9

 

Smith bleef staan voor een deur met als opschrift RADIORAUM. Hij gebood met opgeheven hand stilte, keek naar de drie somber kijkende gevangenen en zei: 'Je kunt er liever niet eens aan dénken iemand een seintje te geven of alarm te slaan. Zo happig ben ik er nou ook weer niet op om jullie mee terug naar Engeland te nemen. Luitenant Schaffer, ik vind dat we deze mensen maar wat meer bewegingsvrijheid moesten ontnemen.' 'Dat zouden we best kunnen doen,' beaamde Schaffer. Hij liep van de een naar de ander, rukte de bovenste knopen van hun tuniek open en trok de tunieken omlaag tot hun mouwen tot aan de ellebogen kwamen. 'Nu houden ze hun handen wel een tijdje thuis,' zei hij op dezelfde zachte toon. 'Maar hun voeten misschien niet. Laat ze niet bij je in de buurt komen,' zei Smith tegen Mary. 'Ze hebben niets te verliezen. Ben je klaar, luitenant?' 'Klaar,' zei Schaffer. Heel zacht en voorzichtig opende hij de deur van de radiokamer. Het was een groot, goed verlicht maar bijzonder kaal vertrek. Het voornaamste meubilair bestond uit een massieve tafel bij het raam in de muur aan de overkant en, op die tafel, een bijna even massieve radioapparatuur van glanzend metaal. Behalve twee stoelen en een archiefkast bevatte de kamer verder niets; er lag zelfs geen vloerkleed. Misschien verraadde de afwezigheid van dat vloerkleed hen. Schaffer was al halverwege de kamer geslopen toen de operateur nog steeds onbezorgd zat te luieren, met een sigaret tussen de lippen en luisterend naar de zachte Schrammel-muziek uit zijn grote apparaat. Toen ineens, gewaarschuwd door een zacht, fluisterend gekraak van een plank van de vloer, of misschien alleen maar door een zesde zintuig, draaide hij zich met een ruk om en sprong overeind. Hij dacht even snel als hij bewoog. Terwijl hij nog bezig was zijn armen op te heffen in wat een begerige overgave leek, scheen hij enigszins naar rechts te bewegen om zijn gewicht naar zijn rechtervoet te verplaatsen. Toen begon buiten in de gang een alarmschei gillend te krijsen. Schaffer sprong vooruit. Hij zwaaide zijn Schmeisser; de operateur tuimelde achteruit tegen zijn radioapparatuur en gleed bewusteloos op de grond. Maar Schaffer was te laat geweest. De bel rinkelde en bleef rinkelen. 'Dat had ik nou net nodig,' zei Smith bitter. 'Dat is verdomme nou net wat ik nodig had.' Hij rende de deur van de radiokamer uit, vond een paar meter de gang in het glazen kastje van de alarmschei en gaf het een woedende slag met de kolf van zijn Schmeisser. Het verbrijzelde glas rinkelde over de vloer en de giltoon hield plotseling op. 'Naar binnen!' Smith wees naar de open deur van de radiokamer. 'Allemaal. Snel!' Hij werkte iedereen naar binnen, keek om zich heen en zag rechts een deur. 'Vlug,' zei hij tegen Mary. 'Wat zit daarachter? Schaffer!' 'Horatio staat op de brug,' mompelde Schaffer. Hij ging bij de deur van de radiokamer staan. 'Dit was niet nodig geweest, boss.' 'Er was zoveel niet nodig geweest,' zei Smith vermoeid. Hij keek Mary aan. 'Nou?' 'Het ziet eruit als een opslagkamer voor radio-onderdelen.' 'Jij en Jones nemen die drie mee naar binnen. Schiet hen dood als ze een kik geven.' Jones keek naar het wapen, dat hij heel voorzichtig vasthield en zei: 'Ik ben geen militair, sir.' 'Ik zal je eens iets vertellen,' zei Smith. 'Ik ook niet.' Hij haastte zich naar de radio, ging zitten en bestudeerde de verwarrende reeksen wijzertjes, knopjes en hendeltjes. Twintig minuten lang zat hij alleen maar te kijken. 'Weet u hoe het werkt, boss?' vroeg Schaffer bij de deur. 'Dat is wel het juiste moment om me zoiets te vragen,' zei Smith. 'We komen er gauw genoeg achter, waar of niet?' Hij schakelde de apparatuur op zenden, zocht op de ultrakorte golf en koos de zendfrequentie. Daarna haalde hij een andere schakelaar over en pakte hij een microfoon. 'Slagzwaard roept Danny Boy,' zei hij. 'Slagzwaard roept Danny Boy. Kunt u mij verstaan? Kunt u mij verstaan?' Niemand verstond hem of liet daar althans iets van blijken. Hij veranderde de frequentie enigszins en probeerde het nog eens. Hij bleef proberen. Na zijn zesde of zevende poging schrok hij op door een stoot vuur uit een machinepistool bij de deur. Hij draaide zich snel om. Schaffer lag languit op de grond; uit de loop van zijn Schmeisser kringelde rook. 'We krijgen bezoek, boss,' zei Schaffer verontschuldigend. 'Ik heb nog niemand te pakken kunnen nemen, maar ik weet verdomde zeker dat ik hun adrenaline in beweging heb gebracht.' 'Slagzwaard roept Danny Boy,' zei Smith dringend en koppig. 'Slagzwaard roept Danny Boy. In godsnaam, waarom geven ze geen antwoord?' 'Ze kunnen niet om de hoek komen zonder in tweeën te worden gezaagd,' zei Schaffer ontspannen vanuit zijn weinig ontspannen horizontale houding op de vloer. 'Ik houd hen gemakkelijk tot Sint-Juttemis tegen. Waarom zouden we ons dan haasten?' 'Slagzwaard roept Danny Boy. Slagzwaard roept Danny Boy. Hoe lang duurt het voor iemand de elektriciteit afsnijdt, denk je?' 'In godsnaam, Danny Boy,' smeekte Schaffer. 'Waarom antwoordje niet?' Waarom antwoordje niet?' 'Danny Boy roept Slagzwaard.' De stem uit de radio klonk kalm en luid en duidelijk, zo storingsvrij dat hij uit de kamer daarnaast had kunnen komen. 'Danny Boy...' 'Een uur, Danny Boy,' viel Smith hem in de rede. 'Een uur. Begrepen? Over.' 'Begrepen. Is het voor elkaar, Slagzwaard?' De stem was onmiskenbaar die van admiraal Rolland. 'Over.' 'Het is voor elkaar,' zei Smith. 'Helemaal voor elkaar.' 'Alle zonden zijn je vergeven. Moeder Machree komt naar je toe. Ze is onderweg.' Er klonk een nieuwe uitbarsting van geluid in staccato, toen Schaffer nog een vuurstoot met zijn Schmeisser weggaf. Over de radio zei de stem van admiraal Rolland: 'Wat was dat?' 'Een atmosferische storing,' zei Smith. Zonder de moeite te nemen het apparaat uit te schakelen stond hij op, deed drie stappen terug en liet zijn machinepistool twee tellen lang lood spuwen. Zijn gezicht vertrok van pijn bij de terugslag van het wapen in zijn gehavende hand; maar deze radio zou nooit meer door iemand gebruikt worden. Hij keek naar Schaffer, maar slechts heel even. Het gezicht van de Amerikaan stond peinzend, maar kalm en onbezorgd. Er waren er die misschien een paar woorden van steun, van bemoediging en geruststelling nodig hadden, maar Schaffer hoorde daar niet bij. Smith liep snel naar het venster en tilde het onderste schuifraam met zijn linkerhand op. De maan werd vrijwel verduisterd door een donkere, voortjagende wolk. Een ijl, zwak schijnsel sijpelde omlaag in de halfzichtbare duisternis van het dal beneden. Het begon weer eens zachtjes te sneeuwen. In de intense kou was de lucht gespannen en breekbaar; het was een arctische kou, die door merg en been ging. De ijzige wind, die door het vertrek blies, had afkomstig kunnen zijn van de ijskap aan de pool. Smith stelde vast dat ze zich aan de oostelijke kant van het kasteel bevonden, de kant die van het moederstation van de kabelbaan was afgekeerd. De basis van de vulkanische rots was in zo'n diepe duisternis gehuld, dat het onmogelijk met zekerheid was vast te stellen of de bewakers en de dobermans daar beneden patrouilleerden of niet; wat betrof hun levenskansen van dat ogenblik deed het trouwens niet ter zake. Smith trok zich van het raam terug, haalde de nylonkabel uit de zak, bond het ene eind stevig aan de metalen poot van de radiotafel en wierp de rest van de kabel de nacht in. Daarna verwijderde hij met zijn linkerhand de tot een korst bevroren sneeuw op de vensterbank en een halve tot driekwart meter daar onder. Iemand moest wel een hyperkritisch oog hebben, dacht hij, om niet onmiddellijk de indruk te krijgen dat er nog maar kortgeleden een behoorlijk zwaar verkeer over de vensterbank had plaatsgevonden. Vaag vroeg hij zich af of de kabel misschien helemaal tot aan de grond reikte; maar hij zette de gedachte even snel van zich af als zij in hem was opgekomen; want, nogmaals, het deed niet ter zake. Hij liep de kamer door naar Schaffer, die plat op de grond lag. De sleutel zat aan de binnenkant van de deur in het slot en dat slot - hij stelde het met voldoening vast - had dezelfde forse afmetingen als alles in Schloss Adler. 