.2.
Ze stonden allen op de weg voor het hek om haar te zien vertrekken; Matthew stond voor de beide paarden. Mary giechelde en zei: "Ik kan het u niet kwalijk nemen, miss Constance, u zou mij daar voor geen duizend pond op krijgen." "Als ik je één gouden soeverein zou aanbieden, zou je er niet alleen op klimmen, maar er dadelijk overheen springen, meisje." Het sprak boekdelen voor de verandering in het sociale patroon dat Thomas met zijn enige personeelslid grapjes maakte en dat Mary antwoordde: "O, meester. Nee, ik zou liever over de maan springen dan op dat dier gaan zitten. Ik benijd u niet, miss Constance, heus niet, ik..." "Rustig, Mary!" Soms leek het gedrag van miss Brigmore op dat van de gouvernante die Mary zich van jaren terug herinnerde en bij deze gelegenheid gehoorzaamde ze zonder protest. Miss Brigmore deed nu een stap in de richting van Constance, waar deze naast het grote paard met de platte rug stond en zei: "Je hoeft niet bang te zijn, hij zal heel langzaam lopen." "Zal hij niet galopperen?" Constance verdeelde de vraag door een blik tussen miss Brigmore en Matthew. Matthew beantwoordde de vraag met een glimlach: "Zijn galopperende dagen heeft hij al lang achter de rug." "Het is zo drukkend, denk je niet dat er onweer komt?" Constance keek nu naar Barbara die niet glimlachte, maar haar vriendelijk aankeek en op sussende toon zei: "Nee, ik ben er zeker van dat het niet zal gaan onweren, het is al overgedreven. Kijk -" Ze draaide zich om en wees. "Het drijft ten zuiden van ons weg. Tegen de tijd dat je de bergen hebt bereikt, zal de zon schijnen." De beide zusters keken elkaar aan. Het was een lange, onderzoekende blik, alsof ieder van hen het verlangen voelde in de armen van de ander te vallen. "Je zult er morgen pas zijn als je nu niet vertrekt, help haar in het zadel en ga op weg, Matthew." Matthew bukte zich, vouwde zijn handen ineen en Constance zette haar voet erop; het volgende ogenblik zat ze in het zadel. Toen beklom Matthew zonder een woord te zeggen de bruine merrie en nadat hij tegen allen op de weg had geknikt, zei hij: "Vooruit!" en de beide paarden gingen gelijktijdig op weg. Niemand riep vaarwel, maar toen Constance omkeek, stak miss Brigmore haar hand in een laatste groet omhoog. Het was bijna tien minuten later, nadat zij de weg hadden verlaten en waren begonnen te klimmen, voor Matthew iets zei. Hij keek naar haar en vroeg: "Alles goed met je?" "Ja, Matthew, ja. Ik... ik zit werkelijk heel gemakkelijk." "Ja, hij is een flinke, oude knaap, betrouwbaar." Ze wisselden een blik en glimlachten. Er verstreken wederom enkele minuten voor ze zei: "Het ziet er ginds donker uit; je denkt toch niet dat we in een onweer terechtkomen, Matthew?" Matthew gaf niet onmiddellijk antwoord, want hij dacht dat dit juist heel waarschijnlijk was. De verklaring van Barbara dat het onweer zuidwaarts wegtrok, was volstrekt onjuist; voor zover hij kon oordelen, kwam het uit het zuidwesten en zou hen lang voor ze thuis waren, bereiken. Hij zei: "Maak je niet bezorgd, als het losbarst schuilen we. Op de top staat een oud huis, weet je wel?" "Dat bouwvallige krot?" "Ja, het is bouwvallig, maar het is de laatste jaren voor velen in een onweer een toevluchtsoord geweest en zelfs voordien toen de Rutledges er woonden." "Ik kan me niet voorstellen waarom iemand op zo'n afgelegen plek wil wonen." "In de meeste gevallen uit noodzaak; ze hadden hun schapen en wat runderen; bovendien houden sommige mensen ervan alleen te zijn." "Ja, dat zal wel zo zijn." Ze knikte tegen hem. Zijn gezicht stond ernstig. Bij de zeldzame gelegenheden waarop ze hem in het afgelopen jaar had ontmoet, was de uitdrukking van zijn gezicht hetzelfde geweest: ernstig, nadenkend. Eens had hij er ondanks zijn verlegenheid vrolijk uitgezien. Ze vond dat hij, als hij glimlachte, op een delicate manier mooi was. Ze had zich de laatste tijd vaak afgevraagd of het vooruitzicht dat zij op de boerderij kwam wonen, hem mishaagde. Als dat het geval was, zou het erg jammer zijn, want ze had zich voorgesteld dat hij de avonden van de komende lange winter zou opvrolijken. Ze had in gedachten hen beiden over boeken zien praten, zoals hij met Anna deed. Ze wist dat ze met Donald niet over boeken kon praten; ze had tegenover Anna kort geleden opgemerkt dat het jammer was