HOOFDSTUK 2

 

 

 

De volgende ochtend werd er haastig ontbeten. Ze moesten vroeg in de middag weer in Londen arriveren en zouden onderweg nog een aantal historische plaatsen aandoen. Toen Tod naar beneden kwam, stond Christabel al weer van tafel op om haar bagage verder in te pakken. Even keken ze elkaar aan en wisten dat ieder zich de vorige avond nog goed kon herinneren... Toen was ze vertrokken.

Het inpakken ging traag, omdat ze er met haar gedachten niet bij was. Desondanks zat zij eerder op haar plaatsje in de bus dan Tod, die pas kwam toen de chauffeur twee maal had getoeterd.

Christabel zag meteen dat hij heel erg bleek was. ‘Tod, voel je je wel goed? Je zag er bij het ontbijt veel beter uit. Wat is er aan de hand?’

Hij slaagde erin een klein glimlachje te produceren. ‘Niets bijzonders. Ik heb een beetje hoofdpijn, omdat ik vannacht niet al te best heb geslapen. Straks gaat het wel weer beter.’

Daar zag het niet naar uit, vond ze, maar ze realiseerde zich dat hij geïrriteerd zou raken wanneer ze er verder op doorging. ‘Zal ik het raam een stukje open zetten? Probeer even te slapen, misschien doet dat je goed. We hoeven uiteindelijk niet de hele weg aan een stuk door te praten.’

Hij knikte. ‘Ja graag.’

Hij hield zijn ogen dicht, maar ze was er zeker van dat hij niet sliep. Er zat een diepe lijn tussen zijn wenkbrauwen. Spanning? Of verbeeldde ze zich dat maar? Ze zei niets, keek naar buiten en af en toe naar hem. Hij deed zijn ogen open toen de bus in Alton stopte voor een kort bezoek aan de beroemde kerk van dat plaatsje. Ze vroeg hem of hij van plan was mee te gaan.

‘Nee,’ zei hij. ‘Ik denk dat ik even een eindje ga wandelen. Wat frisse lucht zal me goed doen.’

‘Zal ik met je meegaan?’

Onmiddellijk verscheen er een frons op zijn voorhoofd. Snel zei ze: ‘Nee, ik zie dat je er behoefte aan hebt om alleen te zijn. Om rust te hebben. Jammer dat iedereen vandaag zo druk aan het kwebbelen is. Ik denk dat ze allemaal een beetje opgewonden zijn, omdat ze weer naar huis gaan en hun pas verworven kennissen nog zoveel mogelijk over zichzelf willen vertellen.’

Tod knikte. ‘En misschien is dat wel verstandiger dan zo zwijgzaam over dergelijke zaken te zijn.’

Wat een merkwaardige uitspraak, dacht Christabel. Ze had de indruk dat hij niet ziek was, maar zich ergens verschrikkelijke zorgen over maakte. Gisterenavond had hij haar gezegd dat bepaalde dingen die hij haar wilde vertellen, haar niet aan zouden staan. Wat zou dat kunnen betekenen? Hij zat er kennelijk mee in zijn maag en zij zou er het verstandigst aan doen heel begrijpend te reageren. Ze moest zich nu maar niet teveel zorgen meer maken.

Gedurende de rest van de busreis sliep hij. Nu voelde Christabel zich ellendig. Wat een anticlimax! Ze wilde dat hij opgekikkerd wakker zou worden om samen met haar te genieten van alles wat ze zagen.

Toen ze bij Colnbrook waren gearriveerd, leek hij weer een beetje bij te komen. Hij maakte zelfs een paar aantekeningen. Maar hij zei nog steeds heel weinig. Christabel staarde uit het raampje en begreep niet wat haar overkwam. Er was iets goed mis, dat stond vast.

Gezien het feit dat haar flatje in St. John’s Wood lag en hij daar vlak bij in een pension een kamer had gehuurd, verwachtte ze dat hij wel voor zou stellen om samen een taxi te nemen, maar dat gebeurde niet. ‘Ik moet bij de bank wat post ophalen en vandaaruit ga ik wel met de ondergrondse terug.’

