HOOFDSTUK 2
Shelagh Riordan was opgevoed op een kloosterschool. Vóór haar geboorte had de instelling een keukenmeisje aangenomen. Het was een Ierse immigrante die Eileen O’Riordan heette. Zoals altijd was er gebrek aan personeel, en daarom hadden de Zusters niet al teveel vragen gesteld, maar Eileen bleek, ondanks het gebrek aan referenties, eerlijk en ijverig te zijn. Stukje bij beetje was haar verhaal eruit gekomen. Op haar zestiende jaar was ze naar Londen gekomen, maar ze was nog erg jong geweest en was in slecht gezelschap terecht gekomen. Met moeite was ze daarvan losgekomen, en was naar het platteland gevlucht. Toen ze bij het klooster om werk gevraagd had, had ze in uiterste armoede verkeerd, en de Moeder Overste had haar niet kunnen wegsturen. Ze was erg devoot en de Moeder Overste had geprobeerd haar vertrouwen te winnen. Maar Eileen had geweigerd iets over haar familie los te laten.
‘Ze zijn dood voor me, en ik kan er nooit meer terug gaan,’ had ze verklaard. ‘Ze mogen nooit weten wat voor leven ik in Londen geleefd heb.’
‘Er werd meer tegen jou gezondigd, dan dat je zelf gezondigd hebt,’ had Moeder Cecilia volgehouden. ‘Als je echt berouw hebt, zullen ze je vergeven.’
Maar Eileen was niet te vermurwen. Ze was een Ierse schone met ravenzwart haar en blauwe ogen. Van mannen moest ze niets hebben.
‘Ik haat ze,’ had ze sidderend gezegd.
Ze was te werk gesteld in de kostschool van het klooster. De nonnen waren onderwijzeressen en ze hadden hun eigen kostschool met zorgvuldig geselekteerde leerlingen. In het begin waren de zusters erg voorzichtig dat de nieuwe keukenmeid geen contacten zou onderhouden met hun deftige klanten, maar ze gedroeg zich zo keurig dat ze al spoedig andere taken kreeg opgedragen.
Toen, na twee jaar, was ze net zo plotseling als ze gekomen, ook weer verdwenen.
‘Ik ga trouwen,’ had ze tegen de non van de huishouding gezegd.
Moeder Cecilia wilde haar spreken. ‘Wie is de jongeman?’ had ze vriendelijk gevraagd.
‘U kent hem niet.’
Tegen hun zin moesten ze haar wel laten gaan.
‘Als je ooit hulp nodig mocht hebben, kom dan hier,’ had Moeder Overste ten afscheid gezegd.
‘Dank u, maar van nu af aan zal mijn man voor me zorgen,’ had Eileen vol vertrouwen gezegd.
Ongeveer achttien maanden later hadden de nonnen bij de voordeur een drie maanden oude baby in een mandje ontdekt. Er lag een briefje in het mandje, en daar had ingestaan:
‘Haar naam is Shelagh. Geef haar in hemelsnaam de hulp die u mij ook geboden hebt.’
Het kind van Eileen? Waarschijnlijk. De nonnen gingen in vergadering. Ze hadden een school, geen weeshuis.
Zuster Joanna sprak met nadruk. ‘We kunnen haar niet houden. Denk eens wat de ouders zullen zeggen als onze leerlingen vertellen dat we de dochter van een prostituée hebben geadopteerd van wie we de achternaam niet eens weten.’
Toen zei Moeder Cecilia: ‘We zullen hen verdraagzaamheid en liefde moeten leren. Dit kind is ons als een heilige opdracht toevertrouwd. Ze blijft.’
