5
De cabine van de kabelbaan bewoog zich langzaam uit het laagste station om zijn lange klim naar het kasteel te beginnen. Een onmogelijke klim, dacht Mary; een gevaarlijke en onmogelijke klim. Glurend door de voorruit kon ze door de ijle sneeuwjacht nog juist de omtrekken van de eerste draagmast onderscheiden. De tweede en derde mast waren onzichtbaar; maar de flakkerende drom lichten, die waanzinnig hoog in de lucht zweefde, wees duidelijk genoeg de weg die ze moesten gaan. Er zijn er meer geweest die het gehaald hadden, dacht ze dof en wij zullen het waarschijnlijk ook wel halen. Nu de grond onder haar wereld was weggezonken, voelde ze zich zo ellendig dat het haar eigenlijk bar weinig kon schelen of ze net halen zou of niet. De cabine bood plaats aan twaalf personen. Van buiten was zij felrood geschilderd en van binnen helverlicht. Zitplaatsen waren er niet, maar wel aan weerskanten stangen om zich aan vast te houden. Dat deze bepaald niet overbodig waren, werd al dadelijk angstwekkend duidelijk. Door de krachtige wind begon de cabine al heel vlug na het verlaten van het beschermende grondstation onrustbarend te schommelen. Behalve twee soldaten en een burger vormden Von Brauchitsch, Mary en Heidi de enige passagiers; de laatste droeg nu over haar gewone kleren een dikke wollen mantel en een kozakkenbontmuts. Von Brauchitsch hield zich met een hand aan de stang vast en had zijn vrije arm om de schouders van Mary geslagen. Hij gaf haar een geruststellend kneepje en glimlachte tegen haar. 'Bang?' vroeg hij. 'Nee.' Ze was ook niet bang; ze had niet genoeg gevoel meer over om bang te zijn, maar zelfs nu ze van haar laatste beetje hoop beroofd was moest ze zich gedragen zoals van haar verwacht werd. 'Nee, ik ben niet bang. Ik ga alleen maar dood van angst. Ik ben nu al zeeziek. Breekt - breekt die kabel nooit?' 'Nooit.' Von Brauchitsch was de vleesgeworden vertroosting. 'Houd je maar aan mij vast, dan komt alles in orde.' 'Datzelfde zei hij vroeger tegen mij,' zei Heidi koeltjes. 'Fraulein,' verklaarde Von Brauchitsch geduldig, 'ik ben meer dan middelmatig begaafd, maar een derde arm heb ik nog altijd niet kunnen opbrengen. Gasten gaan voor.'
Met een sigaret in de holte van zijn hand leunde Schaffer tegen iets, dat kennelijk de onderkant van een telefoonpaal was. Peinzend keek hij een eind voor zich uit. Zowel de verborgen sigaret als de peinzende uitdrukking op zijn gezicht hadden een goede reden. Minder dan honderd meter vanwaar hij stond, bij de zoom van de pijnbomen langs de weg die langs de Blausee liep, kon hij de schildwachten van het militaire kamp zien. Ze werden helder beschenen door de lampen boven hun hoofd en ze stapten stevig in de omgeving van de kamppoorten heen en weer. Achter hen was vaag het silhouet van het kamp zelf zichtbaar. Schaffer wendde zijn blik af en keek naar boven. Het sneeuwde bijna niet meer en de maan dreigde ieder ogenblik door de wolken te breken, zodat hij de gestalte van Smith, die schrijlings op de onderste dwarsbalk zat, zonder enige moeite kon onderscheiden. Smith was druk bezig met zijn mes. Het was een speciaal ontworpen commandomes, met als een van de snufjes een ingebouwde draadschaar. Nauwkeurig en weloverwogen liet de schaar met acht opeenvolgende knipbewegingen acht opeenvolgende telefoondraden op de grond vallen. Smith knipte het mes dicht, stak het in zijn zak, tilde zijn benen van de dwarsbalk, sloeg zijn armen om de paal en gleed op de grond. Hij grinnikte tegen Schaffer. 'Alle beetjes helpen,' zei hij. 