Toen ze hun koffers pakten, merkte hij plotseling op: ‘Mijn hemel, dat was ik bijna vergeten. Weetje nog dat ik vanmorgen als laatste in de bus ben gestapt? Je had iets in je kamer laten liggen en een van de leden van het hotelpersoneel heeft me gevraagd dat aan je te geven. Hier. Dat is toch van jou?’ Hij keek haar nog steeds een beetje merkwaardig aan. Hij haalde een schrijfbloc uit zijn weekendtas.

Christabel keek er even naar en zei: ‘Ja, die is van mij. Oh, ik begrijp al wat je bedoelt. Er staat een andere naam op. Voor mijn vertrek heb ik een nachtje bij een vriendinnetje van me geslapen en die heeft me dat geleend.’

Toen zei hij, zo plotseling dat ze ervan schrok: ‘Tsja, tot ziens dan maar,’ en was vertrokken.

Niet: ‘Tot over een paar dagen,’ of ‘Ik zal je zo snel mogelijk opbellen.’ Niets van dat alles. Haar hart leek ineen te krimpen. Zo zorgeloos als ze kon, riep ze: ‘Tot ziens, Tod... leuk kennis met je te hebben gemaakt.’ Ze hoopte maar dat ze hem op die manier duidelijk had kunnen maken dat ook zij het gevoel had dat ze elkaar verder niet meer moesten zien.

Wat was ze blij dat Janice een paar dagen weg was gegaan. Ze zou niet in staat zijn om net te doen alsof het allemaal even mooi was geweest. Daar was verandering in gekomen op het moment dat Tod die ochtend de bus in was gestapt. Allerlei gedachten bleven in haar hoofd rondspoken en uiteindelijk kwam ze tot de conclusie dat hij ervan had af gezien om hun vriendschap te continueren.

De volgende ochtend hield ze zichzelf voor dat ze maar beter hard aan het werk kon gaan. Ze was vijfentwintig jaar, had een eigen flatje en over een paar maanden zou haar eerste roman worden gepubliceerd. Met de tweede was ze al een aardig eind op streek. Ze moest nu dat stukje dat ze tijdens de vakantie herschreven had, uittypen en zo snel mogelijk naar haar uitgever sturen. Nee, ze zou het niet versturen, maar persoonlijk gaan brengen. Een beetje afleiding zou haar goed doen.

En stel je nu eens voor dat Tod in de tussentijd belt? zei een stem van binnen. Dan belt hij nog maar eens, sprak ze zichzelf streng toe. Wanneer hij dat tenminste wil. Ik ben niet van plan om thuis te blijven voor het onwaarschijnlijke geval dat...

Een week later wist ze dat hij haar niet zou bellen. Het was een afgrijselijke week geweest. Iedere keer wanneer er werd gebeld of de telefoon begon te rinkelen, was ze opgesprongen, hopend dat hij het zou zijn. Iedere keer kreeg ze opnieuw een teleurstelling te verwerken.

Op een nacht werd ze wakker en was er op dat moment van overtuigd dat Tod er de man niet naar was om zo te handelen. Hij moest zich werkelijk niet goed hebben gevoeld. Anders was zijn gedrag beslist onverklaarbaar. Stel nu eens dat hij niet had opgebeld omdat hij dat niet kón doen? Hij moest een infectieziekte opgelopen hebben. Hij was snel naar het ziekenhuis gebracht en lag daar nu doodziek en alleen in een vreemd land.

Maar wat kon ze daaraan doen? Hij had haar niet eens het telefoonnummer of het adres van zijn pension gegeven. Dat was een beetje vreemd, maar daar stond tegenover dat ze hadden afgesproken dat hij haar zou bellen. De hele dag daarop bleef ze denken aan de mogelijkheid dat hij ergens in Londen in een ziekenhuis lag. Had hij de naam van dat pension maar genoemd! Ook dat was echter niet gebeurd. Plotseling kreeg ze een heldere ingeving. Ze zou daar bij het busstation naar kunnen informeren!

