71 In de moskee
In Medina was Mohammad haast nooit meer thuis, hij had er niet eens een eigen slaapkamer en geen echtgenote. Mohammad woonde in feite in zijn moskee. Hij was verliefd op zijn moskee. Je kon hem er dag en nacht vinden. De moskee was het centrum van zijn beweging geworden, alle beslissingen werden daar genomen. Besluiten die buiten de moskee genomen werden, waren niet geldig. 
De moskee was aan de rand van het centrum gebouwd. In het begin gingen de ramen naar Jeruzalem open. Je keek uit op een prachtig landschap, met groene druiventuinen, amandelbomen en olijventuinen. Het waren de tuinen van geluk in het paradijs volgens de beschrijving van Mohammad. Aan de achterzijde was een groot raam gezet dat uitzicht op de bergen bood. Mohammad liep trots door zijn moskee en praatte openhartig met zijn volgelingen, die bezig waren met het aanleggen van de tuinen. 
In Mekka had ik hem zelden vrolijk gezien, nu hoorde ik overal in de moskee zijn lach. De aandacht die hij van de vrouwen kreeg, had hem jonger en knapper gemaakt. In Mekka ging hij soms gebukt onder de beledigingen en de zware druk, maar in Medina zat hij rechtop in het zadel van zijn paard, reed als een koning het bazaarplein op en straalde van geluk als de vrouwen naar hem wezen: “Kijk. Daar komt hij. De boodschapper.'

Aboe Navaz, de dichter van Medina, had een gedicht over Mohammads paard geschreven:
‘Kunnen jullie echt een vrouw vinden van wie de vlechten zachter zijn dan de manen van Mohammads paard?
Kunnen jullie een vrouw vinden van wie de borsten er mooier uitzien dan het zadel van Mohammads paard?
Waar kunnen jullie een vrouw vinden wier ogen zo stralend schitteren als de ogen van Mohammads paard?
Nee, er is geen enkele vrouw die als Mohammads paard van spanning trilt tijdens het gevecht op het slagveld en toch rustig blijft.’

Ik droeg net als Mohammad een zwaard en ik reed op een zwart, slim paard. Ik leerde vechten in het militaire kamp waar de volgelingen werden getraind.
En Medina was de gelukkigste stad van de wereld, want de stad had zeventig verschillende soorten dadels met zeventig verschillende namen en zou het centrum van een nieuwe, grote wereldbeschaving worden.


72 Salman Parsi, de Perzische krijgsheer
In de moskee gingen Mohammad en zijn raadgevers midden in de gebedsruimte zitten in een cirkel op de grond. Ik liep in de moskee rustig langs de ramen en hield binnen en buiten alles in de gaten.
De aard van de zittingen in de moskee was anders dan de zittingen vroeger in het huis van Mohammad in Mekka. Er werd meer over oorlogstactieken gepraat en over goud, wapens en voedsel. Omar was met een paar voormalige Perzische krijgsheren in contact gekomen en had drie van hen bereid gevonden om naar Medina te komen.
Een van hen heette Salman, beter bekend als Salman Parsi. 
Hij werd later de persoonlijke oorlogsadviseur van Mohammad. Hij was in die tijd tegen de dertig, een slimme man en een geniale bedenker van nieuwe gevechtsmethodes. Salman gaf leiding aan de trainingskampen en de werkplaatsen waar de wapens werden gesmeed.
Het was een van de laatste nachten van het eerste jaar na de vlucht van Mohammad naar Medina. Salman en Mohammad waren alleen in de moskee. Ze hadden een plattegrond opengerold en praatten met elkaar terwijl ze zich erover bogen. Toen hun gesprek beëindigd was, riep Mohammad mij.
Ik legde mijn hand op mijn zwaard en haastte me naar hem toe.
Hij noemde de namen van veertig mannen en ik noteerde ze.
'Voor zonsopgang. Op de Ohodberg. Ze nemen hun zwaarden mee. En ze weten niets van elkaar’, zei hij.
Ik sprong op de rug van mijn paard en reed als een bliksemschicht door de stad om de mannen te waarschuwen.
De volgende dag voor zonsopgang stonden ze allemaal aan de voet van de Ohodberg. Het was nog donker en ze zagen elkaars gezichten niet goed, ze mochten niet met elkaar praten en wisten niet wat hen te wachten stond. Mohammad kwam en zei: ‘Gisternacht heb ik een nieuwe opdracht van Allah gekregen. Straks rijdt er een belangrijke karavaan afkomstig uit Mekka met goud en goederen via de Rode Zee de vallei binnen.
Wij zullen de karavaan aanvallen en het goud en het geld buitmaken voor de moskee. Een derde van de geroofde goederen is voor jullie, maar de rest komt toe aan de moskee.’
Niemand bewoog, iedereen luisterde zwijgend.
‘Heeft iemand een vraag?’ zei Mohammad.
‘Maar Mohammad, we zijn nog in de heilige maand Ramadan.
En oorlog is verboden in Ramadan. Waarom doen we dit?’ vroeg een van de volgelingen.
‘Ik beslis niet’, zei Mohammad. ‘Ik weet niet waarom. Allah beslist. Hij is alwetend. En het is geen gewone oorlog, maar een heilige oorlog. Een oorlog voor Allah.'
“Mohammad, is het roverij of is het oorlog?’ vroeg een ander.
“Het is een heilige roverij. Zo heb ik het doorgekregen’, zei Mohammad.
Er waren geen vragen meer. Mohammad wees iedereen een plek op de berg.
De karavaan reed de vallei binnen.
Mohammad riep luidkeels: ‘La ilaha ella Allah! Er is één God. Het is Allah!’ 
De volgelingen riepen allemaal tegelijk ‘Allah’ en vielen de karavaan aan. Verbaasd, gechoqueerd en verloren lieten de handelaren hun paarden, kamelen en goederen in de steek en vluchtten de bergen in.
We reden met dertien paarden en honderddrieënvijftig kamelen beladen met goud en goederen de gelukkige stad Medina binnen.