'Tijd om die deur te sluiten,' zei hij tegen Schaffer. 'Laten we wachten tot ze hun gezicht weer laten zien,' stelde Schaffer voor. 'Dan kunnen we hun de moed nog een beetje meer ontnemen. Het is al minuten geleden dat de laatste knaap zijn hoofd om de hoek daarginds heeft gestoken. Als iemand dat nog eens doet, komt er weer een salvo van Schaffer - en dat kan ons nog een paar minuten uitstel geven. Genoeg om ons de kans te hebben gegeven langs dat eindje touw omlaag te klauteren en er vandoor te gaan.' 'Daaraan had ik moeten denken.' Een ijzige, met sneeuw beladen windvlaag blies door de kamer, het open raam in en de open deur uit. Smith huiverde. 'Mijn God, het vriest dat het kraakt!' 'Bloedverlies,' zei Schaffer kortaf. Toen voegde hij er zonder medelijden aan toe: 'En al die cognac, die je daarginds hebt gezopen. Als je de poriën wilt openen. . .' Hij zweeg en bleef heel stil liggen, en hij liet zijn hoofd iets zakken om langs de loop van zijn Schmeisser te kijken. 'Geef me je zaklantaren eens, boss,' zei hij zachtjes. 'Wat is er?' fluisterde Smith. Hij gaf Schaffer de lantaren aan. 'Een kwestie van voorzichtigheid,' mompelde Schaffer. Hij knipte de lantaren aan, legde hem op de grond en duwde hem zo ver mogelijk van zich af. 'Als ik in hun plaats was, zou ik ook voorzichtig zijn, denk ik. Er komt een stok om de hoek van de gang en aan die stok zit een spiegel gebonden. Ze hebben hem alleen nog niet in de juiste hoek.' Smith gluurde behoedzaam om de deurstijl, nog juist op tijd om de stok en de zwevende spiegel uit het gezicht te zien verdwijnen, vermoedelijk om hem bij te stellen. Een paar seconden later verscheen de stok opnieuw, deze keer met de spiegel in een hoek van min of meer vijfenveertig graden. Spiegel en stok vielen in stukken uiteen onder het vlakke staccato gehamer van Schaffers machinepistool. Schaffer stond op, richtte zorgvuldig op de enige lamp aan het plafond die de gang verlichtte en loste een enkel schot. Het enige licht in de gang kwam nu van de zaklantaren op de grond. Dat licht verhulde niet alleen afdoende voor de Duitsers aan het andere einde van de gang wat er in de radiokamer gebeurde, maar maakte het ook buitengewoon moeilijk om vast te stellen of de deur open of dicht was. Smith en Schaffer trokken zich in de radiokamer terug, sloten geruisloos de deur achter zich en draaiden even geruisloos de sleutel in het slot om. Schaffer gebruikte zijn Schmeisser als hefboom om de sleutel te verbuigen, zodat hij stevig in het binnenwerk van het slot vastgeklemd bleef zitten. Ze wachtten. Minstens twee minuten gingen voorbij. Toen hoorden ze aan het andere einde van de gang het geluid van opgewonden stemmen, bijna onmiddellijk gevolgd door dat van zware laarzen die door de gang stampten. Ze verwijderden zich van de deur, gingen de kamer met de radio-onderdelen binnen en lieten de deur net voldoende op een kier open om wat zwak, indirect licht te laten binnensijpelen. 'Mary,' zei Smith zacht, 'jij en Jones passen op Thomas daar. Op elke slaap een pistool.' Zelf nam hij Christiansen voor zijn rekening; hij dwong hem neer te knielen en drukte hem zijn machinepistool in de nek. Schaffer dreef Carraciola achteruit tegen een muur, met de loop van de Schmeisser hard tegen de tanden geperst. Schaffer, aan de andere kant van het machinepistool, glimlachte opgeruimd; zijn tanden glansden bleek in het halve donker. Er viel een doodse stilte in het kleine vertrek.

 

 

Niemand van het half dozijn Duitsers buiten de radiokamer leek in de verste verte op de oudere bewaker, die Von Brauchitsch op de binnenplaats had ondervraagd. Het waren elitesoldaten van het Alpenkorps, meedogenloze mannen die een meedogenloze training hadden ontvangen. Geen van hen stak zelfs maar een vinger naar de deurknop of het slot uit; de mechanische doeltreffendheid, waarmee ze de deur zonder zelf risico te lopen aanpakten, was kennelijk het resultaat van een ingehamerde procedure om met situaties van deze speciale aard af te rekenen. Na een handgebaar van de bevelvoerende Oberleutnant stapte een soldaat naar voren, die met twee diagonale zwenkingen het magazijn van zijn machinepistool door de deur ledigde. Een tweede soldaat gebruikte zijn machinepistool om een keurige cirkel in het hout te zagen; daarna draaide hij het wapen om en sloeg hij de houten cirkel met de kolf weg. Een derde ontzekerde twee granaten en gooide ze heel zorgvuldig door het ontstane gat, terwijl een vierde het slot wegschoot. De twee doffe knallen van de exploderende granaten volgden bijna tegelijkertijd, en rook stroomde door het ronde gat in de deur. De deur werd opengetrapt en de mannen stormden naar binnen. Ze hoefden niet langer voorzorgen te nemen; iedereen, die in dezelfde begrensde ruimte als de twee ontploffende granaten was geweest, was nu een dode. Een ogenblik heersten er verwarring en aarzeling, tot de sterke tocht de scherpe blauwe rook gedeeltelijk wegblies; toen ontdekte de Oberleutnant met behulp van een kleine zaklantaren de oorzaak van de tocht. Hij rende naar het open raam, bleef staan bij het zien van de kabel die over de vensterbank verdween, leunde uit het raam en staarde met de lichtbundel van zijn lantaren mee naar beneden, terwijl hij zijn tranende ogen wreef. De lichtbundel kwam misschien tot halverwege de zijkant van de vulkanische rots. Er was niets te zien. Hij greep de kabel met zijn vrije hand en gaf er een wilde ruk aan; hij bleek zo goed als gewichtloos. Een ogenblik richtte hij zijn lantaren op de omgewoelde sneeuw op het raamkozijn, toen draaide hij zich met een ruk om naar de kamer. 'Gott im Himmel!' riep hij. 'Ze zijn er vandoor! Ze zijn al beneden! Vlug, de dichtstbijzijnde telefoon!' 'Dat is dat.' Schaffer luisterde naar het verdwijnende geluid van rennende voetstappen, nam de loop van zijn Schmeisser van Carraciola's tanden weg en glimlachte goedkeurend. 'Je bent een brave jongen geweest'. Met zijn wapen in de rug van Carraciola volgde hij Smith naar de geruïneerde radiokamer. 'Ze zullen niet veel tijd nodig hebben om erachter te komen dat er daar beneden geen voetsporen in de sneeuw te vinden zijn,' zei hij peinzend tegen Smith. 'Het zal hun nog minder tijd kosten om te ontdekken dat dit touw verdwenen is.' Vlug, zonder op de stekende pijn in zijn rechterhand te letten, haalde Smith de nylonkabel door het raam binnen. 'We zullen het nodig hebben. Een paar afleidingsmanoeuvres hebben we trouwens ook nodig.' 'Ik ben al afgeleid genoeg,' zei Schaffer. 