De boekverkoopster, mevrouw Poncet, die vijf en zes tig jaar was, voelde zich gewichtig.
-Ik zal de Geneeskundige Dienst even opbellen voor een ziekenauto, zei de agent.
-Dat is niet nodig. Hij woont hier vlakbij.
-Kent u hem?
-Al jaren. Het is meneer Bouvet, een goede klant van me. Hij woont even verderop, op de Quai de la Tournelle, in dat grote witte huis met die muziekhandel beneden.
Dat was toch altijd nog driehonderd meter.
-Ik telefoneer wel even.
Hij trachtte zich de voorschriften te herinneren, wat hem niet erg lukte, belde het bureau op.
-Is hij dood?
-Ja. De apotheker zegt het.
-Is hij alleen?
-Ja
-Wat heb je met hem gedaan?
-Niets. We zijn hier in de apotheek.
De Amerikaan was weg. Er stonden nog maar vijf of zes mensen op het trottoir, die naar binnen trachtten te kijken waar het oude heertje op de grond lag.
-Ze komen direkt, deelde de agent mee. En zij zouden de dokter waarschuwen. Er viel niets te zeggen, niets te doen. Er kwam iemand binnen om aspirine te kopen; hij wist nergens van en moest over het lichaam heenstappen.
-Wat heeft hij?
-Hij is dood.
De ziekenauto kwam bijna onmiddellijk en meneer Bouvet werd op een brancard gelegd. Buiten stonden de twee honden, nog altijd aan elkaar vast, met de rug naar elkaar toe, terwijl de sproeiwagen met zijn brede penseel over de andere helft van de straat ging.
-U ziet het zo. Een groot wit huis, even voorbij de Rue de Poissy.
Het was een huis dat minstens twee eeuwen oud was, maar om de tien jaar een nieuwe laag verf kreeg. Ongeveer een derde deel van de luiken waren gesloten, die van de huurders die met vakantie waren en de overige vensters stonden wijd open om de zomer binnen te laten. De deur rechts in de vestibule had een rand van blauwe en rode ruitjes om het matglas, en er kwamen keukengeuren door naar buiten. De concierge -was op de trap, een trap zonder loper, maar de treden waren door de vele voetstappen zo glad geworden dat ze glansden als oude meubelen.
-Concierge! -Ja, wat is er?
-Politie!
Ze kwam mopperend naar beneden, veegde haar handen af aan haar geruite schort, bracht haar haren wat in orde.
-Politie? Wat moet die hier?
Op hetzelfde ogenblik zag ze de ziekenauto voor de deur staan.
-Wie is dat?
-Een oude heer.
-Meneer Bouvet? Is hij ziek? Heeft hij een ongeluk gehad?
-Hij is dood.
Ze ging de loge in en sprak tegen iemand die zich in een kamer bevond die men van buitenaf niet zien kon.
-Sta direkt op, Ferdinand, meneer Bouvet is dood!
-Is er iemand thuis bij hem? vroeg de agent, die met een aantekenboekje in zijn hand stond maar nog niets opgeschreven had.
-Natuurlijk niet, hij woont helemaal alleen.
-Weet u het adres van zijn familie?
-Welke familie?
Ze huilde niet. Haar ogen waren alleen wat vochtig en men voelde dat ze zeer ontdaan was.
-Hoe is het gebeurd?
-Op de kade, terwijl hij prenten stond te bekijken.
-Hij moet naar zijn slaapkamer gebracht worden.
-En wie zal voor de rest zorgen?
-Wat bedoelt u?
Toen besefte ze opeens dat een dode meer last geeft dan een levende, dat er een massa dingen te doen waren.
-Wij... Ik... antwoordde ze.
-Weet u zeker dat hij helemaal geen familie in Parijs heeft?
-Hij ging met niemand om, voorzover ik weet.
-Het zou het eenvoudigste zijn als we hem naar het lijkenhuis van het Hoofdbureau brachten.
-Naar het lijkenhuis? Ze werd kwaad.
-Zou u dat willen, dat ze u in het lijkenhuis zetten? Ik heb voor hem gezorgd toen hij nog leefde. Ik hield zijn kamers schoon. Er kunnen nog wel een paar dagen bij.