73 Het eerste gevecht met Mekka
De dichter Aboe Navaz stond op een verhoging en droeg dit gedicht voor aan Mohammads mannen, toen ze na de heilige roverij met hun wapens voor de deur van de moskee voor Mohammad marcheerden :
‘Jij! Mijn zwaard!
Als ik je scherpe, snijdende rand voel, voel ik hetzelfde als wanneer ik de zachte borsten van een jonge woestijnvrouw aanraak.
En als ik je pak, heb ik het gevoel dat ik een tros rode, rijpe, zoete druiven in mijn handpalm draag.
Honger en dorst hebben geen invloed op me en het rijpe fruit en het genot van de heerlijke tuinen kunnen me niet tegenhouden wanneer ik met jou in mijn hand op mijn paard galoppeer.'

Na de eerste roof hadden de volgelingen de smaak te pakken en de volgende berovingen gingen even voorspoedig. Iedereen wilde nu met Mohammad mee. Elke dag kwamen tientallen jongemannen en avonturiers uit alle hoeken van het land naar Medina en ze meldden zich aan bij Omar in de moskee. 
Mekka was geschrokken van de plunderingen op de handelswegen. Mohammad bedreigde de gehele handel van Mekka met de ondergang. Geen enkele handelaar durfde Mekka nog te verlaten en niemand durfde meer naar Mekka te reizen. Ze moesten iets doen, ze moesten Mohammad pakken en zijn legertje vernietigen voordat het te groot werd. Aboesofjan, de bevelhebber van Mekka, bedacht een plan. Hij stuurde negenhonderdvijftig van zijn strijders vermomd als handelaren met een karavaan mee richting Medina. Er werd geregeld dat Mohammad een bericht zou krijgen dat er een grote karavaan met goud en goederen via de Rode Zee de stad Medina naderde. 
De eerste berovingen hadden Mohammads mannen uitgevoerd op blote voeten en met hun blote handen. Nu hadden ze paarden, snelle kamelen en lichte, scherpe zwaarden. Ze hadden daarom ruimte nodig en konden de vijand niet meer op een nauwe plek aanvallen. Daarom koos Mohammad deze keer voor de woestijn en zijn strijders verstopten zich achter de zandheuvels. Maar toen ze de karavaan aanvielen, werden ze tegen hun verwachting in opgewacht door zwaar bewapende vechters van het leger uit Mekka. De mannen van Mohammad, die zich op het rapen van goud en geld hadden voorbereid, schrokken van die onverwachte wending. Wat moest Mohammad doen? Snel overlegde hij met Salman Parsi en Aboebakar. Als ze nu naar Medina terugkeerden, zouden ze achtervolgd worden door het leger van Mekka en zo de oorlog de stad binnenhalen. Ze moesten vechten, er was geen terugkeer mogelijk. Salman adviseerde korte, snelle offensieven: ‘Aanvallen, toeslaan en ons snel terugtrekken.'
En Mohammad riep tegen zijn volgelingen: ‘Wie sterft, gaat rechtstreeks naar het paradijs. Wie blijft leven, ontvangt goud!’
Honderdzevenendertig keer vielen we de karavaan aan, honderdzevenendertig keer brachten we hem op verschillende plekken gevoelige slagen toe en honderdzevenendertig keer trokken we ons terug. Van het kamp van de vijand werd een deel gedood, een deel gevangengenomen en een deel wist te ontkomen. Aan de kant van Mohammad sneuvelden veertien mannen.
Onverwachts had de eerste offciële oorlog tussen Mekka en Mohammad plaatsgevonden en Mohammad had gewonnen. Het bericht ging het hele land rond. Mohammad was geen rebellenleider meer. Hij was krijgsheer geworden.
Ik, Zeeëd, stond boven in de toren van de stadspoort om de triomftocht goed te kunnen zien en de buit te noteren. De bewoners van de stad stonden in twee rijen buiten de poort opgesteld. Ze juichten Mohammad toe.
Ik heb de buit genoteerd:
723 kamelen beladen met zwaarden, gevechtsmatenaal en nepgoederen
93 getrainde veldpaarden
73 kamelen beladen met drank en etenswaren
13 kamelen beladen met pannen en kookgerei
23 kamelen beladen met kleding en schoenen
126 krijgsgevangenen
47 jonge vrouwen die meereisden
Geen geld. Geen goud.


74 Oorlog
Anderhalf jaar na zijn vernederende verlies stuurde Mekka een leger van drieduizend man onder persoonlijke leiding van Aboesofjan richting Medina. De joden deden in het geheim mee. Ze ondersteunden Mekka’s leger met zowel mankracht als paarden, kamelen, voedsel en wapens. Mohammad trad Aboesofjan met zevenhonderd man tegemoet. De dichter Aboe Navaz schreef een gedicht voor de vrouwen van Medina om de strijders aan te moedigen:
‘Jullie! Strijders van Mohammad!
Als jullie de vijand genadeloos aanvallen ontvangen wij jullie met zachte stoffen waarmee we onze lichamen bedekt hebben en we laten jullie proeven en genieten van een ander soort plezier.
Maar als jullie de rug naar de vijand toekeren krijgen jullie geen beker wijn meer uit onze handen en is het afgelopen met het andere soort plezier.’