Ze ging er direkt naar toe en had haar verhaal al klaar.

‘Ik heb zoiets doms gedaan! Ik heb deelgenomen aan reis nummer eenentwintig en zat naast een man die me dit boek heeft geleend,’ ze zwaaide met een boek uit haar eigen kast voor de neus van de receptioniste heen en weer. ‘Ik heb hem toen plechtig beloofd dat ik het terug zou sturen naar het pension waar hij zit, maar ik ben het papiertje waarop het adres daarvan stond, kwijtgeraakt. Ik vraag me af of u me zou kunnen helpen. Ik vind het zelf altijd heel erg wanneer ik een boek kwijtraak en ik zou dit hem graag terugbezorgen.’

‘Geen probleem, mevrouw. Hoe heette die man?’

‘Mr. Tod Hurst. Hij heeft zich pas later bij ons gezelschap aangesloten. In Plymouth.’

De vrouw pakte een groot boek en zocht de passagierslijst op. ‘Hier staat niemand die... Oh, u moet de naam verkeerd onthouden hebben. Hij heette geen Hurst. Wel Brockenhurst. T. Brockenhurst.’ Ze keek even naar het boek dat Christabel in haar hand had en begon te lachen. ‘Natuurlijk wil hij dat terughebben. Het is zijn eigen boek. Thaddeus Brockenhurst.. Nu herinner ik het me weer. De secretaresse van zijn uitgeverij heeft voor hem geboekt en toen gezegd dat hij graag onder het pseudoniem Hurst wilde reizen. Hij had al een reis gemaakt over het vasteland van Europa en was toen door allerlei mensen lastig gevallen. Dat wilde hij nu persé voorkomen. Ik begrijp dat eigenlijk niet zo goed. Wanneer ik een boek zou kunnen schrijven, zou ik dat aan iedereen willen vertellen. U niet?’

Geschrokken stamelde Christabel: ‘Ik ... ik... ik weet het niet. Ik veronderstel dat het 1-lastig kan zijn. Dan zou je nooit weten of mensen jóu aardig vinden of alleen maar op je afkomen omdat je beroemd bent. En verder zeggen ze altijd dat iedereen aan een schrijver meteen zijn eigen levensverhaal wil gaan vertellen, in de hoop dat ze zichzelf later in een boek kunnen herkennen ... ’ Ze was niet in staat om na te denken.

‘Stel je voor!’ zei de vrouw toen weer. ‘Zo heb ik het nog nooit bekeken. Misschien is Tod wel een afkorting van Thaddeus. Maar dat gedoe met die namen moet u bekend zijn. Hij heeft u tenslotte zijn boek uitgeleend, nietwaar?’

‘Jawel,’ zei Christabel, ‘maar hij heeft me niet verteld dat hij het zelf had geschreven ... Ik zal het boek nu meteen terug gaan sturen. Zou u me misschien het telefoonnummer van dat pension kunnen geven? Dan kan ik hem bellen dat zijn boek eraan komt.’

De vrouw schreef het adres op. Christabel verliet het busstation en besloot in een restaurant een kopje thee te gaan drinken. Nu zag het plaatje er opeens heel anders uit. Had Tod hierop gedoeld toen hij tegen haar zei dat hij haar een paar dingen moest vertellen die haar niet zouden bevallen? Had hij het gevoel gekregen dat hij niet onder een valse naam op reis had moeten gaan? Ze herinnerde zich de opmerking die ze had gemaakt over de naam Thaddeus. Wat een faux pas. Maar dat was toch niet belangrijk? Ze was er zeker van dat hij daarom zou kunnen lachen. Misschien zou hij wel aangenaam verrast reageren wanneer hij tot de ontdekking kwam dat zij ook boeken schreef. Dat betekende immers dat ze nog meer gemeenschappelijk hadden dan ze wisten? Nu was ze er helemaal zeker van dat hij ziek geworden was. Ze moest maar snel naar huis gaan en hem opbellen. Hij zou heel blij zijn haar te zien ... Nu, Christabel, corrigeerde ze zichzelf, wees daar nu maar niet al te zeker van...