Omdat niet bekend was of ze gedoopt was, werd de baby Shelagh Riordan gedoopt. Ze werd door de nonnen opgevoed en kreeg haar opleiding op de kloosterschool. Er werd verder niets van Eileen gehoord, en evenmin werd Shelagh verteld dat haar moeder misschien nog in leven kon zijn. Er werd haar slechts verteld dat ze op de stoep van het klooster gevonden was als een gift van God, en dat was alles. Naarmate ze ouder werd, drong het tot haar door dat men zich van haar ontdaan had, maar die wetenschap verbitterde haar niet. Ze aanbad Moeder Cecilia die ze als een aardse heilige beschouwde, en Moeder Overste noemde zichzelf haar geestelijke moeder. In het begin van haar tienerjaren maakte Shelagh zichzelf wijs dat ze roeping had, maar moeder Cecilia ontmoedigde haar.
‘Je bent nog te jong om dat nu al te kunnen weten. Wacht mijn dochter, en bidt om leiding.’
Op haar zestiende was ze van gedachten veranderd. De wereld was te verlokkelijk en te opwindend. Ze leerde steno en typen en kreeg haar eerste baan in een klein stadje bij het klooster. Daarna vertrok ze naar Londen. Daar verliet ze het hotel waar ze een paar maanden gewoond had om een kleine flat te gaan delen met Gillian Dawson, die op hetzelfde kantoor werkte en haar beste vriendin was geworden. Maar het klooster had zijn sporen op haar achter gelaten. Ze bezat een bedaardheid en toewijding die haar verschillend maakte van de kollega’s, die alleen maar naar genoegens joegen. Gillian plaagde haar dikwijls met haar kloostermanieren die haar naar haar zeggen afhielden van een vrolijk leventje. Ze bedoelde natuurlijk mannen, maar Shelagh gaf niets om onstuimige jongemannen die afspraakjes met haar probeerden te maken.
‘Ze willen maar één ding,’ zei ze voortdurend, ‘en dat zal ik nooit zonder liefde geven.’
‘Maar hoe kun je nu verliefd worden als je leeft als een non?’
‘Ik ben nu eenmaal als non opgevoed, en er zijn ergere manieren om te leven,’ had Shelagh steeds geantwoord.
En nu was ze dan verliefd geworden op een fascinerende Italiaanse jongen die met haar wilde trouwen. Het was net of haar romantische dromen werkelijkheid waren geworden. Ze was natuurlijk geen twintig geworden zonder die dromen te hebben gehad. Maar, zoals in de beste romans, zaten er voetangels te klemmen in die dromen. Ze had geen bloedverwanten, geen achtergrond en geen bruidsschat. Ze had begrepen dat dat gebruikelijk was voor een bruid in Italië. De vader van Camillo was een knappe aristocraat. Hij zou nooit toestemmen in zo’n onaantrekkelijke partij voor zijn enige zoon, voor wie hij zeker een rijk huwelijk op het oog had.
Ze probeerde haar twijfels en angsten aan Camillo uit te leggen, maar hij wuifde ze weg.
‘Ik ben verliefd op jou, niet op je familie of je afkomst. Ik zit niet vastgebonden aan mijn vader, en omdat er geen andere weg schijnt te zijn om je te krijgen, zal hij begrijpen dat we moeten gaan trouwen.’
Geen erg goede basis voor een permanente verbintenis, maar Shelagh was te verblind om dat te overwegen. Ze vond het heerlijk dat er zo hartstochtelijk naar haar verlangd werd. De liefde deed haar gloeien met een schoonheid die hem in vuur en vlam zette. Zelfs Gillian maakte er een opmerking over.
‘Ik heb je ogen nog nooit zo groen gezien, of je haar zo rood,’ had ze gezegd.
‘Peentjes?’ had Shelagh gesuggereerd.
‘Nee, Shee, het lijkt meer op gesmolten goud en koper. Ik geloof dat ik jaloers ben.’
‘Gill, je bent toch ook niet voor hem gevallen?’
‘Dat zou best eens kunnen. Nu ja, Alonso is er ook nog en ik zal mijn vakantie bij jou kunnen doorbrengen, als je eenmaal getrouwd bent.’
‘ Je bent welkom.’ Maar ze kon nog niet in dat huwelijk geloven. Alles was zo snel gegaan dat ze zichzelf nog niet als Camillo’s vrouw kon zien.