Maar de verleidelijke aanmoedigingen van de vrouwen van Medina werkten niet en de strijders van Mohammad kregen een tijdlang geen ‘ander soort plezier’ van hen. De beslissende oorlog begon en de mannen reden op hun getrainde paarden als een eenheid achter Mohammad aan. Ik, Zeeëd, reed altijd buiten de eenheid om de groep in de gaten te houden. Ik had niets met het leger, niets met oorlog, niets met een zwaard. Ik was slechts getuige, de getuige van Mohammads leven. Ik droeg een zwaard, maar ik heb er nooit mee gevochten en er nooit iemand mee gedood. lk droeg mijn zwaard om twee redenen: om Mohammad te beschermen als iemand hem van achteren wilde aanvallen en om mezelf te verdedigen. lk geloof dat iedereen alleen maar aan het geld en het goud dacht dat ze straks als oorlogsbuit mee naar Medina zouden nemen. Maar het liep anders. We konden geen van onze oorlogstactieken uitvoeren. Hun aanval was zo sterk dat we geen kans kregen om op adem te komen. In deze oorlog proefde ik de hel waar Mohammad het zo vaak over had.  
Aboesofjan, de bevelhebber van Mekka, had voor een oude Romeinse opzet gekozen. We vielen de vijand niet alleen van voor, maar ook van achteren aan, maar tevergeefs. Als we vluchtten naar rechts, stonden ze ons op te wachten. Als we vluchtten naar links, stonden ze klaar om ons aan te pakken. Er was geen uitweg meer, tenzij Allah aan ieder van ons twee sterke vleugels gaf om via de lucht te ontsnappen. Velen kwamen om en wie kon vluchten, gooide zijn zwaard weg, liet zijn paard los, nam zijn toevlucht tot de woestijn en verstopte zich achter de zandheuvels om zijn leven te redden. 
Mohammad riep: “Terug! Mannen, terug!’ 
Maar niemand luisterde naar hem.
Mohammad riep: ‘Mannen, kijk naar de lucht! Allah stuurt engelen om met jullie mee te vechten.’
Maar niemand keek omhoog, niemand wilde de engelen zien.
Omar, Osman, Aboebakar en Salman reden in volle vaart naar Medina om bij de poort hun positie in te nemen en de stad tegen een eventuele invasie te verdedigen.
Het leger van Aboesofjan juichte na de overwinning. Ze zwaaiden met hun zwaarden in de lucht en reden te paard joelend in het rond. Nee, ze hadden het goed gezien. Er was geen enkele strijder van Mohammad meer te bespeuren aan het front. Maar Mohammad, Ali en ik waren niet gevlucht. Mohammad was de enige die nog een poging deed om met zijn engelen de verloren oorlog te winnen en ik volgde hem overal om hem te beschermen. Tevergeefs spoorde hij nogmaals zijn mannen die op de vlucht waren aan: ‘Keer terug! Kijk naar de lucht! De engelen komen eraan!’ 
Ali en ik deden iets doms. Eén klein ogenblik keken we naar de lucht of er echt engelen neerdaalden en juist op dat moment, toen onze aandacht voor Mohammad verslapte, verscheen er een man te voet van achter een zandheuvel. Het was een soldaat van de vijand en hij herkende Mohammad, maar schrok even van diens onverwachte aanwezigheid. Zonder aarzelen pakte hij vervolgens een steen en gooide hem naar Mohammad. De steen raakte Mohammads gezicht en brak een van zijn voortanden. De man gooide nog een steen. Dit keer een grote. Deze raakte Mohammads hoofd. Hij verloor zijn evenwicht en viel bewusteloos van zijn paard. De soldaat rende de heuvel op en riep overstuur: ‘Mohammad. Mohammad. lk heb Mohammad gedood.’
Ali gaf hem verder geen kans en sloeg hem met zijn zwaard neer. En om de vijand te misleiden begon hij heel hard richting Medina te galopperen. Drie ruiters achtervolgden hem. Dat gaf mij de tijd om Mohammad te verbergen. lk sleepte hem over de grond naar een rustige plek. Met mijn zwaard sneed ik zijn lange vlechten af, trok zijn dure legerlaarzen uit en ontblootte zijn voeten, zodat hij niet herkend zou worden als leider. Ik verstopte hem achter de struiken. Daarna sprong ik op mijn paard en reed naar een plekje iets verderop, waar een paar bomen stonden. Zittend op mijn paard verstopte ik me achter de bomen en bleef vanuit de verte over hem waken. Ik wachtte tot het donker werd, reed terug, zette Mohammad op mijn paard en reed naar Medina, rechtstreeks naar het huis van de geneesheer. Daarna ging ik op zoek naar Aboebakar. Ik reed weer naar de heuvels net buiten de stad, waar de gevluchte mannen paraat stonden om een eventuele invasie van de vijand tegen te houden. Ali had Aboebakar gewaarschuwd dat Mohammad gewond was geraakt; de vijand had het gerucht verspreid dat Mohammad dood was. Osman en Ali hadden overal gezocht, maar ons nergens kunnen vinden. Er hing nu een droevige stemming en je voelde dat niemand meer de moed had om door te vechten. Ik trof Aboebakar bij een groep stamhoofden van de stad. Hij had niet verwacht dat hij mij levend te paard zou treffen. Meteen vroeg hij naar Mohammad. Ik reed zo dicht mogelijk naar hem toe. Ik boog me voorover, bracht mijn hoofd naar zijn oor en zei:‘Mohammad leeft, maar hij is zwaargewond.'
‘Waar is hij?’ vroeg Aboebakar.
‘In Medina.'
‘Omar!’ riep Aboebakar hard.
Omar verscheen en wierp een snelle vragende blik op mij.
Aboebakar fluisterde de boodschap in Omars oor.
Omar sprong op zijn paard en reed zo snel als hij kon naar de strijders: ‘Lang leve Mohammad! Hij is in Medina. Verenig je! Verdedig de stad! Verdedig je vrouw en je kinderen! Verdedig je huizen en je bomen!’
Alle mannen zwaaiden hun zwaarden in de lucht en slaakten samen een kreet: ‘Leve Mohammad.'
Niemand kon hen meer ontmoedigen.


