De boekverkoopster, mevrouw Poncet, die vijf en zes tig jaar
was, voelde zich gewichtig.
-Ik zal de Geneeskundige Dienst even opbellen voor een ziekenauto,
zei de agent.
-Dat is niet nodig. Hij woont hier vlakbij.
-Kent u hem?
-Al jaren. Het is meneer Bouvet, een goede klant van me. Hij woont
even verderop, op de Quai de la Tournelle, in dat grote witte huis
met die muziekhandel beneden.
Dat was toch altijd nog driehonderd meter.
-Ik telefoneer wel even.
Hij trachtte zich de voorschriften te herinneren, wat hem niet erg
lukte, belde het bureau op.
-Is hij dood?
-Ja. De apotheker zegt het.
-Is hij alleen?
-Ja
-Wat heb je met hem gedaan?
-Niets. We zijn hier in de apotheek.
De Amerikaan was weg. Er stonden nog maar vijf of zes mensen op het
trottoir, die naar binnen trachtten te kijken waar het oude heertje
op de grond lag.
-Ze komen direkt, deelde de agent mee. En zij zouden de dokter
waarschuwen. Er viel niets te zeggen, niets te doen. Er kwam iemand
binnen om aspirine te kopen; hij wist nergens van en moest over het
lichaam heenstappen.
-Wat heeft hij?
-Hij is dood.
De ziekenauto kwam bijna onmiddellijk en meneer Bouvet werd op een
brancard gelegd. Buiten stonden de twee honden, nog altijd aan
elkaar vast, met de rug naar elkaar toe, terwijl de sproeiwagen met
zijn brede penseel over de andere helft van de straat ging.
-U ziet het zo. Een groot wit huis, even voorbij de Rue de
Poissy.
Het was een huis dat minstens twee eeuwen oud was, maar om de tien
jaar een nieuwe laag verf kreeg. Ongeveer een derde deel van de
luiken waren gesloten, die van de huurders die met vakantie waren
en de overige vensters stonden wijd open om de zomer binnen te
laten. De deur rechts in de vestibule had een rand van blauwe en
rode ruitjes om het matglas, en er kwamen keukengeuren door naar
buiten. De concierge -was op de trap, een trap zonder loper, maar
de treden waren door de vele voetstappen zo glad geworden dat ze
glansden als oude meubelen.
-Concierge! -Ja, wat is er?
-Politie!
Ze kwam mopperend naar beneden, veegde haar handen af aan haar
geruite schort, bracht haar haren wat in orde.
-Politie? Wat moet die hier?
Op hetzelfde ogenblik zag ze de ziekenauto voor de deur staan.
-Wie is dat?
-Een oude heer.
-Meneer Bouvet? Is hij ziek? Heeft hij een ongeluk gehad?
-Hij is dood.
Ze ging de loge in en sprak tegen iemand die zich in een kamer
bevond die men van buitenaf niet zien kon.
-Sta direkt op, Ferdinand, meneer Bouvet is dood!
-Is er iemand thuis bij hem? vroeg de agent, die met een
aantekenboekje in zijn hand stond maar nog niets opgeschreven
had.
-Natuurlijk niet, hij woont helemaal alleen.
-Weet u het adres van zijn familie?
-Welke familie?
Ze huilde niet. Haar ogen waren alleen wat vochtig en men voelde
dat ze zeer ontdaan was.
-Hoe is het gebeurd?
-Op de kade, terwijl hij prenten stond te bekijken.
-Hij moet naar zijn slaapkamer gebracht worden.
-En wie zal voor de rest zorgen?
-Wat bedoelt u?
Toen besefte ze opeens dat een dode meer last geeft dan een
levende, dat er een massa dingen te doen waren.
-Wij... Ik... antwoordde ze.
-Weet u zeker dat hij helemaal geen familie in Parijs heeft?
-Hij ging met niemand om, voorzover ik weet.
-Het zou het eenvoudigste zijn als we hem naar het lijkenhuis van
het Hoofdbureau brachten.
-Naar het lijkenhuis? Ze werd kwaad.
-Zou u dat willen, dat ze u in het lijkenhuis zetten? Ik heb voor
hem gezorgd toen hij nog leefde. Ik hield zijn kamers schoon. Er
kunnen nog wel een paar dagen bij.
Haar man verscheen in de deuropening, met een verfomfaaide broek
over zijn nachthemd, een stompzinnig gezicht en rode randen om zijn
ogen.