dat Donald nooit las en Anna had kortaf geantwoord dat ze zich moest neerleggen bij het feit dat haar aanstaande echtgenoot een man van daden was en geen dromer. Matthew was het tegenovergestelde, een dromer in plaats van een man van daden, maar ze veronderstelde dat zijn gezondheid dit laatste onmogelijk maakte. Ze had diep medelijden met hem en koesterde tegelijk een teder gevoel voor hem. De laatste tijd had ze beseft dat ze enigszins was gekwetst door zijn terughoudendheid jegens haar. Het pad werd steiler. Het terrein aan één zijde van hen helde omlaag naar de dalbodem voor het opnieuw, maar nu meer geleidelijk naar verre bergpieken rees. Aan de andere zijde liep de grond golvend omhoog naar hetgeen er op deze afstand uitzag als een plateau. Matthew keek naar die hoogte en berekende dat voor zij de anderhalve kilometer naar de top hadden afgelegd en op enkele minuten rijden van het oude huis zouden zijn, het onweer zou losbarsten. Terwijl hij omhoogkeek, weerklonk al het eerste doffe rollen van de donder over de bergen en veroorzaakte een verschrikte uitroep van Constance. Hij kwam dichter naast haar rijden en zei: "Wees niet bang. Als het deze kant opkomt, gaan we schuilen." Ze hield de teugels stijf vast; haar gezicht was bleek geworden. Ze keek naar hem en fluisterde aarzelend: "Het... spijt me, maar ... ik ben echt bang voor onweer. Ik heb mijn best gedaan dat gevoel de baas tc worden, maar ik kan het niet. Het... het lijkt zo kinderachtig..." "Helemaal niet, helemaal niet. Er zijn talloze mannen die bang zijn voor onweer en zo." "Heus?" "Ja, ja. Ik ken... ik ken er twee." "Mannen?" "Ja, mannen. Een vent in de buurt van Slaggyford, een boer." "En is hij bang voor onweer?" "Ja, telkens als de lucht betrekt, duikt hij de koestal in." Hij hoopte dat ze dit nooit aan Donald zou vertellen, want die zou zich een ongeluk lachen. "Is... is het een volwassen man?" "Ja, hij is al op leeftijd. Maar het heeft verder niets met leeftijd te maken. Er komt geregeld een jongen op de markt. Ik zie hem soms, als er geen onweer op komst is, want bij het eerste teken zoekt hij een schuilplaats op, meestal onder een wagen. Je bent dus niet de enige, zoals je ziet." Ze glimlachte tegen hem en hij glimlachte terug, terwijl hij zichzelf gelukwenste met zijn vermogen iets te bedenken. "Vooruit, naar boven! Naar boven!" Hij spoorde de paarden aan, maar Ned die nu vele jaren dezelfde pas had bewaard, weigerde er verandering in te brengen. Het naderende onweer maakte het dier niet onrustig, het had er te veel meegemaakt. Maar het jongere paard was onrustig. Het wierp het hoofd omhoog en hinnikte, terwijl Matthew trachtte het te kalmeren met: "Rustig maar, rustig," en hij bedacht daarbij dat liegen tegen een paard geen zin had. Toen de eerste bliksemschicht de hemel boven hen doorkliefde, boog Constance het hoofd en onderdrukte een gil. Matthew bracht zijn paard weer dicht bij het hare, stak zijn hand uit, greep haar arm en zei: "Er is niets aan de hand. Kijk we zijn bijna boven; nog vijf minuten en we schuilen." Ze hief haar hoofd, keek naar hem en stamelde: "Kun je... kun je het paard niet opjagen?" "Nee, het gaat zijn eigen gang, wat er ook gebeurt. Maar maak je niet bezorgd; het komt allemaal goed, blijf rustig zitten." "Het wordt donker." Ja, het werd donker; het dal links van hen was al onzichtbaar; de hemel vóór hen leek op de bergen te rusten. Haar gezicht leek bleker in de schemering, rondom haar mond waren druppeltjes transpiratie. Hij spoorde zijn paard aan, greep de teugels van Ned en schreeuwde: "Vooruit! Vooruit, Ned! Opschieten! Opschieten!" Het was niet te merken dat het paard zijn pas versnelde, maar hij bleef het aansporen. Toen de volgende donderslag kwam, schrok hij zelf, want hij dacht een ogenblik dat Constance van haar paard was gevallen. Hij ging weer naast haar rijden en zag dat ze bijna dubbelgevouwen zat; haar gezicht rustte op de manen van het paard. Hij boog zich naar haar toe, legde zijn hand op haar schouder en suste haar, zeggende: "Kom, kom, het is alweer voorbij. Kijk maar, het is voorbij." Terwijl hij sprak, vielen de eerste grote regendruppels op hen neer en voor ze honderd meter verder waren, bevonden ze zich in zulk een hevige stortbui dat zijn lichaam nu ook was dubbelgevouwen. Meer uit instinct dan omdat hij