De eerste klap kreeg ze al toen ze het pension opbelde en Mr. Brockenhurst te spreken vroeg. De stem aan de andere kant van de lijn klonk verbaasd en zei dat niemand die zo heette, in het pension logeerde. ‘Hij heet eigenlijk Thaddeus,’ zei ze toen. Weer hetzelfde antwoord. ‘Hij noemt zich ook wel eens Tod Hurst.’ Nog geen enkele positieve reactie. Ze bedankte de vrouw voor haar inlichtingen en legde de telefoon op de haak.

Mijn hemel, wat een man! Wanneer Tod Hurst - Thaddeus Brockenhurst - werkelijk ziek was, mocht hij wat haar betrof lekker alleen in zijn bed blijven liggen! Ze wist echter dat ze het langs nog een andere weg zou kunnen proberen ... zijn uitgever. Maar die zou natuurlijk niet bereid zijn om zijn adres door te geven en slechts verklaren dat hij de brief door zou sturen. Maar ze was veel te trots om zo achter hem aan te lopen. Wat zou ze hem nu graag op straat onverwachts tegen het lijf lopen om hem eens precies te vertellen hoe ze over hem dacht! Nee, ze kon maar beter aan het werk gaan.

Ze zou pas in de lente weer op reis gaan om nieuwe plekjes voor haar boeken te ontdekken. Wanneer ze nu naar Schotland ging, vroeg ze om moeilijkheden, omdat ze erover hadden gedacht om daar samen naartoe te gaan. Ze was blij toen de zes weken voorbij waren. Nu zou Thaddeus Brockenhurst weer terug zijn in eigen land en zou haar hart geen slagje meer overslaan wanneer de telefoon begon te rinkelen.

De hele herfst lang werkte ze hard door en toen het Kerstfeest naderde, hielp ze Janice en Tim bij alle voorbereidingen die daarvoor getroffen moesten worden. Ze beleefde er echter zelf weinig vreugde aan. Lisa’s brieven werden steeds spaarzamer en toen ze de laatste had gekregen, was ze daar een paar dagen door van slag geweest. Uit iedere regel sprak ontevredenheid. Maar uit de kleine briefjes die de kinderen hadden geschreven, kon ze opmaken dat zij het daar uitstekend naar hun zin hadden. Ze hadden ponies gekregen, brachten kleine lammetjes met de fles groot, waren met hun vader een weekend in een berghut gaan logeren en genoten van alles. Het was verschrikkelijk heet, maar ze hadden een eigen zwembad en Hughie had inmiddels ook leren zwemmen. Wanneer het winter werd, zouden ze gaan skiën.

Ze vertelde Janice en Tim Stennison niets over Tod of Thaddeus en hoewel ze geen thriller meer van hem had aangeraakt, ontdekte ze met Kerstmis dat Janice haar een exemplaar van zijn allernieuwste boek cadeau had gedaan. Ze had dat graag in de open haard willen smijten, maar Tim had gezegd dat hij het later een keertje van haar wilde lenen.

Ze vond het hoogst merkwaardig dat het boek haar, toen ze er eenmaal aan begonnen was, zo boeide dat ze het niet weg kon leggen. Het was weer een thriller, maar uit iedere bladzijde sprak Thaddeus’ liefde voor de poëzie en de natuur. Het was goed geschreven, doch wat betekende dat verder? Niets meer dan dat de schrijver even bedreven in het bedriegen was als de boeven die hij ten tonele voerde.

