6
De seconden kropen voorbij en werden minuten, en de minuten stapelden zich moordend langzaam op tot er bijna een kwartier voorbij was gegaan. De laaghangende, verscheurde zwarte wolken snelden over het dal, zodat herhaaldelijk stralend maanlicht en een daarmee contrasterende vrijwel volmaakte duisternis elkaar hadden afgewisseld en de kou nam toe tot zij diep doordrong in de botten van de twee mannen die in de schaduw stonden te kijken. En nog steeds wachtten ze. Ze wachtten omdat ze wel moesten; zonder gezelschap was Schloss Adler onbereikbaar voor hen en het gezelschap liet lang op zich wachten. Ze wachtten in stilte, elk van de beide mannen alleen met zijn eigen gedachten. Wat er in het hoofd van Schaffer omging, bleef voor Smith verborgen. Waarschijnlijk zag hij zichzelf al gelukzalig als de aanstichter van een reeks niet meer in te tomen stormlopen op een uitgelezen aantal betere herbergen in Londens West End. Smiths eigen gedachten waren heel wat pragmatischer en betroffen uitsluitend de onmiddellijke toekomst. Hij begon zich zorgen te maken, ernstig zorgen te maken zelfs, over de felle kou en de invloed daarvan op hun kansen om heelhuids de tocht naar het kasteel daarboven te volbrengen. Hoe ze ook hun voeten stampten en met hun armen sloegen, elke volgende minuut raakten ze steviger in de greep van die verlammende kou. Wat hun te doen stond vereiste zowel lichaamskracht als snelle reacties en dan nog wel ruim gemeten, en dat waren precies de twee dingen die de ijzige kou in rap tempo uit hen wegzoog. Even vroeg hij zich somber af hoeveel kans een bookmaker met gezond verstand hun zou hebben gegeven om het kasteel te bereiken, maar hij zette de gedachte doodgeboren van zich af. Zolang er geen andere keus werd geboden, had het geen zin de percentages uit te rekenen; trouwens, ze zouden het direct uitvinden, want het langverwachte gezelschap was komen opdagen. Twee commandowagens van het Alpenkorps, de voorste met gillende sirene en felle koplampen, zwenkten de dorpsstraat in, juist toen de maan opnieuw door de wolkenflarden brak en het dal met licht overspoelde. Smith en Schaffer keken eerst naar de maan en toen naar elkaar, zonder iets te zeggen en trokken zich dieper in de schaduw aan de westkant van het grondstation terug. De twee metalen klikken, waarmee ze hun Schmeisser-machinepistolen op vuren zetten, klonken onnatuurlijk luid. De motoren stopten en de koplampen werden gedempt tot ze bijna doofden, toen de twee auto's onder aan de trap stilhielden. Een aantal mannen kwam haastig naar buiten en stelden zich even in gelid op, voor ze in een rij van telkens één man achter elkaar de stationstrappen bestegen. Alles bij elkaar telde Smith er een dozijn - een officier, acht bewakers en dan Carraciola, Thomas en Christiansen. Alle acht bewakers hielden hun geweren schietklaar, hetgeen een vrij overbodige voorzorgsmaatregel scheen omdat de handen van de drie gevangenen op hun rug gebonden waren. Ergo: de geweren waren niet bedoeld om de gevangenen te bewaken, maar tegen mogelijke reddingspogingen van de kant van Smith en Schaffer. Smith bedacht wrang, dat hij en Schaffer blijkbaar al een hele reputatie hadden opgebouwd. Toch was het een geruststellend tafereel. Als de Duitsers de werkelijke reden van Smiths aanwezigheid in Beieren hadden gekend, zouden ze ook hebben geweten dat een proppenschieter voldoende bescherming bood om de drie gevangenen mee naar boven te kunnen nemen zonder gemolesteerd te worden. De laatste van de twaalf man ging het grondstation binnen. Smith raakte de arm van Schaffer aan. Ze hingen hun Schmeissers over de rug, klommen snel maar rustig op het beijsde, steil oplopende dak van het station en kropen stilletjes en moeizaam vooruit naar de voorste rand van het dak, waaronder de cabine vandaan zou komen zodra zij aan haar lange tocht naar het kasteel begon. Smith wist dat ze ontzettend duidelijk zichtbaar waren; sneeuwpakken of niet, een toevallige voorbijganger behoefde maar omhoog te kijken om hun ontdekking een voldongen feit te maken. Gelukkig schenen er geen toevallige voorbijgangers te zijn; de gratis afleiding, die het brandende station bood, trok volle zalen. En toen, juist toen de kabel begon te bewegen, verdween de maan achter de wolken. Gespannen wachtten ze tot de voorste rand van de cabine verscheen. Ze zwaaiden hun benen over de dakrand, lieten de ophanghaak onder zich doorgaan, grepen de kabel beneden hen, lieten zich van het dak trekken en vielen dwars over de kabel. Voorzichtig lieten ze zich zakken, tot hun voeten het dak van de cabine raakten.
Mary liep zachtjes de gedempt verlichte, betegelde gang door, terwijl ze de deuren telde. Bij de vijfde bleef ze staan. Ze legde haar oor er tegenaan, bukte zich, keek door het sleutelgat, klopte rustig aan en wachtte op antwoord. Er kwam geen antwoord. Ze klopte nogmaals, nu wat harder, met hetzelfde resultaat. Uit haar tasje haalde ze een stel lopers. Toen de deur meegaf, glipte ze vlug naar binnen. Ze sloot de deur en knipte het licht aan. Vergeleken bij de kamer die zij gekregen had, was deze een aanzienlijke verbetering, ook al was hij met eenzelfde ijzeren dienstbed gemeubileerd. Er lag een vast tapijt en er stonden een paar fauteuils, plus een gewone stoel waarover het uniform van een Oberleutnant hing. Verder stonden er een grote kleerkast en een ladekast met een glazen plaat erop, waarop een koppelriem met pistoolholster, een pistool en een verrekijker lagen. Mary draaide de deur op slot, trok de sleutel eruit, liep de kamer door en schoof het onderste schuifraam omhoog. Ze keek naar beneden. Ze zag dat ze zich recht boven het dak van het moederstation van de kabelbaan bevond, een zeer steil omlaag-glooiend dak waarvan de bovenkant in de kasteelmuur zelfwas ingebouwd. Ze trok haar hoofd terug, haalde een klos draad met een gewicht aan het uiteinde uit haar handtasje en legde die op het bed. Toen nam ze de verrekijker en stelde ze zich bij het raam op. Huiverend in de bitterkoude nachtwind stelde ze de veldkijker in en begon ze de luchtkabels naar beneden af te zoeken. Toen had ze het, vaag zichtbaar maar onmiskenbaar: de gedrongen zwarte omtrekken van de cabine, die nu halverwege de onderste en de middelste draagmast was en die krankzinnig en angstaanjagend door de lucht zwaaide in de hoge, uitschietende wind.