Haar antwoord op Camillo’s vrijages was overweldigend geweest, en ze was geschokt over haar eigen emoties, maar er was ook verrukking geweest. Er was een nieuwe wereld voor haar open gegaan, maar ze bleef volhouden dat de volledige vervulling moest wachten tot ze getrouwd zouden zijn. Het zou de dag tot een grote anticlimax maken als ze dat nu al zouden doen, bleef ze volhouden. Camillo was het er mee eens, maar drong aan hem niet te lang te laten wachten.
Gillian vond dat haar vriendin geweldig veel geluk had gehad om zo’n rijke echtgenoot aan de haak te slaan, en gaf toe dat slim zijn soms vruchten afwierp. Shelagh was het niet eens met Gillian’s opvattingen, ze ging Camillo niet trouwen om zijn geld. Ze hield van hem en wilde zich volledig geven, maar ze wilde dat het eeuwig zou duren. Als liefde niet op een huwelijk uitliep, kon het geen ware liefde zijn. Zo eenvoudig lag de zaak voor haar.
Camillo vertelde haar dat zijn vader haar wenste te spreken en gevraagd had haar naar zijn verblijf op het eiland te brengen. Alhoewel ze begreep dat ze als de verloofde van zijn zoon respect voor Cesare moest hebben, bekeek Shelag het voorstel met een zekere schroom. Ze was ervan overtuigd dat Barsini senior moeilijkheden zou gaan maken, en zou proberen hen van elkaar te scheiden. Ook zou hij vragen gaan stellen over haar afkomst en zich ergeren aan haar onthullingen.
‘Je zult toch niet toestaan dat hij tussen ons komt?’ vroeg ze Camillo bezorgd.
‘Dio mio, zeer zeker niet,’ stelde hij haar gerust. ‘Maar je maakt je veel teveel zorgen, cara, hij is geen boeman en hij vindt dat een huwelijk me goed zal doen, dat het een rustgevende invloed op me zal hebben.’ Hij lachte honend. ‘Als hij ontdekt hoe lief en goed je bent, zal hem dat zeker een genoegen doen.’
Shelagh betwijfelde dat, maar ze zou hem moeten ontmoeten en op Camillo’s steun moeten rekenen.
Aldus gingen ze op een middag in de motorboot op stap. Die boot, had Camillo haar verteld, had hij op zijn eenentwintigste verjaardag van zijn vader cadeau gekregen. De mededeling had Shelagh verbaasd doen staan. De Barsin is moesten wel steenrijk zijn als ze zulke cadeaux konden geven. Ze droeg een blauwe langebroek en een blauwwit gestreept T-shirt. Haar gouden haren werd door een zijden doek bij elkaar gehouden. Camillo was net zo gekleed, behalve dan dat zijn kleuren rood en zwart waren.
Het Isola di Santa lucia was een van de grotere eilanden dat lag op het punt waar de lagune overging in de Adriatische Zee en het was overdekt met bomen en struikgewas. Na op de landingssteiger uitgestapt te zijn, leidde Camillo haar langs een kronkelig pad door dicht struikgewas. Het kwam uit op een groot gazon vol bloembedden met allerlei exotische bloemen. Aan de andere kant van het gazon stond het huis, een lang wit gebouw met witte pilaren onder een lang balkon dat schaduw verschafte aan een breed terras. Met stomheid geslagen staarde Shelagh er naar.
‘Cam, het lijkt wel een paleis!’
Hij haalde de schouders op. ‘Nauwelijks, bovendien is het modern. Papa houdt van komfort. Het sanitair is uitstekend... en duur om te onderhouden.’
‘Daar twijfel ik niet aan.’
Toen ze over het gazon liepen, merkte ze op dat er naast het huis een zwembad was. Aan de andere kant lag een tennisbaan. Als vakantieverblijf was het ideaal.