'Dat houdt hen wel een tijdje tegen,' gaf Schaffer toe. Ze pakten hun wapens weer op en verdwenen in oostelijke richting tussen de pijnbomen die achter langs het kamp groeiden. De cabine van de kabelbaan slingerde angstwekkender dan ooit; zij was aan het laatste, bijna loodrechte stuk van haar reis begonnen. Met de arm van Brauchitsch nog steeds om haar schouders en haar neus tegen de voorruit van de cabine gedrukt, keek Mary omhoog naar de oprijzende met kantelen bekroonde muren; ze waren even wit als de sneeuwjacht en het leek wel alsof ze tot aan de wolken reikten. Terwijl ze zo stond te kijken, weken de ijle wolken uiteen en baadde het sprookjeskasteel plotseling in stralend maanlicht. Haar ogen werden angstig; ze bevochtigde haar lippen en huiverde onwillekeurig. Von Brauchitsch merkte alles nauwkeurig op. Opnieuw kneep hij geruststellend haar schouders, misschien voor de twintigste keer sinds het begin van hun tocht. 'Er is niets om u bezorgd over te maken, Fraulein. Alles komt in orde.' 'Laten we het hopen.' Haar stem was nog minder dan een fluistering.
Het plotselinge maanlicht had Smith en Schaffer bijna onderschept. Ze waren de rails bij het station overgestoken en slopen juist naar het kantoortje van het bagagedepot, toen de wolken vaneen scheurden. Ze bevonden zich echter nog in de schaduw van het overhangende stationsdak, waarin ze zich nu dieper terugtrokken. Voorzichtig keken ze de rails af en toen verder langs de hydraulische bumpers die het einde van de lijn markeerden. Heel duidelijk, bijna alsof het klaarlichte dag was en scherp rood afgetekend tegen het wit, konden ze nu de ene cabine van de kabelbaan het grondstation zien naderen, terwijl de andere de laatste loodrechte meters naar het moederstation omhoogklom, met daarboven de duizelingwekkende omtrekken van het glanzende, maanbeschenen Schloss Adler. 'Dat helpt ook,' zei Schaffer bitter. Dat helpt heel aardig.' 'Er zitten nog wolken genoeg in de lucht,' zei Smith vergevingsgezind. Hij boog zich over het sleutelgat van het bagagedepot, gebruikte zijn lopers en ging naar binnen. Schaffer volgde hem en sloot de deur. Smith zocht hun rugzakken op, sneed een stuk van de nylonkabel, bond het om zijn middel en begon een aantal handgranaten en plastic explosieven in een canvas tas te stoppen. Bescheiden schraapte Schaffer zijn keel. 'Zeg boss,' zei hij, met een bezorgde blik uit het raam. 'Ja?' ' 'Boss, hebt u er wel aan gedacht dat kolonel Weissner nu zo langzamerhand wel moet weten dat onze spullen hier liggen? Ik bedoel maar dat we ieder ogenblik gezelschap kunnen verwachten.' 'Inderdaad,' gaf Smith toe. 'Het zou me verbazen als het anders was. Daarom heb ik dit stukje kabel afgesneden en daarom haal ik de explosieven en de granaten alleen uit mijn rugzak en die van jou. Het is een lang eind kabel en niemand weet wat er precies in onze rugzakken zit. Het is dus niet waarschijnlijk dat ze iets zullen missen.' 'Maar de radio. . .' 'Als we van hier uitzenden, zouden we op heterdaad betrapt kunnen worden. Nemen we de radio mee en ontdekken ze dat hij verdwenen is, dan weten ze dat de auto op de bodem van de Blausee leeg is. Bedoel je dat?' 'Min of meer.' 'We bewandelen daarom een middenweg. We nemen de radio mee, maar we brengen hem terug nadat we hem op een veilig plekje hebben gebruikt.' 'Wat bedoelt u met een veilig plekje?' vroeg Schaffer klaaglijk. Zijn gezicht stond somber en doodongelukkig. 'Zulke plekjes bestaan niet in Beieren.' 'Er is er een nog geen twintig meter hier vandaan. De laatste plaats waar ze zullen zoeken.' Smith wierp Schaffer een bos lopers toe. 'Ben je wel eens in een damestoilet geweest?' Schaffer ving de sleutels op, staarde Smith aan, schudde zijn hoofd en verdween. Snel volgde hij de rails, terwijl hij zijn zaklantaren telkens even aan en uit knipte. Ten slotte bleef de lichtstraal hangen op een deur met daarboven het opschrift DAMEN. Hij keek ernaar, kneep zijn lippen op elkaar, haalde zijn schouders op en begon het slot te bewerken.
