HOOFDSTUK 8
Christabel vond de weg naar Mount Hebron eigenlijk te kort. Er was onderweg zoveel moois te zien. Het meer schitterde in het zonlicht en de met ijs bedekte bergen staken daar indrukwekkend tegen af. Het leek ondenkbaar dat de arbeiders gisterenavond hadden doorgewerkt, omdat men verwachtte dat het weer spoedig om zou slaan. Wel waren de bergtoppen nog in nevelen gehuld en zag ze in de verte wolken drijven.
Ze reed langs het toeristendorpje en had de kinderen even later afgezet. Toen snel terug naar huis om het pakketje van Conrad op te halen. Terwijl ze naar het postkantoor reed, voelde ze zich haars ondanks een beetje zenuwachtig worden. Als afzender had Conrad zowel zijn eigen naam als Thaddeus Brockenhurst vermeld en dus zou men op het postkantoor wel meteen vermoeden of weten wie zij moest zijn. Het was nog maar zo kort geleden dat Lisa dat tragische ongeluk had gehad.
Maar het meisje reageerde uitermate vriendelijk. ‘Oh, wat geweldig. Is dat een nieuw boek van mijn meest geliefde auteur?’
‘In zekere zin, ja,’ antwoordde Christabel. ‘Het is geen manuscript, maar wel de gecorrigeerde drukproeven van het eerstvolgende boek van hem dat op de markt gaat komen.’
‘Schitterend. Wat jammer dat het nog drie of vier maanden zal duren voor het in de boekhandel ligt. Luchtpost gaat tegenwoordig snel, maar de normale post doet er ontzettend lang over, weet u, omdat er steeds minder schepen heen en weer varen. Maar we zijn nu nog altijd veel beter af dan de mensen dat vroeger waren. Grootmoeder vertelt altijd dat zij slechts eens in de vijf weken post kreeg.’
‘Dat zal best,’ zei Christabel. ‘Binnen korte tijd kan zoveel veranderen. Zo’n veertien dagen geleden zat ik nog in Londen. Nu zit ik al weer een tijdje hier en onderweg heb ik nog een paar dagen doorgebracht bij een tante in Vancouver. Ik ben het halfzusje van de overleden vrouw van Rogan Josefsen, weet u en ik ben hierheen gekomen om voor haar kinderen te zorgen.’ Niemand zou ooit kunnen vermoeden hoeveel moeite het haar had gekost om die informatie uit eigener beweging te verschaffen, maar ze was tot de conclusie gekomen dat een aanval de beste verdediging was.
Het meisje reageerde meteen positief. ‘Wat geweldig van u. Daar zal Mrs. Johnson blij mee zijn! Die kan wat hulp best gebruiken. En hoe is het met Rogan?’
‘Die gaat vooruit, maar het zal nog lang duren voordat hij weer helemaal de oude is.’
‘Conrad is nu hier, nietwaar, om een oogje in het zeil te houden? Dan hoeft hij zich daar in ieder geval geen zorgen over te maken. Ik hoop dat u het hier naar uw zin hebt? Blijft u hier of heeft u daarvoor toch te veel heimwee naar Londen?’
‘Ik weet nog niet of ik hier zal blijven. Maar merkwaardig genoeg heb ik nog helemaal geen last van heimwee gehad. Ik ben in ieder geval van plan hier te blijven zo lang ze me nodig hebben.’
‘Hebt u al eens in het dorpje rondgewandeld? Het is heel mooi... en altijd even druk. Ik kan u ook aanraden om eens een kijkje te gaan nemen in het schitterende Nationale Park dat hier vlak bij zit.’
‘Je hoeft je niet te haasten,’ had Conrad gezegd. ‘Knijp er eventjes tussenuit, je hebt het zo verschrikkelijk druk gehad.
Dus besloot Christabel gevolg te geven aan de suggestie van het meisje van het postkantoor. Ze reed het parkeerterrein voor de Hermitage, het hotel-annex-informatiepunt, op en genoot van alles wat ze zag. Ze nam een kopje koffie met een gebakje en toen dat verorberd was, liep ze even het souvenierwinkeltje in. Daar belandde ze meteen temidden van allerlei globetrotters. Ze hoorde een tiental verschillende talen spreken en moest daardoor terugdenken aan de reizen die ze met haar ouders door Europa had gemaakt.