'Pak vier of vijf plasticbommen met slagkoordjes van verschillende lengte. Verberg ze in de kamers aan die gang daar.' 'Ik weet al een paar afleidingsmanoeuvres.' Schaffer haalde enkele plasticbommen uit de zak, sneed de langzaam brandende RDX-koorden op verschillende lengten af, bracht de chemische ontstekingen aan en zei: 'Je kunt het klusje al als gedaan beschouwen !' De eerste drie kamers, die hij probeerde, waren afgesloten; hij verspilde geen tijd of kostbare munitie om te proberen ze met zijn Luger met geluiddemper open te krijgen. De vijf kamers daarna waren echter stuk voor stuk open. De eerste drie waren slaapkamers; hij bracht de ladingen aan in een fruitschaal van Saksisch porcelein, onder een officierspet en onder een kussen. In het vierde vertrek, een badkamer, legde hij een bom achter een W.C.-pot en in de vijfde kamer, een magazijn, verborg hij er een hoop op een plank naast een paar hoogst brandbaar uitziende kartonnen dozen. Intussen had Smith de anderen uit de nog rokerige atmosfeer van de radiokamer, die de ogen deed tranen en de keel prikkelde, naar de betrekkelijk zuivere lucht van de gang daarachter gewerkt. Terwijl hij op Schaffers terugkeer stond te wachten, kreeg zijn gezicht plotseling een nadenkende uitdrukking; op een lage verhoging bij de gangmuur had hij enkele brandweerattributen ontdekt: een groot CO2 brandblusapparaat, emmers met zand en een bijl. 'Ik zie wat je denkt, majoor Smith.' De ogen van Mary waren roodomrand en haar door tranen gestreept gezicht zo wit als een doek, maar ze kon nog naar hem glimlachen. 'Afleidingsmanoeuvres, zei je. Ik dacht aan hetzelfde, en dat ben ik nog maar.' Smith gaf haar een halve glimlach terug; zijn hand deed zoveel pijn, dat hij vond dat hij zich de andere helft niet kon veroorloven. Hij probeerde de deurknop naast de lage verhoging, een deur met het opschrift AKTENRAUM - archief. Natuurlijk zat een dergelijke deur op slot. Hij nam de Luger in zijn linkerhand, zette hem tegen het slot en haalde de trekker over. Toen ging hij naar binnen. Het vertrek zag er ongetwijfeld als een archief uit. Het was van een groot aantal rekken voorzien en tot het plafond volgestapeld met mappen en papieren. Smith ging naar het raam, zette het wijd open om de tocht aan te wakkeren, verspreidde grote stapels papier over de grond en hield er een lucifer bij. Het papier vatte onmiddellijk vlam en binnen enkele seconden schoten de vlammen meer dan een meter omhoog. 'Wasje die vergeten?' Schaffer was teruggekomen; hij had de grote cilinder CO2 bij zich. 'Van onderen, of hoe ze dat ook noemen!' riep hij bij het raam. De cilinder verdween naar buiten. De kamer brandde al zo heftig, dat Schaffer moeite had zijn weg naar de deur terug te vinden. Toen hij met verschroeide kleren en haren en een zwart berookt gezicht naar buiten kwam, begon ergens in de diepten van Schloss Adler een dieptonige bel doordringend te rinkelen. 'In godsnaam, wat krijgen we nou weer?' zei Schaffer radeloos. 'De brandweer?' 'Zoiets,' zei Smith bitter. 'Verdomme, verdomme, waarom heb ik daar niet eerst naar gekeken? Nu weten ze waar we zijn.' 'Een hittegevoelig apparaat met een plaatsverklikker?' 'Wat anders? Kom mee!' Terwijl ze de gevangenen voor zich uit dreven renden ze de centrale gang door, een wenteltrap af en naar de volgende trap. Toen hoorden ze roepende stemmen en kletterende voetstappen: de soldaten kwamen van de binnenplaats naar boven rennen. 'Snel! Daar achter!' Smith wees op een alkoof, waarvoor een gordijn hing. 'Schiet op! O God - ik heb iets vergeten!' Hij draaide zich om en rende terug in de richting vanwaar hij was gekomen. 'Waar voor de duivel heeft hij. . .' Schaffer onderbrak zichzelf toen hij zich realiseerde dat de naderende mannen al bijna bij hen waren. Hij draaide zich bliksemsnel om en porde de dichtstbijzijnde gevangene pijnlijk met de loop van zijn Schmeisser. 'In die alkoof. En snel.' In het gedempte licht achter de gordijnen verwisselde hij zijn machinepistool voor de Luger met geluiddemper. 'Heb niet het hart die gordijnen aan te raken. Met al dat lawaai van die bel zouden ze je niet eens horen sterven.' Niemand raakte de gordijnen aan. Hoorbaar naar adem happende mannen met spijkerlaarzen passeerden hen op nog geen halve meter afstand. Ze kletterden heftig de volgende trap op, dezelfde trap die Smith en de anderen zojuist waren afgedaald. Daarna hielden de voetstappen abrupt op. Uit de geschreeuwde woorden, die daarop volgden, bleek duidelijk dat ze nu het vuur in de gaten hadden gekregen en zich plotseling en voor het eerst de omvang van de taak hadden gerealiseerd waarmee ze nu te maken hadden. 'Alarm! Sergeant, pak die telefoon!' Het was de stem van de Oberleutnant, die de inval in de radiokamer had geleid. 'De brandweer, in de dubbele! Brandslangen, meer C02-cilinders! Waar zit kolonel Kramer in godsnaam? Korporaal! Ga onmiddellijk kolonel Kramer zoeken!' De korporaal gaf geen antwoord; het geluid van zijn klikkende hielen, toen hij de trap afrende, was antwoord genoeg. Hij rende de alkoof voorbij en daarna de volgende trap af, tot het geluid van zijn voetstappen verloren ging in het metaalachtig dreunen van de alarmschel. Schaffer riskeerde het door een kier in de gordijnen te gluren, juist toen Smith op zijn tenen kwam aansnellen. 'Waar ben je geweest, voor den duivel?' De stem van Schaffer klonk zacht en fel. 'Kom, kom! Eruit!' zei Smith dringend. 'Nee Jones, niet die trap af, wil je soms halverwege een heel regiment van het Alpenkorps tegenkomen? De gang uit, naar de westelijke vleugel. We maken gebruik van de zijtrap. In hemelsnaam, schiet op. Over een paar seconden gaat het hier op Piccadilly Circus lijken.' Schaffer holde naast Smith door de gang. Toen hij opnieuw sprak, had zijn uit bezorgdheid voortkomende heftigheid van toon iets klagends. 'Nou - waar voor de verdommenis heb je gezeten?' 'Bij de man, die we vastgebonden in de kamer naast de telefooncentrale hebben achtergelaten. Het archief is daar recht boven. Het schoot me ineens te binnen. Daarom heb ik hem losgesneden en hem in de gang getrokken. Hij zou levend verbrand zijn.' 'Heb je dat echt gedaan?' zei Schaffer verbaasd. 'Jij denkt ook aan de meest verdomde onbelangrijke dingen, hè?' 'Dat is maar hoe je het bekijkt. Onze vriend in de gang daarginds zou je gevoelens bepaald niet delen. Rechtsaf, die trappen af en dan rechtuit. Mary, jij weet welke deur.' Mary wist welke deur. Vijftien stappen voorbij de voet van de trap bleef ze staan. Smith gunde zich een blik door het gangraam aan zijn linkerhand. Door de vensters van de noordoostelijke toren waren al rook en vlammen zichtbaar. Beneden op de binnenplaats renden tientallen soldaten rond, de meesten blijkbaar zonder veel inzicht in het doel en de richting van hun bewegingen. Eén man liep niet. Het was de helikopterpiloot in zijn overal, die heel stil en diep gebogen over de motor stond. Smith zag hoe hij zich langzaam oprichtte, zijn rechterarm ophief en zijn vuist schudde naar de brandende toren. Smith wendde zich tot Mary. 'Weet je zeker dat dit de kamer is? Twee verdiepingen onder het raam, waardoor we naar binnen zijn gekomen?' Mary knikte. 'Zonder enige twijfel. Hier is het.' Smith probeerde de deurknop. De kamer was op slot. De tijd voor lopers en dat soort verfijnde manipulaties was voorbij; hij zette de loop van zijn Luger tegen het slot.