Langzaam en schijnbaar met inspanning van al haar krachten legde de cabine de laatste centimeters van haar tocht naar boven af, tot zij onder het dak van het moederstation in Schloss Adler schoof. Zij kwam schokkend tot stilstand, de deur aan de voorkant ging open en de passagiers stapten uit. Vanaf het moederstation, dat in de noordwestelijke voet van het kasteel was ingebouwd, liepen ze door een steile, acht meter lange tunnel met zware ijzeren deuren en schildwachten aan beide uiteinden. De hoogstliggende deur gaf toegang tot de binnenplaats, waarvan de ingang werd versperd door een ijzeren poort met massieve tralies, die door zwaarbewapende soldaten en Dobermannpinchers werd bewaakt. De binnenplaats zelf werd helverlicht door het licht uit tientallen ramen, die zich aan de binnenzijde van het kasteel bevonden en waarvoor de gordijnen niet waren dichtgetrokken. Precies midden op de binnenplaats stond de helikopter, die diezelfde morgen Reichsmarschall Rosemeyer naar Schloss Adler had gebracht. Beschut door een groot zeil, dat nu overbodig was geworden omdat het sneeuwen had opgehouden, was iemand in overal - waarschijnlijk de piloot - met behulp van een kleine maar krachtige booglamp met de motor van de helikopter bezig. Mary draaide zich om naar Von Brauchitsch, die haar nog altijd met een bezittersgebaar vasthield en glimlachte verdrietig. 'Al die soldaten. Al die mannen - en naar ik vast geloof: zo weinig vrouwen. Wat moet ik doen om aan die losbandige militairen te ontsnappen?' 'Dat is erg eenvoudig.' Mary bedacht dat Von Brauchitsch inderdaad bijzonder charmant kon glimlachen. 'Spring maar uit je slaapkamerraam. Honderd meter recht naar beneden. Dan ben je vrij!'
Het damestoilet was een onvoorstelbaar karakterloze ruimte met een doorzakkende houten vloer en somber gemeubileerd met harde banken, stoelen en vurenhouten tafels. Zelfs de Spartanen zouden het te gortig hebben gevonden en het volkomen gebrek aan enige decoratieve inspiratie kon hoogstens worden overtroffen door soortgelijke gelegenheden in Engeland. In een zwartgemoffelde kachel lagen de restanten van een vuur dof te zieltogen. Met de radio naast zich ging Smith aan de middelste tafel zitten. Bij het licht van zijn afgeschermde potloodlantaren raadpleegde hij een klein boekje en schreef iets op een stukje papier. Hij controleerde wat hij had geschreven, stond op en overhandigde het boekje aan Schaffer. 'Verbrand het bladzijde voor bladzijde.' 'Bladzijde voor bladzijde? Allemaal?' Het sombere gezicht verried verwondering. 'Hebt u het dan niet meer nodig?' Smith schudde zijn hoofd en begon aan de hendel van de radio te draaien.