Haar man verscheen in de deuropening, met een verfomfaaide broek over zijn nachthemd, een stompzinnig gezicht en rode randen om zijn ogen.
-Wat is er?
-Meneer Bouvet is dood.
Op de trap klonk een stem, die zei:-Wil je wel eens gauw naar binnen gaan, Vincent. En de deur niet meer open!
-Kunt u even beneden komen, mevrouw Sardot? Meneer Bouvet is dood en nu willen ze hem naar het lijkenhuis van de politie brengen.
-Ik heb niet gezegd dat ik dat wilde. Ik heb het u alleen maar voorgesteld.
-Breng hem maar naar boven.
Bij iedere draai van de trap moest de brancard schuin gehouden worden en iedere keer hield de concierge haar hart vast dat het lijk eraf zou vallen. Toen ze op de derde etage waren aangekomen, schoof ze langs de brancard naar voren, opende een deur waardoor het zonlicht de gang instroomde.
-Leg hem maar op zijn bed. Wacht, laat ik er eerst schone lakens op leggen.
-Ik geloof dat het beter is om te wachten tot de dokter geweest is.
En iemand zei:-De boel wordt toch eerst nog vuil.
De mannen van de ziekenauto vertrokken. De agent bleef in de slaapkamer staan, wist niet wat hij doen moest.
-Waar wacht u op?
-Ze komen nog van het bureau.
-De commissaris?
-Misschien.
Het appartement van de Sardots was op dezelfde etage, aan de andere kant van het trapportaal en mevrouw Sardot liep steeds van de eng deur naar de andere, want ze moest op haar zoontje en haar baby letten.
Moest het raam, dat de geluiden van het bruisende leven van Parijs binnenliet, open blijven staan? Men keek op het Ile Saint-Louis, en men zag een sleepbootmanoeuvreren om een aak op te nemen die naar Charenton gesleept moest worden.
De agent durfde geen sigaret op te steken, en de man van de concierge die niet goed raad wist met zijn houding, liep wat op en neer op het trapportaal.
Hij was nachtwaker in een garage in de Rue Saint-Antoine en van tijd tot tijd kreeg hij een toeval.
-Jij kunt beter maar weer naar bed gaan. Ik weet eigenlijk niet waarvoor ik je wakker gemaakt heb.
Dan, toen hij gedwee naar beneden ging:-En je gaat niet drinken in het café hiernaast. Heb je het gehoord?
Want die kans zou hij zeker benutten. Als hij niet sliep moest ze op hem letten als op een kind, en dat was niet gemakkelijk, met die trappen van vijf etages die iedere dag gedaan moesten worden.
-Daar is de commissaris zelf, kondigde de agent aan die voor het raam naar buiten stond te kijken.
Zelden had hij een woning gezien waar zo'n rust, zo'n orde heerste als hier. Het deed denken aan een kloostercel, of liever aan een antiek schilderij. De muren waren romig wit, heel glad, met slechts een enkele plaat met levendige kleuren. In de slaapkamer stonden alleen het ledikant van gevernist eikenhout en een enorme kast in Lodewijk XVI stijl. In een klein hokje dat op de binnenplaats uitzag stond de wastafel.
De zitkamer, die een vloer van donkerrode tegels had, was in verhouding tot de breedte zeer lang en ontving haar licht door drie ramen die op de Seine uitkeken. Vroeger waren het twee kamers geweest en omdat de hoogte van de vloeren niet gelijk was had men tussen de beide helften van de zitkamer een trede moeten aanbrengen.
Er stonden twee fauteuils, één met geel velours overtrokken, de andere met gebloemde stof. Twee lange tafels stonden vol dozen met prenten en er was nog een rond tafeltje op één poot waaraan meneer Bouvet waarschijnlijk zat wanneer hij thuis at.
-Ik wed dat mijn man bezig is de hele geschiedenis op zijn manier aan de commissaris te vertellen, werd de concierge ongeduldig, toen er maar steeds niemand naar boven kwam.
-Of misschien ondervraagt de commissaris hem? Deze verscheen eindelijk boven aan de trap; hijwiste zijn voorhoofd af want het begon warm te worden.
-Als ik het goed begrijp, is er iemand onverwachts overleden op de openbare weg?
-Jawel, commissaris.
-Geen familie?
-Voorzover ik weet niet, antwoordde de concierge.