75 De joden
Na zijn overwinning besloot Aboesofjan, de bevelhebber van Mekka, Medina binnen te vallen en de stad te veroveren. Maar al snel kreeg hij te horen dat Mohammad niet dood was, en dat diens leger onder leiding van Omar voor de poort van de stad gestationeerd was. Bovendien hadden de stamhoofden opdracht aan de bevolking gegeven om onder leiding van Osman de stad binnen de muren te verdedigen. De mannen stonden met hun zwaarden gereed op de kruispunten en vrouwen en kinderen stonden met pijl en boog en stenen op de daken om het leger van Mekka te belagen. Mekka mocht Medina nooit overheersen. Aboesoijan beraadde zich en vreesde dat hij een oorlog binnen de muren van Medina zou verliezen. Zou het niet beter zijn om het voor gezien te houden en later met een groter leger terug te keren?
Medina wachtte op zijn aanval, maar tot ieders verbazing besloot Aboesofjan tot de terugtocht naar Mekka.
Ik, Zeeëd, heb er met iedereen over gepraat, maar ik heb niet kunnen achterhalen waarom hij Medina niet aanviel. Hij wist via zijn handlangers dat Mohammad gewond was geraakt en voorlopig uitgeschakeld was. Hij had het leger zware schade toegebracht, dus waarom stootte hij niet door? Was hij echt bang dat hij de strijd binnen de muren van Medina jammerlijk zou verliezen? Het kan; de angst voor een totale vernedering kan Aboesofjan hebben weerhouden om de stad binnen te vallen. Het zou een totaal gezichtsverlies voor Mekka betekend hebben als de bevolking van Medina Aboesofjan en zijn leger kapot zou maken en dat geen soldaat de kans zou krijgen om via de poort te vluchten om het bericht van het verlies mee terug naar Mekka te nemen. Zodoende keerde Aboesofjan terug naar Mekka met zijn leger. 

Er heerste een paar maanden stilte tot Mohammad hersteld was. 
Hij wist dat Mekka zich in het geheim beraadde op een strategie om Medina binnen te vallen. Hij was ervan op de hoogte, maar hij wist dat het een tijd zou duren eer ze zouden komen. Voor het zover was, zou Mohammad een andere zaak moeten afhandelen: de joden. 
Mohammad, die een hekel aan de joden had gekregen door hun samenzwering met het leger van Mekka, begreep dat hij, zolang de joden in de stad waren, de oorlogen niet zou kunnen winnen. Hij wachtte op een gelegenheid om de jodenkwestie deiinitief op te lossen. Hij had al eerder harde kritiek van zijn oom Abbas gekregen over zijn overeenkomst met de joden: ‘Dat was dom van je, Mohammad. De joden hebben je te grazen genomen. Heb je voor Jeruzalem gekozen? Als je de steun van de grote handelaren van Mekka wilt, moet je voor de Kaabé kiezen, niet voor de moskee van de joden. Je moet nooit met je rug naar Mekka gaan staan. Mekka betekent groothandel en de Kaabé betekent macht. Herroep je beslissing! Richt je tot de Kaabé, Mohammad.'
Nu was het moment aangebroken om de belofte aan de joden te breken.
‘De joden hebben ons verraden. Ze hebben geheime informatie over ons leger aan Mekka doorgegeven’, zei iedereen in Medina. De ruzies begonnen en dag en nacht kwam het tot harde discussies en handgemeen tussen de Arabieren en de joden. 
Op de bazaar zei een joodse man iets liefs tegen een Arabische vrouw. Maar zij moest er niets van hebben en riep de Arabische mannen om haar eer te verdedigen. De Arabieren en de joden gingen op de vuist. Het conflict liep uit de hand en ze sloegen elkaar tot bloedens toe, waarbij een Arabier gedood werd. Allah reageerde ter plekke en openbaarde Mohammad het bevel dat hij nodig had: ‘Mohammad! Verscheur je overeenkomst met de joden. Je hoeft je woord niet na te komen! Het zijn verraders. De jood is een verrader.’
Mohammad verscheurde de overeenkomst en zette de joden onder druk om de dader uit te leveren. De joden weigerden dat, maar de leider van de stam Bani Nazier nodigde Mohammad uit om met hem over de kwestie te praten. Mohammad accepteerde de uitnodiging en hij ging. Maar ze hadden een plan beraamd om hem te doden. Mohammad kwam achter het plan en wist te ontsnappen.  Het geduld van Mohammad raakte op en hij nam een beslissing die hij allang wilde nemen. Hij gaf de joden één dag de tijd om de stad te verlaten. Elke familie mocht zoveel bezittingen meenemen als een kameel kon dragen en moest haar goud en geld achterlaten. De joden negeerden het bevel, trokken zich terug achter hun wijkmuur en sloten de poort. Een week lang wachtte Mohammad, maar ze bleven in hun huizen zitten en gingen niet weg.
‘Hoe langer jullie verzet hoe zwaarder jullie straf. Nu moeten drie families hun bezittingen samen op één kameel laden.'
De joden luisterden weer niet en wisten het nog eens twee weken vol te houden. 
Mohammad deed iets wat hij niet had moeten doen. Hij stak al hun dadelbomen in brand en vernielde zo hun dadelakkers. Dit deed de joden pijn en het brak hun verzet. 
‘Ga weg, anders zet ik ook jullie huizen in brand, en nu mogen jullie niets meer meenemen. Dit is een nieuw bevel van Allah.'
De joden konden niet langer stand houden, ze vernietigden zelf hun huizen, trokken de ramen uit de muren, maakten hun eigen spullen kapot om maar niets voor Mohammads aanhang achter te laten. Daarna verlieten ze hun stad met lege handen. Maar tijdens hun aftocht sloegen hun vrouwen hard op de trommels en ze juichten om te laten zien dat Mohammad hen mentaal niet kapot kon krijgen. 
Mohammad had Medina nu helemaal in handen. Hij besloot om ook de joden uit de omliggende dorpen uit te schakelen. Maar eerst corrigeerde hij twee van zijn eerdere besluiten voor de eeuwigheid: 'Mekka is belangrijker dan Jeruzalem. Vanaf heden veranderen we van richting. We richten ons tot de Kaabé tijdens het gebed. We vasten niet meer met de joden mee.' 
Toen riep hij alle Arabieren van de stad op om zich onder zijn groene vlag te verzamelen.
De stad juichte. De winkeliers sloten hun winkels en iedereen schaarde zich achter Mohammad.