iets zag, verliet hij de weg op de plaats waar het bouwvallige huis stond. Hij steeg af en liep naar haar zijde; haar lichaam viel, nog steeds dubbelgevouwen, in zijn armen en hij bracht haar in snelle pas naar de donkere, vochtige schuilplaats. Terwijl hij haar losliet waar ze tegen de muur kon leunen, zei hij: "Ik blijf geen minuut weg, geen minuut; ik breng de dieren even onderdak." Hij holde naar buiten, bracht de paarden naar een wrak schuurtje dat eens als stal had dienstgedaan en bond ze vast voor hij in looppas naar het huis terugkeerde. Hij vond tastend de weg naar haar en merkte dat haar lichaam niet langer gebogen was; ze stond met haar rug stijf tegen de muur gedrukt en haar handen voor haar gezicht gevouwen. Hij zei: "Kom hier, daar staat een bankje en een soort tafel. Reizigers maken van dit huis gebruik als schuilplaats; misschien is er wat droog hout, dan zullen we een vuur maken!" Toen hij haar had laten plaatsnemen, greep ze zijn arm en fluisterde ze tussen haar klapperende tanden door: "Je bent kletsnat. Jij... jij mag niet zo nat worden." Anna had haar verteld dat mensen met tering nooit natte voeten mochten hebben, ja, zelfs nooit buiten in de regen mochten zijn; teringlijders moesten, als zij zich dat konden veroorloven, in een ander klimaat gaan leven. "Trek je jas uit," zei ze. "Misschien zijn je kleren daaronder droog." Hij liet bij haar bezorgdheid een lachje horen en er klonk enige opluchting uit dat ze voor het ogenblik haar angst voor het onweer teboven was gekomen. "Met mij is alles goed, trek je daar niets van aan," zei hij. "Je bent zelf net een nat konijn." Hij wees naar haar hoed waarvan de rand aan weerszijden van haar gezicht omlaag hing en hij voegde eraan toe: "Een heel nat konijn, met hangende oren." Toen ze haar handen omhoog bracht en haar hoed afzette, zei hij: "Je kunt je jas en zo ook maar beter uittrekken." "Nee," zei ze huiverend. "Ik heb het koud." Hij draaide zich om en liep in het schemerduister naar de andere hoek van de kamer waar zich een primitieve open haard bevond en vandaar riep hij: "We hebben geluk; hier ligt een flinke voorraad droog hout en vuurmakers. Je zult heel gauw warm zijn." "Heb je lucifers?" "Nee; maar ik weet wel zeker dat de zwervers hier ergens een vuursteen hebben laten liggen; die mensen zorgen voor elkaar. Tenminste de geregelde soort." Er volgde een lange tussenpoos en toen klonk zijn stem weer, en nu opgewonden: "Wat heb ik je gezegd! In deze nis een doos met een vuursteen. Daar gaan we." Terwijl Constance toekeek hoe de vonken uit de vuursteen spatten, kwam haar opwinding tot bedaren; ze zouden spoedig een vuur hebben en dan zouden hun kleren drogen. Ze wenste dat ze het huiveren kon stopzetten. Waarom maakte een onweer haar zo van streek? Ze had gepoogd, o zo hard gepoogd om haar angst de baas te worden, maar het was hopeloos; zodra ze de donder hoorde, leek ze al haar zelfbeheersing te verliezen. "Kijk, het brandt. Kom hier zitten en laat je mantel drogen." Ze stond op en liep naar het flakkerende licht van de tondel toen een oorverdovende donderslag over het huis leek te rollen. Toen het gerommel was weggestorven, zat ze naast het vuur op de grond met haar gezicht tegen Matthews schouder gedrukt, terwijl zijn armen haar stevig omstrengeld hielden. Toen ten slotte het enige geluid dat ze konden horen het harde tikken van de regen op het leien dak was en soms een plens water door de schoorsteen die sissend op het brandende hout neerkwam, bleven ze zo dicht tegen elkaar gedrukt zitten. Het hout brandde goed en de vlammen schoten omhoog voor ze haar hoofd hief, hem aankeek en fluisterde: "Het spijt me... het spijt me, Matthew." Hij gaf geen antwoord, maar bleef in dezelfde half knielende, half zittende houding als zij. Het was een lastige, verkrampte houding, maar geen van beiden scheen dit op te merken. Ze maakte zich niet uit zijn omstrengeling los, maar staarde in zijn ogen. In de blik die ze daarin opving, las ze de reden voor de verandering die de laatste maanden in hem had plaatsgevonden. Terwijl ze keek hoe het licht van het haardvuur schaduwen over zijn graankleurig haar liet spelen, voelde ze een dringende behoefte om haar vingers erover te strijken, er haar gezicht in te verbergen en ze verweet zichzelf dat ze een dwaas meisje was dat ze niet