-Wat is er?
-Meneer Bouvet is dood.
Op de trap klonk een stem, die zei:-Wil je wel eens gauw naar
binnen gaan, Vincent. En de deur niet meer open!
-Kunt u even beneden komen, mevrouw Sardot? Meneer Bouvet is dood
en nu willen ze hem naar het lijkenhuis van de politie brengen.
-Ik heb niet gezegd dat ik dat wilde. Ik heb het u alleen maar
voorgesteld.
-Breng hem maar naar boven.
Bij iedere draai van de trap moest de brancard schuin gehouden
worden en iedere keer hield de concierge haar hart vast dat het
lijk eraf zou vallen. Toen ze op de derde etage waren aangekomen,
schoof ze langs de brancard naar voren, opende een deur waardoor
het zonlicht de gang instroomde.
-Leg hem maar op zijn bed. Wacht, laat ik er eerst schone lakens op
leggen.
-Ik geloof dat het beter is om te wachten tot de dokter geweest
is.
En iemand zei:-De boel wordt toch eerst nog vuil.
De mannen van de ziekenauto vertrokken. De agent bleef in de
slaapkamer staan, wist niet wat hij doen moest.
-Waar wacht u op?
-Ze komen nog van het bureau.
-De commissaris?
-Misschien.
Het appartement van de Sardots was op dezelfde etage, aan de andere
kant van het trapportaal en mevrouw Sardot liep steeds van de eng
deur naar de andere, want ze moest op haar zoontje en haar baby
letten.
Moest het raam, dat de geluiden van het bruisende leven van Parijs
binnenliet, open blijven staan? Men keek op het Ile Saint-Louis, en
men zag een sleepbootmanoeuvreren om een aak op te nemen die naar
Charenton gesleept moest worden.
De agent durfde geen sigaret op te steken, en de man van de
concierge die niet goed raad wist met zijn houding, liep wat op en
neer op het trapportaal.
Hij was nachtwaker in een garage in de Rue Saint-Antoine en van
tijd tot tijd kreeg hij een toeval.
-Jij kunt beter maar weer naar bed gaan. Ik weet eigenlijk niet
waarvoor ik je wakker gemaakt heb.
Dan, toen hij gedwee naar beneden ging:-En je gaat niet drinken in
het café hiernaast. Heb je het gehoord?
Want die kans zou hij zeker benutten. Als hij niet sliep moest ze
op hem letten als op een kind, en dat was niet gemakkelijk, met die
trappen van vijf etages die iedere dag gedaan moesten worden.
-Daar is de commissaris zelf, kondigde de agent aan die voor het
raam naar buiten stond te kijken.
Zelden had hij een woning gezien waar zo'n rust, zo'n orde heerste
als hier. Het deed denken aan een kloostercel, of liever aan een
antiek schilderij. De muren waren romig wit, heel glad, met slechts
een enkele plaat met levendige kleuren. In de slaapkamer stonden
alleen het ledikant van gevernist eikenhout en een enorme kast in
Lodewijk XVI stijl. In een klein hokje dat op de binnenplaats
uitzag stond de wastafel.
De zitkamer, die een vloer van donkerrode tegels had, was in
verhouding tot de breedte zeer lang en ontving haar licht door drie
ramen die op de Seine uitkeken. Vroeger waren het twee kamers
geweest en omdat de hoogte van de vloeren niet gelijk was had men
tussen de beide helften van de zitkamer een trede moeten
aanbrengen.
Er stonden twee fauteuils, één met geel velours overtrokken, de
andere met gebloemde stof. Twee lange tafels stonden vol dozen met
prenten en er was nog een rond tafeltje op één poot waaraan meneer
Bouvet waarschijnlijk zat wanneer hij thuis at.
-Ik wed dat mijn man bezig is de hele geschiedenis op zijn manier
aan de commissaris te vertellen, werd de concierge ongeduldig, toen
er maar steeds niemand naar boven kwam.
-Of misschien ondervraagt de commissaris hem? Deze verscheen
eindelijk boven aan de trap; hijwiste zijn voorhoofd af want het
begon warm te worden.
-Als ik het goed begrijp, is er iemand onverwachts overleden op de
openbare weg?
-Jawel, commissaris.
-Geen familie?
-Voorzover ik weet niet, antwoordde de concierge.