Ze kocht een paar ansichtkaarten voor de buren en Tim en Janice en liep toen de lobby van het hotel door. Alles zag er even duur en luxueus uit. Ze kon zich wel voorstellen dat Lisa hiervan genoten had. Had ze er maar genoegen mee genomen om er af en toe eens samen met Rogan heen te gaan om een hapje te eten of een dansje te maken! Was ze maar niet gevallen voor al die imposante verhalen van Burford Grosset over het schitterende leven dat haar in Hong Kong te wachten zou staan.
Toen liep ze naar buiten, omdat ze opeens verschrikkelijk verlangde naar Thunder Ridge, het afgelegen dal met de Portalen, het oude huis, het geblaat van schapen, het geloei van de koeien en het lied van het riviertje dat over eeuwenoude stenen stroomde.
Een half uur later liep ze de keuken in en riep blij: ‘Daar ben ik weer!’
‘En, meisje, hoe vond je het dorp?’ vroeg Jonsy die bij het fornuis stond.
‘Heel mooi en opwindend. Mensen van allerlei nationaliteiten in het souvenierwinkeltje en een zeer vriendelijk meisje in het postkantoor, die een ware fan van Thaddeus Brockenhurst bleek te zijn. Maar mijn hemel, wat ben ik blij dat ik weer hier zit!’
Ze hoorde achter zich enig geluid en draaide zich om. Ze zag Conrad staan. ‘Waarom?’ vroeg hij.
Het kwam er abrupt en vrij ongelovig uit, maar ditmaal liet Christabel zich daardoor niet uit haar evenwicht brengen. Ze lachte eens, haalde haar schouders op en zei: ‘Het is belachelijk, maar ik vond het er zo druk. In Londen heb ik het nooit anders meegemaakt, maar wanneer je hier eenmaal een tijdje hebt gewoond, lijkt je gevoel voor verhoudingen te veranderen. Toen ik voor Londense vrienden en kennissen ansichtkaarten stond uit te zoeken, wilde ik opeens zo snel mogelijk terug naar Thunder Ridge. Belachelijk hè? Jonsy, wat kan ik voor je doen?’
‘Tafel dekken, Christie. Conrad heeft me daarnet gezegd dat ze vandaag wat vroeger komen lunchen dan anders.’
Ze legde het tafelkleed neer, trok de bestekla open en zei tegen Conrad: ‘Heb je je uitgever nog kunnen bereiken? Men Je daarom naar huis terug gekomen? Om om elf uur dat telefoontje te plegen?'
‘Nee, domkopje. Ben je dan vergeten dat we hier twaalf uur op de Londense tijd voorlopen? Mijn uitgever zit nu hoogstwaarschijnlijk gezellig thuis bij zijn vrouw en kinderen. Ik ben van plan hem vanavond om elf uur te bellen, dan is het in Londen - gezien het feit dat wij nu de zomertijd hebben ingesteld, tien uur en zit hij op zijn kantoor.’
‘Je hebt natuurlijk gelijk. Dom van me om dat telkens weer te vergeten.’
Mrs. Johnson kondigde aan dat ze zich even wat ging op frissen, maar zo weer terug zou komen. Dat gaf Christabel de gelegenheid om Conrad onder vier ogen iets te vragen.
‘Conrad, toen dat meisje in het postkantoor zo enthousiast op dat nieuwe boek van jou reageerde, realiseerde ik me opeens dat je besloten hebt daar niet langer een geheim van te maken. Waarom heb je me dat niet meteen toen ik hier aankwam, verteld? Was het niet riskant om daarmee te wachten tot ik je in Timaru op het station trof?’
‘Ik had dat besluit pas zo kort daarvoor genomen, dat het risico niet al te groot was.’
‘Hoe kort daarvoor?’