Smith en Schaffer lagen uitgestrekt op het dak en hielden zich wanhopig vast aan de ophanghaak. Het was het enig beschikbare houvast. Het dak was bedekt met een massieve witte ijslaag en ze vonden nergens een plekje waarop hun voeten vat kregen. Hun lichamen gleden hulpeloos alle kanten uit bij elke woedende stoot van de cabine onder hen. Alleen al de kracht, die op hun handen, armen en schouders werd uitgeoefend, was nog erger dan Smith had gevreesd; en toch moest het ergste nog komen. Schaffer draaide zijn hoofd om en gluurde omlaag. Het was een duizelingwekkend en afschrikwekkend schouwspel. In de diepte scheen het hele c|al in een boog van vijfenveertig graden te draaien. Het ene ogenblik keek hij naar de rij pijnbomen die langs de westelijke helling van het dal groeiden; dan schoot de bodem van het dal onder hen door en een paar tellen later staarde hij naar de pijnbomenrij die langs de oostelijke kant van het dal omhoog klom. Hij draaide zijn hoofd naar boven, maar dat was geen verbetering. De lichten van Schloss Adler bewogen zich wild door dezelfde boog. Het was alsof hij in een combinatie van allerlei slingerende en rondtollende kermisattracties zat, dacht Schaffer somber, met het vermeldenswaardige verschil dat kermisattracties voorzien waren van beveiligingen, die moesten voorkomen dat de bezoeker van het apparaat werd gescheiden. I3e wind huilde zijn hoge en eenzame klaagzang door de kabels en de ophanghaak. Schaffer wendde het hoofd af, kneep zijn ogen dicht, liet zijn hoofd tussen zijn uitgestrekte armen zinken en kreunde. 'Vind je nog steeds dat een paard het beroerdste transportmiddel ter wereld is?' Vroeg Smith, met zijn lippen vlak bij Schaffers oor. 'Geef mij mijn laarzen en mijn zadel maar,' zei Schaffer. En toen, nog wanhopiger: 'Nee! Niet nog eens!' Opnieuw was de maan zonder enige waarschuwing door de wolken gebroken en overgoot hij de twee mannen met zijn bleke, koude licht. Gebruikmakend van het ogenblik waarop de kracht op hun armen het minst groot was, trokken ze hun sneeuwkappen ver over hun hoofd en probeerden ze zichzelf nog platter tegen het dak te drukken.
Twee mensen in Schloss Adler sloegen de wilde bewegingen van de naar boven vorderende cabine gade. De cabine werd nu stralend door de maan verlicht. Door de veldkijker van Mary waren duidelijk twee mannengestalten te onderscheiden, die op het dak van de cabine lagen uitgestrekt. Een halve minuut lang hield ze de kijker op hen ingesteld; toen wendde ze zich langzaam af, met wijd open, bijna starende ogen en een gezicht waarop geen enkele uitdrukking te zien was. Vijftien meter boven haar hoofd stopte een schildwacht, die met zijn geweer over de schouder langs de kantelen patrouilleerde, om naar de cabine te kijken, die uit het dal omhoogkroop. Hij bleef echter niet lang kijken. Hoewel hij laarzen en handschoenen droeg en tot aan zijn oren ingepakt zat, rilde hij van de kou. Het was geen nacht om zo maar een beetje rond te kijken. Hij wendde zich onverschillig af en hervatte zijn stevige schildwachtstap.
Onverschilligheid was een kwaliteit, die boven op de cabine in opvallende mate ontbrak. De cabine bevond zich nu op het laatste stuk van het traject, op het gedeelte tussen de laatste draagmast en het moederstation in het kasteel. Het moment der waarheid kwam naderbij. Over een minuut konden ze allebei verbrijzeld en levenloos zeventig meter lager op de rotsen liggen, dacht Smith. Hij lichtte zijn hoofd op. De koude maan zeilde nog steeds door een open stuk lucht, maar naderde snel een andere wolkenbank. De wallen van het kasteel met onderin het moederstation schenen zich bijna loodrecht boven zijn hoofd te bevinden. Op het laatste stuk ging de cabine zo steil omhoog, dat de vulkanische rots nu niet verder dan twaalf meter weg was. Zijn blik volgde de rots naar beneden, tot aan de basis. Daar in de diepte waren de patrouillerende bewakers en hun Dobermannpinchers op de helling niet veel groter dan torretjes. 'Past wel bij haar, hè?' zei Schaffer plotseling. Hij brouwde van inspanning en zijn gezicht stond strak en wanhopig. 'Een schattige naam.' 'Waar heb je het over?' vroeg Smith. 'Heidi.' 'Mijn God!' Smith staarde omhoog, naar het snel naderbij komende moederstation. 'Ze heet Ethel.' 'Dat hoefje mij niet te vertellen.' Schaffer probeerde het verongelijkt te laten klinken, maar het kwam niet helemaal uit de verf. Hij volgde de blik van Smith en zei na een hele tijd heel langzaam: 'Jezus! Moet je de helling van dat godverdommese dak eens zien!' 'Daar heb ik al naar liggen kijken.' Smith trok zijn mes uit zijn schede en greep snel naar de ophanghaak toen een bijzonder hevige zwaai bijna zijn andere hand losrukte. 'Houd je mes klaar. En verlies het in godsnaam niet!' De maan gleed achter een zwarte wolk en het dal liep vol duisternis. Toen de cabine het moederstation naderde en de zwaaiende beweging minder werd, bewogen Smith en Schaffer zich naar de achterkant van het voertuig, richtten zich voorzichtig maar snel op en grepen de kabel, terwijl hun voeten het met ijs bedekte dak afzochten naar alles wat hun enig wankel houvast kon bieden. De voorkant van de cabine verdween onder de dakrand van het moederstation. Een ogenblik later volgde de ophanghaak. Smith sprong vooruit en omhoog en slingerde zich in volle lengte op het dak. Zijn rechterarm sloeg omlaag; het lemmet van het mes drong door de ijslaag en begroef zich stevig in het hout daaronder. Minder dan een seconde later was Schaffer naast hem geland; het in een boog omlaagkomende mes maakte op precies hetzelfde ogenblik als hijzelf contact, maar het lemmet brak bij het handvat af. Schaffer opende zijn hand, liet het heft vallen en klauwde wanhopig over het ijs. Zijn schurende nagels reten de ijskorst open, maar zagen geen schijn van kans hem tegen te houden. Hij bracht zijn linkerhand naar zijn mond, trok zijn handschoen uit en greep met beide handen toe, met alle kracht die in hem was. Zijn vaart vertraagde, maar niet voldoende. Zijn krabbelende voeten vonden nergens vat meer. Hij wist dat hij bezig was over de rand te glijden - en dat zijn val daarna pas zou worden gebroken door de steenmassa's vijfenzeventig meter lager, aan de voet van de vulkanische rots. Door zijn val was Smith alle lucht in zijn longen kwijtgeraakt. Er verstreken verscheidene seconden voor hij zich realiseerde, dat Schaffer niet was waar hij had moeten zijn - naast hem liggend op het dak. Hij draaide zich om, zag de witte vlek van Schaffers gespannen en radeloze gezicht en de sporen die zijn acht vingernagels door het ijs kerfden, terwijl zijn lichaam al tot halverwege zijn bovenbenen onverbiddelijk over de rand gleed. Zijn linkerhand schoot omlaag met een snelheid en een kracht, die Schaffer zelfs in deze omstandigheden deed kreunen van pijn toen zijn rechterpols als door een bankschroef werd omklemd. Een paar seconden bleven ze zo met uitgespreide armen en benen roerloos op het hellende dak liggen. Hun beider levens hingen af van het smalle, vastgepriemde lemmet van het mes van Smith. Toen begon Schaffer zich, aangezet door Smiths trillende linkerarm, langzaam omhoog te werken. Dertig tellen later lag hij naast Smith. 