-De dokter komt dadelijk om de dood vast te stellen. Hij is toch
wel echt dood, is het niet?
Hij liep naar het bed en wierp een blik op het vredige gezicht van
meneer Bouvet.
-Weet u ook of hij geld had?
-Zeker genoeg om te kunnen leven.
-We zullen de boel moeten verzegelen. Hij zal hier of daar nog wel
erfgenamen hebben.
-Daar heeft hij nooit met mij over gesproken.
-Hoe lang kent u hem al?
-Hij heeft dit appartement al een paar jaar vóór de oorlog gehuurd,
omstreeks 1936.
-En heeft hij hier steeds gewoond vanaf die tijd? De commissaris
had werktuiglijk één van de dozengeopend en hij was een beetje
verbaasd dat die alleenmaar gekleurde plaatjes bevatte, van die
ietwat onbeholpen getekende en gekleurde plaatjes die vroeger door
marskramers op het platteland verkocht werden.
-Tijdens de oorlog is hij hier weg geweest.
-O, en weet u ook waar hij toen gezeten heeft?
-In het onbezette gebied. Ergens buiten. De Duitsers zijn een paar
keer geweest om mij te ondervragen en zijn kamers te
doorzoeken.
-Is hij Jood?
-Dat geloof ik niet. Hij ziet er niet naar uit.
-Weet u ook waar hij zijn papieren bewaarde?
Er stond maar één laag kastje in de kamer, tussen twee vensters in,
en de laden waren niet op slot. Daar lagen ook nog gekleurde
prenten in, in alle formaten, maar geen officiële papieren en ook
geen brieven.
-Hij leidde een heel eenvoudig, heel geregeld leven. Ik hield zijn
kamers schoon.
-Kijk eens of hij een portefeuille in zijn zak heeft,agent.
De agent trok een lelijk gezicht maar gehoorzaamde, stak zijn hand
in de zak van de dode en reikte de commissaris een portefeuille aan
die een paar honderd francs en een identiteitsbewijs bevatte. René
Bouvet, geboren te Wimille, Pas de Calais, 15 december 1873.
Een auto stopte langs het trottoir en Ferdinand, die beneden was,
hield waarschijnlijk de dokter vast die er uitgestapt was.
Mevrouw Sardot had de deur aan de andere kant van het trapportaal
half opengezet, en men hoorde uien in een pan sissen.
De dokter was ongeveer van dezelfde leeftijd als de commissaris, zo
tussen de vijfenveertig en vijftig jaar.
-Hoe gaat het?
-En met u?
-Wat is er met hem gebeurd?
-Een half uur geleden is hij doodgebleven, op de kade, terwijl hij
prenten stond te bekijken.
De dokter maakte zijn tas open en bleef een ogenblik in de
slaapkamer terwijl de commissaris enkele vragen aan de concierge
stelde.
-Het zou me verwonderen als er hier of daar vandaan geen erfgenamen
kwamen opdagen. Weet u ook of hij een pensioen had?
-Daar heeft hij nooit over gesproken.
-Kreeg hij wel eens post?
-Zelfs geen drukwerk.
-Kranten?
-Die ging hij zelf kopen aan de kiosk.
-Had hij geld?
-Vast wel. Hij deed geen gekke dingen, maar hij leefde er goed
van.
-Waar at hij?
-Vaak hier thuis. Hij kookte graag zelf. Achter die deur is een
klein keukentje, met een gasstel. Anders ging hij in een restaurant
op het Ile Saint-Louis eten, in de Belle Etoile.
De dokter kwam weer binnen, hij was kennelijk klaar.
-Ik zal direkt een attestatie de morte voor u tekenen.
-Het hart?
-Ja, het was heel duidelijk. Wie zorgt voor de rest? De concierge
keek hen om beurten aan, besloottoen:-Wij.
-Wie, wij?
-Ik, en de huurders. Iedereen mocht hem graag. Erzijn er die met
vakantie zijn, maar we regelen het wel.
-En de kosten?
-Misschien mogen we het geld gebruiken dat in zijn portefeuille
zit?
-Ik heb idee dat u zich daar geen zorgen over hoeft te maken, want
zodra het bericht in de krant verschijnt zal de familie wel komen
opdagen.
Ze had zeker haar eigen mening daarover, want ze haalde haar
schouders op.