‘Heel kort. Je weet waarom ik aanvankelijk de voorkeur gaf aan een pseudoniem. Ik wilde niet de indruk wekken dat mijn medejournalisten lovende recensies over mijn boek schreven, omdat ze me persoonlijk kenden. Maar toen mijn geheim geen geheim meer bleek te zijn, was mijn reputatie inmiddels al gevestigd.’
‘Wanneer en hoe is men er achter gekomen?’
Hij zuchtte. ‘Wat kun jij volhardend zijn, meisje. Dat gebeurde toen de verslaggevers hierheen kwamen na het ongeluk van Lisa en Burford. Een van die mensen had voor mijn grootvader gewerkt en kende me. Daarnaast moet er bij hem ook door mijn stijl van schrijven een lampje zijn gaan branden. In zijn verslag over het ongeluk, heeft hij er geen melding van gemaakt. Maar enige dagen later verscheen er in de krant waarvoor hij werkte, een afzonderlijk artikel dat geheel aan mij en mijn achtergrond was gewijd. Ik achtte het echter hoogst onwaarschijnlijk dat jij in de trein tussen Christchurch en Timaru een krant van een paar dagen geleden onder ogen zou krijgen. Om je de waarheid te zeggen, schrok ik me dood toen ik hoorde dat je in Nieuw-Zeeland zat en op dat moment maakte ik me veel meer zorgen over je reactie op de combinatie Tod Hurst - Conrad Josefsen.’
‘Oh, dus daar heb je je wél zorgen over gemaakt. Dat is anders aan niets te merken geweest.’
‘Natuurlijk heb ik dat wel gedaan. Ik kan niet bepaald zeggen dat ik me toen netjes gedragen heb. Het idee kwam onverwacht bij me op, maar ik had er veel verstandiger aan gedaan om er geen gevolg aan te geven, of het je op zijn minst zo snel mogelijk te vertellen.’
‘Waarom heb je dat dan niet gedaan?’
‘Om redenen die ik zelf het beste ken, vond ik dat ik daar beter mee kon wachten.’
‘Kom nou, je verwacht toch niet van me dat ik dat geloof? Ik denk dat je het nooit van plan bent geweest en naarmate je dat spelletje langer volhield, werd het steeds moeilijker om terug te krabbelen.’ ‘Niet waar, Christabel Windsor. Ik had besloten je het meteen te vertellen zodra ik je in Londen opbelde, maar toen ‘Maar toen kwam je tot de ontdekking dat je onze vriendschap niet wilde continueren. Ik had je ervoor gewaarschuwd dat dat zou kunnen gebeuren, weet je nog? Ik heb je zelfs gezegd dat ik dat niet erg zou vinden. Maar je had me moeten vertellen wie je was. Waarom heb je dat niet gedaan?’
Hij trommelde met zijn vingers op de tafel. ‘Dat zou ik je... nu ... liever nog niet vertellen.’
Christabel staarde hem aan. ‘Besluiteloosheid past niet bij je, Conrad. Naar mijn mening is uitstel niet langer gewenst. Vertel het me nu maar, zelfs wanneer ik niet blij zal zijn met wat ik te horen krijg.’
‘Luister nu eens. Ik heb al eens eerder te snel een besluit genomen, waar ik later spijt van heb gehad. Dus moet ik hier nog wat verder over na kunnen denken. Ben je bereid me nog wat tijd te geven en er verder niet naar te vragen?'
Hij keek haar strak aan, ondanks het feit dat er minachting uit haar blik sprak. De oude vijandigheid was voelbaar teruggekomen. Toen hoorden ze de voetstappen van Jonsy. 'Best,' zei Christabel vermoeid.‘Ik zal er verder niet naar vragen. Ik moet uiteindelijk voor je werken.
En ik moet toegeven dat het voor jou niet zal meevallen om het schrijven te combineren met al het werk dat hier moet worden gedaan.’
Conrad grinnikte. ‘Dat kan ik voor een deel zo automatisch afhandelen dat voor de tijd die ik kwijt ben met het bijhouden van de administratie van de fokkerij, maar ik had eigenlijk de stille hoop dat je me ook daarbij een beetje zou kunnen helpen.’
Shaun en Bluey kwamen binnen. Hun opgewektheid verdreef meteen de gespannen sfeer. ‘Nog een kleine twee uur en dan hebben we met z’n allen het karwei wel geklaard,’ verklaarden ze lachend en optimistisch.