'Ik heb een mes, geen ijshouweel,' zei Smith schor. 'Het houdt het niet lang meer. Heb je nog een mes?' Schaffer schudde zijn hoofd. Voor het ogenblik kon hij geen woord uitbrengen. 'Een haak dan?' Weer dezelfde hoofdbeweging. 'Je zaklantaren?' Schaffer knikte, stak zijn linkerhand in zijn weerspannige sneeuwkiel en slaagde er tenslotte in zijn lantaren los te wringen. 'Schroefde bodem los,' zei Smith. 'Gooi die weg en de batterij ook.' Schaffer stak zijn linkerhand uit naar zijn rechter, die door Smith werd vastgesnoerd, verwijderde de onderkant en de batterij, maakte de nu lege onderkant van de cilinder enigszins plat, draaide de lantaren om en stak hem in het ijs, omlaag en naar zich toe. Hij bewoog zijn rechterhand. Smith liet hem los. Schaffer bleef waar hij was. Smith glimlachte en zei: 'Probeer me tegen te houden.' Schaffer greep de linkerpols van Smith vast. Onderzoekend, met zijn vingers nog klaar en gebogen, haalde Smith zijn hand van het heft van zijn mes weg. Schaffers vastgenagelde lantaren hield het uit. Eerst heel voorzichtig, maar met groeiend zelfvertrouwen naarmate het scherpe lemmet door de beschermende ijslaag sneed, kerfde Smith een stevig houvast in het houten stationsdak uit. Hij gaf zijn mes aan Schaffer, wurmde zich uit zijn sneeuwpak, wikkelde een paar slagen van het van knopen voorziene touw van zijn middel en bevestigde het vrije uiteinde aan Schaffers riem. 'Denk je dat je het klaarspeelt, met het mes en die lantaren?' 'Of ik het klaarspeel ?' Schaffer probeerde het mes en de lamp en glimlachte. Het was een nogal krampachtige poging, maar zijn eerste sinds een hele tijd. 'Na alles wat ik heb meegemaakt . . . Heb je wel eens een aap tegen een kokospalm omhoog zien lopen?'
Vijftien meter boven hun hoofd trok Mary zich van het raam terug. Ze legde de kijker op de ladekast. Haar handen trilden en het metaal van de kijker ratelde als een paar castagnetten tegen de glazen plaat. Toen liep ze naar het raam terug en begon de draad met het gewicht eraan te laten vieren.
Smith legde de laatste meter van het hellende dak aan het einde van het touw af, greep de hand van Schaffer en kwam op het vlakke gedeelte van het dak overeind. Meteen begon hij de rest van het knopentouw van zijn middel te winden. Hoewel de temperatuur ver beneden het vriespunt was, veegde Schaffer zijn voorhoofd af als een man in een hittegolf. 'Man!' Hij bette zijn voorhoofd nog eens extra. 'Als ik ooit iets voor je kan doen, je een lift geven of zo iets. ..' Smith grijnsde en gaf hem een klap op zijn schouder. Hij hief zijn hand in het duister op, greep het verzwaarde uiteinde van de zwevende draad en bond de nylonkabel er snel aan vast. Toen gaf hij er twee zachte rukjes aan. De kabel begon zich naar boven te bewegen; Mary haalde hem door het raam naar binnen. Smith wachtte tot twee nieuwe rukjes van de andere kant hem vertelden dat de kabel bevestigd was en begon te klimmen. Hij was halverwege het raam toen de maan doorkwam. In zijn uniform van het Alpenkorps tekende hij zich scherp tegen de glanzend witte kasteelmuur af. Roerloos bleef hij hangen. Hij durfde zich niet te bewegen; hij durfde zelfs niet meer omhoog of omlaag te kijken. De beweging zou de aandacht van de vijand kunnen trekken. Acht meter onder hem loerde Schaffer behoedzaam over de dakrand van het moederstation. Rondom de voet van de vulkanische rots patrouilleerden nog altijd de bewakers met hun honden. Als ze één toevallige blik omhoog wierpen, moesten ze Smith onvermijdelijk ontdekken. Toen dwong een zesde zintuig, dat zijn nekharen overeind zette, Schaffer met een ruk omhoog te kijken. Hij bevroor. De schildwacht had opnieuw een ronde langs de kantelen afgewerkt en stond nu, met zijn handen uitgespreid op de borstwering, over het dal uit te kijken. Misschien keek hij wel naar de nu stervende vlammen van het uitgebrande station; maar hij behoefde maar een heel klein beetje lager te kijken en het was gebeurd. Langzaam hief Schaffer met zijn rechterhand de Luger met de lange, geperforeerde geluiddemper op en legde hem, volgens goed politiegebruik, over zijn linkerpols. Hij twijfelde er niet aan dat hij zijn slachtoffer met een enkel schot kon doden; de vraag was alleen wanneer hij dat het best kon doen en hoe de mogelijkheden tegen elkaar af te wegen. Als hij wachtte tot de man hem in de gaten kreeg, zou deze een waarschuwende kreet kunnen geven of zich in dekking werpen voordat Schaffer hem kon doden. Als hij de schildwacht neerschoot vóór deze hem zag, kon er geen sprake zijn van ontsnapping of waarschuwing; maar dan bestond de mogelijkheid dat de man voorover van de muur zou vallen, van het dak van het moederstation kaatsen om dan beneden in het dal te vallen, vlak bij de patrouillerende mannen en honden. Maar dat was slechts een mogelijkheid en geen waarschijnlijkheid, besloot Schaffer; vrijwel zeker zou de klap van de kogel uit de Luger hem achterover laten slaan. Schaffer had nog nooit een nietsvermoedende man neergeschoten, maar nu bereidde hij zich daarop koelbloedig voor. Hij bracht de verlichte korrel en vizier op één lijn met het borstbeen van de man en begon de trekker over te halen. De maan verdween achter een wolk. Langzaam en stroef liet Schaffer zijn pistool zakken. Opnieuw veegde hij het zweet van zijn voorhoofd en hij had het gevoel dat het nog niet voor de laatste keer was geweest, die nacht. Smith bereikte het raam, klauterde over de vensterbank, gaf twee rukken aan het touw ten teken dat Schaffer met klimmen kon beginnen en stapte de kamer binnen. Het was daar bijna volmaakt donker. Hij had nog maar net het ijzeren ledikant gezien, dat naar het raam was getrokken om de kabel te verankeren, toen twee armen zich stevig om zijn nek sloten en iemand onsamenhangend in zijn oor begon te mompelen. 