Het was ongeveer vier uur en de tijd voor de siësta was voorbij. Toen ze bij het terras aankwamen, zag Shelagh dat er ligstoelen waren klaargezet, uit een van die stoelen stond Cesare op om hen te begroeten. Hij droeg een lichte broek en een perfect gesneden jasje met daaronder een wit overhemd met een blauwe das. Zijn zwarte haar, dat aan de slapen wat begon te grijzen, was kort geknipt. Hij zag eruit als een echte heer.
‘Benvenuto,’ zei hij met zijn diepe stem. Zijn grijze ogen namen ieder detail van haar op. Toen ze bij hem aankwamen, stak hij zijn hand naar haar uit, en verlegen legde ze er de hare in. Nieuwgierig keek ze naar de bruine vingers die haar hand vasthielden. Cesare moest minstens veertig zijn, maar zijn leeftijd was hem niet aan te zien.
Hij liet haar naast haar zitten en als uit het niets verscheen een man met een blad met dranken.
‘Wilt u iets fris drinken, Signorina Riordan?’ vroeg hij hartelijk. Het verbaasde haar dat hij zich haar achternaam herinnerde.
‘Si, per piacere,’ zei ze. Ze werd zich bewust van zijn doordringende blik en hoopte dat hij haar zat te bewonderen.
‘Spreek je Italiaans?’
Ze glimlachte. ‘Dat zijn zo ongeveer alle woorden die ik ken.’
‘Dan zul je het natuurlijk vloeiend moeten leren spreken.’
‘Ik zal mijn best doen.’
‘Heb je misschien liever iets sterkers om je moed in te drinken?’ stelde Camillo voor, en nam zelf een cognac met soda.
‘Nee, dank u, ik ben er wel zeker van dat ik dat niet nodig zal hebben. ’
Ze voerden een gesprek over koetjes en kalfjes. Camillo leunde met een glas in de hand tegen een van de pilaren en bekeek haar kritisch. Ze vroeg zich af wat voor indruk ze op zijn vader maakte, maar de grijze ogen in het olijfkleurige gezicht verraadden niets. De doordringende blik van Camillo stoorde haar een beetje. Ze was zijn eigendom nog niet en ze verwachtte bezwaren van zijn vader. Camillo had haar niet verteld in hoeverre hij afhankelijk van zijn vader was. Als Cesare haar niet zou mogen zou hij er erg veel bij kunnen verliezen. Zou hij haar dat waard vinden?
Toen ze haar glas had leeg gedronken, zei Cesare:
‘Camillo, ga jij eens een poosje weg. Ik wil met deze jongedame onder vier ogen spreken.’
Er kwam een wantrouwende blik in Camillo’s donkere ogen. ‘Maar waarom, papa? Gaat u haar tegen me opzetten?’
‘Dat ben ik helemaal niet van plan,’ zei Cesare droog. ‘Maar ik wil haar eerst leren kennen als ze mijn schoondochter gaat worden. Ze zal me nooit gaan vertrouwen als jij naar me blijft staan staren alsof je er bang voor bent dat ik oneerbare bedoelingen heb... trouwens, ik heb haar onverdeelde aandacht nodig.’
Shelagh voelde hoe haar hart sneller begon te kloppen. Ze voelde er niets voor om met hem alleen te blijven. Toen ging hij verder:
‘Ik ben je vader, jongen, en jouw welzijn gaat me ter harte, net als het hare.’
Hij keek Shelagh met een raadselachtige blik aan. Toen ze die blik ontmoette, hief ze trots het hoofd. Ineens kwam haar moed terug. Ze zou hem niet toestaan haar te intimideren. Ze was geschikt voor het huwelijk, gezond, eerlijk en vol toewijding. Als hij het niet eens was met de omstandigheden waarin ze verkeerde, dan was dat jammer voor hem. Ineens kwam het bij haar op dat hij haar misschien zou gaan beledigen door te proberen het af te kopen. Die gedachte maakte dat haar groene ogen begonnen te vonken en er een koppige trek om haar mond kwam. Voor hij een andere kant opkeek, zag ze dat er een bewonderende blik in de ogen van de oudere man gekomen was. Camillo had kennelijk gelijksoortige gedachten, want koppig zei hij:
‘Benissimo, papa, maar niets wat u gaat zeggen, zal iets kunnen veranderen. Ik ga met haar trouwen.’