-De dokter komt dadelijk om de dood vast te stellen. Hij is toch wel echt dood, is het niet?
Hij liep naar het bed en wierp een blik op het vredige gezicht van meneer Bouvet.
-Weet u ook of hij geld had?
-Zeker genoeg om te kunnen leven.
-We zullen de boel moeten verzegelen. Hij zal hier of daar nog wel erfgenamen hebben.
-Daar heeft hij nooit met mij over gesproken.
-Hoe lang kent u hem al?
-Hij heeft dit appartement al een paar jaar vóór de oorlog gehuurd, omstreeks 1936.
-En heeft hij hier steeds gewoond vanaf die tijd? De commissaris had werktuiglijk één van de dozengeopend en hij was een beetje verbaasd dat die alleenmaar gekleurde plaatjes bevatte, van die ietwat onbeholpen getekende en gekleurde plaatjes die vroeger door marskramers op het platteland verkocht werden.
-Tijdens de oorlog is hij hier weg geweest.
-O, en weet u ook waar hij toen gezeten heeft?
-In het onbezette gebied. Ergens buiten. De Duitsers zijn een paar keer geweest om mij te ondervragen en zijn kamers te doorzoeken.
-Is hij Jood?
-Dat geloof ik niet. Hij ziet er niet naar uit.
-Weet u ook waar hij zijn papieren bewaarde?
Er stond maar één laag kastje in de kamer, tussen twee vensters in, en de laden waren niet op slot. Daar lagen ook nog gekleurde prenten in, in alle formaten, maar geen officiële papieren en ook geen brieven.
-Hij leidde een heel eenvoudig, heel geregeld leven. Ik hield zijn kamers schoon.
-Kijk eens of hij een portefeuille in zijn zak heeft,agent.
De agent trok een lelijk gezicht maar gehoorzaamde, stak zijn hand in de zak van de dode en reikte de commissaris een portefeuille aan die een paar honderd francs en een identiteitsbewijs bevatte. René Bouvet, geboren te Wimille, Pas de Calais, 15 december 1873.
Een auto stopte langs het trottoir en Ferdinand, die beneden was, hield waarschijnlijk de dokter vast die er uitgestapt was.
Mevrouw Sardot had de deur aan de andere kant van het trapportaal half opengezet, en men hoorde uien in een pan sissen.
De dokter was ongeveer van dezelfde leeftijd als de commissaris, zo tussen de vijfenveertig en vijftig jaar.
-Hoe gaat het?
-En met u?
-Wat is er met hem gebeurd?
-Een half uur geleden is hij doodgebleven, op de kade, terwijl hij prenten stond te bekijken.
De dokter maakte zijn tas open en bleef een ogenblik in de slaapkamer terwijl de commissaris enkele vragen aan de concierge stelde.
-Het zou me verwonderen als er hier of daar vandaan geen erfgenamen kwamen opdagen. Weet u ook of hij een pensioen had?
-Daar heeft hij nooit over gesproken.
-Kreeg hij wel eens post?
-Zelfs geen drukwerk.
-Kranten?
-Die ging hij zelf kopen aan de kiosk.
-Had hij geld?
-Vast wel. Hij deed geen gekke dingen, maar hij leefde er goed van.
-Waar at hij?
-Vaak hier thuis. Hij kookte graag zelf. Achter die deur is een klein keukentje, met een gasstel. Anders ging hij in een restaurant op het Ile Saint-Louis eten, in de Belle Etoile.
De dokter kwam weer binnen, hij was kennelijk klaar.
-Ik zal direkt een attestatie de morte voor u tekenen.
-Het hart?
-Ja, het was heel duidelijk. Wie zorgt voor de rest? De concierge keek hen om beurten aan, besloottoen:-Wij.
-Wie, wij?
-Ik, en de huurders. Iedereen mocht hem graag. Erzijn er die met vakantie zijn, maar we regelen het wel.
-En de kosten?
-Misschien mogen we het geld gebruiken dat in zijn portefeuille zit?
-Ik heb idee dat u zich daar geen zorgen over hoeft te maken, want zodra het bericht in de krant verschijnt zal de familie wel komen opdagen.
Ze had zeker haar eigen mening daarover, want ze haalde haar schouders op.