Jonsy zette het eten op tafel en zei toen: ‘Oh, Christie, dat was ik je nog bijna vergeten te vertellen. Er heeft een vrouw vanuit Dunedin opgebeld, die zei dat ze een boodschap had voor jou.’
‘Voor mij? Dat kan niet. Ik ken niemand in Dunedin of waar dan ook in Nieuw-Zeeland. Wat... ’
‘Nou, je kent in ieder geval haar zoon en ze denkt dat die je in de eerstkomende dagen wel op zal bellen. Ze vroeg of je hem wilde vragen haar te bellen.’
‘Dit is belachelijk! Je bedoelt... Komt die zoon uit Londen? Heb ik hem ergens ontmoet? Ik geloof niet dat ik ooit kennis heb gemaakt met iemand wiens moeder in Dunedin woont. Jonsy, ik denk dat ze het verkeerde nummer heeft gebeld.’
‘Ze zei dat je hem kort geleden had ontmoet, waar werd er niet bij vermeld. Maar ze wist dat je vanuit Londen was overgekomen om bij familie te gaan logeren. Hij heeft zijn moeder verteld dat hij je een keer op ging zoeken. Er blijkt iets niet in orde te zijn met zijn inschrijvingsformulieren voor de universiteit en daarom wil ze dat hij haar belt.’
‘Oh,’ zei Christabel toen opeens. ‘Dan moet het die jongen zijn met wie ik in de trein kennis heb gemaakt.’
‘Hij heet Gordon Millon,’ zei Jonsy.
Christabel haalde haar schouders eens op. ‘Ik kende alleen maar zijn achternaam. Toen hij mijn bagage uit het rek haalde, zei hij: “Wie weet komen we elkaar nog eens tegen. Ik heet Millon.” Ik vraag me overigens wel af waar ze het lef vandaan haalt om ons als boodschappenmeisje te gebruiken.’
‘Oh, daar moet je niet zo zwaar aan tillen,’ zei Jonsy. ‘Ik hoop dat hij spoedig op komt dagen, zodat we hem de boodschap door kunnen geven. Studenten doen over dergelijke zaken nooit zo moeilijk, weet je.’
‘Ik hoop hem hier nooit te zien,’ zei Christabel nijdig. ‘Dit is uiteindelijk mijn huis niet en hij kan niet verwachten dat ik zo maar een wildvreemde gast kan ontvangen.’
‘Oh meisje, doe daar nu niet zo moeilijk over. We zijn het hier gewend om mensen een maaltijd en een bed aan te bieden. Over de telefoon kreeg ik de indruk dat het een heel aardige vrouw moet zijn.’
Shaun en Bluey waren meteen al grapjes over het voorval aan het maken. ‘Hoeveel kilometer is het van Christchurch naar Timaru, Shaun? Zo’n honderdvijftig? Nu, ik moet zeggen dat Christie er geen gras over heeft laten groeien. Op die manier krijgen kerels zoals wij nooit eens een kans. Ik hoop dat die man nooit op komt dagen. Wanneer hij hier opduikt en je uitnodigt voor een dansje in het dorp, zeg je maar dat hij te laat komt, omdat wij je al hebben uitgenodigd.’
Christabel had haar mond al open gedaan om te zeggen dat ze er op dat moment niets voor voelde om een dansje te gaan maken, toen Conrad zei: ‘Sorry, jongens, maar ik was nog eerder. Niet vanavond, echter. Ze is moe en dat zullen wij straks ook zijn. Laten we het zo afspreken. Wanneer de oogst binnen is, nemen we een middagje vrij. Jij moet ook meegaan, Jonsy. Je bent er hard aan toe. Ik voel er niets voor om straks van Nat op mijn kop te krijgen vanwege het feit dat je er moe en afgetrokken uitziet. We zijn na al het werk en de spanningen van de afgelopen maand allemaal hard aan een uitje toe.’
