolken die zwanger zijn van de regen.
Het zijn beslissende woorden.’
89 De naderende dood
Mohammad kon niet meer naar buiten.
Zijn dochter Fatemé kwam bijna elke dag langs en nam haar zoontjes
mee. Het was de enige afleiding die Mohammad nog had. Hij verraste
hen altijd met bijzondere snoepjes. De handelaren van Mekka wisten
hoe ze Mohammad gelukkig konden maken. Ze namen lekkernijen uit
verre landen voor Mohammads kleinkinderen mee.
Ik, Zeeëd, verstopte die lekkernijen overal in zijn kamer, op de
binnenplaats onder de dadelbomen en tussen de struiken en zij
mochten de snoepjes zoeken en aan Mohammad laten zien. Ik heb hem
nooit zo gelukkig gezien als tijdens die snoepspelletjes.
Aboebakar, Omar, Osman en Ali waren terug in Medina, maar van de
geneesheer mochten ze niet vaak bij Mohammad langsgaan, want dan
wilde hij altijd iets over de situatie in het land weten. Alleen
Aboebakar mocht de grote lijnen aan hem meedelen.
“Zeeëd, ik wil in Ajeshes kamer gaan liggen’, zei Mohammad op een
nacht.
Ik mocht er niet aan denken, maar ik dacht: Mohammad wil
vertrekken.
Meteen liet ik Ajeshe weten dat Mohammad bij haar wilde liggen.
De jonge Ajeshe schrok van de gedachte dat de dood van Mohammad
naderde, maar ze was meer dan gelukkig dat Mohammad in haar bed
wilde sterven. Ze huilde van geluk en verdriet en haar handen
trilden toen ze haar bed voor hem klaarmaakte. We hielpen hem
samen overeind. Hij sloeg een arm over mijn schouder en een arm
over Ajeshes schouder. En zo brachten we hem naar Ajeshes
bed. Ajeshe waakte als een tijgerin over hem en liet niemand
in haar kamer komen. Vooral geen andere vrouw van Mohammad. Zelfs
zijn dochter Fatemé niet.
Ik heb haar woorden onthouden:
‘De boodschapper wilde bij mij zijn.
De boodschapper is nu van mij.
De boodschapper heeft zijn rust bij mij genomen.
Blijf uit de buurt van mijn kamer.
Het is afgelopen met zijn missie. Er is geen nieuwe boodschap
meer.
De Koran is compleet.’
Haar vader Aboebakar wilde Mohammad bezoeken, maar Ajeshe hield hem
tegen: ‘Vader! Het is afgelopen met zijn missie. Laat hem met rust!
Hij is geen boodschapper meer.’
Aboebakar duwde haar aan de kant om naar binnen te gaan.
Ajeshe barstte in tranen uit: ‘Vader, waarom luister je niet? Mijn
man slaapt.’
Ik, Zeeëd, was de enige die bij haar kamer mocht staan en ik voerde
haar opdrachten uit.
“Zeeëd, ik wil even uitrusten. Waak jij over hem?’
Ik ging voor haar kamer staan en waakte.
Op een dag riep ze: ‘Zeeëd! De koorts is terug. Hij gloeit. Zeeëd,
wil je de geneesheer waarschuwen?’
Ik ging de kamer in, voelde Mohammads voorhoofd. Hij brandde als
een kachel en was bewusteloos.
‘Zal ik Aboebakar waarschuwen?’
‘Ja, haal mijn vader’, antwoordde ze huilend.
Ik reed ook naar Omar, Osman en Ali en lichtte hen in.
Ze kwamen allemaal. En de geneesheer gaf de indruk dat de
boodschapper aan zijn laatste reis begonnen was.
Op Aboebakars bevel bracht ik een grote koperen kuip naar binnen,
waar men zich normaal in wast. Aboebakar kleedde Mohammad uit, Ali
en Omar hielpen hem in de kuip. Osman goot zachtjes water over hem
been om de koorts te laten zakken en Ajeshe stond huilend toe te
kijken. lk bracht zeven emmers water naar binnen. En zij goten
alle zeven emmers over zijn hoofd, totdat de koorts was gezakt.