In de operations room in Whitehall brandde een heel wat behaaglijker vuur van dennenhout, dat gezond knapperde en indrukwekkende vlammen produceerde. De twee mannen, die ieder aan een kant bij de haard zaten, waren echter heel wat minder waakzaam dan de twee mannen bij de stervende sintels van de kachel in de Beierse Alpen. Admiraal Rolland en kolonel Wyatt-Turner zaten onverholen te dommelen en hun ogen waren dichtgevallen. Maar ze werden ineens klaarwakker en schoten bijna ogenblikkelijk met een ruk overeind toen de omvangrijke ontvangapparatuur aan de andere kant van het vertrek, die door een burger-operateur werd bediend, het langverwachte oproepsein liet horen. Ze wierpen elkaar een blik toe en hesen zich uit hun diepe fauteuils. 'Slagzwaard roept Danny Boy.' De stem door de radio was zwak maar duidelijk. 'Slagzwaard roept Danny Boy. Verstaat u mij? Over.' De burger-operateur zei in zijn microfoon: 'We verstaan u. Over.' 'Code. Klaar? Over.' 'Klaar. Over.' Rolland en Wyatt-Turner stonden nu naast de schouder van de operateur. Hun ogen volgden zijn potlood, terwijl hij onmiddellijk een vertaling begon te maken van het onbegrijpelijke samenraapsel van letters, die de een na de ander over de radio binnenkwamen. Snel spelden ze het bericht: TORRANCE-SMITHE VERMOORD THOMAS CHRISTIANSEN EN CARRACIOLA GEVANGENGENOMEN. Als op een onhoorbaar teken keken Rolland en Wyatt-Turner op. Hun ogen ontmoetten elkaar en hun gezichten stonden strak en grimmig. Toen keken ze weer naar het dansende potlood. VIJAND GELOOFT SCHAFFER EN IKZELF DOOD, vervolgde het bericht. GAAN BINNEN UUR BINNEN SVP ZORG VOOR VERVOER OVER NEGENTIG MINUTEN OVER. Admiraal Rolland greep de microfoon van de operateur. 'Slagzwaard! Slagzwaard! Weet je wie ik ben, Slagzwaard?' 'Ik weet wie u bent, sir. Over.' 'Geef het op, Slagzwaard. Ga er niet verder mee. Probeer' jezelf te redden. Over.' 'U - maakt - een - grapje.' De woorden kwamen langzaam, met een duidelijke pauze na elk woord. 'Over.' 'Je hebt me gehoord.' De stem van Rolland klonk bijna even langzaam en beslist. 'Je hebt gehoord wat ik zei. Dit was een bevel, Slagzwaard.' 'Mary is al binnen. Over en sluiten.' De radio zweeg. 'Hij heeft afgebroken, sir,' zei de operateur kalm. 'Hij heeft afgebroken,' herhaalde Rolland werktuiglijk. 'Lieve God, hij heeft afgebroken.' Kolonel Wyatt-Turner wendde zich af en liet zich zwaar in zijn stoel bij de haard zakken. Voor zo'n grote, forse man zag hij er vreemd in elkaar gezonken en verschrompeld uit. Toen admiraal Rolland in de andere stoel neerviel, keek hij met doffe ogen op. 'Het is allemaal mijn schuld.' De stem van de kolonel was nauwelijks te verstaan. 'Allemaal mijn schuld.' 