Hij zwaaide zijn benen over de balustrade en verdween om de hoek van het huis, terwijl zijn vader hem fronsend nakeek.
‘Onstuimig en onstabiel,’ mompelde hij. Maar Shelagh luisterde niet. Ze probeerde de juiste woorden te vinden om Camillo te verontschuldigen. Rustig zei ze toen:
‘U heeft het recht om me vragen te stellen en ik weet heel goed dat ik niet het soort schoondochter ben dat u zich wenst. Ik ben een doodgewoon Engels meisje zonder geld of vooruitzichten.’
‘Je ziet er anders helemaal niet gewoon uit,’ antwoordde hij met een blik op haar haren. ‘Wat geld en vooruitzichten betreft, wil je daarom mijn zoon hebben? Hij heeft ze allebei.’
‘Dat zeker niet,’ riep ze verontwaardigd uit. ‘Ik vind dat helemaal niet belangrijk.’ Cesare glimlachte sarkastisch. ‘Ik .. .ik houd van Camillo.’ ‘Ben je daar wel zeker van?’
‘Heel zeker,’ antwoordde ze vol zelfvertrouwen.
‘Je kent hem nu... hoelang?’
‘Kun je liefde dan tegen de tijd afmeten? Het kwam plotseling... overrompelend.’
‘Het zou wel eens een bevlieging kunnen zijn.’
‘Is dat dan niet hetzelfde?’
‘Nee, want je kent hem niet en je ziet hem niet zoals hij werkelijk is, je ziet hem alleen zoals je hem je zelf voorstelt.’ Hij tuurde over de schitterende tuin. ‘Ik ben zelf op mijn achttiende getrouwd tegen de wens van mijn ouders in. Ze was erg mooi, maar pas later ontdekte ik dat ze een leeghoofd was. Na een half jaar verveelde ik me dood met haar.’
‘Na een half jaar al?’ vroeg Shelagh geschokt.
‘Vind je dat ongelooflijk. De passie van een jongeman kan snel verdwijnen. Als ze was blijven leven, zouden de kinderen ons natuurlijk bij elkaar gehouden hebben, maar ze was een dwaas mens.’
‘Denkt u dat Camillo na een half jaar genoeg van mij zal hebben?’ vroeg Shelagh met verstikte stem. Hij had het over de moeder van Camillo gehad.
Hij glimlachte. ‘Jij bent geen dwaas meisje, maar hij zou genoeg van je kunnen krijgen.’
Denkend aan haar romantische geliefde, riep ze uit: ‘Maar dat is onmogelijk.’
‘Ben je daar zo zeker van na zo’n korte kennismaking?’
‘We zijn natuurlijk niet van plan om morgen te gaan trouwen,’ lachte ze, ‘we zullen elkaar eerst wat beter moeten leren kennen.’
Maar Camillo had erop aangedrongen dat hij niet te lang kon wachten.
Shelagh verbaasde zich over de wending die het gesprek genomen had. Ze had vragen verwacht over haar ouders, over haar manier van leven. In plaats daarvan had hij haar de mislukking van zijn eerste huwelijk opgebiecht. Toen dacht ze dat ze het begreep. Cesare was te slim om hen direkt tegen elkaar op te zetten. Hij wilde hun zelfvertrouwen ondermijnen. Hij zou een gevaarlijke en handige tegenstander worden.
‘Men zou kunnen zeggen dat Camillo me overdonderd heeft,’ ging ze verder, ‘maar ik heb nog nooit zoiets voor iemand anders gevoeld. Ik ben er wel zeker van dat dit de ware liefde is.’
‘Je bent... hoe oud?’
‘Net twintig.’