 

 

De korporaal, die door zijn Oberleutnant was weggestuurd om kolonel Kramer te zoeken, zag zich voor hetzelfde probleem geplaatst, toen hij de deurknop van de gouden salon omdraaide, want toen Smith en de anderen daar de laatste keer waren weggegaan had Schaffer de deur afgesloten en de sleutel zorgvuldig door een geschikt gangraam gegooid. De korporaal begon met eerbiedig aan te kloppen. Geen antwoord. Hij klopte hard, met even weinig resultaat. Hij drukte de deurknop omlaag en gebruikte zijn schouder, met als enig gevolg dat hij zijn schouder bezeerde. Hij ramde de omgeving van het slot met de kolf van zijn Schmeisser; maar de timmerlieden die de deuren van Schloss Adler hadden gemaakt, hadden geweten wat er van hen verlangd werd. Hij aarzelde, draaide toen zijn machinepistool om en vuurde een salvo door het slot, de hemel biddend dat kolonel Kramer niet in één lijn met het sleutelgat in een stoel zat te slapen. Kolonel Kramer sliep inderdaad, maar beslist niet in een rechte lijn met het sleutelgat. Hij lag languit op het gouden tapijt, met onder zijn hoofd een weloverwogen neergelegd kussen. Langzaam ging de korporaal de salon binnen, met zijn wenkbrauwen bijna tegen zijn haargrens en een gezicht dat bijna uit elkaar viel van geschokt ongeloof. Reichsmarschall Rosemeyer lag naast de kolonel uitgestrekt. Von Brauchitsch en een sergeant lagen slap in een paar fauteuils; hun hoofd rustte op hun schouder. Anne-Marie — een heel onttakelde en enigszins gekneusd uitziende Anne-Marie - lag op een van de grote goudlamé divans. Verdwaasd, nog steeds totaal niets begrijpend, ging de korporaal naar Kramer toe. Hij knielde naast hem neer en schudde hem bij de schouder, eerst zachtjes en vol respect en toen met toenemende kracht. Na enige tijd begon het hem te dagen, dat hij de schouder van de kolonel de hele nacht kon blijven schudden zonder een stap verder te komen. Toen zag hij, geheel onlogisch en voor de eerste keer, dat geen van de mannen een jasje droeg en dat iedereen, inclusief Anne-Marie, de linkermouw tot aan de elleboog opgerold had. Hij keek langzaam de salon rond en werd heel stil, toen zijn blik bleef rusten op een blad met flesjes, karaffen en injectiespuiten. Op het gezicht van de korporaal maakte het geschokte niet begrijpen traag plaats voor een even geschokt begrip. Hij verliet de deur als de grote favoriet in de finale op de honderd meter van de Olympische Spelen.

 

 

Schaffer bond de nylonkabel aan het hoofdeinde van het ijzeren ledikant, probeerde of de knoop stevig genoeg was, schoof het raam half open, duwde de kabel naar buiten en gluurde ongelukkig in het dal beneden. Aan de andere kant van het dorp markeerde een pulserende rode gloed de smeulende as van wat eens het spoorwegstation was geweest. De lichtjes van het dorp zelf twinkelden helder. Recht onder en rechts van de plaats waar hij stond waren vier patrouillerende bewakers met evenveel honden te zien - Kramer had niets te veel gezegd, toen hij vertelde dat de wachtposten buiten verdubbeld waren - en de oorzaak van het gemak, waarmee hij hen kon onderscheiden, werd Schaffer maar al te duidelijk toen hij zijn hoofd omdraaide en door de dun vallende sneeuw naar de lucht staarde. De maan was juist achter een zwarte massa wolken te voorschijn gekomen en zeilde nu door een ontmoedigend groot stuk lege lucht. Zelfs de sterren waren zichtbaar. 'Ik krijg het gevoel dat ik nogal in de gaten loop, boss,' zei Schaffer klaaglijk. 'En daar beneden zijn de wolven los.' 'Het maakt geen verschil, al hadden ze een batterij zoeklichten op dit raam gericht,' zei Smith kortaf. 'Nu niet. We hebben geen keus. Snel!' Schaffer knikte treurig, hees zich door het raam, greep de kabel en hield even in toen uit de oostelijke kasteelvleugel het geluid van een gedempte explosie kwam. 'Nummer één,' zei hij voldaan. 'Boem - daar gaat een schaal met porseleinen fruit - of een porseleinen schaal met fruit. Ik hoop maar,' voegde hij er bezorgd aan toe, 'dat er niemand op het toilet zit, een deur verder dan vanwaar daarnet die klap klonk.' Smith opende zijn mond om een ongeduldige opmerking te maken, maar Schaffer was al verdwenen. Vier en een halve' meter lager stond hij al op het dak van het moederstation. Smith klauterde moeizaam over de vensterbank, sloeg de kabel om zijn rechteronderarm, ving de spanning met zijn linkerhand op en keek naar Mary. Ze glimlachte bemoedigend tegen hem, maar haar gelaatsuitdrukking had niets bemoedigends toen ze haar blik weer richtte op de drie mannen die op een rij met hun gezichten tegen de muur stonden, met hun handen in de nek gevouwen. Carnaby-Jones hield hen eveneens onder schot, maar hij hield zijn wapen vast alsof het elk ogenblik kon omdraaien om hem te bijten. Smith voegde zich bij Schaffer op het dak van het moederstation. De twee mannen doken diep in elkaar, om de kans dat ze vanaf beneden gezien zouden worden zo klein mogelijk te maken. De eerste drie meter vanaf de muur was het dak volkomen vlak; daarna boog het scherp omlaag in een hoek van dertig graden. Smith bekeek de steile helling nadenkend, en zei: 'We hebben niets aan een herhaling van de vertoning, die we hebben meegemaakt toen we hier de laatste keer waren. Een goede haak om hier in de kasteelmuur te hameren zou ons van pas komen. Of in het dak. Een of ander houvast voor onze kabel.' 'Haken hebben we niet nodig. Kijk dit eens.' Schaffer schraapte met zijn blote handen de sneeuwkorst van het dak van het moederstation weg. Er kwam een fijn netwerk te voorschijn, met daaronder ijzeren tralies die een glazen plaat van ongeveer zestig bij dertig centimeter bedekten. 'Een bovenlicht noemen ze zoiets, geloof ik. Die tralies lijken me aardig sterk.' Hij pakte een van de tralies met beide handen beet en gaf een stevige ruk. Smith hielp hem met zijn linkerhand bij het trekken. De staaf zat stevig vast. Schaffer grijnsde vol voldoening, sloeg de kabel om de tralie en zorgde voor een goede knoop. Smith ging op het dak zitten en legde zijn hand op de kabel, maar Schaffer greep zijn pols en trok zijn hand met kracht los. 'Niets daarvan.' Hij tilde de rechterhand van Smith op; het dikke verband was al doorweekt van het bloed. 'Je kunt je Victoriakruis de volgende keer wel verdienen. Deze keer zou je geen schijn van kans hebben. Nu is het mijn beurt.' Hij zweeg even en schudde verbaasd zijn hoofd. 