'We hebben gedaan wat ons te doen stond. Allemaal ónze schuld, kolonel. Het was mijn idee.' Rolland staarde in het vuur. 'Ook dat nog - na alles wat er al gebeurd is.' 'Onze ongeluksdag,' stemde Wyatt-Turner somber in. 'De grootste ongeluksdag die we ooit hebben beleefd. Misschien word ik te oud.' 'Misschien worden we allemaal te oud.' Met zijn rechterwijsvinger begon Rolland de vingers van zijn linkerhand af te tellen. 'Hoofdkwartier opperbevel in Portsmouth. Alarminstallatie onklaar gemaakt. Niets vermist.' 'Niets weggehaald,' gaf Wyatt-Turner vermoeid toe. 'Maar de controle-emulsieplaten bewezen dat fotografische afdrukken waren gemaakt.' 'Ten tweede: Southampton. Afschriften van troepenbewegingen vermist. Ten derde: Plymouth. Uurslot in marinehoofdkwartier buiten werking. Wat het te betekenen heeft weten we niet.' 'We kunnen het wel raden.' 'Inderdaad, het is niet moeilijk te raden. Ten vierde: Dover. Een kopie van een deel van de plattegrond van Mulberry Harbour vermist. Een vergissing? Nonchalance? We zullen het wel nooit weten. Ten vijfde: een sergeant van de wacht in Bradleys hoofdkwartier verdwenen. Daar kan van alles achter zitten.' 'Alles. Daar bevinden zich alle gegevens van de troepenbewegingen voor operatie Overlord.' 'En ten slotte: vijf OS-rapporten vandaag. Frankrijk, België, Nederland. Vier daarvan aantoonbaar vals. De andere drie oncontroleerbaar.' Er viel een lange, zware, verslagen stilte, die ten slotte door Wyatt-Turner werd verbroken. 'Als er ooit enige twijfel aan heeft bestaan, dan is die nu wel verdwenen.' Hij sprak zonder op te kijken; zijn ogen staarden leeg in de vlammen. 'De Duitsers zijn hier bijna volledig gepenetreerd - en op het continent zijn wij nergens. En nu dit. Dat van Smith en zijn mannen, bedoel ik.' 'Smith en zijn mannen,' herhaalde Rolland. 'Smith en zijn mannen. We kunnen hen wel afschrijven.' Wyatt-Turner liet zijn stem dalen, zodat de radio-operateur hem niet kon verstaan. 'En operatie Overlord, sir?' 'Operatie Overlord,' mompelde Rolland. 'Ja, die kunnen we ook afschrijven.' 'De inlichtingendienst is het eerste wapen in de moderne oorlogvoering,' zei Wyatt-Turner bitter. 'Of heeft iemand dat al eens eerder gezegd?' 'Zonder inlichtingendienst geen oorlog.' Admiraal Rolland drukte op een knop van de intercom. 'Ik laat mijn wagen voorrijden. Ga je mee, kolonel? Naar het vliegveld?' 'En nog een heel eind verder. Als u het goedvindt, sir.' 'We hebben het uitgepraat.' Admiraal Rolland haalde zijn schouders op. 'Laatje maar van kant maken, als je dat met alle geweld wilt.' 'Dat is helemaal mijn bedoeling niet.' Wyatt-Turner liep naar een kast en nam er een stengun uit. Glimlachend draaide hij zich naar Rolland om. 'We kunnen op de vijand stuiten, sir.' 'Zeg dat wel.' De admiraal beantwoordde de glimlach niet.