'Rustig, rustig,' protesteerde Smith. Hij was nog steeds buiten adem en had elk beetje lucht hard nodig, maar hij wist genoeg energie te verzamelen om zich te bukken en haar te kussen. 'Het is trouwens tegen de dienstvoorschriften. Maar ditmaal zal ik het niet rapporteren.' Ze drukte zich nog steeds tegen hem aan, maar nu in stilte, toen luitenant Schaffer zich vertoonde. Hij sleepte zich moeizaam over de vensterbank en zakte op het ijzeren ledikant in elkaar. Hij ademde zwaar en wekte de indruk dat hij heel erg had geleden. 'Hebben ze hier geen liften?' vroeg hij. Hij moest twee keer ademhalen om de woorden over zijn lippen te krijgen. 'Buiten dienst,' zei Smith zonder enig medeleven. Hij liep naar de deur en knipte het licht aan, maar deed het haastig weer uit. 'Verdomme. Haal dat touw binnen en trek de gordijnen dicht.' 'Zo werden ze op de Romeinse galeien ook behandeld,' zei Schaffer bitter. In tien seconden had hij echter de kabel binnengehaald en de gordijnen gesloten. Terwijl Smith het bed weer in zijn oorspronkelijke positie terugmanoeuvreerde, stopte Schaffer de nylonkabel in hun canvas zak. Behalve sneeuw-pakken en Schmeissers bevatte de zak enkele handgranaten en een voorraad plastic explosieven. Juist had hij de opening van de zak dichtgebonden, toen er een sleutel in het slot knarste. Smith beduidde Mary dat ze moest blijven waar ze was en ging snel naast de deur staan, zodat deze hem aan het gezicht zou onttrekken zodra hij openging. Schaffer had zich, ondanks de uitputting die hij voorwendde, snel en stil als een kat plat achter het bed laten vallen. De deur ging open en een jonge Oberleutnant stapte de kamer binnen. Hij bleef met een ruk staan toen hij Mary zag, die haar hand tegen haar mond hield gedrukt. Zijn gezicht weerspiegelde zijn verbazing; een verbazing die vrijwel onmiddellijk plaatsmaakte voor het begin van een glimlach vol schone verwachtingen toen hij voórbij de geopende deur naar voren stapte. De arm van Smith daalde neer en de ogen van de jonge officier draaiden in hun kassen naar boven. Smith bestudeerde de plattegrond van het kasteel, die Mary hem gegeven had, terwijl Schaffer met behulp van de nylonkabel de Oberleutnant in een bundel veranderde. Hij plakte een pleister op zijn mond en duwde hem dubbelgevouwen onder in de kleerkast. Voor alle zekerheid trok hij het hoofdeinde van het bed tegen de deur. 'Wat mij betreft zijn we klaar, boss.' 'Wat mij betreft ook. Ik weet de weg nu. Eerste gang links, trap af, derde links. De gouden salon. Waar kolonel Kramer hof houdt. Compleet met minstrelengalerij.' 'Wat is een minstrelengalerij?' informeerde Schaffer. 'Een galerij voor minstrelen. De volgende rechts leidt dan naar de oostelijke vleugel. Weer omlaag, tweede links. Telefooncentrale.' 'Wat moeten we daar?' vroeg Schaffer. 'We hebben de lijnen al doorgesneden.' 'Niet die tussen hier en het kamp. Die niet. Wil je dat ze een regiment van het Alpenkorps opcommanderen ?' Smith wendde zich tot Mary. 'Helikopter nog daar?' 'Toen ik aankwam wel.' 'De helikopter?' Schaffer verried verbazing. 'Wat hebben we met die wentelwiek te maken?' 'Dat hebben we met de wentelwiek te maken. Dat ze hem ofwel kunnen gebruiken om weg te wezen met Carnaby - als ze weten dat we vrij rondlopen kunnen ze zenuwachtig worden -ofwel ze gebruiken hem om onze vluchtweg te blokkeren.' 'Ja, als we kunnen vluchten.' 'Dat is de zaak dus. Hoe ben je als onklaarmaker van helikopters, luitenant Schaffer? Volgens je rapport wasje een aankomend autocoureur en een zeer bekwaam mecanicien, voor ze de bodem van het vat schoonkrabden en je erbij sleepten.' 'Ik tekende vrijwillig,' zei Schaffer waardig. 'En of ik bekwaam ben, weet ik niet. Maar geef me een vierpondshamer en ik maak alles onklaar, dat staat zo vast als een huis, van een bulldozer tot een fiets.' 'En zonder vierponder? Dit is geen ketelmakerscongres.' 'Ik sta bekend om mijn slimmigheidjes.' 'Hoe kunnen we die machine te zien krijgen?' vroeg Smith aan Mary. 'Vijf stappen hier vandaan.' Ze wees naar de deur. 'Alle gang-ramen van Schloss Adler kijken op de binnenplaats uit.' Smith opende de deur, keek links en rechts de gang in en liep naar het raam aan de overkant. Schaffer kwam naast hem staan. Het komen en gaan maakte voor de verlichting van de binnenplaats van Schloss Adler geen verschil. Bij de zwaargetraliede toegangspoort brandden twee grote, hoog opgehangen booglampen en een derde aan de overkant van de binnenplaats boven de hoofdingang, die toegang gaf tot het kasteel zelf. Langs de oostelijke en westelijke muur van de binnenplaats waren op een hoogte van ongeveer drie meter vier waterdichte stormlampen bevestigd. Voorts straalde er licht uit een tiental vensters langs de oostelijke en noordelijke kant. Maar het helderste licht was afkomstig van een booglamp die boven de helikopter was bevestigd, onder de tijdelijke beschutting van een daar gespannen zeil. Een gestalte met een groene overal en een kleppet was met de motor van de helikopter bezig. Smith raakte Schaffers arm aan. Ze gingen terug naar de kamer waar Mary stond te wachten en sloten de deur achter zich. 'Lijkt me een duidelijke zaak,' zei Schaffer. 'Ik bedoel: die ventilator zo bewerken dat hij niet meer vliegt. Ik stap naar de hoofdpoort, overweldig de vier man die daar op wacht staan, wurg de vier Dobermannpinchers, reken met de drie of vier kerels - gewapende kerels - af die daar blijkbaar voortdurend lopen te patrouilleren, overweldig ongeveer twintig soldaten die daarginds volgens mij bier zitten te drinken in een soort kantine, laat de knaap verdwijnen die met de motor bezig is... En dan maak ik de ventilator onklaar. Ik wil maar zeggen -enkel en alleen die ventilator onklaar maken zou niet veel voorstellen, hè?' 