'Mijn God, Schaffer, je weet niet wat je zegt.' Hij verwijderde de zak met gereedschap die hij om zijn nek had hangen, kroop naar het punt waar het dak begon te hellen, greep de kabel en gleed behendig langs het hellend vlak omlaag. Toen hij de rand van het dak naderde, draaide hij zich heel voorzichtig om tot hij met zijn hoofd omlaag lag. Langzaam, de ene bijna onmerkbare centimeter na de andere en met de kabel stevig tussen zijn voeten geklemd, liet hij zich verder zakken tot zijn hoofd over de dakrand stak. Hij loerde omlaag. Hij ontdekte dat hij zich recht boven een van de kabels bevond. Zestig meter lager, maar ditmaal aan zijn linkerkant, ploeterden schildwachten en dobermans zo vlug ze konden door de diepe sneeuw de heuvel op in de richting van de hoofdingang en de binnenplaats van het kasteel. Schaffer realiseerde zich dat de laatste berichten waren doorgegeven en dat elke beschikbare man naar binnen werd gehaald, óf om de brand te bestrijden óf om te helpen zoeken naar de mannen die de brand hadden aangestoken. Hetgeen betekende, bedacht Schaffer, dat enige leden van het garnizoen de toestand van de grond beneden het raam van de radiokamer moesten hebben onderzocht en vastgesteld hadden dat zich daar niets dan maagdelijke, ongerepte sneeuw bevond... Hij draaide zijn hoofd om en keek omhoog. Er was geen spoor van langs de borstweringen patrouillerende schildwachten, wat hij trouwens ook had kunnen verwachten; het had geen zin een uitkijkpost neer te zetten om naar een vijand uit te zien, als alles erop wees dat de vijand nog binnen was. Schaffer liet zich nog vijftien akelige centimeters zakken, tot zijn hoofd en schouders zich buiten de dakrand bevonden. Nu waren alleen nog twee dingen belangrijk: bevond zich in het moederstation een man om de lier te bedienen of een schildwacht - en als dat zo was, kon hij, Schaffer, zich dan met één hand aan de kabel vasthouden terwijl hij met de andere zijn Luger te voorschijn peuterde en de wachtpost neerschoot? Schaffer betwijfelde het. Zijn OSS-opleiding was veelomvattend en intensief geweest, maar niemand had het ooit noodzakelijk geoordeeld dat hij de techniek van een trapeze-artiest in een circus beheerste. Zijn mond werd kurkdroog en zijn hart bonsde zo hard, dat hij bijna het wankele houvast van zijn handen en voeten verloor, toen hij zijn hoofd boog en naar binnen keek. Er was daarbinnen evenmin een schildwacht als een lierknecht en als er een was, zat hij zo goed verstopt dat Schaffer hem niet kon zien. Logisch was echter dat er niemand verborgen zat, omdat er geen enkele duidelijke reden was voor iemand om zich daar te verstoppen; zoals het ook logisch was dat iemand, die er vóór die tijd was geweest, wel net als de patrouillerende bewakers en de schildwacht op de borstwering, het kasteel in zou zijn geroepen om te helpen bij de strijd tegen het vuur en de vijand. Schaffer zag alleen een kabelbaancabine, een zware lierapparatuur en machtige accu's. Al spoedig was hij ervan overtuigd dat er niet meer te zien viel en dat er geen reden was om zich zorgen te maken. Hij zag echter nog iets anders, iets dat hem ernstig ontstemde, en dat was dat er maar één weg bestond waarlangs hij het station kon binnenkomen. Zich omlaag laten glijden tot op de vloer van het station was onmogelijk en wel omdat het stationsdak naar typische Alpenmode minstens één meter tachtig buiten de vloer uitstak. De enige weg naar binnen was een afdaling naar de zware stalen kabel van de Luftseilbahn en dan verder hand over hand naar boven het station in. Schaffer verspilde geen tijd aan het probleem of dit fysiek mogelijk was. Het móest mogelijk zijn. Het was de enige toegang. Voorzichtig en niet zonder moeite trok Schaffer zich aan de nylonkabel weer tegen de helling van het dak op, tot hij zich ongeveer een meter van de rand bevond. Hij liet de greep van zijn voeten op de kabel schieten en slingerde honderdtachtig graden rond, tot hij de dakhelling weer tegenover zich had en zijn benen over de rand bengelden. Hij keek omhoog. De ineengedoken gestalte van Smith verried één en al spanning, hoewel zijn gezicht even uitdrukkingsloos was als altijd. Schaffer hief een hand op, maakte een rondje van zijn duim en wijsvinger en liet zich daarna over de rand glijden tot zijn zoekende voeten de kabel vonden. Hij liet zich verder zakken tot hij schrijlings op de kabel zat, bracht zijn greep op de kabel over en slingerde omlaag tot hij aan armen en benen bleef zweven en de maan in het gezicht keek. Als uitzicht verdiende het hooglijk de voorkeur boven een val van zestig meter in het dal beneden, bedacht Schaffer. Hij begon te klimmen. Bijna haalde hij het niet. Van elke vijftien centimeter die hij omhoog langs de kabel vorderde, gleed hij er twaalf terug. De kabel was bedekt met een diabolisch glad laagje olie en ijs; alleen door zijn vuisten samen te knijpen tot zijn onderarmen pijn deden kon hij nog enigszins vooruitkomen. Het feit, dat de kabel in een hoek van vijfenveertig graden omhoogliep, maakte wat normaal al moeilijk geweest zou zijn nu vrijwel onmogelijk. Een dergelijke manier om zich voort te bewegen zou zelfmoord zijn geweest voor de vrijwel éénhandige Smith en volslagen onmogelijk voor zowel Mary als Carnaby-Jones. Eenmaal, nadat hij ruim drieëneenhalve meter had afgelegd, keek Schaffer omlaag om te zien wat zijn kansen waren als hij eens losliet en op de vloer beneden Wem viel; hij kwam al gauw tot de conclusie dat die kansen bestonden uit twee gebroken benen of, als hij al te ongelukkig terechtkwam, een val van nog eens zestig meter verder in het dal daaronder. Zoals Schaffer zich later herinnerde: die laatste mogelijkheid, gecombineerd met de voorstelling die hij zich kon maken van hoe die lange, lange val naar de bodem van het dal zou zijn, deed hem meer goed dan een paar extra armen had kunnen doen. Tien tellen later hees hij zich, zwetend en hijgend als een langeafstandsloper en heel dicht bij het laatste stadium van uitputting, op het dak van de kabelcabine. Een volle minuut bleef hij daar liggen, tot zijn trillende armen tot rust kwamen en het tempo van zijn pols en zijn ademhaling was teruggekeerd tot niet hoger dan een man met zware koorts verwacht mocht hebben. Hij liet zich zachtjes en vermoeid op de vloer zakken, haalde zijn Luger te voorschijn, ontzekerde de veiligheidspal en controleerde snel of het moederstation inderdaad wel vrij van vijanden was. Zijn verstand zei hem dat het een overbodige voorzorgsmaatregel was, omdat elke verborgen figuur zijn binnenkomst wel had moeten zien en horen; maar zijn instinct en zijn opleiding waren sterker dan zijn rede. Er was niemand. Hij keek achter lieren, elektromotoren en accu's; hij was helemaal alleen. Het volgende, wat hij zeker moest stellen, was dat hij ook alleen zou blijven. De zware ijzeren deur aan de onderkant van de omhooglopende tunnel, die naar de binnenplaats van het kasteel leidde, stond wijd open. Hij ging deze deur door en liep zachtjes over de keienbestrating tot hij bij de ingang van de binnenplaats kwam. Hier bevond zich een tweede ijzeren poort, die even wijd openstond als de eerste. Schaffer ging zo ver naar voren als de veilige schaduw van de tunnel toestond en bekeek het tafereel voor hem behoedzaam. Hij moest toegeven dat er genoeg te zien viel; en wat hij