-Wilt u even het linnengoed dat u nodig heeft, uit de kast halen want ik ga de boel verzegelen.
De dokter vertrok. De commissaris aarzelde of hij de dozen met prenten ook zou verzegelen maar hij besloot dat dat niet nodig was.
-Ik zal vanmiddag of morgenochtend waarschijnlijk nog iemand sturen om u aanwijzingen te geven.
Het was de tijd voor het aperitief en in alle cafeetjes van Parijs rook het naar anis. Men zag nog altijd zwarte stipjes om de torens van de Notre-Dame zweven en de lange rij reiswagens stond nog altijd op het plein voor de kathedraal.
In de Rue Réaumur stapte de jonge Amerikaan uit een lift en begon te dwalen door de gangen van het bureau van een groot avondblad. Hij werd van de ene naar de andere deur gestuurd; men begreep niet wat hij met zoveel moeite trachtte uit te leggen maar hij hield koppig vol en kwam tenslotte bij een jonge man die het erg druk scheen te hebben en die de foto die hem aangereikt werd aandachtig bekeek. De jonge man haastte zich op zijn beurt naar andere afdelingen en een half uur later zag de Amerikaan hem- terug. —O, bent u daar. Ik zal een bon voor u tekenen. Komt u maar even mee.
Weer naar een andere etage, aan het eind van nog eens een aantal lange gangen. Het was een bon voor honderd francs, uit te betalen aan de kas, beneden, in de protserige hal.
Het was niet de eerste keer dat mevrouw Léliard, de concierge, die door iedereen mevrouw Jeanne genoemd werd, een dode aflegde. Zij was klein en mager, maar meneer Bouvet was niet groter en ook niet zwaarder dan zijzelf. Mevrouw Sardot had haar zoontje naar buiten gestuurd om op straat te gaan spelen en van tijd tot tijd keek ze naar hem door het venster.
-Naar het lijkenhuis, zei die agent!
De zegels, rood met witte vlekken, gaven haar een gevoel van vernedering, als een persoonlijke belediging.
Ze was naar de vijfde etage geweest om meneer Francis te zeggen dat hij die dag niet op zijn accordeon mocht spelen. Het was een jonge man met donker haar, heel vriendelijk en beleefd, die 's avonds in een dansgelegenheid speelde en overdag urenlang zijn nummers instudeerde.
-Komt u niet even naar hem kijken? Hij ligt er zo netjes bij. Je zou zweren dat hij slaapt.
-Hij was een ogenblik naar beneden gegaan, om de concierge genoegen te doen. Daarna was de jongen van mevrouw Sardot naar de dichtstbijzijnde kerk gestuurd om een fles wijwater te halen. Hij was elf jaar en was gewend om boodschappen te doen. Ook voor een gewijd palmtakje was gezorgd: mevrouw Jeanne had er een aan het hoofdeinde van haar bed en dat had ze gehaald.
-Dat is toch beter dan het lijkenhuis. Ik zal vanavond nog een lijst rondsturen.
, Het is de gewoonte dat wanneer een huurder overleden is, ieder een bijdrage geeft voor een krans. De boekverkopers op de kaden zouden stellig ook wat geven want meneer Bouvet was een klant van hen en ging iedere dag een praatje met hen maken.
-Ik hoop niet dat er nog een of andere bijdehante schoondochter of zo iets uit de lucht komt vallen die alles op haar manier wil regelen!
Ze had mevrouw Ohrel op de hoogte gebracht, de oude dame op de tweede etage die niet meer van haar stoel kwam vanwege haar opgezette benen.
-We zullen uw stoel bij het raam schuiven, dan kunt u de begrafenis ook zien.
Straks zouden de huurders die niet met vakantie gingen, of die nog niet vertrokken waren, de een na de ander thuiskomen, en alles was klaar, de kamer was brandschoon, de luiken gesloten, en op het ronde tafeltje waarover een wit tafellaken gelegd was stond een kom wijwater en lag het gewijde palmtakje, tussen twee kaarsen die bij het binnenkomen zo aangestoken konden worden.
De foto verscheen niet in de eerste editie van het blad, om half twee, ook niet in die van drie uur, maar pas in de derde editie die bijna onmiddellijk daarop uitkwam, en omdat het werkelijk een zeer schilderachtige foto was, had men hem op de voorpagina afgedrukt.