'Hoorde je wat de man zei?' Smith schakelde de radio uit, schoof de antenne in en keek Schaffer aan. 'We kunnen er de brui aan geven.' 'Er de brui aan geven? Er de brui aan geven?' Schaffer was woedend. 'Begrijp je dan niet dat ze Mary binnen twaalf uur te pakken krijgen, als we dat doen?' Hij zweeg even nadrukkelijk, om zeker te zijn van Smiths aandacht. 'En als ze haar te pakken krijgen, dan hebben ze Heidi tien minuten later.' 'Hou nou op, luitenant,' protesteerde Smith. 'Je hebt haar maar één keer gezien en toen hooguit vijf minuten.' 'Zo?' Schaffer keek onverholen strijdlustig. 'Hoe dikwijls had Paris Helena van Troje ontmoet? En Antonius Cleopatra? En Romeo...' Hij onderbrak zichzelf en vervolgde uitdagend: 'En het kan me niets schelen, of ze een verraadster is die haar eigen mensen bespioneert!' 'Ze is geboren en getogen in Birmingham,' zei Smith vermoeid. 'Wat maakt dat nou uit? Ik maak geen onderscheid. Zelfs als ze een Engelse is...' Hij zweeg even. 'Een Engelse... ?' 'Hou nou op,' herhaalde Smith. 'Laten we die radio terugbrengen. Misschien krijgen we dadelijk bezoek.' 'We moeten niet te veel wenkbrauwen omhoog laten klimmen,' beaamde Schaffer. Ze zetten de radio op zijn plaats terug, sloten het bagagedepot af en liepen juist naar de stationsuitgang, toen ze tot staan werden gebracht door het geluid van vrachtwagenmotoren en een gillende sirene. Ze drukten zich met hun rug tegen een muur. Koplampen beschenen het station, de voorste vrachtwagen kwam nog geen tien meter van hen vandaan slippend tot stilstand. Schaffer keek Smith aan. 'Ik veronderstel dat we de wijste partij kiezen?' 'Inderdaad. Achter het plaatskaartenbureau.' De twee mannen liepen snel langs de rails en verborgen zich in de diepe schaduw achter het kantoortje. De sergeant die de speurtocht langs de Blausee had georganiseerd kwam, gevolgd door vier soldaten, door de ingang rennen. Hij probeerde de deurknop van het bagagedepot, draaide zijn machinepistool om en begon op het slot te timmeren. Toen zijn pogingen zonder resultaat bleven, draaide hij zijn wapen opnieuw om en schoot het slot weg. Met een zaklantaren in de hand ging hij naar binnen. Bijna onmiddellijk verscheen hij weer in de deuropening. 'Zeg de kapitein dat ze niet gelogen hebben. De uitrusting van de Englander ligt hier inderdaad!' Nadat een van de soldaten vertrokken was, wendde de sergeant zich tot de andere drie. 'Goed - haal hun spullen naar buiten en gooi ze in de wagen.' 'Daar gaat mijn laatste paar katoenen sokken,' mompelde Schaffer droevig, toen hij hun rugzakken zag wegdragen. 'Om maar te zwijgen van mijn tandenborstel en...' Hij zweeg toen Smith hem bij de arm greep. De sergeant had de man, die de radio droeg, aangehouden en het apparaat van hem overgenomen. Met zijn hand op de radio bleef hij roerloos staan. Hij bevond zich pal onder een van de kleine, schommelende elektrische lampen en zijn gelaatsuitdrukking veranderde duidelijk zichtbaar van verwondering tot ongeloof en dan tot een volledig en geschokt begrip. 'Hauptmann!' riep de sergeant. 'Hauptmann!' Een officier kwam haastig de stationsingang binnen. 'De radio, Hauptmann! Hij is warm, heel warm! Hij is de afgelopen vijf minuten nog gebruikt!' 'De afgelopen vijf minuten? Onmogelijk!' De kapitein staarde de sergeant aan. 'Tenzij...' 'Ja, Herr Hauptmann. Tenzij!' 'Omsingel het station!' riep de officier. 'Doorzoek alle vertrekken!' 'God nog aan toe,' kreunde Schaffer. 'Kunnen ze ons nu nooit eens met rust laten?' 'Vlug,' zei Smith zacht. Hij greep Schaffer bij de arm en trok hem in de schaduw mee naar het damestoilet. In enkele seconden had hij de deur open, waarbij hij ervoor zorgde niet met zijn lopers te rammelen. Ze glipten naar binnen en draaiden de deur achter zich op slot. 