Een man die kon liegen. Plotseling vroeg ze zich af of hij haar soms aan het bestuderen was geweest. Zou ze zichzelf op een gegeven moment herkennen in een van zijn boeken? Zou hij haar beschrijven als een lichtgelovig meisje? Misschien wel. De gedachte daaraan alleen al maakte haar woedend. Ze smeet het boek in een hoek. Het viel open op de bladzijde waarop stond aan wie hij het boek had opgedragen.

Ze pakte het weer op. ‘Voor mijn ouders ... ’ las ze. Daarna volgde een van de mooiste gedichten van Shakespeare die ze kende. Ze voelde zich eenzamer dan ooit. Had ze Thaddeus Brockenhurst maar nooit ontmoet! Ze had gemeend in hem de man gevonden te hebben met wie ze de rest van haar leven wilde delen... maar hij had haar bedrogen. Snel zette ze die gedachte weer van zich af. Het leven ging verder.

In de maand januari sneeuwde het vrijwel voortdurend. Christabel werkte hard en ging op bezoek bij goede vrienden. Lisa had al weken lang niets van zich laten horen en ook de kinderen hadden haar niet geschreven. De maand februari was ontzettend koud, maar het sneeuwde niet meer en her en der verschenen de eerste crocusjes. Christabel hoorde een doffe plof beneden bij de deur, hetgeen betekende dat er post voor haar was.

Ze rende naar beneden en zag een heel stapeltje op de deurmat liggen. Er zat een brief bij van Lisa. Ze herkende de Nieuwzeelandse enveloppe meteen. Snel liep ze naar boven, maakte de brief open en zat er toen stomverbaasd naar te staren. Het getypte adres had haar niet doen beseffen dat die brief onmogelijk van Lisa kon zijn. Ze keek naar de afzender op de enveloppe:

‘Conrad Josefsen,

Thunder Ridge,

Private Bag, Mount Cook,

South Canterbury, New Zealand.’

 

Conrad Josefsen. Dat was de broer van Rogan, Lisa’s echtgenoot, die niet eens op Thunder Ridge woonde. Hij was mede-eigenaar van de schapenfokkerij, maar had zich daar nooit zo voor geïnteresseerd en woonde, voor zover zij wist, op het North Island. Waarom zou die man haar in ’s hemelsnaam een brief schrijven?

Het kostte haar moeite om de brief open te vouwen. Als eerste zag ze de laatste brief die zij Lisa had geschreven. Hij bleek niet opengemaakt te zijn! Christabel begon te trillen. Ze las en kon haar ogen nauwelijks geloven.

 

‘Beste Miss Windsor,

Het spijt me dat ik deze brief, die u aan uw zuster geschreven hebt, naar u terug moet sturen, maar ik zag geen andere mogelijkheid.

Misschien verbaast het u niet. Misschien ook wel, en daarom zal ik u zo beknopt mogelijk op de hoogte brengen van de stand van zaken. Uw zuster heeft haar echtgenoot, mijn broer, drie weken geleden verlaten en is ervandoor gegaan met een man die ze al enige tijd kende. Een rijke zakenman die niet in Nieuw-Zeeland woont, voor zover ik weet.

Ze liet een briefje achter met de mededeling dat ze over een paar weken de kinderen op zou laten halen en dat Rogan een echtscheiding aan kon vragen. Dat ze het leven op de fokkerij niet langer vol kon houden en dat dat Rogans eigen schuld was, omdat hij haar niet had verteld hoe primitief het leven in Nieuw-Zeeland zou zijn. Sinds die tijd hebben we niets meer van haar gehoord. Mijn broer is dol op de kinderen, maar kan op dit moment niet voor hen zorgen, omdat hij ernstig ziek in het ziekenhuis opgenomen is. Ernstig ziek is eigenlijk niet juist. Hij heeft een auto-ongeluk gehad, toen hij probeerde achter Lisa en die man aan te gaan voor het te laat was.