76 Amrobne Djahesh, de oude rabbijn
lk zocht naar een joodse oud-inwoner van Medina om hem aan het woord te laten. Maar nu de islam de helft van de wereld veroverd heeft, durft geen jood meer met me te praten. In het dorp Gheebar vond ik een bekende rabbijn uit het oude Yasreb. Amrobne Djahesh was zijn naam en hij had de gezegende leeftijd van negentig jaar bereikt. Hij liep gebogen, maar toch nog behoorlijk goed en hij was scherp van geest. Hij woonde alleen in een eenvoudige kamer in het huis van zijn oudste zoon. Zijn bezittingen bestonden uit een pot voor drinkwater, een stuk droog brood, een schaal verse dadels en het kleedje waarop hij zat en sliep. Hij was voor niemand bang. Toch verzekerde ik hem dat ik ons gesprek aan niemand zou doorvertellen en dat niemand de beschrijving ervan zou lezen. Hij besloot met mij te praten, maar op voorwaarde dat zijn verhaal zonder wijzigingen en met zijn eigen naam erbij in mijn boek opgenomen zou worden. Ik zwoer bij de Koran dat ik zijn wens zou honoreren. Daarna wandelden we via de beruchte burcht van Gheebar naar de weilanden. 
De woorden van Amrobne Djahesh heb ik letterlijk genoteerd: 
‘Ik heb mijn hele leven in synagogen doorgebracht en heb bijna alle oude boeken gelezen, maar geen profeet heeft zo veel geweld gebruikt als deze Mohammad. Na de farao’s heeft geen enkele flguur uit de historie de joden zo veel pijn gedaan als Mohammad. Natuurlijk konden we die analfabete sprinkhaneneter niet als profeet aanvaarden. Hij verslond jonge vrouwen en bedacht soera’s als rechtvaardiging om ons uit de weg te ruimen. We zagen hem eerst als een ambitieuze opstandeling en later als een ambitieuze stamleider. Aanvankelijk konden we met hem aan tafel zitten en compromissen bespreken, maar zodra hij zich als een hedendaagse Mozes begon te gedragen, ontstonden er problemen. Vanaf het moment dat we hem als een ongenadige leider zagen, zochten we natuurlijk naar bondgenoten om hem onderuit te halen. Eeuwenlang hadden we de macht gehad in Yasreb en beheersten we de markt. Maar toen hij de stad had overgenomen, deed hij alles om ons te verbannen. Uiteindelijk kreeg hij zijn zin en zette hij ons met onze vrouwen en kinderen buiten de poort. Hij beroofde ons van al onze bezittingen, zelfs van de schoenen van onze kinderen. Hij heeft mijn dorp Gheebar met de grond gelijkgemaakt en alle bomen verbrand. We wisten dat hij niet betrouwbaar was, maar we hadden zijn persoonlijke kracht onderschat. Hij was ongewoon. En dat hadden we toen nog niet in de gaten. 
Later verenigden alle joden zich en vielen we hem aan. Zonder resultaat. Hij won. Weer later vochten we samen met het leger van Mekka tegen hem. Opnieuw tevergeefs. Hij won. Toen hij in het hele land de macht veroverd had, zagen wij geen uitweg meer. We moesten aanvaarden dat Mohammad een boodschapper was, dat Allah de nieuwe God was en dat de Koran het nieuwe heilige Boek was. Zo schaarde hij zich door middel van geweld in de rij van de oude profeten en benoemde zichzelf zelfs tot de laatste profeet op aarde. Deze slimme Mohammad heeft bijna tweederde van zijn Boek aangedikt met de verhalen uit onze Tora, maar overal in zijn Boek heeft hij de joden vervloekt. Ik sta met één been in het graf daarom ben ik niet bang om mijn mening te zeggen. En je mag het volgende in je boek noteren voor de mensen in de toekomst: “Nu u dit leest, ligt Amrobne Djahesh al dood in zijn graf maar hij roept luid, vanuit zijn laatste rustplaats: 'Mohammad was geen boodschapper. Hij was de profeet der dieven!"’