had opgemerkt wat in zijn hart omging en, wat nog ontstellender was, in haar eigen hart. Ze had geweten dat Matthew een heel speciale plaats bij haar innam, zelfs toen ze verliefd was op Will Head-ley, was dat gevoel voor Matthew gebleven, maar ze had gemeend dat het louter sympathie was en medelijden met zijn zwakke gezondheid. En misschien was het zo begonnen; maar hetgeen erdoor was gevoed, was iets dat veel dieper reikte. Toen hij fluisterde: "O, Constance! Constance!" antwoordde ze alleen maar: "Matthew! O, Matthew!" Nog steeds met hun armen om elkaar geslagen, lieten ze zich nu in een zittende houding glijden en opnieuw keken ze elkaar zwijgend aan, terwijl het vuur vrolijk oplaaide. Na een poos vroeg hij zacht: "Wist je niet wat ik voor je voelde?" Ze schudde haar hoofd: "Nee, nee... niet tot dit ogenblik." "En jij, Constance, jij, wat voel je voor mij? Kijk me alsjeblieft aan... alsjeblieft. Zeg het me." Hij moest zijn hoofd naar haar toe buigen om boven het steeds hardere geluid van de regen te horen wat ze zei: "Ik... ik weet het niet, Matthew, ik weet het werkelijk niet. Het, het kan niet waar zijn, ik voel dat het onwerkelijk is. Kan iemand zoiets in een oogwenk weten? Dingen... dingen zoals dit, moeten groeien." "Het groeit al sinds jaren." Ze keek hem weer aan. "Maar je hebt er nooit enig teken van gegeven; waarom?" "Hoe kan ik dat? En ik mag het nu ook niet doen, nee, niet in dit laatste stadium, nu ik me gereedmaak voor mijn graf." "O, nee, nee!" Ze legde haar hand nu op zijn mond en haar hoofd zonk diep op haar borst. "O, maak je niet ongerust, lieverd, maak je niet ongerust. Ik had dat niet mogen zeggen. Het klonk alsof ik medelijden met mezelf heb, maar niettemin is het een feit waarmee rekening dient te worden gehouden. Maar... maar ik heb er geen spijt van dat je nu weet wat ik voel; nee, dat spijt me niet." "Je... je kunt nog jaren en jaren leven." Hij schudde langzaam zijn hoofd. "Geen jaren en jaren; nog een winter als de vorige en..." "Nee, nee." Ze hield nu zijn handen omklemd. "Zeg dat niet." "Maar Constance" - hij schudde zijn hoofd - "het is de waarheid. Maar zal ik je iets zeggen? Ik voel me op dit ogenblik gelukkiger dan ik ooit in mijn leven ben geweest. Ik ben al een aantal doden gestorven, telkens als ik eraan dacht dat jij met Donald ging trouwen. Maar nu schijnt het er niet zo veel meer op aan te komen en... en ik heb niet het gevoel dat ik verraad tegenover hem pleeg, als... als ik jou vertel wat ik voel. Als je getrouwd zult zijn..." "Ik kan nu nooit meer met Donald trouwen." "Wat! O! " Hij knielde nu voor haar neer en greep haar handen. "O, maar dat moet je doen, je moet. Je bent zijn leven; er bestaat voor hem op de hele wereld niemand behalve jij. Ik ken hem, ik ken hem door en door. Hij is een vreemde kerel, aanmatigend, koppig en eigenwijs, maar zijn gevoelens gaan diep en al zijn gevoelens zijn voor jou." Terwijl ze naar hem opkeek, verlichtte een bliksemflits het zonderlinge vertrek en wederom wierp ze zich tegen hem aan, zodat de schok hem het evenwicht deed verliezen. Toen er een geluid volgde alsof een dondersteen door de open deur naar binnen was geworpen, kroop ze haast helemaal in hem weg en voor de laatste donderslag was weggestorven, was het onvermijdelijke begonnen. Zij lagen op de kale vloer; het vuur naast hen knetterde, de regen sloeg op de dakpannen en blies door de ramen zonder glas en de open deur en, vreemd genoeg, was hij het die protesteerde, en onhoorbaar "nee, nee!" tegen zichzelf gilde. Hij kon deze wandaad jegens Donald niet bedrijven. Zelfs terwijl zijn handen haar onderworpen lichaam betastten, smeekte zijn geest hem op te houden voor het te laat was. Maar het was te laat en toen de bliksem opnieuw het vertrek verlichtte, verhief ze haar stem niet slechts daartegen, maar tegen de verrukking en de pijn die haar lichaam verscheurden. Toen het gebeurd was, rolde hij een ogenblik van haar weg en verborg hij zijn gezicht in zijn handen en kreunde, terwijl zij onbeweeglijk en met gesloten ogen lag en haar zware ademhaling tot stilstand was gekomen, als van iemand die in de slaap was gestorven. Toen plotseling haar adem terugkeerde, draaide hij zich snel weer naar haar toe, sloot haar in zijn armen en riep: "O, Constance, Constance, mijn lieveling, mijn lieveling, mijn