‘Eigenlijk zijn jullie een stel grote kinderen. Jullie hoofden zitten vol romantische onzin.’ De grijze ogen keken haar spottend aan.
‘De jeugd is de tijd voor de liefde, zegt het liedje,’ merkte ze op. Ze glimlachte liefjes. ‘We zullen samen volwassen worden, en zijn niet alle huwelijken een gok? Is het dan niet goed om te beginnen met een grote passie?’ Ze keek Cesare onderzoekend aan. Haar ogen waren heel erg groen.
‘Je weet aardig te pleiten, kleine heks,’ zei hij zachtjes, ‘maar je bent niet Camillo’s eerste grote passie.’
‘Wat is er van die anderen geworden?’ vroeg ze.
‘Ze zijn verdwenen.’
Ze herinnerde zich Gillian’s goedkeuring voor haar terughoudendheid. Grof vroeg ze:
‘Nadat ze gebruikt waren?’
‘Je bent grof, signorina.’
‘Maar het is de waarheid, nietwaar? Signore, ik respekteer mezelf teveel om aan een affaire met Camillo te beginnen.’
‘Misschien zou dat wel het beste voor je zijn, maar je wint niets bij een gebroken hart. Als je met hem getrouwd bent, zal er een zekere vergoeding zijn als hij je ontrouw wordt.’
Met een hoogrode kleur op de wangen sprong Shelagh met vonkende ogen op.
‘Signore, ik trouw niet om geld. Ik heb al eerder gezegd dat rijkdom me niets kan schelen. Ik zou zelfs met Camillo trouwen als hij geen cent zou bezitten. Ik weet niet eens hóéveel hij bezit, en ik neem aan dat u de kraan kunt dichtdraaien als u geen toestemming geeft. Ik hoop echter dat u dat niet zult doen, want... want...’ ze zweeg, en de kleur vloeide weg uit haar wangen. Ze wendde het gezicht af en staarde over de schitterende tuin. Goedkeurend keek Cesare naar het tere profiel tegen de donkere achtergrond. Dat meisje was nog onvolwassen, maar ze zou gevormd kunnen worden door de juiste handen. Ze bezat een gevoelige schoonheid die alleen een kenner naar waarde kon schatten. Ze was beslist niet het type waar Camillo meestal mee omging. Hij hield van mollige vrouwen, maar zij was spits en vurig. Misschien was dat wat hem in haar aantrok. Misschien zou het haar lukken hem bij zich te houden. Met opzet vroeg hij: ‘Ben je bang dat hij onterving een te hoge prijs voor je vindt?’
Ze maakte een hulpeloos gebaar.
‘Ik weet het niet.’ Ze keerde zich om, om hem aan te kunnen kijken. ‘Bent u onze vijand, signore?’
‘Helemaal niet. Ga zitten, Signorina Riordan. Met dat rode haar ben je van nature heftig, maar ik heb je nog niet de kans gegeven om me te weerstaan... nog niet.’ Ineens kwam er een vrolijke glimlach op zijn gezicht. ‘Dio mio, ik zou jaloers kunnen zijn op die jonge schurk.’ Iets in zijn bewonderende blik deed haar hart sneller kloppen. Hij mocht dan veertig zijn, hij was nog steeds een knappe man, met veel ervaring. Er schoot haar iets te binnen. Als ze hem zou kunnen vleien, zou het haar misschien lukken zijn afkeer te doen afnemen want alhoewel hij het ontkend had, hij keurde dat huwelijk niet goed. Maar ze kon zich niet tot flirten dwingen, niet met Camillo’s vader. Abrupt zei ze: ‘Mijn moeder was dienstmeisje... una cameriera, noemt u dat geloof ik.’
Hij fronste de donkere wenkbrauwen. ‘En je vader?’
Ze haalde de schouders op. ‘Die is onbekend.’
Officieel was haar verteld dat haar ouders onbekend waren, maar op een dag had zuster Joanna haar op de hoogte gebracht van de status van haar moeder. Daar had ze een ongenadige afstraffing voor gehad.