77 Ajeshe, de lieveling van Mohammad
De rust was in Medina teruggekeerd. Mohammad was veilig.
Voorlopig nam hij genoegen met het goud van de joden en liet hij het karavaanverkeer met rust.
Om een beeld te schetsen van zijn leven in die rustige tijd, laat ik de oude bediende van zijn jonge lievelingsvrouw Ajeshe aan het woord. Ze heet Bete Kolsoem en ze is inmiddels in de zestig.
‘Kolsoem, vertel me iets moois uit die tijd’, zei ik.
‘Iets moois,’ zei Kolsoem glimlachend, ‘wat kan ik je vertellen, even nadenken. Ik was altijd bij Ajeshe, ik was eigenlijk haar tweede moeder. Dat moest van Mohammad. Ik begeleidde haar toen Mohammad het bed met haar ging delen. En ik leerde haar hoe ze zich moest gedragen. Daarom kreeg ik de erenaam Bete Kolsoem, “de moeder des huizes".
O ja, ik weet iets leuks. Ik stond in mijn kamer en door het raam zag ik Mohammad en Ajeshe op de binnenplaats lopen.
Mohammad was gek op haar. En Ajeshe kreeg alle vrijheid bij hem. Hij was ver boven de vijftig, zij was veertien jaar oud. Hij maakte grapjes met haar, trok aan haar rode haar, plaagde haar en rende weg en Ajeshe achtervolgde hem speels. Hij was soepel en sterk. Ajeshe sprong op zijn rug, beet hem in zijn oor en drukte hem op de grond. Mohammad knielde terwijl hij zijn oor van de pijn vasthield en Ajeshe lachte hardop en daagde hem weer uit om haar te vangen.
Een keer hoorde Ajeshe muzikanten op straat. Ze wilde naar hen kijken. Maar Mohammad had muziek net verboden. Ajeshe wilde niets van het verbod weten.
Ik hoorde Mohammad zeggen: “Ajeshe! Allah heeft muziek verboden."
Ajeshe antwoordde: “Maar jij bent mijn man."
"Ik kan niets voor je doen. Het is iets tussen jou en Allah", zei Mohammad.
"Maar jij bent mijn man."
Ajeshe kreeg Mohammad uiteindelijk zover dat hij zich bukte naast de muur zodat ze op zijn rug kon gaan staan en over de muur naar de muzikanten op straat kon kijken.’
Er schoot Kolsoem nog een anekdote te binnen: ‘Mohammad en Ajeshe wandelden over een pad in de schaduw van de hoge dadelbomen. En ik liep als gewoonlijk een eind achter hen. Ajeshe zei: “Wie het eerste bij de laatste boom is."
En ze begonnen als twee gekken te rennen. Ik rende hen achterna om te kijken hoe het zou aflopen. Eerst lag Mohammad voor, maar toen haalde Ajeshe hem in en zij won. Ze sloeg zachtjes tegen zijn buik en zei: “Mijn man is dik geworden.”
Voor Mohammad bleef die overwinning gevoelig. Hij had het altijd glimlachend over haar triomf. En ik merkte dat hij minder ging eten. Niet lang daarna nam hij Ajeshe mee naar hetzelfde pad en zei: ‘Wie het snelste is? Tot die laatste boom?’
Ajeshe spurtte ervandoor, maar dit keer haalde Mohammad haar in en won.
Daarna sloeg hij zachtjes op haar billen en zei: “Mijn vrouw is dik geworden!"’
Nu Kolsoem dat vertelde, wist ik weer dat Mohammad van hardlopen hield. Tijdens de loopwedstrijden onder zijn mannen was hij een van de vaste deelnemers. Worstelen vond hij ook leuk. Omar was zijn lastigste tegenstander. Van Omar kon hij nooit winnen. Na zo’n worstelpartij zei Mohammad altijd: ‘Omars lichaam is van ijzer als hij worstelt. In zijn ogen brandt het vuur van de hel. Alleen de duivel kan van hem winnen.’
Kolsoem gebaarde glimlachend dat ze nog iets wilde vertellen.
“Een keer liet Ajeshe me een soera van Mohammad zien waarin hij een aparte regelin voor zichzelf had toegestaan in de Koran. Moslimvrouwen mochten zich aan de profeet geven als ze het zelf nadrukkelijk wilden. Ajeshe was woedend vanwege die tekst, woedend op Mohammad. Ze kon niet slapen van jaloezie en maakte ruzie met hem: “Wat goed van jouw Allah, dat hij je helpt met je lichamelijke verlangens.” ’

Een andere lievelingsvrouw van Mohammad was Hafsé, de vierentwintigjarige dochter van Omar.
‘Hafsé kon iets wat Ajeshe niet kon,’ zei Kolsoem. ‘Hafsé kon lezen, dat kon Ajeshe ook. Hafsé kon schrijven, dat kon Ajeshe ook. Hafsé kon dichten, maar dat kon Ajeshe niet. Met haar charme kon Hafsé Mohammad zover krijgen dat hij zijn huiswerk ging doen om te leren lezen en schijven. Ook dat was Ajeshe niet gelukt.
Ajeshe kon niet stilzitten. Zodra Mohammad haar kamer binnenkwam, sprong ze op zijn rug. 
Hafsé kon echter goed stilzitten en ze liet Mohammad zijn hoofd op haar schoot leggen en las hem een boek voor. 
Ajeshe was nog maar een kind, ze gaf haar jeugd en haar schoonheid aan Mohammad. Hafsé borduurde een tekst van Mohammad met kleurrijke draadjes op haar zakdoek. Ajeshe ging dood van jaloezie, ze klaagde altijd bij mij: "Die heks probeert met rode, gele en groene draadjes mijn man te betoveren."’


78 De gracht
Ook al was Mohammad niet concreet bezig voorbereidingen voor een volgende oorlog te treffen, Mekka hield hij voortdurend in de gaten. Hij had genoeg handlangers in Mekka die dat voor hem deden. Een van hen was Hamze. Hij vluchtte halsoverkop uit Mekka en galoppeerde dagen en nachten naar Medina om Mohammad voor een groot gevaar te waarschuwen. Hamze vertelde me zelf het verhaal:
‘Mijn moeder werkte in de keuken van Aboesofjan. Ze vertelde me alles wat daar gebeurde en ik gaf die informatie door aan Mohammad. Maar wat ik ook probeerde, ik kon niet achterhalen wanneer Aboesofjan met zijn leger tegen Medina wilde optrekken. Het was een geheim dat hij in zijn hart bewaarde. Op een dag zag ik dat hij met een leger van zo’n tienduizend man de stad verliet. lk sprong op mijn paard en reed zo hard als ik kon richting Medina. Ik was dag en nacht onderweg en wisselde zeven keer van paard. In Medina reed ik meteen naar de moskee waar Mohammad waarschijnlijk voor het avondgebed zou zijn. Ik deed snel mijn schoenen uit, holde naar hem toe, knielde uitgeput voor hem neer, kuste hem op zijn linkerschouder en fluisterde in zijn oor: 
“Ze zijn onderweg met tienduizend man. U hebt nog acht tot tien dagen de tijd."’
Mohammad stond onmiddellijk op.
‘Waarschuw de mannen!’ zei hij tegen mij.
Meteen reed ik, Zeeëd, de stad in om Aboebakar, Omar,Osman en Salman Parsi te waarschuwen.
Korte tijd later waren ze allemaal in de moskee. lk regelde extra kaarsen, eten en drank. Tot diep in de nacht bleven ze beraadslagen en ze bespraken allerlei mogelijkheden. De vijand buiten de stad in de bergen tegenhouden was onmogelijk, aangezien het om tienduizend man ging. De poort dichthouden en de stad vanaf de muren verdedigen leek ook niet uitvoerbaar. De vijand had genoeg kracht en middelen om via de muren de stad binnen te dringen. Plots kwam Salman Parsi met een briljant plan, een oude Perzische oorlogstechniek: ‘We kunnen een gracht om de stad graven en de vijand buiten de gracht houden.’ 
Een gracht?
Niemand wist wat een gracht was. Hoe zag een gracht eruit?
Het woord was gevallen. Er was geen tijd voor bedenkingen. 
‘Breng de stamhoofden bij elkaar’, zei Mohammad tegen mij.
Ik galoppeerde midden in de nacht naar de woningen van de stamhoofden en lichtte hen van hun bed: ‘U moet onmiddellijk naar de moskee komen!’
Te paard kwamen ze een voor een aan bij de moskee. 
‘We hebben alle inwoners van de stad nodig. Mannen, vrouwen, kinderen, iedereen’, zei Mohammad tegen de stamhoofden.
De volgende ochtend klommen de omroepers de daken op, ze bliezen op hun buizen en verkondigden de boodschap: ‘Iedereen moet met een schep, een houweel en een emmer naar de poort komen!’
Een paar uur later stonden er honderden mensen bij de poort.
Mohammad sprak ze toe: ‘Medina gaat voor de eeuwigheid de geschiedenis in. De vijand is met tienduizend man onderweg. Allah heeft me opdracht gegeven om rond de stad een gracht te graven. Wie meedoet, zal genieten van zowel de heerlijke tuinen van Medina als de kostelijke tuinen in het paradijs. We hebben zeven dagen en zes nachten de tijd. We beginnen direct. Wie de stad verlaat, heult met de vijand, en wordt ter plekke neergehaald.’