In het riviertje was een schitterend plekje waar je kon zwemmen. Er waren kleine dammen bij aangebracht om het wat dieper te maken en het glasheldere water dat van de bergen omlaag kwam, zag er meer dan aanlokkelijk uit Er stonden wilgen omheen, waarvan er een was omgevallen en zo een perfecte duikplank vormde Je kon ieder steentje op de bodem zien.
Jonsy kon ontzettend goed zwemmen. Ze grinnikte eens, ' Ik heb dat zo goed moeten leren om die boefjes van Kate en Ivar In de gaten te kunnen houden. Ik heb omwille van hen zelfs bergbeklimmen moeten leren. Het waren zulke waaghalzen dat je het stel geen moment alleen kon laten.’
Christabel lachte en draaide zich om, om op haar rug te drijven. Dit was werkelijk een paradijs op aarde. Voor het eerst sinds weken voelde ze zich volkomen rustig. Er bestonden ook nog andere dingen in het leven dan vechten tegen vooroordelen en tegen de wetenschap dat een halfzusje van je andere mensen zoveel verdriet had bezorgd. Je kon ook lachen en plezier maken en nieuwe dingen beleven. Ze hadden haar hier nodig. Niet alleen voor de kinderen, maar ook als typiste.
Shaun dook opeens bij haar voeten op en trok die omlaag. Razendsnel draaide ze zich om en ging achter hem aan. Conrad, die op de boomstam-annex-duikplank stond, moest erom lachen. Hij had een blauwe zwembroek aan en zag eruit als een plaatje. Blauwe zwembroek, gebruind lichaam, blond haar. Boven zijn hoofd een bijna onwerkelijk blauwe hemel met vele witte wolkjes die zeepschuim leken. Ze zei het hardop.
‘Wat een prozaïsche beschrijving wordt er hier gegeven door de dochter van een schrijver,’ zei hij lachend. ‘Zeepschuim! Ik ben er zeker van dat je betere woorden daarvoor zou kunnen vinden. Maar het zal niet lang duren voordat die witte wolken grijs en zwart worden en het onweer losbarst. We doen er verstandig aan om zometeen onze spulletjes bij elkaar te zoeken en naar huis terug te rijden, anders worden we nog doorweekt.’
‘Daar geloof ik niets van. Volgens mij slaat het weer pas op zijn vroegst vanavond om.’
‘Jij weet nog nauwelijks iets af van het weer hier in de bergen, meisje. Geniet nu nog maar een kwartiertje met volle teugen en dan gaan we terug.’
Hij nam een duik en zij zwom naar de wilgenstam, waarop ze heerlijk ging liggen zonnen. ‘Je bent toch niet van plan om daar te blijven liggen, Christie?’
‘Zeker wel. Zelfs Jonsy is hardstikke bruin. Ik steek zo bij haar af door die witte huid van me. Maar dat komt natuurlijk ook omdat het nu in Engeland winter is. Normaal gesproken, word ik vrij snel bruin.’
Conrad zwom op haar af. ‘Dat kan ik me nog goed herinneren. Die avond in Winchester staken je bruine armen prachtig af tegen die witte jurk die je had aangetrokken. Vlakbij ons stond een berkenbosje en ik weet nog dat ik toen dacht hoe goed je bij het bos paste met je bruine haar, je bruine huid en die ogen van je die de ene keer bruin en de andere keer groen lijken.’
‘Voorzichtig!’ zei ze fluisterend. ‘Straks horen ze je nog. En wie wil zich die avond nu nog herinneren? Ik in ieder geval niet. Ik heb veel te kort daarop door jouw toedoen een fikse desillusie moeten verwerken. Ga jij maar weer zwemmen, Conrad Josefsen. Ik ben van plan om bruin te worden.’
Snel dook hij het water weer in en zwom naar de andere kant van de rivier. Plotseling riep Jonsy: ‘Kom op, jongens, kom op, Christie! De wind gaat draaien.’
Het weer sloeg inderdaad om als een blad aan de boom. Donkere wolken verzamelden zich aan de hemel. Ze hadden een donkerrode rand, waardoor ze een griezelig voorkomen kregen.