'We bedenken wel iets,' zei Smith sussend. 'Reken maar dat u iets bedenkt,' zei Schaffer somber. 'Dat is nu juist waar ik zo bang voor ben.' 'We hebben geen tijd meer te verliezen. Dit hebben we niet meer nodig.' Smith vouwde de plattegrond op en gaf hem aan Mary. Hij fronste zijn wenkbrauwen toen ze hem in haar tasje stak. 'Je moest beter weten. Je hoort de Lilliput bij je te hebben, en niet in je tas. Hier.' Hij overhandigde haar de Mauser, die hij kolonel Weissner had afgenomen. 'Deze in je tasje. Verberg de Lilliput tussen je kleren.' 'Dat doe ik wel op mijn kamer,' zei Mary preuts. 'Al die loerende Yankee-luitenants om je heen,' zei Schaffer droevig. 'De hemel zij dank dat ik anders ben.' 'Zijn geest houdt zich met hogere dingen bezig,' legde Smith uit. Hij keek op zijn horloge. 'Geef ons dertig minuten.' De twee mannen glipten voorzichtig de deur uit en stapten toen energiek en zelfverzekerd de gang door, zonder te proberen hun aanwezigheid te verbergen. De zak met de Schmeissers, de kabel, de granaten en de explosieven bungelde nonchalant aan de hand van Smith. Ze passeerden een bebrilde soldaat met een stapel papieren en een meisje met een vol dienblad, die hun geen van beiden enige aandacht schonken. Aan het einde van de gang sloegen ze rechtsaf. Via een wenteltrap gingen ze drie verdiepingen naar beneden, tot ze op gelijke hoogte met de binnenplaats waren. Een korte brede gang, met aan elke kant twee deuren, bracht hen naar de hoofddeur die op de binnenplaats uitkwam. Smith opende de deur en keek naar buiten. Hij ving een beeld op dat sterk leek op Schaffers gevoelige beschrijving, met veel te veel gewapende bewakers en politiehonden voor iemands gemoedsrust. De mecanicien in zijn overal was nog altijd met de motor van de helikopter bezig. Smith sloot zachtjes de deur en onderzocht de dichtstbijzijnde deur in de gang aan zijn rechterhand. Hij zat op slot. 'Houd daarginds aan het einde van de gang een oogje in het zeil,' zei hij tegen Schaffer. Schaffer vertrok. Toen hij op zijn post stond, haalde Smith een paar lopers te voorschijn. De derde sleutel paste; de deur gaf mee. Hij gaf Schaffer een teken dat hij terug kon komen. Nadat ze de deur hadden gesloten en de sleutel omgedraaid, keken ze de kamer rond, die zwak maar voor hun doel voldoende verlicht werd door het licht dat vanaf de binnenplaats binnenviel. Kennelijk was het hoofdkwartier van de kasteelbrandweer in dit vertrek gevestigd. Tegen de muren hingen trommels met brandslangen, asbestpakken, helmen en bijlen. Verder werd een groot deel van de vloer bezet door rijdende handpompen, C02-cilinders en een aantal uiteenlopende kleinere cilinders voor de bestrijding van brand door kortsluiting. 'Ideaal,' mompelde Smith. 'Het kon niet beter,' gaf Schaffer toe. 'Wat bedoelt u eigenlijk?' 'Ais we iemand hier achterlaten, wordt hij waarschijnlijk niet gevonden voor er werkelijk brand uitbreekt,' legde Smith uit. 'Akkoord? Nou dan!' Hij nam Schaffer bij de arm mee naar het raam. 'De knaap die daar aan die ventilator staat te sleutelen. Ongeveer jouw lengte, denk je ook niet?' 'Ik weet het niet,' zei Schaffer. 'En als u van plan bent wat ik denk dat u van plan bent, dan wil ik het niet weten ook.' Smith liet de jaloezieën zakken en deed het licht aan. 'Heb jij een beter plan?' 'Geef me nog even de tijd om erover te denken,' klaagde Schaffer. 'Iets wat we niet hebben kan ik je niet geven. Trek je jacket uit en houd met je Luger die deur onder schot. Ik ben binnen een minuut terug.' Smith verliet de kamer. Hij trok de deur dicht, maar sloot hem niet af. Buiten gekomen liep hij een paar stappen over de binnenplaats naar het trapje dat naar de helikopter leidde en keek naar de man die boven hem aan het werk was. Het was een lange man met een mager, intelligent gezicht, dat een treurige uitdrukking vertoonde. Smith overdacht dat hijzelf, als hij in die vriestemperatuur had moeten werken met blote handen en metalen gereedschap, ook treurig zou hebben gekeken. 'Ben jij de piloot?' vroeg Smith. 'Je zou het niet zeggen, nietwaar?' zei de man in de overal verbitterd. Hij legde een Engelse sleutel neer en blies in zijn handen. 'Op Tempelhof heb ik twee mecaniciens voor deze machine. De een is een boerenknecht uit Zwaben, de ander het hulpje van een smid uit de Harz. Als ik in leven wil blijven, moet ik het technisch gedeelte zelf wel voor mijn rekening nemen. Wat moet je van me ?' 'Ik niets. Reichsmarschall Rosemeyer. Hij is aan de telefoon.' 'De Reichsmarschall?' De piloot keek verbaasd. 'Ik heb nog geen kwartier geleden met hem gesproken.' 'Er kwam zojuist een telefoontje van de kanselarij in Berlijn. Het schijnt dringend te zijn.' Smith gaf zijn stem een licht ongeduldig toontje. 'Ik zou maar voortmaken. De hoofddeur door en dan de eerste rechts.' Smith deed een stap opzij toen de piloot naar beneden klauterde, en keek onverschillig om zich heen. Niet meer dan zes meter van hem af stond eén bewaker met een doberman aan de lijn, maar die schonk hun geen enkele aandacht. Zijn magere, blauwachtige gezicht verschool zich diep in zijn opgeslagen kraag, hij stak zijn handen diep in de zakken van zijn overjas en zijn kille adem hing zwaar in de lucht. Hij had het veel te druk met zijn eigen ellende om tijd te kunnen missen voor belachelijke achterdocht. Smith draaide zich om en volgde de piloot door de hoofdingang. Onopvallend nam hij zijn Luger uit de holster en greep hem bij de loop vast. Hij was niet van plan geweest de piloot met zijn pistool neer te slaan, maar er werd hem geen keus gelaten. Zodra de piloot de zijdeur was binnengegaan en Schaffers Luger van nog geen anderhalve meter op zijn borst gericht zag, gingen zijn schouders omhoog. Smith wist dat dit niet het begin van geweld of verzet was, maar van een kreet om hulp. Schaffer ving de voorover tuimelende man op en liet hem op de grond zakken. Snel trokken ze de bewusteloze man zijn overall uit, bonden hem vast, stopten een prop in zijn mond en legden hem in een hoek. De overal paste Schaffer nauwelijks, maar ten slotte passen overals maar zelden iemand als gegoten. Schaffer verwisselde zijn pet voor die van de piloot, trok de klep diep in zijn ogen en ging naar buiten. Smith draaide het licht uit. Hij hees de jaloezie op, schoofde onderste helft van het raam omhoog en bleef, met zijn Luger in de hand, juist ver genoeg van het raam staan om niet van buiten af gezien te kunnen worden. Schaffer klom het trapje naar de helikopter al op. De bewaker stond nu slechts enkele decimeters van de onderkant van de ladder. Hij had zijn handen uit zijn zakken gehaald en sloeg ze tegen zijn schouders om het warm te krijgen. Dertig tellen later kwam Schaffer de ladder weer af met een onderdeel in zijn hand. Toen hij de grond bereikte, bekeek hij het onderdeel van wat dichterbij en schudde walgend het hoofd. Zijn hand ging omhoog in een beweging die een groet naar de onverschillige Duitse bewaker moest voorstellen. Daarna liep hij' terug naar de hoofdpoort. Tegen de tijd dat hij de brandweerkamer bereikte, had Smith de jaloezie weer laten zakken en het licht aangedraaid. 