Ajeshe droogde hem onmiddellijk af en hing een deken over zijn
schouders en de mannen hielpen hem weer in bed.
“Nu wil ik dat iedereen weer naar huis gaat’, zei Ajeshe.
Aboebakar maande haar tot rust.
‘Iedereen weg!’ herhaalde Ajeshe.
“Ajeshe! Beheers je!’ zei Aboebakar.
‘Mijn man slaapt. Iedereen uit mijn kamer!’
Niemand durfde iets te zeggen. Iedereen verliet de kamer.
Ajeshe bleef alleen met de boodschapper.
En ik, Zeeëd, stond voor de deur te waken.
90 Hij regelt het al
Jaren later werd Ajeshe een machtige vrouw, misschien wel de
machtigste vrouw op aarde. Ze reed op een olifant. Ik ging op zoek
naar haar om de laatste fase van Mohammads leven te
beschrijven.
Tevergeefs was ik zeven keer naar haar paleis gegaan om een
afspraak met haar te regelen, maar ik werd voor haar deur
tegengehouden.
Ik had geduld. En ik ging net zo vaak langs totdat ik haar een keer
voor haar kasteel trof toen ze van haar olifant geholpen werd en ik
riep hard: “Ajeshe!’
Ze droeg een doorzichtige groene sluier voor haar gezicht. Ze keek
om.
'Ik ben het, Zeeëd. Ik schrijf over Mohammad. lk wilde je vragen om
een aantal dingen te vertellen.’
Ze liep naar binnen. Ik dacht dat ze me niet wilde spreken.
Maar even later kwam haar bediende naar buiten en sprak me toe:
‘Mijn dame ontvangt u graag. Volg me.’
Begeleid door drie lijfwachten liep ik haar woning in. Ik weet niet
hoe de Perzische koninginnen gewoond hebben en we hebben nooit een
Arabische koningin gehad in onze geschiedenis, maar Ajeshe voldeed
aan mijn voorstelling van een koningin. Omringd door mooie, jonge
bedienden zat ze op een gouden troon, leunend op versierde zijden
kussens met edelstenen, belicht door grote kaarsen in zilveren
kandelaren. Ze was een beetje dik geworden en er was niets van
die ondeugende, jonge Ajeshe over. Ik was ook veranderd en daarom
bleef ze eventjes stil naar me kijken.
‘Alles is veranderd, Zeeëd’, zei ze.
‘Alles’, benadrukte ik.
‘Neem plaats, Zeeëd.’
Er werd me een stoel aangeboden van rood satijn met bloemfiguurtjes
bekleed.
‘Vertel, Zeeëd, wat wil je van mij horen’, vroeg ze.
‘Wilt u me vertellen wat er die nacht gebeurde toen u iedereen
wegstuurde en met de boodschapper alleen binnenbleef?’
Ajeshe zweeg, ze wilde er niets over kwijt. Om haar te
overtuigen hoe belangrijk haar woorden zouden zijn, zei ik: ‘U bent
niet alleen de koningin van het rijk. Dit moet geschiedenis worden.
Mijn boek is niet voor de mensen van deze tijd, maar voor hen die
over duizend jaar zullen leven.’
“Zeeëd, kan je het geloven? Mijn man Mohammad is dood, mijn vader
Aboebakar is dood. Omar, Osman en Ali zijn alle drie omgebracht.
Het lijkt alsof alles in één ogenblik plaats heeft gevonden. Het
lijkt alsof het gisteren was dat jullie koud water over Mohammad
heen goten om zijn koorts te laten zakken.
Toen iedereen weg was, deed ik de deur van binnen op slot. lk depte
zijn voorhoofd met een doek en trok hem zijn lange, witte djelaba
aan. Ik dimde het licht van de lantaarn, kroop onder zijn
deken, ging tegen hem aan liggen, legde mijn hoofd op zijn borst en
sloot mijn ogen. Ik wilde dat moment voor de eeuwigheid
vasthouden. Als hij zijn ogen niet open wilde doen, wilde ik
mijn ogen ook niet meer opendoen. En als hij doodging, wilde ik ook
doodgaan. lk weet niet hoelang het geduurd heeft, maar op een
gegeven moment ging ik zitten en in het schaarse licht zag ik dat
hij naar me keek en glimlachte. Ik was verzaligd van geluk en ik
kuste hem op zijn hoofd, op zijn ogen, op zijn neus en op zijn
mond. Hij zei zachtjes iets wat ik niet verstond. Ik bracht mijn
oor bij zijn mond,hij herhaalde het, maar weer verstond ik het
niet. Toen sloot hij zijn ogen en vertrok.