-Wilt u even het linnengoed dat u nodig heeft, uit de kast halen
want ik ga de boel verzegelen.
De dokter vertrok. De commissaris aarzelde of hij de dozen met
prenten ook zou verzegelen maar hij besloot dat dat niet nodig
was.
-Ik zal vanmiddag of morgenochtend waarschijnlijk nog iemand sturen
om u aanwijzingen te geven.
Het was de tijd voor het aperitief en in alle cafeetjes van Parijs
rook het naar anis. Men zag nog altijd zwarte stipjes om de torens
van de Notre-Dame zweven en de lange rij reiswagens stond nog
altijd op het plein voor de kathedraal.
In de Rue Réaumur stapte de jonge Amerikaan uit een lift en begon
te dwalen door de gangen van het bureau van een groot avondblad.
Hij werd van de ene naar de andere deur gestuurd; men begreep niet
wat hij met zoveel moeite trachtte uit te leggen maar hij hield
koppig vol en kwam tenslotte bij een jonge man die het erg druk
scheen te hebben en die de foto die hem aangereikt werd aandachtig
bekeek. De jonge man haastte zich op zijn beurt naar andere
afdelingen en een half uur later zag de Amerikaan hem- terug. —O,
bent u daar. Ik zal een bon voor u tekenen. Komt u maar even
mee.
Weer naar een andere etage, aan het eind van nog eens een aantal
lange gangen. Het was een bon voor honderd francs, uit te betalen
aan de kas, beneden, in de protserige hal.
Het was niet de eerste keer dat mevrouw Léliard, de concierge, die
door iedereen mevrouw Jeanne genoemd werd, een dode aflegde. Zij
was klein en mager, maar meneer Bouvet was niet groter en ook niet
zwaarder dan zijzelf. Mevrouw Sardot had haar zoontje naar buiten
gestuurd om op straat te gaan spelen en van tijd tot tijd keek ze
naar hem door het venster.
-Naar het lijkenhuis, zei die agent!
De zegels, rood met witte vlekken, gaven haar een gevoel van
vernedering, als een persoonlijke belediging.
Ze was naar de vijfde etage geweest om meneer Francis te zeggen dat
hij die dag niet op zijn accordeon mocht spelen. Het was een jonge
man met donker haar, heel vriendelijk en beleefd, die 's avonds in
een dansgelegenheid speelde en overdag urenlang zijn nummers
instudeerde.
-Komt u niet even naar hem kijken? Hij ligt er zo netjes bij. Je
zou zweren dat hij slaapt.
-Hij was een ogenblik naar beneden gegaan, om de concierge genoegen
te doen. Daarna was de jongen van mevrouw Sardot naar de
dichtstbijzijnde kerk gestuurd om een fles wijwater te halen. Hij
was elf jaar en was gewend om boodschappen te doen. Ook voor een
gewijd palmtakje was gezorgd: mevrouw Jeanne had er een aan het
hoofdeinde van haar bed en dat had ze gehaald.
-Dat is toch beter dan het lijkenhuis. Ik zal vanavond nog een
lijst rondsturen.
, Het is de gewoonte dat wanneer een huurder overleden is, ieder
een bijdrage geeft voor een krans. De boekverkopers op de kaden
zouden stellig ook wat geven want meneer Bouvet was een klant van
hen en ging iedere dag een praatje met hen maken.
-Ik hoop niet dat er nog een of andere bijdehante schoondochter of
zo iets uit de lucht komt vallen die alles op haar manier wil
regelen!
Ze had mevrouw Ohrel op de hoogte gebracht, de oude dame op de
tweede etage die niet meer van haar stoel kwam vanwege haar
opgezette benen.
-We zullen uw stoel bij het raam schuiven, dan kunt u de begrafenis
ook zien.
Straks zouden de huurders die niet met vakantie gingen, of die nog
niet vertrokken waren, de een na de ander thuiskomen, en alles was
klaar, de kamer was brandschoon, de luiken gesloten, en op het
ronde tafeltje waarover een wit tafellaken gelegd was stond een kom
wijwater en lag het gewijde palmtakje, tussen twee kaarsen die bij
het binnenkomen zo aangestoken konden worden.
De foto verscheen niet in de eerste editie van het blad, om half
twee, ook niet in die van drie uur, maar pas in de derde editie die
bijna onmiddellijk daarop uitkwam, en omdat het werkelijk een zeer
schilderachtige foto was, had men hem op de voorpagina
afgedrukt.