'Dat heb je vlug gedaan,' zei Smith goedkeurend. 'De angst gaf hem vleugels, zeggen ze wel eens,' zei Schaffer zuur. 'Ik ben altijd vlug, als ik zenuwachtig ben. Zag je wat een grote tanden dat kwijlende monster daarbuiten had?' Hij liet het motoronderdeel zien, gooide het op de vloer en trapte erop met zijn hiel. 'De distributiekap. Ik wed dat ze in heel Beieren geen tweede hebben. Niet voor die motor. En nu zult u wel van me verlangen dat ik de plaats van de telefoniste ga innemen ?' 'Nee. Ik wil je incarnatiecapaciteit niet helemaal uitputten.' 'Mijn wat?' vroeg Schaffer achterdochtig. 'Dat klinkt als een kwalijk grapje.' 'Je acteertalent, bedoel ik. De enige rol die je vanavond nog zult moeten spelen, is die van de onschuldige Amerikaanse luitenant Schaffer van de OSS.' 'Dat kan nooit moeilijk zijn,' zei Schaffer wrang. Hij drapeerde de overal, die hij juist had uitgetrokken, over de bewusteloze piloot. 'Het is koud vannacht. En nu dan maar naar de telefooncentrale.' 'Dadelijk. Maar eerst wil ik zien hoe ver ze zijn met die goeie Carnaby-Jones. Laten we eens een kijkje gaan nemen.' Twee verdiepingen hoger bleef Smith halverwege de centrale gang voor een deur staan. Hij knikte even. Schaffer tastte naar een lichtschakelaar. Afgezien van een zwak lichtschijnsel aan beide uiteinden was de gang nu volkomen donker. Smith voelde voorzichtig aan de deurknop en duwde de deur zachtjes open. Door een kier van veertig centimeter gleden de beide mannen snel naar binnen. Vlug en stil sloot Smith de deur weer. De kamer - als men een dergelijk enorm vertrek tenminste een kamer kon noemen - moest minstens twintig meter lang en tien meter breed zijn. De overzijde was helder en warm verlicht door drie grote kroonluchters; daarbij vergeleken was de kant waar Smith en Schaffer stonden, zo goed als in duisternis gehuld. Ze bevonden zich niet op de vloer, maar op een soort balkon een meter of drie daarboven. Het was een massieve, potsierlijk gebeeldhouwde eiken minstrelengalerij, die de tien meter aan die kant van het vertrek geheel overbrugde en de beide langere muren nog ongeveer voor een kwart volgde. Behalve houten banken stonden er, aan weerskanten van de deur waardoor ze zojuist waren binnengekomen, een orgel en een batterij orgelpijpen. De man, die het kasteel had gebouwd, had kennelijk van orgelmuziek en koorzang gehouden of het zich alleen maar ingebeeld. Vanuit het midden van de voorkant van de galerij, tegenover de achterdeur, liepen trappen met ingewikkeld gekrulde houten leuningen omlaag naar wat de gouden salon moest zijn. Een goedgekozen naam, dacht Smith. Alles was hier van goud of goudkleurig of verguld. Het enorme van muur tot muur reikende tapijt had een diepgouden kleur en het was zo dik en pluizig dat een ijsbeer groen van jaloezie zou zijn geworden. Het zware barokke meubilair - een en al kronkelende slangen en duivelskoppen - was verguld; de reusachtige canapés en stoelen waren met goudlamé gestoffeerd. De kroonluchters waren verguld en boven de geweldige open haard, die met wit en verguldsel was ingelegd en waarin een knetterend houtvuur brandde, hing een bijna even geweldige spiegel vol wit en verguldsel. De lange zware gordijnen hadden van geplet goud gemaakt kunnen zijn. De tot het plafond reikende eiken lambri-zering was een misslag, want zij bleef koppig op eiken lambrisering lijken; misschien was de goudverf, die er oorspronkelijk op had gezeten, in de loop der tijden weggesleten. Alles bij elkaar was het een kamer zoals alleen een halfgare Beierse monarch zich die kon voorstellen, stelde Smith vast; laat staan dat een ander erin had kunnen wonen. Drie mannen zaten op hun gemak bij het hoogopvlammende haardvuur. Stuk voor stuk wekten ze de indruk dat ze na de maaltijd bij het genot van koffie en cognac in een vriendschappelijk gesprek verwikkeld waren, waarbij ze - welhaast onvermijdelijk - vanaf een gouden rolwagentje bediend werden door Anne-Marie. Anne-Marie vormde, net als de lambrisering, een teleurstelling. In plaats van een japon van goudlamé droeg ze een lange witzijden jurk, hoewel men moest toegeven dat die heel goed kleurde bij haar blonde haar en haar door de Alpen-winter gebruinde huid. Ze zag eruit alsof ze op het punt stond naar de opera te gaan. Smith had de man, die met zijn rug naar hem toe zat, nog nooit gezien; maar omdat hij de andere mannen onmiddellijk herkende, wist hij wie het moest zijn: kolonel Paul Kramer, plaatsvervangend hoofd van de Duitse geheime dienst, die door M.I.6 als het meest briljante en formidabele brein van de Duitse inlichtingendienst werd beschouwd. Een man die men in de gaten moest houden en voor wie men moest oppassen, wist Smith. Van Kramer werd gezegd dat hij nooit tweemaal dezelfde fout had gemaakt - en dat niemand zich kon herinneren wanneer hij de laatste keer een fout voor het eerst had gemaakt. Smith zag kolonel Kramer in beweging komen. Hij schonk nog wat cognac in uit een fles Napoleon naast hem. Eerst keek hij naar de man aan zijn linkerkant, een grote, al wat oudere maar nog goed uitziende man in het uniform van Reichsmarschall van de Wehrmacht die op dat moment bijzonder nors keek en daarna naar de man tegenover hem, een zeer gedistingeerde figuur met loodgrijs haar in het uniform van luitenant-generaal van het Amerikaanse leger. Zonder telmachine viel het moeilijk te zeggen, wie van de beide generaals de meeste onderscheidingen droeg. Kramer nipte van zijn cognac en zei vermoeid: 'U maakt het me erg moeilijk, generaal Carnaby. Heel erg moeilijk zelfs.' 