Meneer Bouvet lag languit op het trottoir, met zijn ene arm gebogen, en overal om hem heen lagen prenten verspreid, ze waren zo duidelijk dat men de onderwerpen duidelijk herkende.
-Heeft u het gezien, mevrouw Jeanne?
-Zou u het hart hebben om een man te fotograferendie net gestorven is, die misschien nog niet eens helemaal dood is?
De heer René Bouvet, een oude bibliofiel en een bekende figuur op de kaden, door de dood overvallen terwijl hij platen stond te bekijken.
In een hoek van de foto zag men nog de rok van de boekverkoopster en zelfs haar kluwen wol.
Om vijf uur was het drukkend, en de vlag hing slap voor de grijze stenen van het politiebureau in de Rue de Poissy. Een blauwe taxi hield stil. De agent die de wacht had zag een dame uitstappen die niet jong meer was en die zeer opgewonden scheen.
-Ik wilde graag de commissaris spreken.
Hij liet haar doorgaan. Hij wist dat de commissaris zojuist weggegaan was, maar dat was zijn zaak niet. Er zaten mensen te wachten op de bank tegen de muur die vol hing met officiële mededelingen.
-Wilt u mij even bij de commissaris aandienen?
Ze was zeer goed gekleed, droeg sieraden aan haar vingers, oren, hals, maar de agent keek ternauwernood op van het register waarin hij ijverig zat te schrijven.
-De commissaris is er niet.
-Wie is zijn vervanger?
-Zijn secretaris, maar die is in gesprek. Gaat u even zitten.
Zij ging niet zitten, want de mensen die op de bank zaten leken haar maar matig zindelijk. Ze bleef staan en trommelde met haar vingers Op het soort toonbank dat haar scheidde van de ruimte waar de agenten zaten.
Ze wachtte een half uur en werd tenslotte zo ongeduldig dat ieder er plezier om had, vooral omdat ze het soort vrouw was 'dat gemakkelijk de lachlust opwekt, een vrouw ver op haar retour, die eens heel mooi geweest was en nu trachtte met de schamele resten van haar vroegere schoonheid indruk te maken.
-Wat is er van uw dienst, mevrouw?
-Bent u de secretaris? Kan ik u even alleen spreken? Hij aarzelde, liet haar in een aangrenzend vertrekbinnen waar een zwart marmeren garnituur op de schoorsteenmantel stond.
-Vertelt u het maar.
-Ik ben mrs. Mary Marsh.
Ze sprak met een nauwelijks merkbaar buitenlands accent, en de secretaris antwoordde slechts met een beleefd knikje.
-Vertelt u het maar, herhaalde hij, terwijl hij haar een stoel aanwees.
-U heeft die krant zeker wel gezien?
Zij reikte hem het blad aan waar op de eerste pagina de foto van meneer Bouvet afgedrukt stond.
-Neen, die had ik niet gezien, antwoordde hij onverschillig.
—Die man heet niet Bouvet.
De secretaris was bizonder kalm en gereserveerd, hij maakte de indruk dat hij aan andere dingen zat te denken.
-O nee?
-Dat is mijn man, Samuel Marsh, van de mijnen van Ouagi.
Hij had op het bureau al zoveel meegemaakt!
-Zo, is dat uw man. En wat wilt u nu?
-Hij heeft nooit Bouvet geheten.
-Weet u zeker dat u zich niet vergist? Die krantenfoto's zijn niet altijd even goedgelijkend, zoals u weet.
-Ik ben ervan overtuigd, maar ik kan het helemaal met zekerheid zeggen als ik hem gezien heb.
-Dus als ik het goed begrijp, wilt u het stoffelijk overschot zien?
-Ja, en ik wil u ook het bewijs leveren. Als hij op zijn rechterbeen een litteken heeft in de vorm van een ster, even onder de knie, dan is hij het.
-Heeft u hem in lang niet gezien?
-De laatste keer was in 1930.
-In Parijs?
-In de Belgische Congo, waar hij zijn mijn beheerde.
-Bent u gescheiden?
-Wij zijn nooit gescheiden. Hij is plotseling verdwenen, zonder ook maar een spoor achter te laten en vanaf die tijd betaal ik mij arm aan advokaten om mijn rechten erkend te krijgen.