lieveling." Ze maakte geen aanstalten opnieuw haar armen om hem heen te slaan, zelfs toen de donder weer over het huis rolde, drukte ze zich niet meer tegen hem aan; ze was uitgeput en haar lichaam behoorde haar niet langer toe; ze bevond zich erin, maar maakte er geen deel van uit. Nog slechts kort tevoren was ze een jong meisje geweest, een aanstaande bruid die bang was voor onweer; nu was ze geen meisje meer en ze was zo veranderd dat ze onbewogen naar het rommelen van de donder kon luisteren. Het was alsof Matthew haar gedachten had gelezen, want hij boog zich nu over haar gezicht en sprak snel: "Het spijt me. O, God in de hemel, het spijt me, Constance. Probeer het te vergeten, wil je? Probeer het te vergeten. Als Donald het wist, zou hij me vermoorden. Ja, dat zou hij zeker." Hij knikte alsof hij iedere tegenspraak afwees. "Hij zou mijn hals afsnijden als van een varken. God! Als het nu Donald maar niet was. Ik wil Donald niet kwetsen, ik wil hem om niets ter wereld kwetsen." Ze duwde hem zachtjes van zich weg en alsof ze dit al vele malen had gedaan, maakte ze op bijna preutse wijze haar kleren in orde. "Ik zal nu nooit meer met Donald kunnen trouwen, maar... ik zou met jou kunnen trouwen, Matthew. En... en ik zou voor je kunnen zorgen. Jij... jij zou je aandeel in de boerderij kunnen opvragen en we zouden misschien naar elders kunnen vertrekken." Bij wijze van antwoord kuchte hij weer en bedekte zijn gezicht met zijn handen. Toen hij weer naar haar keek, zei hij langzaam: "Ik... zou geen aandeel in de boerderij kunnen opeisen, ik heb er niets ingestoken. Hetgeen mijn vader me zou geven, zou uit edelmoedigheid zijn. Maar nogmaals, als ik zou weggaan en jou zou meenemen, zou Donald ook vertrekken. Dat weet ik, daarvan ben ik tot in het diepst van mijn ziel overtuigd, hij zou niet in staat zijn een tweede schande, een tweede afwijzing te verdragen. Zie je, daar heeft hij zijn hele leven onder geleden, dat hij is afgewezen. Hij is een bastaard en iedere bastaard kent het gevoel te zijn afgewezen. Het is vreemd, ik weet hoe hij zich voelt en als ik jou zou meenemen, zou de tweede afwijzing hem erger treffen dan de eerste; het zou het einde betekenen van de boerderij, want mijn vader is ziek, je hebt zelf gezien hoe de reumatiek hem heeft verlamd, hij is voor alles van Donald afhankelijk. Donald drijft de boerderij, hij is de boerderij." Ze stond langzaam op en sloeg het stof van haar rok. Toen liep ze even langzaam terug naar de bank, ging zitten, legde haar gevouwen handen op de tafel en boog haar hoofd erover. Hij ging tegenover haar zitten. Toen hij haar handen tussen de zijne nam, keek ze hem aan en vroeg: "Zou je het kunnen verdragen als je mij met Donald getrouwd zag?" Hij slikte tweemaal alvorens hij antwoordde: "Ik moet wel, nietwaar? Er zit niets anders op. Maar het zal nu niet zo erg zijn, want ik heb van jou een deel dat ik tot mijn laatste adem zal bezitten. Het lijkt of niets er nu nog op aankomt, hoewel ik weet dat dit niet had mogen gebeuren. Het is mijn schuld... mijn schuld..." Terwijl ze naar zijn gebogen hoofd keek, wist ze dat ze niet alleen naar een zieke, maar ook naar een zwakke man keek; hij was even zwak als Donald sterk was. Ze wist in het diepst van haar hart dat als er van schuld sprake was, meer dan de helft op haar schouders rustte, want zonder haar zwijgende toestemming zou hij niet verder zijn gegaan dan een kus. Zelfs als hij geweld had gebruikt, had ze hem kunnen weerstaan, want lichamelijk was zij de sterkste; maar ze had geen tegenstand geboden. Hield ze van hem? Ze staarde naar zijn koortsig gezicht, naar de zachte tedere blik in zijn ogen. Ze wist het nu niet, ze dacht dat ze het voordien had geweten... voor het was gebeurd, maar nu voelde ze zich leeg, helemaal leeg van alle lichamelijke gevoel. Zou ze het weten als alles weer normaal was? Op dit ogenblik wist ze slechts één ding zeker en dat was dat ze niet met Donald kon trouwen. Ook kon ze nu niet naar de boerderij gaan. Ze zou onmogelijk Donald in de ogen kunnen kijken, waar Matthew bij was. Ze wendde haar hoofd langzaam naar de deur. De regen was nu minder geworden; de donder rommelde nog, maar in de verte. Ze keek naar Matthew en zei: "Ik ga terug naar huis." "Nee, nee." Er klonk angst in zijn stem. "Dat kun je niet