'Die moeilijkheden maakt u zelf, mijn waarde Kramer,' zei Cartwright Jones losjes. 'U en generaal Rosemeyer hier. Er Is geen probleem.' Hij wendde zich tot Anne-Marie en glimlachte. 'Kan ik nog wat van die voortreffelijke cognac krijgen, my dear? Op mijn woord, zoiets hebben we niet bij SHAEF. Of hij in jullie Alpenbunkers gerijpt is of niet, jullie kunnen best op jezelf passen.' In het donker achter op de minstrelengalerij stootte Schaffer Smith met zijn elleboog aan. 'Wat schieten ze ermee op dat ze onze Carnaby-Jones die Napoleon achterover laten slaan?' mompelde hij verontwaardigd. 'Waarom draaien ze hem niet aan het spit of bewerken ze hem met scopolamine?' 'Sssssst!' De por van Smiths elleboog kwam heel wat harder en bevelender aan dan die van Schaffer. Jones glimlachte dankbaar naar Anne-Marie, die hem nog wat cognac inschonk. Hij nam een teugje, zuchtte voldaan en vervolgde: 'Of bent u vergeten, generaal Rosemeyer, dat ook Duitsland de Haagse conventies ondertekend heeft?' 'Dat ben ik niet vergeten,' zei Rosemeyer ongemakkelijk. 'Als ik mijn gang kon gaan. . . Mijn handen zijn gebonden, generaal. Ik krijg mijn orders uit Berlijn.' 'En u kunt Berlijn alles vertellen wat ze mogen weten,' zei Jones luchtig. 'Ik ben generaal - luitenant-generaal - George Carnaby van het Amerikaanse leger.' 'En hoofd van de coördinatie van de planning voor het Tweede Front,' vulde Rosemeyer gemelijk aan. 'Het Tweede Front?' vroeg Jones belangstellend. 'Wat is dat?' 'Generaal,' zei Rosemeyer langzaam en ernstig, 'ik heb alles gedaan wat ik kon. U moet me geloven. Ik heb Berlijn nu al zesendertig uur tegengehouden. Ik heb het opperbevel ervan overtuigd - ik heb geprobéérd het opperbevel ervan te overtuigen - dat alleen al het feit van uw gevangenneming de geallieerden zal dwingen al hun invasieplannen te veranderen. Het schijnt echter dat dit niet genoeg is. Mag ik u voor de laatste maal verzoeken.. .' 'Generaal George Carnaby,' zei Jones kalm. 'United States Army.' 'Ik verwachtte niet anders,' gaf Rosemeyer vermoeid toe. 'Hoe zou ik van een hoge legerofficier iets anders kunnen verwachten? Nu is het een geval voor kolonel Kramer, vrees ik.' Jones dronk van zijn cognac en bekeek Kramer peinzend. 'De kolonel schijnt er ook niet erg gelukkig mee te zijn.' 'Dat ben ik ook niet,' zei Kramer. 'Maar ik kan er evenmin iets aan veranderen. Ook ik krijg mijn orders. Anne-Marie zorgt voor de rest.' 'Déze charmante jongedame?' Jones deed beleefd ongelovig. 'Een maestro van de duimschroef?' 'Van de onderhuidse inspuiting,' zei Kramer kortaf. 'Ze heeft als verpleegster gewerkt.' Een bel rinkelde. Kramer nam de telefoon naast hem op. 'Ja? Aha! Ze zijn natuurlijk gefouilleerd? Heel goed. Nu meteen.' Hij keek naar Jones. 'Wel, wel. Er is interessant gezelschap in aantocht, generaal. Parachutisten. Een reddingsploeg - voor u. U zult het wel ontzettend leuk vinden, elkaar hier te ontmoeten.' 'Ik weet werkelijk niet wat u bedoelt,' zei Jones ongeïnteresseerd. 'Die reddingsploeg hebben we al eens gezien,' fluisterde Smith Schaffer in het oor. 'En ongetwijfeld duurt het niet lang meer, voor we een paar oude kennismakingen kunnen vernieuwen. Kom mee.' 'Wat? Nu?' Schaffer maakte een dringende beweging met zijn duim in de richting van Jones. 'Net nu ze hem gaan bewerken?' 'Vergeet nu eens je lage maatschappelijke afkomst, luitenant,' fluisterde Smith. 'Het zijn beschaafde mensen. Eerst drinken ze hun cognac op. Dan volgt pas de behandeling.' 'Ik zei het toch al,' zei Schaffer bedroefd. 'Ik kom uit Montana.' De beide mannen verlieten het vertrek even snel als ze gekomen waren, en sloten even zachtjes de deur achter hen. Tegen de achtergrond van het vage licht aan beide einden zagen ze dat de gang leeg was. Smith draaide het licht aan. Met grote stappen liepen ze de gang uit en een trap af. Na een bocht naar links stonden ze voor een deur, met daarboven het opschrift TELEFON ZENTRALE 'De telefooncentrale,' zei Schaffer. Smith schudde vol bewondering zijn hoofd. Toen drukte hij zijn oor tegen de deur, zonk op zijn knie, gluurde door het sleutelgat en probeerde, nog steeds in dezelfde houding, de deurknop. Het weinige gerucht, dat hij daarbij maakte, ging verloren in het gedempte geluid van een stem, die in een telefoon sprak. De deur was op slot. Smith liet langzaam de deurknop los, richtte zich op en schudde zijn hoofd. 'Een donders achterdochtig stelletje,' zei Schaffer zuur. 'De lopers.' 'Dan hoort de telefonist ons. De volgende deur.' De volgende deur zat niet op slot. Toen Smith de knop omlaag drukte, ging hij meteen open. Het vertrek was in diepe duisternis gehuld en scheen leeg te zijn. 'Moment, bitte?' zei een koude stem achter hen. Snel, maar niet te snel, draaiden Smith en Schaffer zich om. Vlak achter hen stond een soldaat met zijn. karabijn in de aanslag. Zijn blik bewoog bijzonder achterdochtig van de twee mannen naar de zak, die Smith in zijn hand hield. Smith keek hem woedend aan en legde toen een bevelende wijsvinger tegen zijn lippen. 'Dummkopf!' fluisterde Smith heel zacht en fel tussen zijn tanden. 'Stil - Englander!' Ongeduldig wendde hij zich af. Hij tuurde gespannen door de kierende deur, terwijl zijn opgeheven hand nogmaals stilte gebood. Na een paar seconden kwam hij overeind, keek Schaffer veelbetekenend aan en stapte een beetje op zij. Schaffer nam zijn plaats over en begon op zijn beurt te turen. Smith zag de achterdocht op het gezicht van de soldaat plaatsmaken voor nieuwsgierigheid. Schaffer richtte zich op en zei zachtjes: 'Wat doen we in godsnaam?' 'Ik weet het niet,' fluisterde Smith zorgelijk. 'Kolonel Kramer zei me dat hij hen levend in handen wilde krijgen. Maar..." 'Wat is er aan de hand?' vroeg de soldaat op even zachte toon als zij. Zijn laatste argwaan was verdwenen toen hij de naam van kolonel Kramer hoorde noemen. 'Wat gebeurt daar?' 'Ben je daar nu nog?' vroeg Smith geïrriteerd. 