zag zou zijn hart onder andere omstandigheden goed hebben gedaan. De binnenplaats was het toneel van een even koortsachtige activiteit als ze al vluchtig vanuit de gang hadden waargenomen, maar thans was die activiteit meer doelgericht en onder controle. Schreeuwende en gebarende figuren hielden toezicht op het uitrollen van brandslangen, het aansluiten op brandkranen en het inzetten van manschappen met blusapparaten en zandemmers. De hoofdpoort stond open en werd niet bewaakt; zelfs de schildwachten moesten bij de actie zijn ingeschakeld. Dat wilde niet zeggen dat de onbewaakte poort een dankbaar te benutten ontsnappingsroute opende. Alleen een zelfmoordenaar zou geprobeerd hebben te ontvluchten over een binnenplaats, waarop zestig of zeventig leden van het Alpenkorps door elkaar heen bewogen. Links van hem stond de helikopter, verloren en nutteloos. De piloot was nergens te zien. Plotseling klonk binnen de beslotenheid van het pleintje de echo van een luide, vlakke explosie. Schaffer hief het hoofd op om de plaats van herkomst vast te stellen, zag verse rookwolken uit een van de bovenste ramen van de oostelijke vleugel kronkelen en vroeg zich even af welke van zijn ontploffende afleidingsacties het wel kon zijn. Dat duurde echter maar even. Het een of andere instinct dwong hem naar rechts te kijken en zijn gezicht betrok. De mannen die hij buiten tegen de helling omhoog had zien ploeteren, de bewakers met hun Dobermannpinchers, kwamen de hoofdingang binnen, met wolken bevroren adem in hun kielzog als overtuigend bewijs voor hun uitputtende holpartij door de kniehoge sneeuw. Langzaam en stil trok Schaffer zich terug. Duitse soldaten kon hij onschadelijk maken of ontwijken, maar dobermans gingen zijn krachten te boven. Hij draaide de zware ijzeren deur dicht, erop lettend dat ze zelfs geen zuchtje geluid maakten, schoof twee zware grendels op hun plaats, rende snel door de tunnel naar beneden, sloot de onderste deur af en stak de sleutel in zijn zak. Geschrokken keek hij op, toen hij het geluid van verbrijzelend glas hoorde met het daarbij horend gerinkel toen de scherven op de grond terechtkwamen. De loop van zijn Luger volgde automatisch zijn blik. 'Doe dat kanon weg,' zei Smith geïrriteerd. Schaffer kon nu duidelijk zijn dicht tegen de ijzeren staven gedrukte gezicht zien; 'Wie denk je dat hier zit - Kramer en zijn gezelschap soms?' 'Het komt door mijn zenuwen,' legde Schaffer koeltjes uit. 'Jij hebt niet uitgestaan wat luitenant Schaffer zojuist heeft moeten verduren. Hoe staan de zaken daarboven?' 'Carraciola en zijn vrienden liggen met hun gezicht op het dak dood te vriezen en Mary houdt de Schmeisser op hen gericht. Jones is nog boven. Hij weigert zelfs zijn hoofd naar buiten te steken; hij zegt dat grote hoogten hem niet liggen. Ik heb het redeneren met hem opgegeven. En hoe gaat het aan jouw kant?' 'Rustig zijn gangetje. Als iemand met de gedachte aan de kabelbaan speelt, dan blijkt dat in ieder geval nergens uit. Allebei de deuren naar de binnenplaats zitten op slot. Ze zijn van ijzer. Mocht iemand op een achterdochtige gedachte komen, dan moeten die deuren het toch een tijdje kunnen uithouden. En nog iets, boss - de weg naar binnen, die ik heb gevolgd, is alleen voor vogels geschikt. En met alleen voor vogels bedoel ik ook alleen voor vogels. Je hebt vleugels nodig. Met die hand van je red je het nooit. Mary en die knaap hoeven het niet eens te proberen. Wat Carraciola en de rest betreft - nou ja, wie interesseert zich nou voor Carraciola en de rest.' 'Wat voor bedieningsorganen voor de lier heb je daar?' vroeg Smith. 'Laat eens kijken.' Schaffer ging naar de lier. 'Een schakelaartje met de aanduidingen 'Normal' en 'Notfall' . . .' 'Zijn er ook accu's?' viel Smith hem in de rede. 'Yeah. Zoveel je maar wilt.' 'Zet die schakelaar dan op 'Notfall'. Op 'Noodgevallen'. Ze zouden wel eens vanuit het kasteel de stroom kunnen afsnijden.' 'O.K. - het is al gebeurd. Dan heb ik hier knoppen met 'Start' en 'Halt' erop, een grote mechanische handrem en een gashendel met 'Vooruit' en 'Achteruit' erop. En met een neutrale stand.' 'Start de motor,' beval Smith. Schaffer drukte de startknop in; een generator kwam huilend tot leven, om na misschien tien seconden zijn maximum aantal toeren te bereiken. 'Laat nu de rem los en schakel op vooruit. Als het werkt, laat de cabine dan stilhouden en probeer de achteruit.' Schaffer maakte de rem los en schakelde, waarbij hij de gashendel snel vooruitbracht. De cabine bewoog zich vooruit, aanvankelijk langzaam maar met toenemende snelheid, tot zij zich buiten het dak van het moederstation bevond. Een kleine meter verder bracht Schaffer de cabine tot stilstand, schakelde in de andere stand en liet de cabine naar zijn oorspronkelijke plaats terugkeren. Hij keek omhoog naar Smith. 'Loopt lekker, hè?' 'Laat hem afdalen tot hij halverwege de rand van het dak is. We zullen ons langs de nylonkabel op het dak van de cabine laten glijden; dan haal jij ons binnen.' 'Dat komt natuurlijk door al die vis die jij eet,' zei Schaffer bewonderend. Hij bracht de cabine is beweging. 'Ik stuur eerst Carraciola, Thomas en Christiansen naar beneden,' zei Smith. 'Ik zou niet graag een van ons met dat stelletje op het dak van dezelfde cabine laten zitten. Denk je, dat je hen in bedwang kunt houden tot wij beneden zijn?' 'Met beledigend te doen tegen ondergeschikte officieren bewijs je het moreel geen goede dienst,' zei Schaffer koel. 'Ik wist niet dat je nog moreel over had. Terwijl jij daarmee bezig bent, ga ik nog eens proberen Julia daarboven over te halen naar beneden te komen.' Smith gaf Carraciola een verre van vriendelijke por met zijn schoen. 'Jij eerst. Langs dat touw naar beneden, naar het dak van de cabine.' Carraciola richtte zich op, tot hij zich in knielende positie bevond, en keek langs de helling van het dak in de diepte van het dal beneden. 'Probeer me maar eens zo ver te krijgen. Dat doe ik nooit.' Hij schudde beslist zijn hoofd en staarde omhoog naar Smith met ogen vol haat. 'Vooruit, schiet me maar neer! Dood me maar!' 'Ik dood je zodra je probeert te ontsnappen,' zei Smith. 'Dat weet je toch, hè Carraciola?' 'Jazeker weet ik dat! Maar je zou me nooit zomaar in koelen bloede doden. Je bent een man met principes, nietwaar majoor? Ethiek noemen ze dat. Het soort edele stumper dat zijn leven op het spel zet om een vijandelijke soldaat te bevrijden, die wel eens levend zou kunnen verbranden. Waarom schiet je nou niet, majoor?' 'Omdat ik helemaal niet hóef te schieten.' Smith greep Carraciola met zijn linkerhand bij de haren en rukte zijn hoofd achteruit, tot Carraciola naar adem happend van pijn in de lucht staarde, terwijl hij zijn Luger in zijn andere hand omdraaide en omhoog bracht. Een misselijkmakende pijn stroomde door hem heen toen de uiteinden van zijn gebroken vingerbotjes langs elkaar schuurden, maar daarvan was niets op zijn gezicht te zien. 