Meneer Bouvet lag languit op het trottoir, met zijn ene arm
gebogen, en overal om hem heen lagen prenten verspreid, ze waren zo
duidelijk dat men de onderwerpen duidelijk herkende.
-Heeft u het gezien, mevrouw Jeanne?
-Zou u het hart hebben om een man te fotograferendie net gestorven
is, die misschien nog niet eens helemaal dood is?
De heer René Bouvet, een oude bibliofiel en een bekende figuur op
de kaden, door de dood overvallen terwijl hij platen stond te
bekijken.
In een hoek van de foto zag men nog de rok van de boekverkoopster
en zelfs haar kluwen wol.
Om vijf uur was het drukkend, en de vlag hing slap voor de grijze
stenen van het politiebureau in de Rue de Poissy. Een blauwe taxi
hield stil. De agent die de wacht had zag een dame uitstappen die
niet jong meer was en die zeer opgewonden scheen.
-Ik wilde graag de commissaris spreken.
Hij liet haar doorgaan. Hij wist dat de commissaris zojuist
weggegaan was, maar dat was zijn zaak niet. Er zaten mensen te
wachten op de bank tegen de muur die vol hing met officiële
mededelingen.
-Wilt u mij even bij de commissaris aandienen?
Ze was zeer goed gekleed, droeg sieraden aan haar vingers, oren,
hals, maar de agent keek ternauwernood op van het register waarin
hij ijverig zat te schrijven.
-De commissaris is er niet.
-Wie is zijn vervanger?
-Zijn secretaris, maar die is in gesprek. Gaat u even zitten.
Zij ging niet zitten, want de mensen die op de bank zaten leken
haar maar matig zindelijk. Ze bleef staan en trommelde met haar
vingers Op het soort toonbank dat haar scheidde van de ruimte waar
de agenten zaten.
Ze wachtte een half uur en werd tenslotte zo ongeduldig dat ieder
er plezier om had, vooral omdat ze het soort vrouw was 'dat
gemakkelijk de lachlust opwekt, een vrouw ver op haar retour, die
eens heel mooi geweest was en nu trachtte met de schamele resten
van haar vroegere schoonheid indruk te maken.
-Wat is er van uw dienst, mevrouw?
-Bent u de secretaris? Kan ik u even alleen spreken? Hij aarzelde,
liet haar in een aangrenzend vertrekbinnen waar een zwart marmeren
garnituur op de schoorsteenmantel stond.
-Vertelt u het maar.
-Ik ben mrs. Mary Marsh.
Ze sprak met een nauwelijks merkbaar buitenlands accent, en de
secretaris antwoordde slechts met een beleefd knikje.
-Vertelt u het maar, herhaalde hij, terwijl hij haar een stoel
aanwees.
-U heeft die krant zeker wel gezien?
Zij reikte hem het blad aan waar op de eerste pagina de foto van
meneer Bouvet afgedrukt stond.
-Neen, die had ik niet gezien, antwoordde hij onverschillig.
—Die man heet niet Bouvet.
De secretaris was bizonder kalm en gereserveerd, hij maakte de
indruk dat hij aan andere dingen zat te denken.
-O nee?
-Dat is mijn man, Samuel Marsh, van de mijnen van Ouagi.
Hij had op het bureau al zoveel meegemaakt!
-Zo, is dat uw man. En wat wilt u nu?
-Hij heeft nooit Bouvet geheten.
-Weet u zeker dat u zich niet vergist? Die krantenfoto's zijn niet
altijd even goedgelijkend, zoals u weet.
-Ik ben ervan overtuigd, maar ik kan het helemaal met zekerheid
zeggen als ik hem gezien heb.
-Dus als ik het goed begrijp, wilt u het stoffelijk overschot
zien?
-Ja, en ik wil u ook het bewijs leveren. Als hij op zijn
rechterbeen een litteken heeft in de vorm van een ster, even onder
de knie, dan is hij het.
-Heeft u hem in lang niet gezien?
-De laatste keer was in 1930.
-In Parijs?
-In de Belgische Congo, waar hij zijn mijn beheerde.
-Bent u gescheiden?
-Wij zijn nooit gescheiden. Hij is plotseling verdwenen, zonder ook
maar een spoor achter te laten en vanaf die tijd betaal ik mij arm
aan advokaten om mijn rechten erkend te krijgen.