De secretaris zuchtte, liep naar de deur en riep een inspecteur in burger die zijn jasje uitgetrokken had.
-Ga jij eens met mevrouw mee. Wacht even, dan zal ik je het adres geven. Het is op de Quai de la Tournelle. Het nummer kan je in het rapport vinden. Er moet een oud mannetje, dat vanmorgen gestorven is, geïdentificeerd worden.
Hij schrok dat hij de uitdrukking 'oud mannetje' uit zijn mond liet vallen, maar de dame had het niet gehoord.
-Ik ben direkt terug, zei de inspecteur. Wilt u mij maar volgen, mevrouw, het is hier vlak bij.
-Ik heb mijn taxi voor de deur staan.
-Prachtig.
Hij trok zijn colbert aan, greep zijn hoed onder het lopen.
-Quai de la Tournelle!
Het was zo'n prachtige zomerdag, dat het ongerijmd leek zich met iets druk te maken.
Zij zagen het witte huis dat ietwat blauwachtig leek nu de zon er niet meer opstond.
-Ik weet zeker, dat hij het is! bevestigde mrs. Marsh nog eens. En het merkwaardigste is, dat we, wie weet hoe lang al, in dezelfde stad woonden zonder dat we het wisten! We hebben hem overal gezocht. Als u de helft van het geld had, dat ik daaraan uitgegeven heb...
De inspecteur wachtte tot hij uit de auto gestapt was met het aansteken van de sigaret die tussen zijn lippen hing.
De dame bekeek het huis van onder tot boven, liep snel de vestibule in, kwam weer achteruit omdat een wanstaltig dikke oude vrouw haar de weg versperde die ze eerst door moest laten voor ze kon binnengaan.
Eerst lette ze niet op haar. Het was een oude vrouw in het zwart, een nogal armoedig uitziende oude vrouw zoals men er in bepaalde wijken zoveel ontmoet. Ze had wit haar en een groot rond gezicht.
Een soort instinkt deed mrs. Marsh omkijken toen de oude vrouw als een monsterachtige schaduw langs de huizen voortschuifelde.
-Wie is dat?
-Ik weet het niet, mevrouw. Ik ben hier ook niet bekend, antwoordde de inspecteur.
De concierge kwam uit haar loge met een wantrouwig gezicht.
-Waar gaat u heen? Wie moet u hebben?
-We komen voor die meneer die overleden is. Mevrouw hier beweert dat het haar' man is, dat ze hem herkend heeft op die foto in de krant.
Het leek of op deze mededeling de vonken tussen de beide vrouwen oversprongen.
-Ze zal zich wel vergissen.
-En ik weet zeker dat ik me niet vergis.
-Gaat u maar mee.
De magere mevrouw Jeanne ging voor op de trap die ze haar hele leven nog niet zo vaak op en af geweest was als die dag. Van tijd tot tijd keerde ze zich even om om de bezoekster met een soort uitdaging aan te zien.
-Loop ik niet te hard voor u?
Alle drie waren ze buiten adem toen ze op de derde etage kwamen.
-Wacht u even, dan zal ik de kaarsen aansteken.
Ze had met opzet 's morgens een doosje lucifers in de zak van haar schort gestoken en er stonden al twee boeketten aan het voeteneind van het bed zodat de typische lucht van een sterfkamer er al begon te hangen.
-Komt u maar.
De neus van meneer Bouvet was smaller geworden en zijn gezicht was wat ingevallen, de huid was nog witter geworden, leek doorschijnend, en de vage glimlach die om zijn lippen zweefde toen men hem opgenomen had om hem naar de apotheek te dragen, was duidelijker geworden, maar daarbij tevens van uitdrukking veranderd: hij was bijna sarcastisch geworden.
Mrs. Marsh zei niets meer; misschien was ze onder de indruk van het halfduister, van de beide kaarsen en het palmtakje. Ze greep dit, werktuiglijk, en maakte er een kruisteken mee in de lucht.
-En? vroeg de inspecteur. Ze aarzelde.
-Ik ben er zeker van, dat hij het is, sprak ze eindelijk met onvaste stem.
Ze haastte zich eraan toe te voegen:-Kijkt u maar naar zijn rechterbeen. Als die ster er is.,.