doen. Hij... hij verwacht je. Als je er niet bent als hij vanavond terugkomt, zal hij morgenochtend bij het aanbreken van de dag naar je toegaan." "Dat zien we dan morgen. Het... het zal me tijd geven om na te denken. Maar, Matthew, begrijp je het niet, ik zou hem vandaag onmogelijk kunnen ontmoeten en de nacht op de boerderij doorbrengen. Ik zou het niet kunnen. Ik zou het niet kunnen." "O, Constance." Hij greep nu haar armen en zijn stem trilde, terwijl hij stamelde: "Laat de dingen zoals ze waren. Laat wat er tussen ons is gebeurd als een droom, een mooie droom zijn. Als de dingen anders waren, zou ik nu dadelijk met je weglopen, maar ik kan je niet onderhouden en wil niet op jouw kosten leven. Het helpt dus niets dat je honderd pond per jaar meebrengt, we weten trouwens beiden dat je heel spoedig weduwe zou zijn." "O, Matthew! Matthew!" Ze vertrok haar gezicht. "Zeg dat toch niet telkens weer." "Ik moet wel, want jij zult moeten geloven dat het de waarheid is. Als dat niet zo was, zou ik je nu niet trachten over te halen om zo snel mogelijk met Donald te trouwen." Ze waren nu beiden kalm; ze hielden de hoofden gebogen tot hij begon te mompelen, alsof hij tot zichzelf sprak. "Ik heb het gevoel dat ik hem een lelijke poets heb gebakken en dat is slecht, want hij heeft me jarenlang goed behandeld; een ander in zijn plaats, een halfbroer zonder aanspraken ten opzichte van mijn vader, zou het mij betaald hebben gezet, vooral iemand met zo'n sterk lichaam en zo'n sterke geest als hij. En... en er is nog iets anders. Ik zal me dit later heel erg aantrekken, maar het is niets vergeleken bij wat hij zou voelen als je je van hem zou afwenden. Weet je, Constance! Kijk me aan, kijk me aan." Hij schudde haar bij de armen en toen ze hem aankeek, zei hij: "Hij heeft jou veel harder nodig dan ik en God weet hoe hard ik je nodig heb, maar zijn behoefte komt uit een diepere noodzaak voort dan de mijne." Ze staarde hem aan. Hij maakte verontschuldigingen. Hij was in meer dan één opzicht een zwakkeling. Ze wendde haar blik naar het vuur. De heldere gloed was doffer geworden, de dunne stokken waren in as veranderd en de rode stompjes steunden op elkaar. Gaandeweg, als iemand die uit een droom ontwaakt, keek ze de kamer rond. Ze kon die nu in zijn geheel zien, want het begon buiten licht te worden. Het was een smerig vertrek. Ze merkte nu op dat ergens een lucht van uitwerpselen te bespeuren was. Ze keek naar de vloer. Deze was bezaaid met vuil, opgedroogde modder, stukken stro en gebroken takken... Toch had ze.hier gelegen en zich aan een man gegeven. Hoe kon ze! Wat had haar bezield? Had de angst voor het onweer haar het verstand doen verliezen? Nee, nee. Ze had zich aan Matthew gegeven, omdat ze het wilde; met of zonder onweer was ze bereid geweest zich aan iemand te geven. Waarom had ze dan die ene week niet gewacht? Ze had zich gedragen als een slet, als een vrouw van de straat, gehoor gegeven aan een drang in haar zonder aan de gevolgen te denken. Het was de gedachte aan de gevolgen die haar deed opspringen en stamelen: "lk moet, ik bedoel, ik kan niet verder met je gaan, ik moet teruggaan. Je... je kunt hem zeggen dat ik erg bang was -en dat was ik ook, dat was ik, dat was de waarheid - en dat jij moest terugkeren... Ik moet terug naar huis, ik moet, ik moet." "Constance." Hij was nu naast haar komen staan. Met smekend uitgestrekte handen zei hij: "Toe, toe." Maar ze schudde haar hoofd, wendde zich van hem af, liep naar de deur en zei met luide stem: "Het heelt geen zin, ik ga niet verder. Ik kan terug gaan lopen; het is helemaal bergafwaarts. Zo is het, ik ga teruglopen." "Wees niet dwaas." Hij nam haar hand en hield haar in bedwang, terwijl hij haar hopeloos aanstaarde. Vervolgens zei hij zacht: "Kom" en nam haar mee naar buiten. De regen was nu bijna afgelopen. Hij haalde de paarden uit hun schuilplaats en hielp haar op Neds rug. Er werd verder niet tussen hen gesproken... Ze daalden de laatste helling af en waren binnen het gezicht van het huis toen ze haar paard liet halthouden, naar hem keek en rustig zei: "Ga niet verder mee, Matthew. Ik weet dat je kleren moeten worden gedroogd en dat je behoefte hebt aan een verversing, maar ik zou het niet kunnen verdragen hun een verklaring te geven waar jij bij bent, omdat... omdat ik zal moeten