'Ik sla je bewusteloos, bind een touw om je middel en laat je een meter of tweeënhalf, drie over de rand zakken. Schaffer laat dan de cabine naar buiten komen tot die jou raakt, gaat door de achterdeur binnen en trekt je binnenboord. Zoals je misschien ziet, is mijn rechterhand er niet al te best aan toe. Misschien zie ik geen kans een erg veilige knoop in het touw om je middel te leggen, misschien kan ik je niet houden, misschien laat Schaffer je schieten terwijl hij je naar binnen trekt. Het kan me echt niet veel schelen, Carraciola.' 'Jij smerige dubbelspion!' Tranen van pijn schoten in Carraciola's ogen en zijn stem klonk zacht en giftig. 'Ik zweer bij God, dat ik lang genoeg zal leven om jou te laten wensen dat je me nooit had ontmoet.' 'Te laat.' Smith duwde hem verachtelijk van zich af, zodat Carraciola wild naar het touw moest grijpen om te voorkomen dat hij over de knik in het dak zoü glijden. 'Dat wens ik al sinds ik heb ontdekt wie en wat jij in werkelijkheid bent - een stuk vergif. Nu nog één woord en verdomd, ik schiet je overhoop. Waarom zou ik eigenlijk de moeite nemen je mee naar Engeland te slepen, voor de duivel?' Carraciola geloofde hem. Hij gleed langs de kabel omlaag, tot eerst zijn voeten en daarna zijn handen de loopkat van de kabelcabine vonden. Smith maakte een gebaar met zijn pistool naar Thomas. Thomas daalde af zonder een woord te spreken. Een ogenblik later werd hij gevolgd door Christiansen. Smith zag hoe de cabine in het station verdween, en keek toen omhoog naar het raam waaruit de nylonkabel hing. 'Mr. Jones?' 'Ik ben hier nog steeds.' De stem van Carnaby-Jones beefde; hij waagde zelfs geen blik over de vensterbank. 'Niet erg lang meer, hoop ik,' zei Smith ernstig. 'Ze komen u halen, mr. Jones; ze kunnen nu ieder ogenblik komen. Ik vind het niet erg leuk om het te zeggen, maar ik moet wel. Het is mijn plicht om u te waarschuwen wat er met u, als vijandelijke spion, zal gebeuren. U zult gemarteld worden, mr. Jones. Niet met alledaagse folteringen zoals het uittrekken van uw tanden en de nagels van uw tenen, maar met zulke onvoorstelbare folteringen dat ik ze niet met name kan noemen, omdat miss Ellison erbij staat. En u eindigt in de gaskamer. Als u dan tenminste nog leeft.' Mary greep hem bij de arm. 'Zouden ze - zouden ze dat écht allemaal met hem doen?' 'Grote God, nee!' Smith staarde haar oprecht verbaasd aan. 'Waarom ter wereld zouden ze dat willen doen?' Hij verhief zijn stem weer. 'U zult gillend in uw doodsstrijd sterven, mr. Jones, in een doodsstrijd die uw wildste nachtmerries te boven gaat. En het zal heel lang duren voor u werkelijk dood bent. Uren, misschien dagen. Gillend, al die tijd gillend.' 'In godsnaam, wat moet ik doen?' De wanhopige stem boven hen beefde niet meer;hij trilde als een gebroken beddenveer.'Wat kAn ik doen?' 'U kunt langs dat touw omlaag glijden,' zei Smith hard.'Viereneenhalve meter. Viereneenhalve meter, mr. Jones. Mijn God, het stelt helemaal niets voor.' 'Ik kan het niet,' kreunde de stem. 'Ik kan het eenvoudig niet!' 'Natuurlijk kunt u het,' hield Smith aan. 'Pak dat touw nu maar, knijp uw ogen dicht en dan over de vensterbank en naar beneden. Houd uw ogen dicht. Wij vangen u wel op.' 'Ik kan niet! Ik kan niet!' 'O, God!' zei Smith radeloos. 'Het is al te laat.' 'Te laat? Wat bedoelt u in hemelsnaam?' 'De lichten in de gang gaan aan,' zei Smith, met zachte en gespannen stem. 'Kijk - nu dat raam en het volgende. Ze komen u halen, mr. Jones, ze komen eraan. O God, als ze u uitkleden en u op de pijnbank binden . . .' Twee seconden later was Carnaby-Jones over de vensterbank en gleed hij langs de nylonkabel omlaag. Hij hield zijn ogen stijf dichtgeknepen. Mary zei bewonderend: 'Je bent de verschrikkelijkste leugenaar die er ooit heeft bestaan.' 'Dat zegt Schaffer ook altijd tegen me,' gaf Smith toe. 'Jullie kunnen je niet allemaal vergissen.' Terwijl de drie mannen zich verbeten aan de draagbeugel vastklemden, klom de kabelbaancabine langzaam het moederstation binnen en kwam met een schok tot stilstand. Aangemoedigd door de van een geluiddemper voorziene Luger van Schaffer, lieten de drie zich een voor een over de volle lengte van hun armen zakken en zich de laatste meter op de vloer vallen. Thomas, de laatste, scheen onhandig terecht te komen, slaakte een onderdrukte kreet van pijn en tuimelde op zij. Terwijl hij viel, schoten zijn handen naar voren en grepen Schaffer bij de enkels. Schaffer was meteen zijn evenwicht kwijt, zwaaide zijn armen omhoog in een poging het terug te vinden en werd, nog voor hij ze weer kon laten zakken, door een zweefduik van Christiansen die hem alle adem ontnam, verrast. Hij viel achteruit, waarbij zijn rug zo hard tegen een generator smakte dat het laatste beetje lucht uit zijn longen werd geperst. Een seconde later had Christiansen zijn pistool te pakken; hij drukte de loop hard in Schaffers naar adem snakkende keel. Carraciola stond al heftig aan de onderste tunneldeur te rukken. Zijn oog viel op het grote hangslot. Hij draaide zich om, rende naar Schaffer terug, sloeg het pistool in Christiansens hand op zij en greep Schaffer bij de keel. 'Dat slot. Waar is de sleutel van dat vervloekte slot?' De menselijke stem kan het sissen van een slang niet precies nabootsen, maar die van Carraciola kwam er aardig dicht bij. 'Die deur is van binnen afgesloten. Jij bent de enige die het kan hebben gedaan. Waar is die sleutel?' Schaffer werkte zich in een zittende houding omhoog, terwijl hij zwakjes tegen de hand om zijn keel duwde. 'Ik krijg geen lucht!' Zijn kreunende, hijgende ademhaling gaf zijn woorden een geloofwaardige klank. 'Ik krijg geen lucht. Ik - ik moet overgeven.' 'Waar is die rottige sleutel?' vroeg Carraciola fel. 'O God, wat ben ik ziek!' Schaffer zat nu op zijn knieën, met gebogen hoofd, en zijn keel bracht reutelende geluiden voort. Hij schudde zijn hoofd heen en weer, alsof hij de duizeligheid van zich afwilde zetten en hief het toen langzaam op. Zijn ogen schenen niets te zien. 'Wat wil je van me?' mompelde hij. 'Wat zei je?' 'De sleutel!' Als de omstandigheden hem niet hadden gedwongen stil te zijn, zou Carriciola's stem als een verbitterde schreeuw vol woede hebben geklonken. Tot zes keer toe sloeg hij Schaffer beurtelings met de palm en de rug van zijn hand in het gezicht, hard en snel achtereen. 'Waar heb je die sleutel?' 'Rustig, rustig!' Thomas greep Carraciola's hand. 'Doe niet zo verrekte stom. Je wilt hem toch aan het praten krijgen zeker?' 'De sleutel. Ja, de sleutel.' Schaffer hees zich uitgeput overeind en bleef wankelend staan, met halfgesloten ogen, een asgrauw gezicht en straaltjes bloed in allebei zijn mondhoeken. 