Nu zit ik op de schapenfokkerij. De kinderen worden op dit moment verzorgd door een ouder echtpaar dat hier al jaren lang in de buurt woont. Wanneer uw zuster contact met u zoekt, moet u haar op de hoogte brengen van Rogans ongeluk. Ik weet niet precies in welke omstandigheden de kinderen nu rechtspositioneel zijn komen te verkeren. Rogan is hun voogd, maar ik denk dat veel af zal hangen van het standpunt dat Lisa ten aanzien van hen inneemt. Mijn broer is nog steeds buiten bewustzijn, dus kan ik geen overleg plegen met hem. Maar naar mijn stellige overtuiging zou het voor de kinderen veel beter zijn wanneer ze hier konden blijven.

Het spijt me dat ik u hier zo mee overval, maar deze kwestie duldde niet langer uitstel. De kinderen hebben me verteld dat ze bijzonder op u gesteld zijn. Het is jammer dat u zover weg woont dat u nu niet in kunt springen hier, maar ik zal u op de hoogte houden van alles wat er gebeurt. Wanneer uw zuster contact met u zoekt, hoop ik dat u me dat per telegram meteen zult laten weten.

Met vriendelijke groeten,

Conrad Josefsen.’

 

Christabel bleef doodstil achter haar bureau zitten, met haar hoofd in haar handen. Toen stond ze op om een kopje thee te zetten en een hapje te eten. Nu was er gebeurd waar haar moeder altijd al bang voor was geweest: Lisa had uit puur egoïsme aan iets heel moois een einde gemaakt. En wat afschuwelijk dat Rogan nu in het ziekenhuis lag. Oh, Lisa, hoe heb je zo iets kunnen doen, dacht ze. Hoe heb je die lieve kinderen van je in de steek kunnen laten? Davina, die nu elf jaar was, was oud genoeg om te begrijpen wat er gebeurde. Hughie, die in zijn korte leventje al zoveel had moeten meemaken, zou wanhopig zijn. Wat afschuwelijk dat ze meer dan twintigduizend kilometer van hen vandaan zat!

De telefoon begon te rinkelen. Ze nam op en hoorde aan de andere kant van de lijn de man van de garage waar ze over de aanschaf van een auto gesproken had. Ik heb nu werkelijk een juweeltje voor u! Direct, van de eerste eigenaar, weinig gereden, prima onderhouden ‘Oh. wat spijt me dat verschrikkelijk,’ hoorde Christabel zichzelf tot haar eigen verbazing zeggen. ‘Maar ik heb nu geen auto nodig. Ik ga naar Nieuw-Zeeland, weet u. Ik heb daar een zusje wonen en die heeft me gevraagd over te komen om op haar kinderen te passen. In ieder geval hartelijk dank voor alle moeite die u voor me hebt gedaan ... Tot ziens!’

De verbinding werd verbroken en ze staarde verbaasd naar de hoorn die ze nog steeds in haar hand hield. Had ze dat werkelijk zelf gezegd? Zou ze werkelijk naar Nieuw-Zeeland gaan? Toen draaide ze het nummer van Janice en vroeg of ze even langs mocht komen.

Janice reageerde uit de aard der zaak geschokt, maar zei uiteindelijk: ‘Ik denk dat het ons geen van beiden in wezen zo erg verbaast. Het heeft er altijd al dik ingezeten dat Lisa op een gegeven moment haar eigen leven zou vergooien en daardoor anderen veel verdriet zou bezorgen. Nu is dat dan gebeurd. Maar wat ga jij nu doen? Wat kun je doen?’

‘Ik ga erheen, om bij de kinderen te zijn. Wanneer die volledig gaan beseffen wat er is gebeurd... Wanneer Rogan weer herstelt, zal hij de eerste tijd nog niet voor twee zulke drukke kinderen kunnen zorgen. Vroeg of laat zal Lisa proberen contact met hen op te nemen. Het is nog maar de vraag of die rijke man met haar wil trouwen, laat staan of hij opgezadeld wil worden met twee kinderen. Oh, wat een ellende! Maar wanneer ze opduikt en ik ben er, kan ik haar die idiotie misschien uit haar hoofd praten. Ik had wat geld opzij gelegd voor een autootje, weet je wel? Dat zal ik nu voor de reis gebruiken. Oh Janice, ga nu alsjeblieft niet tegen me zeggen dat ik gek ben om te gaan.’