Jonsy en de mannen stonden al op de oever. Christabel ploeterde het water uit en rende samen met de anderen naar de vrachtwagen. In de verte hoorden ze het gerommel van de donder al. Even later begon het zo hevig te regenen dat de ruitenwissers het niet bij konden houden. Emmers water leken langs de voorruit naar beneden te stromen. ‘Neem wat gas terug,’ zei Conrad tegen Jonsy. ‘De gebroeders Twizel zijn toch al doornat van het zwemmen, dus maakt een druppeltje regen meer of minder niets uit.’
‘Jij hebt makkelijk praten,’ zei de vrouw. ‘Wij zitten hier hoog en droog.’
Toen Jonsy de wagen voor het oude huis tot stilstand bracht, zagen ze net een van de wagens van Mount Hebron aan komen rijden. De kinderen rolden meteen de auto uit en renden het huis in. Even later zag Christabel drie volwassenen uitstappen, gevolgd door de chauffeuse.
‘Dat is Barbara!’schreeuwde Conrad en rende op haar af om haar te omhelzen.‘Barbie ... nu zal alles weer in orde komen 'Hij kuste haar en leek zich op dat moment opeens te herinneren dat ze niet alleen waren.
‘Sommige mensen krijgen ook altijd alles, zoals ik al eens eerder heb verklaard,’ zei Bluey. ‘En wij hier maar moeten blijven staan. Verkleumd tot op het bot!’
Conrad begon te schateren van de lach. ‘Gaan jullie maar snel douchen, jongens. Barbie, ik zie dat ik je kletsnat heb gemaakt, maar ik vind het ook zo heerlijk om je hier weer terug te zien.’
Barbara schudde de druppels van zich af en zei: ‘Dat heb ik gemerkt, mijn lieve Conrad.’ Ze wendde zich tot Christabel, die kippevel begon te krijgen en zei: ‘Oh, nu kan ik me opeens herinneren dat ik je in het vliegtuig heb gezien. We hebben nog tegen elkaar gegrinnikt om die vrouw die het de stewardess zo lastig maakte. Kun je je dat nog herinneren? En nu allemaal vlug naar binnen. Jonsy, ga snel een warm bad nemen, anders ben je morgen verkouden. Daarna zal ik je wel eens fatsoenlijk gedag zeggen.’
Christabel nam een douche, kleedde zich snel om en ging toen weer naar beneden, nadat ze wat make-up op had gedaan. ‘Doe niet zo idioot,’ zei ze zachtjes tegen zichzelf. ‘Hij heeft je toch al gezegd dat Barbara een bijzondere vrouw was?’ Maar desondanks kon het beetje extra zelfvertrouwen dat mooie kleren en een beetje lippenstift haar gaven, geen kwaad.
Het was zonder meer duidelijk dat Barbara zich in het oude huis thuis voelde. Ze had de open haard al aangestoken en water opgezet voor een kopje thee.
‘Gisteren heb ik in Tekapo overnacht,’ zei ze net tegen Conrad op het moment dat Christabel binnenkwam, ‘en toen heb ik verder een lift hiernaartoe gekregen.’
‘Had je liever niet wat langer in Timaru willen blijven?’ vroeg hij haar.
Christabel zag hoe Jonsy hem even snel en onderzoekend aankeek. Ze wist niet wat die blik betekende, maar wel dat Jonsy er iets mee te kennen wilde geven.
‘Nee,’ zei Barbara toen. ‘Ik ben even gebleven, omdat ik vond dat je vader en moeder er niet al te best uitzagen. Maar het bleek dat Rogan inmiddels zijn handen weer kan gebruiken, dus hoeven ze niet meer ieder moment naar het ziekenhuis op en neer te gaan.’
‘Heb je Rogan nog gezien?’
‘Ja, maar niet lang. Hij mag nog niet te veel worden vermoeid. Bovendien wist ik dat mijn aanwezigheid hier dringender gewenst was.’
‘inderdaad,’ zei Conrad en Jonsy wierp hem een waarschuwende blik toe.