 De dichter Aboe Navaz schreef een gedicht, hij ging in het zadel van zijn paard zitten en sprak de massa toe:
'Medina!
Jij! De bruid der steden van de wereld
We gaan je vereeuwigen
Met een gracht.
Vrouwen van Medina!
Neem afstand van je man in bed
Stuur hem de deur uit naar de poort
Van Medina.
Mannen! Pak de houwelen!
Graaf zes nachten lang!
Pas als jullie klaar zijn
Zullen de vrouwen komen met bekers
In hun handen
En met een bruid in hun midden
Voor de eeuwigheid.'

Iedereen begon met graven, scheppen, koken, zingen, ruzien, roken, lachen, soera’s opzeggen en bidden. En het duurde zes onvergetelijke dagen en vijf ongelofelijke nachten tot de gracht gegraven was. Alle mannen stonden daar in die lege, diepe gracht en niemand wist wat er nu ging gebeuren. Mohammad pakte een schep en groef persoonlijk de sleuf naar de rivier buiten Medina. Iedereen juichte van geluk toen de rivier als een magische stroom de gracht in vloeide. 
Aboesofjan naderde Medina met zijn tienduizend soldaten. Hij ging ervan uit dat hij de stad in één dag zou veroveren. Hij wist nog niets van de gracht, want de toegang van de stad werd streng bewaakt onder leiding van Omar. Geen handlanger van Aboesofjan had de stad kunnen betreden of verlaten om hem te waarschuwen. Aboesofjan verwachtte Mohammads leger ergens buiten de stad te treffen, maar er was geen man, geen ezel, geen hond, geen kameel te bekennen in de omgeving van Medina. In de verte zagen ze de muur van de stad en de poort, maar de gracht bleef nog onzichtbaar. Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze dat er een wonder was gebeurd. De stad was omgeven door water. Nooit eerder hadden ze zoiets gezien. Medina was onbereikbaar geworden. Aboesofjan bleef een hele week aan de andere kant van de gracht wachten. Hij was machteloos.  
Wat kon hij doen? Niets.
Mohammad had de oorlog zonder bloedvergieten gewonnen.

79 De schikking
Mekka begon in te zien dat het niet alleen om Mohammad ging, maar om een beweging die niet meer te ontkennen viel. En als ze de handel in Mekka veilig wilden stellen, hadden ze slechts één uitweg. Ze moesten bij Mohammad aankloppen. 
Mohammad ontving de vredessignalen en reageerde positief.
Er werden afspraken gemaakt voor een ontmoeting. Aboesofjan kwam met een kleine delegatie naar het stadje Hadide, dat tussen Mekka en Medina lag. Ook Mohammad ging met zijn delegatie naar Hadide. En omdat ze hun vergadering niet in iemands huis wilden houden, kwamen ze buiten de stad bijeen, in de schaduw van de amandelbomen. De delegaties wilden geen van beide gaan zitten, men stond tegenover elkaar. In twee halve cirkels op afstand. 
Saaid bén Jobier was de kroniekschrijver van Aboesofjan.
Ik, Zeeëd, was de kroniekschrijver van Mohammad.
We gingen beiden op de grond zitten zonder elkaar een hand te geven. We waren nog vijanden.
Het gesprek begon. Staande namen de mannen om beurten het woord.
Daarna trokken de delegaties zich terug om zich te beraden en kwamen vervolgens weer tegenover elkaar staan om het gesprek voort te zetten.
Het duurde lang en het was spannend, maar je voelde dat beide partijen niet onverrichter zake naar huis wilden gaan. Ze wilden hoe dan ook een doorbraak bewerkstelligen.
Na een halve dag stevige gesprekken werd de volgende overeenkomst gesloten:
* Tien jaar lang wapenstilstand
* Mohammad valt de karavanen niet meer aan
* Mekka vormt geen alliantie tegen Mohammad
* Mohammad vormt geen alliantie tegen Mekka
* Mohammad mag met zijn mannen de Kaabé bezoeken op heilige dagen, maar ze mogen dan geen ander wapen bij zich dragen dan hun eigen zwaard
* Wanneer Mohammad met zijn mannen Mekka binnen gaat, blijven de inwoners van Mekka in hun huizen.