Ik was nog jong, ik had de dood nooit van zo dichtbij meegemaakt.
Ik trok me zachtjes terug, legde mijn groene sluier over zijn
gezicht, liep op mijn tenen weg en op blote voeten ging ik naar het
huis van mijn vader. Het Ieek alsof ik slaapwandelde. De bewaker
begeleidde me naar binnen. Mijn vader verscheen op de
veranda.
Hij wist het meteen, toch vroeg hij: ‘Ajeshe! Wat doe je hier?’
‘De boodschapper is weg’, zei ik en ik viel op de grond.
Ik, Zeeëd, stond voor de deur toen Ajeshe de kamer verliet. Ik liet
haar gaan en ging de kamer in waar Mohammad lag. Ik pakte de
lantaarn en keek naar zijn gezicht, dat bedekt was met een groene
sluier.
Ik knielde naast hem en zei een soera op:
‘Alef Lam Miem Raa
De eerstgekomenen zijn het eerst gekomen
In de tuinen van het geluk
Rustend op juwelen rustbanken
En er zijn gezellinnen met sprekende, grote ogen
Die als welbewaarde parels zijn
Ze gaan bij hen rond
Met kruiken
En drinkbekers gevuld met wijn
Waarvan zij geen hoofdpijn krijgen
Waarvan zij niet beneveld raken
En vruchten die zij uitkiezen
En vlees van het gevogelte.’
De deur ging open. Aboebakar, Omar, Osman en Ali kwamen binnen. Ik
kwam overeind en hield de lantaarn omhoog. Ze knielden met z’n
vieren om zijn bed en Aboebakar neuriede:
‘Alef Miem Ra
Hij regelt het al
En Hij is het die de aarde uitspreidde
En de bergen verhief
Rivieren liet stromen
Hij deed de hemelen verrijzen op de pilaren
Die gij niet kunt zien
Hij stelde de zon en de maan in dienst
En Hij liet elk in zijn eigen baan lopen
Tot een vastgestelde tijd
Hij regelt het al
Hij doet de nacht de dag bedekken
En andersom.’
Daarna gingen ze een eindje bij hem vandaan op de grond
zitten. Er moest onmiddellijk een opvolger voor Mohammad
gekozen worden. En ze moesten zich haasten, want de beslissing
moest voor zonsopgang genomen worden. Maar het duurde niet
lang. Omar, Osman en Ali noemden gelijktijdig de naam van
Aboebakar. Zo werd Aboebakar de eerste kalief. Ze stonden op
en kusten Aboebakar op zijn linkerschouder. De boodschapper
was dood. De eerste kalief was gekozen. Ze gingen met z’n
vieren te paard naar de moskee. En ik reed hen op een afstand
achterna. De omroeper riep de mensen op om zich te verzamelen
voor het gebed.
Omar riep: “De kalief Aboebakar verricht het gebed!’
Aboebakar gordde het zwaard van Mohammad om en richtte zich tot
Mekka.
Iedereen begreep dat Mohammad weg was.
91 Zeeëd spreekt
Het verhaal dat ik over de boodschapper wilde doorgeven, heeft zijn
einde nog lang niet bereikt. Maar ik moet stoppen. Het is de wet
der verhalen. Ze houden ergens op.
Nu u dit leest, ben ik al dood.
Zeeëd voelt zich gelukkig in zijn graf als hij zijn taak goed heeft
verricht.
Mohammad deed het voor Hem.
Maar ik voor hem.
Zeeëd ebne Sales
De kroniekschrijver van Mohammad ebne Abdollah
7 shawal 40
Mekka