liegen, begrijp je? Het... het spijt me." Hij knikte, steeg van zijn paard en hielp haar afstijgen. Met zijn handen nog onder haar oksels, keek hij haar aan en vroeg zacht: "Mag ik je nog eenmaal kussen?" Ze zei geen ja of nee en reageerde niet toen zijn lippen de hare teder aanraakten, maar toen hij weer naar haar keek, stonden haar ogen vol tranen en zei hij met gebroken stem: "O, Constance, Constance. O, God! Als ik maar..." Daarna draaide hij zich met een ruk om, greep de teugels van de paarden, klom in het zadel van Daisy en fluisterde: "Vooruit! Vooruit!" Daisy en haar metgezel gingen met langzame passen, rustig en onverstoorbaar op weg. Ze stond een ogenblik op de ongeplaveide weg en keek hen na; daarna draaide ze zich om en begon te hollen. Met haar rokken tot boven haar enkels geheven en met wapperende mantel holde ze verder tot ze buiten adem aankwam op de weg die naar het huis voerde en pas toen ze het hek had bereikt, bleef ze staan, klemde zich met beide handen eraan vast en leunde erop. Zo zag miss Brigmore haar vanuit het raam van de slaapkamer. Met een verstikte kreet haastte ze zich de kamer uit, de trap af en het pad op. Toen ze bij haar was aangekomen, zei ze: "Maar Constance, mijn lieveling, wat is er gebeurd?" Gedurende de rit had Constance voor zichzelf herhaald wat ze zou zeggen. "Ik kon eenvoudig niet verder; het onweer was angstaanjagend. Ik heb me door Matthew een eindweegs laten terugbrengen. Hij was erg nat, dus wilde ik niet dat hij verder meeging dan de bererots." Maar ze zei niets van dit alles; ze wierp zich alleen maar in de armen van miss Brigmore en riep: "Anna, o, Anna!" "St! St! Wat is er? Is er iets gebeurd?" Ze bevonden zich nu in de vestibule en miss Brigmore keek om zich heen. Thomas zat in zijn werkkamer te lezen of te doezelen; Barbara was met Mary in de schuur uien en rode kool aan het inmaken. Omdat ze voelde dat er iets heel bijzonders aan de hand was, zei miss Brigmore weer: "St! St! Ga mee naar boven. Kom." Met zachte voetstappen ging ze snel vóór, de smalle trap op en toen ze zich in de slaapkamer bevonden, sloot ze de deur, maakte de linten van Constances hoed los en vroeg: "Wat is er? Wat is er gebeurd? O, Grote Goedheid!" Ze keek naar haar rok. "Wat zie je eruit? Je japon is vuil en je mantel ook. Constance." Ze deed met gefronste wenkbrauwen een stap achteruit en zei toen op scherpe toon: "Kom, trek die kleren uit en doe iets schoons aan, huil nu niet meer en verkleed je, daarna kun je alles vertellen." Enkele minuten later, toen ze de japon van achteren had dichtgeknoopt, liet ze Constance zich omdraaien en gaan zitten; ze nam tegenover haar plaats, pakte haar handen en zei op krachtige toon: "Nu." Het was een bevel, maar Constance kon er geen gehoor aan geven. Hoe kon iemand tegen de persoon die haar gouvernante en later haar vriendin was geweest, zolang ze zich kon herinneren, zeggen: "Ik heb me aan een man gegeven. De daad heeft plaatsgevonden op de vuile vloer van een bouwvallig huis. Dat is het resultaat van uw opvoeding, miss Brigmore." "Er is iets met je gebeurd, wat is het? Vertel het me." Miss Brigmore had zich naar voren gebogen en schudde Constance bij de schouder. Eensklaps kwam een gedachte bij haar op, ze richtte zich op, drukte haar handen stijf tegen haar borst en fluisterde: "Ben je... ben je aangerand?" "Nee, nee." Miss Brigmore slaakte een korte zucht en vroeg vervolgens: "Wat dan?" "... Ik kan niet met Donald trouwen, Anna." "Kun je niet met Donald trouwen, wat bedoel je daarmee?" "Er is... er is iets gebeurd." Opnieuw vouwde miss Brigmore haar handen en drukte ze tegen haar borst. "Dus je bent aangerand...?" "Nee, ik ben niet aangerand... Maar Matthew, hij, hij houdt van mij. Het was tijdens het onweer. We schuilden in dat huis. Er gebeurde iets met ons beiden. Hem... hem treft geen schuld." Haar hoofd zonk op haar borst en ze herhaalde fluisterend: "Hem treft geen schuld." "O, mijn God!" Niet alleen de woorden, maar de manier waarop ze werden uitgesproken, maakten dat Constance opkeek. Ze had miss Brigmore nog nooit zo horen spreken; het was alsof een moeder sprak die voor de kuisheid van haar dochter vreesde; het was te veel. Ze wierp zich op haar knieën en verborg haar gezicht in miss Brig-mores schoot. Het duurde een ogenblik voor miss Brigmore haar