De hel brak echter los toen Mohammad met zijn zegelring de akte wilde paraferen. De delegatie van Mohammad wilde de slagzin van de Koran boven aan het protocol schrijven: ‘Besmellahé rahmane rahim; in de naam van Allah, de Erbarmer, de Barmhartige.’
De delegatie uit Mekka wilde er niets van weten. Ze zeiden: ‘Het is nergens bewezen dat jullie Allah een erbarmer en een barmhartige is.’
Na een lange, bijna gewelddadige discussie werd de zin uitgekleed tot: ‘Besme rabok; in de naam van de Maker.'
Maar daar bleef het niet bij. De volgende felle discussie ging over de zegelring van Mohammad. Hij ondertekende met zijn zegelring. ‘Mohammad, de boodschapper van Allah.'
De delegatie uit Mekka was echter van mening dat ze de boodschapper niet kenden. Mohammad moest met zijn eigen officiële naam paraferen, dus met Mohammad ebne Abdollah, Mohammad, de zoon van Abdollah.
Tot grote ontevredenheid van zijn kamp ging Mohammad akkoord en tekende als Mohammad ebne Abdollah.
Toen pas drukten Mohammad en Aboesofjan elkaar de hand.
Wij, de notarissen, drukten ook elkaars handen. 
Zo ook leden van beide delegaties, zij het wat onwennig en ongemakkelijk.
Het kamp van Mohammad was boos op hem, omdat hij zo veel compromissen had toegestaan, maar hij zei: ‘Heb geduld. Allah heeft me gevraagd deze schikking te treffen. Ik weet niets. Hij weet alles.’
Toen reden we allemaal juichend terug naar Medina.


80 Mohammad wordt onschendbaar
Een week later riep Mohammad me in zijn kamer. Hij deed de deur dicht en zei: ‘Pak je paard en rijd zonder te stoppen naar Habashe.’ 
Met gebogen hoofd luisterde ik zwijgend.
‘Niemand mag weten waar je naartoe gaat. Eenmaal daar ga je op zoek naar de dochter van Aboesofjan.'
Habibé, de jonge dochter van Aboesofjan, woonde in het buurland Habashe. Ze was onlangs weduwe geworden en had drie kinderen. Mohammad stopte een halssnoer met kleurrijke edelsteentjes in mijn hand en zei: ‘Vraag de hand van Habibé voor de boodschapper van Allah. Alles moet onmiddellijk gebeuren. Geef haar niet de kans om nee te zeggen.’
Ik kende Mohammad beter dan mezelf, daarom verbaasde ik me nooit over de onverwachte opdrachten die ik van hem kreeg. Meteen zadelde ik mijn paard en ik vertrok. Ik was lang onderweg voor ik haar stad bereikte. Al vragend ging ik op zoek naar Habibé en ik vond haar in een groot stenen huis achter de markt. Haar bediende deed open. 
‘Ik ben een bode uit Medina. Ik heb een boodschap voor Habibé, de dochter van Aboesofjan.'
Ze bekeek me aandachtig. Het stof van de reis zat nog op mijn gezicht en op mijn schouders en mijn paard had dorst. Ze liet een knecht mijn paard naar de stal brengen. Ik kreeg een kom water en mocht op de binnenplaats wachten. Het duurde niet lang tot een jonge knappe vrouw zich liet zien, terwijl haar drie kleine kinderen achter haar aan renden. Habibé, wist ik en ik zag een gelijkenis met haar vader in haar gezicht. Ik boog licht: ‘Zeeëd is mijn naam. Ik ben de bode van Mohammad de boodschapper.'
Haar bediende stond op een afstand te kijken en haar knechten hielden alles van achter de vensters in de gaten. 
‘Ik heb een boodschap voor u die ik alleen onder vier ogen kan bespreken.’
Ze nam me mee naar haar gastenkamer. Ik overhandigde haar het halssnoer en zei: ‘Ik heb de opdracht om uw hand voor de boodschapper te vragen’, en ik gaf haar de persoonlijke brief van Mohammad. De dochter van de machtigste man van Mekka wist hoe ze zich moest gedragen. Ze had meteen door waar het om ging. Ze las de brief en keek door het raam naar buiten. De dochter van Aboesofjan was niet alleen mooi, ze was ook slim. Ze had niet veel woorden nodig. Ze had vast en zeker de geruchten over een vredesovereenkomst tussen Mohammad en haar vader gehoord.
‘Hoeveel bedenktijd heb ik?’ zei ze.
‘Geen bedenktijd,' zei ik, ‘als u akkoord gaat, zal ik meteen alles regelen en kunnen we morgenvroeg vertrekken. Niemand weet ervan.’
Ze liep heen en weer over de binnenplaats. Ze begreep dat ze de beslissing alleen moest nemen, dat het onmiddellijk moest gebeuren en dat het geheim moest blijven totdat ze Medina had bereikt, totdat ze het huis van Mohammad was binnengegaan. Wat dacht ze? Ik ging bij het raam staan en volgde haar. Zo liet ze zien dat ze de dochter van Aboesofjan was. Haar antwoord schitterde om haar hals toen ze weer naar binnen kwam. Ze had het halssnoer van Mohammad omgedaan. 
Toch stelde ik officieel de vraag: ‘Gaat u akkoord met het verzoek van Mohammad de boodschapper?'
‘Ik ga akkoord’, zei ze.
Ik zei een korte soera uit de Koran op en zegende zo haar huwelijk met Mohammad.
De volgende dag vertrokken we met haar kinderen en haar knechten op zeven kamelen naar Medina. Toen deze kleine karavaan via de poort de stad binnenkwam, wist nog niemand wie de vrouw was en wat haar aanwezigheid zou betekenen. Habibé ging meteen met haar kinderen naar het huis van Mohammad. Hij verwelkomde hen en veegde het stof van de schoenen van zijn bruid met zijn blote hand weg, terwijl ze nog in het zadel van haar kameel zat. Toen werd het bericht algemeen bekendgemaakt. Aboesofjan ontving het bericht ook. Zijn grote vijand Mohammad was zijn schoonzoon geworden. En lid van hun stam. Nu mocht niemand Mohammad in Mekka doden zonder directe toestemming van Aboesofjan.