De secretaris zuchtte, liep naar de deur en riep een inspecteur in
burger die zijn jasje uitgetrokken had.
-Ga jij eens met mevrouw mee. Wacht even, dan zal ik je het adres
geven. Het is op de Quai de la Tournelle. Het nummer kan je in het
rapport vinden. Er moet een oud mannetje, dat vanmorgen gestorven
is, geïdentificeerd worden.
Hij schrok dat hij de uitdrukking 'oud mannetje' uit zijn mond liet
vallen, maar de dame had het niet gehoord.
-Ik ben direkt terug, zei de inspecteur. Wilt u mij maar volgen,
mevrouw, het is hier vlak bij.
-Ik heb mijn taxi voor de deur staan.
-Prachtig.
Hij trok zijn colbert aan, greep zijn hoed onder het lopen.
-Quai de la Tournelle!
Het was zo'n prachtige zomerdag, dat het ongerijmd leek zich met
iets druk te maken.
Zij zagen het witte huis dat ietwat blauwachtig leek nu de zon er
niet meer opstond.
-Ik weet zeker, dat hij het is! bevestigde mrs. Marsh nog eens. En
het merkwaardigste is, dat we, wie weet hoe lang al, in dezelfde
stad woonden zonder dat we het wisten! We hebben hem overal
gezocht. Als u de helft van het geld had, dat ik daaraan uitgegeven
heb...
De inspecteur wachtte tot hij uit de auto gestapt was met het
aansteken van de sigaret die tussen zijn lippen hing.
De dame bekeek het huis van onder tot boven, liep snel de vestibule
in, kwam weer achteruit omdat een wanstaltig dikke oude vrouw haar
de weg versperde die ze eerst door moest laten voor ze kon
binnengaan.
Eerst lette ze niet op haar. Het was een oude vrouw in het zwart,
een nogal armoedig uitziende oude vrouw zoals men er in bepaalde
wijken zoveel ontmoet. Ze had wit haar en een groot rond
gezicht.
Een soort instinkt deed mrs. Marsh omkijken toen de oude vrouw als
een monsterachtige schaduw langs de huizen voortschuifelde.
-Wie is dat?
-Ik weet het niet, mevrouw. Ik ben hier ook niet bekend, antwoordde
de inspecteur.
De concierge kwam uit haar loge met een wantrouwig gezicht.
-Waar gaat u heen? Wie moet u hebben?
-We komen voor die meneer die overleden is. Mevrouw hier beweert
dat het haar' man is, dat ze hem herkend heeft op die foto in de
krant.
Het leek of op deze mededeling de vonken tussen de beide vrouwen
oversprongen.
-Ze zal zich wel vergissen.
-En ik weet zeker dat ik me niet vergis.
-Gaat u maar mee.
De magere mevrouw Jeanne ging voor op de trap die ze haar hele
leven nog niet zo vaak op en af geweest was als die dag. Van tijd
tot tijd keerde ze zich even om om de bezoekster met een soort
uitdaging aan te zien.
-Loop ik niet te hard voor u?
Alle drie waren ze buiten adem toen ze op de derde etage
kwamen.
-Wacht u even, dan zal ik de kaarsen aansteken.
Ze had met opzet 's morgens een doosje lucifers in de zak van haar
schort gestoken en er stonden al twee boeketten aan het voeteneind
van het bed zodat de typische lucht van een sterfkamer er al begon
te hangen.
-Komt u maar.
De neus van meneer Bouvet was smaller geworden en zijn gezicht was
wat ingevallen, de huid was nog witter geworden, leek
doorschijnend, en de vage glimlach die om zijn lippen zweefde toen
men hem opgenomen had om hem naar de apotheek te dragen, was
duidelijker geworden, maar daarbij tevens van uitdrukking
veranderd: hij was bijna sarcastisch geworden.
Mrs. Marsh zei niets meer; misschien was ze onder de indruk van het
halfduister, van de beide kaarsen en het palmtakje. Ze greep dit,
werktuiglijk, en maakte er een kruisteken mee in de lucht.
-En? vroeg de inspecteur. Ze aarzelde.
-Ik ben er zeker van, dat hij het is, sprak ze eindelijk met
onvaste stem.
Ze haastte zich eraan toe te voegen:-Kijkt u maar naar zijn
rechterbeen. Als die ster er is.,.