'De accu's daar. Ik geloof dat ik hem achter de accu's heb verstopt. Ik weet het niet zeker, ik kan niet nadenken. Nee, wacht.' Zijn woorden kwamen als korte, moeizame ademstoten. 'Ik was het wel van plan, maar ik heb hem daar niet verborgen.' Hij rommelde in zijn zakken, vond de sleutel ten slotte en maakte er een vaag gebaar mee in de richting van Carraciola. Op het gezicht van Carraciola verscheen het begin van een glimlach. Hij stak zijn hand uit, maar voor hij de sleutel kon pakken richtte Schaffer zich plotseling op en slingerde hem door de open kant van het station in het zestig meter lagere dal. Carraciola staarde de verdwenen sleutel ongelovig na. Toen, met zijn totaal verdwenen zelfbeheersing ais een masker op zijn razend vertrokken gezicht, bukte hij zich om Schaffers gevallen Schmeisser op te rapen. Na een felle zwaai raakte het wapen de Amerikaan vol in het gezicht. Schaffer stortte als een blok neer. 'Goed,' zei Thomas zuur. 'Nu we dat afgereageerd hebben, kunnen we het slot wegschieten.' 'Met terugketsende kogels kun je zelfmoord plegen. Die deur is van ijzer, man!' Carraciola had zich inderdaad afgereageerd en zijn evenwicht teruggevonden. Hij zweeg even en begon toen langzaam te glimlachen. 'Wat willen we nu eigenlijk, verdomme? Laten we slim zijn. Als we werkelijk door die deur kwamen, zouden we waarschijnlijk beginnen met een buik-vol machinegeweerkogels te verzamelen. Vergeet niet dat de enigen, die weten wie we in werkelijkheid zijn, een verrekte straffe dosis narcose in hun bloed hebben en nog wel een hele tijd bewusteloos zullen blijven. Voor de rest van het garnizoen zijn we onbekenden - en voor de weinigen, die ons zagen arriveren, zijn we gevangenen. In beide gevallen zijn we automatisch vijanden.' 'Dus?' Thomas werd ongeduldig. 'Dus moeten we het slim aanpakken, zoals ik al zei. We gaan met deze cabine naar beneden en bellen Weissner op. We vragen hem Schloss Adler te bellen, vertellen hem waar Smith zit en - voor het geval Smith kans ziet om na ons met de andere cabine het dorp te bereiken - vragen hem in het grondstation een ontvangstcomité voor Smith klaar te zetten. Daarna gaan we naar het militaire kamp, waar ze vast wel een radio hebben en nemen contact op met je weet wel. Gesnopen?' 'Gesnopen.' Christiansen grinnikte. 'En daarna leven we nog lang en gelukkig. Komaan, waar wachten we nog op?' 'In die cabine, jullie.' Carraciola wachtte tot ze aan boord waren gegaan en ging toen recht onder het verbrijzelde bovenlicht staan. 'Smith!' riep hij. In zijn hand bevond zich Schaffers Luger met geluiddemper. Smith, op het dak, verstrakte. Hij droeg de bevende Carnaby-Jones, die zijn ogen nog steeds stijf dichtkneep, aan de zorgen van Mary over, deed twee stappen in de richting van het bovenlicht en bleef staan. Wyatt-Turner had eens van Smith gezegd dat hij een ingebouwde radarapparatuur tegen gevaar had; de stem van Carraciola had die apparatuur onmiddellijk in werking gesteld, en liet hem nu zo helder en nauwkeurig werken dat een radarfabriek groen van jaloezie zou zijn geworden. 'Schaffer?' riep Smith zachtjes. 'Luitenant Schaffer, ben je daar?' 'Jawel, boss.' Het was Schaffer met zijn middenwesten-accent ten voeten uit. Het radarscherm van Smith signaleerde zoveel gevaar, dat hij voor de rest van zijn leven doof zou zijn gebleven als het aan een alarmschei gekoppeld was geweest. Hij liet zich op handen en knieën vallen en kroop onhoorbaar naar voren, tot hij de vloer van het station kon zien. Het eerste dat in zijn gezichtsveld kwam, was een reeks accu's, daarna een slap liggende hand en toen geleidelijk de rest van Schaffers op de grond liggende lichaam. Na nog enkele centimeters in voorwaartse richting werd hij zich, op hetzelfde moment dat hij hem zag, bewust van een lange vinger die in zijn richting wees. Hij wierp zich zelf' op zij; de wind van de kogel uit de Luger streek door zijn haar. Beneden vloekte iemand vol woede en teleurstelling. 'Een nieuwe kans krijg je van je leven niet meer, Carraciola,' zei Smith. Vanaf waar hij lag kon hij nog net Schaffers gezicht zien of althans het bloedige masker dat zijn gezicht bedekte. Het was onmogelijk uit te maken of hij levend of dood was, Hij zag er dood uit. 'Je vergist je weer eens. Dit betekent alleen dat het genoegen wordt uitgesteld. We gaan er nu vandoor, Smith. Ik ga de motor inschakelen. Wat Schaffer betreft, houd er rekening mee dat Christiansen hem met de Schmeisser onder schot heeft. Probeer dus maar niets.' 'Probeer jij dat schakelbord maar eens te bereiken,' zei Smith. 'Je eerste stap binnen mijn gezichtsveld zal meteen je laatste zijn. Ik schiet je aan flarden, Carraciola. Schaffer is dood. Ik zie zelf dat hij dood is.' 'Verdomme, ik zeg je toch dat hij niet dood is!' Carraciola was ineens ten einde raad. 'Ik zal je doden,' zei Smith kalm. 'En als ik het niet doe, dan doen de eerste soldaten, die door die deur komen, het zeker. Je ziet wat we met hun dierbare Schloss Adler hebben uitgevoerd. Het brandt als een lier. Begrijp je, welke orders er uitgegeven zijn? Schiet op alles wat je ziet. Zie je een onbekende, schiet dan en schiet om te doden. Jij bent een onbekende, Carraciola.' 'In godsnaam, luister toch naar me!' Het klonk wanhopig. 'Ik kan bewijzen dat hij leeft. Wat zie je van daaruit?' De kracht van de radarsignalen in het hoofd van Smith werd zwakker. 'Ik zie Schaffers hoofd,' zei hij. 'Kijk dan goed.' Er klonk een ploffend geluid; de Luger met geluiddemper kwam vlak naast het hoofd van Schaffer op de grond terecht. Even later verscheen Carraciola zelf binnen het gezichtsveld van Smith. Hij keek naar Smith omhoog en naar de loop van de Schmeisser die hem aanstaarde en zei: 'Die heb je niet nodig.' Over Schaffer heenbuigend kneep hij met één hand diens neus dicht, terwijl hij zijn andere hand tegen zijn mond drukte. Binnen enkele seconden begon de bewusteloze te vechten voor de lucht die niet meer wilde komen; hij bewoog zijn hoofd en bracht zijn handen zwakjes naar zijn gezicht. Carraciola nam zijn handen weg, keek Smith aan en zei: 'Vergeet niet dat Christiansen nog steeds die Schmeisser op hem gericht houdt.' Vol zelfvertrouwen liep Carraciola naar het schakelbord, schakelde de generator in, zette de mechanische handrem los en drukte de hendel helemaal in de vooruit. De cabine schoot met een hevige ruk naar voren. Carraciola rende er achteraan, sprong naar binnen, draaide zich om en sloeg de deur van de cabine dicht. Boven op het dak legde Smith zijn nutteloze Schmeisser neer en kwam vermoeid overeind. Zijn gezicht stond bitter en vertrokken. 'Dat is het dan,' zei Mary. Haar stem klonk onnatuurlijk kalm. 'Uit. Afgelopen. Met Operatie Overlord - en met ons. Als dat er tenminste toe doet.' 'Voor mij doet het er wel degelijk toe.' Smith haalde zijn automatisch pistool met geluiddemper te voorschijn en nam hem in zijn goede linkerhand. 'Houd jij een oogje op de kleine jongen hier.'