handen op Constances hoofd legde. De gevolgen van de situatie doemden voor haar op en kwamen op haar afstormen. Ze wilde dat ze helder kon denken, maar ze kon alleen maar voor zichzelf herhalen: ze moet gek zijn geworden, ze moet gek zijn geworden. En dan nog wel met Matthew. Ze zei het ten slotte hardop. "Je moet gek zijn geweest, meisje, en dan nog met Matthew. Hij... Donald zal hem vermoorden als hij het hoort." "Hij... hij komt het niet te weten. Hij zal het nooit weten." Constance had haar betraand gezicht opgeheven. "Ik kan niet met hem trouwen." Miss Brigmore keek haar een lange poos aan en herhaalde toen: "Kun je niet met hem trouwen? Ga je dan met Matthew trouwen?" "Nee, nee. Matthew..." Ze kon niet zeggen "Matthew wil niet met me trouwen"; hetgeen ze zei was: "Matthew kan niet met me trouwen; hij wil, maar hij kan niet. Zoals je weet, is hij ziek en... en, zoals je zei, zou Donald hem vermoorden als hij het wist en dat geloof ik ook." Ze knikte. "Hij is in staat hem te vermoorden als hij het wist, zelfs als hij van hem houdt." Wederom greep miss Brigmore Constances schouders en nu siste ze haar toe: "En je zegt dat je niet met Donald zult trouwen? En de gevolgen van je daad van vandaag? Als je een kind krijgt?" Voor de tweede maal die dag stokte Constances adem en toen haar lippen zich openden, was het om fluisterend te vragen: "Kan dat gebeuren na... na slechts één keer?" "Ja, ja, natuurlijk, meisje, na slechts één keer." De stem van miss Brigmore klonk nog steeds sissend. Ze staarden elkaar met grote ogen en zwijgend aan, alsof ze toekeken hoe de gevolgen werkelijk vorm kregen. Miss Brigmore verbrak het zwijgen; haar stem klonk diep bezorgd toen.ze zei: "Als je me vanmorgen had verteld dat je niet met Donald zou trouwen, zou ik letterlijk van vreugde hebben gedanst, maar nu ben ik genoodzaakt te zeggen dat je met hem moet trouwen en ik moet er ook aan toevoegen: God zij gedankt dat de plechtigheid al over een week plaatsvindt... O, hemel! O, hemel!" Ze legde haar hand op haar voorhoofd, sloot haar ogen en zei kreunend: "Constance! Constance! Wat heeft je bezield? Wat heeft je in godsnaam bezield?" Bij wijze van antwoord wendde Constance langzaam haar hoofd en keek uit het raam. Toen ze zag dat de zon scheen, had ze bijna gezegd: "Het was het weer, je zou het aan het weer kunnen toeschrijven." In zeker opzicht was dat waar, want als ze niet bang was geweest voor het onweer en ze in het bouwvallige huisje geen onderdak hadden gezocht, zou het beslist, beslist nooit zijn gebeurd. Wie maakte het weer, God? Nu als Hij het deed, had Hij het zeker als een val voor haar gezet. Ze keek naar miss Brigmore die met het bed bezig was, de sprei omsloeg en de kussens opschudde. Toen ze daarmee klaar was, zei ze: "Trek je kleren uit," en Constance zei niet: "Maar ik heb me pas verkleed," maar vroeg: "Waarom?" "Je gaat naar bed. We moeten je oom en Barbara een reden voor je terugkeer noemen en ze zullen geloven dat je door het onweer van streek bent geraakt. Bovendien moet je in bed liggen als... als hij komt, wat hij zeker zal doen. Dit zal je besparen dat je uitvoerig met hem moet spreken." Zonder tegenspraak begon Constance zich uit te kleden. Toen ze eindelijk in bed lag, zei miss Brigmore: "Ga niet zo tegen de kussens zitten, ga liggen en zeg weinig of niets" tegen iemand, behalve dat het onweer je ziek heeft gemaakt, dat je niet verder kon en Matthew je heeft moeten terugbrengen... O, het is in zeker opzicht gelukkig dat Pat Ferrier vanmiddag met een kennis op bezoek komt. Je oom kreeg een brief, vlak na je vertrek; hij gaat met het weekend terug naar de universiteit. Zijn aanwezigheid zal Barbara's aandacht van je afleiden. Want wat je ook doet, je moet haar niets hierover vertellen. Barbara zou zoiets nooit licht kunnen opnemen, ze zou geschokt zijn." Ze stopte het laken onder Constances kin toe, toen Constance haar met wijd open ogen aankeek en fluisterend vroeg: "Ben jij geschokt, Anna?" Als antwoord ging miss Brigmore vlug op de rand van het bed zitten, nam het meisje in haar armen en zei: "Nee, kind, nee; want ik heb hetzelfde gedaan, nietwaar? Er is slechts één verschil tussen ons; jij hebt de kans je misstap te verbergen en in dat opzicht ben je fortuinlijk, heel fortuinlijk. Slechts weinigen van ons hebben dit geluk." .