‘Ik denk niet datje een andere mogelijkheid rest,’ zei haar vriendin. ‘Ik weet dat je hier geen seconde rust meer zou hebben. En vertel me nu maar eens hoe Tim en ik je kunnen helpen. Is je paspoort nog geldig? Ik vind dat je die Conrad vanavond nog op moet bellen om hem te zeggen dat je eraan komt.’

Wat was het heerlijk wanneer je op zo’n moment op goede vrienden kon vertrouwen! Tim zou alle details van de reis voor haar kunnen regelen, via het reisbureau waar hij directeur van was.

’s Avonds om zeven uur vroeg ze een telefoongesprek aan met Nieuw-Zeeland. Haar knieën trilden terwijl ze de hoorn van de haak nam. ‘Miss Windsor?’ hoorde ze een koele stem zeggen. ‘Ik ben bang dat ik u na mijn brief nog niets nieuws kan vertellen. We zijn bang dat uw zuster dit land verlaten heeft, want radio en kranten hebben uitgebreid melding gemaakt van Rogans ongeluk, maar tot nu toe hebben we nog steeds niets van haar gehoord.’

Het was maar goed dat hij zo’n lang verhaal hield, want op dat moment zou Christabel niet in staat geweest zijn om ook maar één woord uit te brengen. Wanneer ze niet beter wist, zou ze het idee hebben dat Tod Hurst -Thaddeus Brockenhurst - aan de andere kant van de lijn zat!

Even later had ze zichzelf echter weer volkomen in de hand. ‘Mr. Josefsen, ik kan u niet vertellen hoe ik deze hele gang van zaken betreur. Ik zal open kaart met u spelen. Ik weet dat mijn zusje egoïstisch is en zich onverantwoord kan gedragen. Maar toch vind ik het ongelooflijk dat ze niet eens heeft geprobeerd contact met u op te nemen. En het is onvergeeflijk van haar dat ze niet eens naar haar kinderen heeft geïnformeerd.’

‘Dat is het inderdaad,’ zei hij grimmig.

‘Hoe is het met Rogan? Ik heb hem altijd graag gemogen ‘Hij herstelt niet zo snel als de artsen hadden gewild. Maar dat komt mede omdat hij geestelijk zo’n zware klap moet verwerken. Toch vraagt hij wel voortdurend naar de kinderen. Hij is zo op hen gesteld, weet u... ’

‘Ja, dat weet ik. In hun brieven hebben Davina en Hughie altijd even enthousiast over hem geschreven. Ik vind het verschrikkelijk dat hem dit moest overkómen.’

‘Wanneer een derde persoon tussen man en vrouw gaat staan, zal hij, of zij, zich maar zelden realiseren hoeveel verdriet hij veroorzaakt in het leven van anderen. En wanneer dat besef komt, is het meestal al te laat.’

‘Dat ben ik helemaal met u eens,’ zei Christabel en voelde een brok in haar keel.

Zijn stem veranderde en klonk opeens heel anders dan die van Tod Hurst. Droog, schrapend, en vol ongeloof vroeg hij: ‘Oh ja?’

Die vraag verbaasde haar. Instinctief reageerde ze op zijn toon en antwoordde vrij scherp: ‘Natuurlijk. Hoe zou ik dit gedrag van mijn zusje in ’s hemelsnaam goed kunnen keuren?’

‘Inderdaad. Hoe in ’s hemelsnaam?’

‘Mr. Josefsen, u gaat toch niet van de veronderstelling uit dat ik dit goed kan keuren om de doodeenvoudige reden dat ik een halfzusje van Lisa ben?’

Ze vond dat hij nu werkelijk beledigend werd.

‘Vergeef me de opmerking,’ sprak hij droog, ‘maar dat denk ik inderdaad. Familieleden vertonen vaak eenzelfde gedragspatroon.’