Een ogenblik bekeek Cesare haar zwijgend. Hij merkte haar welgevormde benen op en de trotse houding van haar hoofd. Hij leunde voorover, greep haar hand en omvatte haar dunne pols met zijn andere hand.
‘Je hebt niet het beendergestel en de kleur van een boerin.’
Ze kreeg een hoogrode kleur. Ze werd zich bewust van de aanraking van zijn zachte maar gespierde vingers.
‘Het heeft geen zin om een vader van adel voor me te zoeken... waarschijnlijk was hij een bandiet.’
‘Basta, ik herken goed bloed als ik het zie.’ Hij liet haar pols los. ‘Camillo heeft me verteld dat je in een klooster bent opgevoed. Je zou geen betere opleiding voor een huwelijk hebben kunnen krijgen, een eenvoudige vrouw zou mijn zoon misschien kunnen temmen. Ik wil niet voor je verbergen dat hij een beetje wild is geweest. Misschien brengen de verantwoording voor een vrouw en een gezin hem wat tot rust. Maar je neemt wel een groot risico.’
Met onschuldige eenvoud antwoordde ze: ‘Omdat we van elkaar houden, ben ik bereid dat risiko te lopen.’
‘Jeugdig vertrouwen,’ riep Cesare uit, en zuchtte.
‘Oh, wat bent u cynisch,’ zei ze boos, ‘en alleen maar omdat...’
Het getrippel van voetjes onderbrak haar en een klein meisje van ongeveer acht jaar kwam het huis uit hollen. Ze wierp zich op Cesare en barstte los in een woordenvloed van Italiaans.
‘Rita, Rita, waar zijn je manieren,’ zei haar vader. ‘We hebben een gast.’
Het kind dat op zijn schoot geklommen was, keerde zich om en keek Shelagh met grote ogen aan. Toen, alsof ze ineens verlegen werd, verborg ze haar gezichtje tegen zijn schouder. Ze was klein voor haar leeftijd, was mager en had donker haar, maar haar ogen hadden dezelfde kleur als die van Cesare.
‘Mijn dochtertje Margarita,’ stelde hij haar voor. ‘Rita, dit is de dame die met Camillo gaat trouwen.’
Opnieuw keek het kind Shelagh met grote ogen aan en toen plaatste ze een opmerking in haar eigen taal. Haar vader maakte een grimas.
‘Spreek Engels,’ zei hij. ‘Zeg hoe het met je gaat.’
‘Comé sta?’ antwoordde Rita gehoorzaam, en toen heel voorzichtig: ‘Oe maakt u et?’
‘Heel goed, dank je,’ antwoordde Shelagh plechtig. ‘En jij?’
Opnieuw verborg Rita het gezicht. ‘Prima,’ mompelde ze.
‘Haar Engels is heel goed,’ stelde Shelagh beleefd vast.
‘Ik geloof dat ze een Amerikaans accent heeft,’ klaagde Cesare. ‘Ze heeft een Engelse gouvernante... wat is er toch, bimba?’
Rita wilde weten of ze mocht gaan zwemmen.
Cesare zette haar van zijn schoot af. ‘In het zwembad, niet in de lagune. Kun je zwemmen, signorina... overigens hebben ze me verteld dat je voornaam Sancia is. Omdat je toch familie gaat worden, zal ik je zo maar noemen.’
Ondubbelzinnig had hij haar laten weten dat hij haar geaccepteerd had. Ze vertelde hem dat haar echte naam Shelagh was, en dat ze daar de voorkeur aan gaf boven het Sancia van Camillo. Ze vertelde er niet bij dat het zijn koosnaampje voor haar was, en dat ze het niet prettig vond als iemand anders dat gebruikte.
‘Sancia past beter bij Barsini,’ stelde Cesare echter vast. Het was nog niet tot haar doorgedrongen dat ze haar eigen land zou moeten prijsgeven en begreep ook de volle betekenis daar nog niet van.