Plotseling voelde Christabel zich triest worden, toen ze die twee zo vertrouwelijk met elkaar hoorden praten. Hij had gezegd dat ze een bijzondere vrouw was. Ze was hier geboren en volkomen met haar omgeving vertrouwd. Maar toch moest ze destijds een reden hebben gehad om weg te gaan. Wat kon die zijn? Conrad had gezegd dat alles weer in orde zou komen wanneer zij terug was. Wat had hij daarmee bedoeld? Hij woonde al vele jaren in de stad. Had Barbara het idee gehad dat ze niet tegen het stadsleven opgewassen zou zijn, dat ze daardoor compromissen zou moeten sluiten die ze uiteindelijk niet aan zou kunnen? Was hij soms na zijn terugkeer uit Londen meteen hierheen gegaan en was dat Barbara ter ore gekomen? Had ze daarom besloten om naar Nieuw-Zeeland terug te keren? Allemaal vragen waarop ze het antwoord niet wist.
Ze hoorde hoe Barbara de kinderen vertelde dat ze het in het buitenland best naar haar zin had gehad, maar dat ze altijd had geweten dat ze heimwee zou krijgen en terug zou keren. Ze zag hoe Conrad haar een begrijpende blik toewierp. Zou het kunnen zijn dat hij aldoor van Barbara had gehouden, in Engeland even verliefd op haar was geworden, maar zich toen opeens had gerealiseerd dat hij zijn eerste liefde niet kon en mocht vergeten? Misschien was dat inderdaad de reden geweest waarom hij besloten had in Londen verder niets meer van zich te laten horen. Ze besloot er niet meer aan te denken tot Barbara en de kinderen Macandrew naar Mount Hebron vertrokken waren en het weer rustig zou zijn in huis.
Toen barstte het onweer in alle hevigheid opnieuw los en werd het stil in de kamer. Iedereen was bang voor de schade die erdoor zou kunnen worden aangericht, maar het was fascinerend om ernaar te kijken. Toen zei Conrad: ‘Barbara, het is vanavond veel te riskant om naar huis terug te gaan. Het lijdt geen twijfel dat er zich overstromingen hebben voorgedaan en de weg van dit huis naar de hoofdweg is ook onder normale omstandigheden al niet zo best berijdbaar ‘Dan moet ik maar even bellen,’ zei Barbara. ‘Ik hoop maar dat ze ervan zijn uitgegaan dat we hier voor het onweer losbarstte, zijn gearriveerd.’ Op dat moment begon de telefoon te rinkelen.
Conrad nam op en zei: ‘We hebben al besloten dat ze maar hier moeten blijven. Natuurlijk hebben we plaats genoeg. Laat hen maar blijven tot morgenmiddag. In orde, tot ziens dan maar.’
‘De weg is inderdaad al onbegaanbaar,’ meldde hij toen. Die mededeling had tot gevolg dat de kinderen een Indianendansje van vreugde begonnen te maken. Christabel zag hoe ook Barbara’s ogen straalden. Zij hoorde hier thuis. Ze merkte hoe ze de andere vrouw, die iets ouder was dan zij, daarom benijdde. Dat moest ze niet doen. Wanneer ze Barbara eens goed bekeek, zag ze een trek om haar mond... een trek die deed vermoeden dat ze veel verdriet gehad moest hebben. Nonsens natuurlijk. Haar verbeelding was weer een loopje met haar aan het nemen. Wanneer ze zoveel verdriet had gehad, was ze hem wel gevolgd naar Auckland. Ze zou Conrad overal naartoe gevolgd zijn wanneer hij haar dat had gevraagd, daar was ze zeker van.
Een uurtje later was de regen opgehouden. Meteen trokken de gebroeders Twizel en Conrad hun regenjassen aan om te paard te gaan kijken welke schade er door het noodweer was aangericht.
‘Ik hoop dat we van de buitenwereld afgesloten zijn en dat het heel, heel lang duurt voordat daar verandering in komt,’ zei Rosemary Macandrew hoopvol.
Dat was wel het tegenovergestelde van waar Christabel op hoopte. Ze wilde niet dat Barbara zo lang onder een en hetzelfde dak met Conrad zou bljven slapen. Dat zij leuke dingen met hem zou gaan doen, terwijl Christabel in zijn studeerkamer zat te typen. Nee, dat was allerminst een aanlokkelijk vooruitzicht!