Met moeite wist ze zich in te houden en zei: ‘Mr. Josefsen, ik besef dat u moeilijke weken achter de rug hebt. U zult er wel behoefte aan hebben om uw woede op iemand te koelen. Liefst op Lisa, natuurlijk, maar omdat die er niet is, neemt u maar genoegen met mij ... Dus zal ik u die opmerking vergeven. Maar u moet één ding goed begrijpen: ik ben niet zoals zij, en ik wil graag helpen.’

Uit haar ooghoeken zag ze dat Janice en Tim uit hun stoelen overeind waren gekomen en haar bezorgd aankeken. Ze schudde haar hoofd en gaf het tweetal met een enkele blik te kennen dat ze het wel alleen kon redden.

‘Daarom heb ik u nu juist gebeld,’ ging ze verder. ‘Ik sta op het punt om naar Nieuw-Zeeland te vertrekken teneinde voor de kinderen te zorgen. Toen Lisa voor de eerste maal weduwe werd, ben ik tot hun voogd benoemd. Ik weet dat die benoeming ongedaan is gemaakt door haar huwelijk met Rogan, maar nu hij niet voor hen kan zorgen, vind ik dat het mijn plicht is om dat te doen, tot we iets naders van Lisa hebben gehoord. Misschien dat ik haar tot rede kan brengen, wanneer ze opeens weer opduikt. Er zitten op dit moment vrienden bij me die een reisbureau hebben. Ik zal u nog een telegram sturen wanneer ik precies arriveer en dat zal beslist al over een paar dagen zijn.’

Ze verbaasde zich over de felheid waarmee hij daar tegen protesteerde.

‘Oh néé. Dat doet u niet! Uw komst zou alleen maar een extra complicatie betekenen in een situatie die op zich al gecompliceerd genoeg is. Maakt u zich over de kinderen maar geen zorgen. Ik red het hier wel met hen. U moet hier beslist niet naartoe komen!’

Christabel haalde eens diep adem en zei: ‘Dan valt er niets meer te zeggen. U hebt mijn adres en u moet mijn telefoonnummer opschrijven voor het geval u van gedachte verandert.’ Toen zei ze hem beleefd gedag en legde de hoorn op de haak. Tim en Janice keken haar vragend aan, maar ze merkte dat ze geen woord uit kon brengen.

Voorzichtig werd ze in een stoel neergezet en toen vroeg Tim zachtjes: ‘Wil je het ons niet vertellen?’

Langzaam herhaalde ze toen wat Rogans broer tegen haar had gezegd.

‘Wat belachelijk,’ zei Tim toen ze klaar was. ‘Ik heb nog nooit zulke onterechte opmerkingen gehoord. Die man is gek. Normaal gesproken is er in iedere familie maar één zwart schaap te vinden! Hij lijkt wel geschift!’

‘Gek genoeg kreeg ik niet die indruk,’ zei Christabel. ‘Aanvankelijk reageerde hij heel begrijpend en in zijn brief stond niets beledigends. Het moet hem niet meegevallen zijn om een pen op papier te krijgen voor de zuster van de vrouw die zijn broer zo onheus heeft behandeld. Maar plotseling werd hij woedend. Dat gebeurde pas op het moment dat ik hem vertelde dat ik vast van plan was naar Nieuw-Zeeland te komen.’

‘En wat ga je nu doen, Christie?’ vroeg Tim. ‘Ik heb nog niets definitiefs voor je geregeld. Alleen wat navraag gedaan. Dat laat zich allemaal weer makkelijk ongedaan maken.’

Christabel keek hem recht aan. ‘Dat hoeft niet, beste Tim. Ik ga naar Nieuw-Zeeland om te zien hoe Davina en Hughie het maken en dan merk ik vanzelf wel of die Conrad Josefsen al een bad met kokend hete olie voor me klaar heeft staan.’

‘Zo mag ik het horen,’ zei Tim.