Rita herhaalde dat ze van plan was om te gaan zwemmen, en voegde eraan toe: ‘Gaat u met me mee, signorina?’
‘Ik heb geen zwempak bij me,’ zei Shelagh.
‘We zullen er wel een voor je vinden,’ vertelde Cesare. ‘Rita, neem de Signorina mee naar binnen en vraag aan Giovanna om een costume da bagno voor haar te zoeken.’
Het badpak waarmee Giovanna te voorschijn kwam, was een groen, ouderwets exemplaar, maar het viel nauwelijks te verwachten dat er een bikini in huis zou zijn. De kamer op de parterre waar Rita haar mee naar toe genomen had, was eenvoudig doch mooi gemeubileerd. Ze had nauwelijks tijd gehad om zich te verkleden toen het kind de kamer binnen stoof in een kleine uitgave van het zwempak dat zij aan had.
‘Hou je van zwemmen?’ vroeg ze.
‘Heel erg.’
‘We nemen handdoeken mee.’ Ze sleurde een handdoek van het rek en holde naar de openslaande deuren die toegang gaven tot het terras.
Camillo, die gehoord had wat ze van plan waren, kwam in zwembroek bij hen. Hij mopperde tegen zijn halfzusje en sprak in nors Italiaans tegen haar. Rita wendde zich tot Shelagh.
‘Je hebt gezegd dat je het prettig vindt om met me te gaan zwemmen.’
‘Ik heb gezegd dat ze naar binnen moet gaan,’ zei Camillo. ‘We kunnen haar niet om ons heen hebben.’
‘Maar ze zal ons niet lastig vallen,’ zei Shelagh toen ze Rita’s lip zag trillen. ‘Haar vader heeft gezegd dat ze me mee moest nemen, en ik vind het leuk om haar erbij te hebben.’
‘Jij liever dan ik,’ mopperde Camillo. Toen glimlachte hij zonnig. ‘Zoals je wilt, carissima.’
Tot haar grote verontwaardiging stelde Shelagh vast dat hij niet van kinderen hield. Er was echter geen tijd om daar bij stil te staan. Heel zachtjes zei Rita tegen haar:
‘Ik haat mio fratello.'
‘Wie het eerst aan de overkant is,’ riep Shelagh, en dook in het bad. Ze vroeg zich af wat de reden voor de afkeer tussen broer en zus kon zijn. Ze had altijd gedacht dat Italianen dol op kinderen waren.
Rita zwom als een rat en Shelagh had moeite om haar bij te houden. Ademloos en lachend bereikten ze de overkant, waar Cesare naar hen stond te kijken.
‘Ik heb gewonnen,’ riep Rita uit, toen hij haar de hand reikte om haar op de rand van het bad te trekken. Staande in het ondiepe deel van het bad, keek Shelagh met druipende haren lachend naar hem op.
‘Ik geloof dat het een nek aan nek race was.’
Goedkeurend keek Cesare naar haar jonge figuurtje in het strakke badpak.
‘Ik geloof dat we een zeemeermin hebben geïmporteerd.’
Onder water kwam Camillo naar hen toe gezwommen. Hij greep Shelagh bij de knieën en trok haar ondersteboven. ‘Ellendeling,’ ze vloog hem achterna het bad door terwijl Cesare in gedachten verzonken de natte haren van Rita bleef strelen.
‘Liefde is een droom voor jongeren,’ mompelde hij in zijn eigen taal. ‘Het is zo verfrissend maar het duurt zo kort.’
‘Ik hoop voor Shelagh dat ze niet lang met Camillo hoeft te leven,’ zei Rita heftig. ‘Hij is afschuwelijk.’
‘Je moet niet zo melodramatisch doen,’ zei Cesare ernstig. ‘Onze gast houdt van Camillo, bimba, en wie weet? Misschien kan zij hem wel redden. Liefde is in staat wonderen te doen.’
Het was te diepzinnig voor Rita.
‘Kijk eens hoe ik duik, papa,’ riep ze uit, en plonste in het water.