'Nou vooruit, ga je gang dan maar. Kijk maar eens. Maar snel!' Het gezicht en de ogen van de soldaat straalden nu van louter nieuwsgierigheid en van hoop op een snelle bevordering. Op zijn tenen kwam hij naderbij, terwijl Schaffer hoffelijk op zij ging om hem een blik naar binnen te laten werpen. Twee Lugers werden tegelijkertijd tegen zijn beide slapen gedrukt en sloegen alle dromen over snelle militaire bevorderingen krachtig de bodem in. Struikelend werd hij de kamer binnengeduwd. Toen hij zich van de schok had hersteld en zich omdraaide, was de deur dicht, het licht aan en het tweetal pistolen op zijn hoofd gericht. 'Die dingen op onze pistolen zijn geluiddempers,' zei Smith kalm, 'maar er wordt niet geschoten als je niet probeert de held uit te hangen. Sterven voor het vaderland is één ding, maar zinloos sterven is iets anders en bovendien iets bijzonder stoms. Ben je het daarmee eens?' De soldaat keek hen aan, berekende zijn kansen, accepteerde het feit dat hij er geen had en knikte. Schaffer haalde een eind touw te voorschijn en zei: 'Misschien ben je wat erg onstuimig, mijn zoon, maar een dwaas ben je in ieder geval niet. Ga met je handen op je rug op de grond liggen.' Smit stelde vast dat de wanden van het kleine vertrek in beslag genomen werden door metalen rekken en archiefkasten en dat ze zich dus in een soort opbergruimte voor kantoorstukken bevonden. Er bestond niet veel kans dat iemand hier zou binnenkomen en voor zover die kans bestond moesten ze hem riskeren. Hij wachtte tot Schaffer de gevangene had gebonden en van een prop in de mond voorzien, legde zijn Luger neer, hielp Schaffer de man aan twee metalen draagstijlen van een rek binden en liep toen naar het raam. Hij schoof het half open en gluurde naar buiten. Voor hem lag de noordelijke helft van het dal. In de zachtjes vallende sneeuw waren de lichten van het dorp en de gloeiende as van het station zichtbaar. Smith keek naar rechts. Het verlichte venster van de telefooncentrale was slechts enkele meters van hem verwijderd. Vanaf dat raam liep een dikke loden kabel, die aan een bijna even dikke stalen kabel was bevestigd, langs de kasteelmuur omlaag tot hij in de duisternis verdween. 'Is hij dat?' vroeg Schaffer, die naast hem was komen staan. Smith stak zijn benen door een dubbele lus in de nylonkabel, wrong zich over de vensterbank en liet zich voorzichtig aan zijn armen zakken. De kabel zat aan een van de stutten van een wandrek vast en Schaffer stond bij het raam om de spanning op te vangen. Toen Smith de vensterbank losliet, liet Schaffer hem met rukken zakken tot hij ongeveer drie meter lager hing. Smith gebruikte zijn vrije hand en zijn beide voeten om zich van de kasteelmuur af te zetten en begon in een grote boog vlak voor de muur heen en weer te slingeren, waarbij Schaffer hem hielp wat meer vaart te krijgen. Bij de vijfde slingerbeweging haakten de vingers van zijn linkerhand zich om de loden kabel en de staaldraad. Toen Schaffer de spanning op de nylonkabel verminderde, kon Smith de loodkabel met beide handen grijpen. Snel klom hij een paar meter omhoog, tot hij het raam bereikte. Hij wist bijna zeker dat de loodkabel in zijn handen inderdaad de telefoonkabel was, maar dat 'bijna' was niet genoeg; hij voelde er niets voor, met zijn mes een elektrische voedingskabel onder hoogspanning door te snijden. Hij gluurde voorzichtig over de vensterbank heen, zag dat de telefonist met zijn rug bijna geheel naar hem toegekeerd geanimeerd in zijn microfoon zat te praten, tilde zichzelf nogmaals vijftien centimeter op en ontdekte een kabel van blijkbaar precies dezelfde afmetingen als die, welke hij vasthield; de kabel liep langs de plint naar een punt ergens achter de centrale en kwam niet meer te voorschijn. Hij liet zich bijna een meter zakken, greep de kabel en de draad stevig met zijn linkerhand vast, zette de punt van zijn mes een paar centimeter lager tussen kabel en draad en begon te zagen. Na een tiental krachtige zaagbewegingen was hij er door. Hij hees zich nogmaals op en keek opnieuw naar binnen. De telefonist was nog steeds bezig, maar nu met zijn hand, waarmee hij wild aan een hendel zwengelde. Na enkele seconden van vruchteloze inspanning gaf hij het op en bleef hij alleen maar naar het schakelbord zitten staren terwijl hij verbluft het hoofd schudde. Smith gaf Schaffer een teken, liet de kabel los en zwaaide langs de muur terug. Voor de tiende keer in minder dan evenzovele minuten keek Mary op haar horloge. De sigaret, die ze nerveus had zitten roken, drukte ze halfopgerookt uit. Toen stond ze uit haar stoel op, maakte haar handtasje open, vergewiste zich ervan dat de veiligheidspal van de Mauser in haar tas op vuren stond, en liep naar de deur. Nauwelijks had ze de deurknop omgedraaid toen iemand er met zijn knokkels op klopte. Ze aarzelde en wierp een blik op de tas in haar hand. Bijna verwilderd keek ze om zich heen, om te zien waar ze hem kon laten. Maar het was al te laat. De deur ging open en een opgewekt glimlachende Von Brauchitsch stond in de deuropening. 'Ah, Fraulein!' Hij keek naar haar tasje en glimlachte opnieuw. 'Ik tref het! Ik ben nog juist op tijd om u te vergezellen.' 'Om me te vergezellen... ?' Ze zweeg en glimlachte. 'Ik heb niets bijzonders te doen. Het kan wel wachten. Wilde u me spreken, kapitein?' 'Natuurlijk.' 'Waarover?' 'Waarover, vraagt ze! Nergens over, daarover! Hoewel je jezelf niet niets kunt noemen. Ik wilde je alleen maar graag even zien. Is dat zo'n misdaad? Het aardigste meisje dat we ooit hebben ontmoet...' Weer glimlachte hij, de man die voortdurend glimlachte. Hij nam haar bij de arm. 'Kom mee voor een beetje Beierse gastvrijheid. Koffie. We hebben een wapenkamer, die tot een alleraardigste Kaffeestube verbouwd is.' 'Maar - maar mijn werk?' zei Mary onzeker. 'Ik moet naar de secretaresse van de kolonel...' 'O, die! Laat haar maar wachten.' Von Brauchitsch zei het opvallend onhartelijk. 'We hebben samen heel wat te bepraten.' 'Werkelijk?' Het was onmogelijk zijn aanstekelijke glimlach te weerstaan of een minder vriendelijk antwoord te geven. 'Wat bijvoorbeeld ?' 'Düsseldorf.' 'Düsseldorf?' 'Natuurlijk! Daar kom ik zelf ook vandaan.' 'U ook!' Ze glimlachte en drukte heel even zijn arm wat steviger tegen zich aan. 'Wat is de wereld toch klein. Het lijkt me erg gezellig.' Terwijl ze met hem mee ging vroeg ze zich vaag af hoe iemand almaar kon glimlachen en zich intussen van binnen zo kil voelen als een grafkelder.