'In mijn overlijdensbericht zal dit wel een beetje misstaan,' zei Schaffer treurig. Onder de luchthartig gesproken woorden was de spanning voelbaar. 'Wat zal daarin misstaan?' 'Gaf zijn leven voor zijn vaderland in een damestoilet in Opper-Beieren. Hoe kan een man nou in vrede rusten, als hij zo'n herinnering mee in zijn graf moet nemen?' Hij onderbrak zichzelf. 'Wat zegt onze vriend buiten?' 'Als je je mond houdt, verstaan we het misschien.' 'En als ik zeg overal, dan bedoel ik ook overal.' De Duitse kapitein blafte zijn bevelen in de beste paradetradities. 'Als een deur op slot is, dan breek je hem open. Kun je hem niet openbreken, dan schiet je het schot eruit. En als je niet binnen vijf minuten wilt sterven, bedenk dan dat je te maken hebt met uitermate gevaarlijke woestelingen, die behalve over hun eigen wapens vrijwel zeker ook nog over gestolen Schmeisser-machinepistolen beschikken. Schiet zodra je hen ziet en schiet om te doden.' 'Heb je dat gehoord?' vroeg Smith. 'Helaas wel.' Schaffer grendelde zijn machinepistool met een hoorbare klik. Naast elkaar stonden ze in het donker te luisteren naar het geluid van de zoekende mannen, het geroep van stemmen, het hameren van geweerkolven op hout, het gekraak van bezwijkende deuren en af en toe een korte vuurstoot als een deur niet voor meer conventionele overredingsmethoden had gecapituleerd. De geluiden van de naderende soldaten kwamen heel dichtbij. 'Ze zijn warm,' mompelde Schaffer. Hij onderschatte de temperatuur. Nauwelijks had hij het gezegd of een onzichtbare hand rammelde krachtig aan de knop aan de andere kant van de deur. Met onhoorbare bewegingen gingen Smith en Schaffer ieder aan een kant van de deur tegen de muur gedrukt staan. Het gerammel hield op. Een zware, vermorzelende stoot tegen de buitenkant van de deur deed hem in zijn scharnieren schudden. Bij een tweede soortgelijke dreun begon de houten deurstijl bij het slot te versplinteren. Nog twee en het is gebeurd, dacht Smith. Nog twee. Maar er kwamen er geen meer. 'Gott im Himmel. Hans?' De stem achter de deur klonk verschrikt en geshockeerd of probeerde althans zo te klinken. 'Wat doe je nou toch! Kun je niet lezen?' 'Of ik niet kan...' De tweede stem brak plotseling af. Toen hij terugkwam, was het op verontschuldigende toon. 'DAMEN! Mein Gott! DAMEN!' Even bleef het stil. Toen: 'Als je evenveel jaar aan het Russische front had gezeten als ik, Hans. . .' De stem stierf weg, toen de twee mannen zich verwijderden. 'God zegene ons gemeenschappelijk Angelsaksisch erfdeel,' prevelde Schaffer warm. 'Waar heb je het over?' vroeg Smith. Hij ontspande zijn felle greep om de Schmeisser en merkte dat zijn handen klam waren. 'Over hun misplaatst fatsoensgevoel.' 'Het was een verre van misplaatst en hoogontwikkeld gevoel voor zelfbehoud,' zei Smith droog. 'Zou jij het leuk vinden om naar een paar beruchte moordenaars als wij te moeten zoeken in de wetenschap dat de eerste, die ons vond waarschijnlijk aan stukken zou worden gescheurd door een vuurstoot uit een machinepistool? Denk je hun situatie eens in. Hoe denk je dat ze zich voelen? Hoe zou je je zelf voelen?' 'Ik zou me erg ongelukkig voelen,' zei Schaffer oprecht. 'Nou, datzelfde geldt voor hen. Dus grijpen ze elk redelijk excuus aan om ergens niet te hoeven kijken. Onze twee zojuist vertrokken vrienden hebben geen flauw idee of we hier zijn of niet; en bovendien is een onderzoek daarnaar instellen wel het allerlaatste waaraan ze behoefte hebben.' 'Hou nou maar op met al die psychologie. Schaffer is gered, dat is het enige dat telt. Gered!' 'Als je dat denkt, dan verdien je te eindigen met een blinddoek voor je ogen,' zei Smith kortaf. 'Hoe bedoelt u dat nu weer?' vroeg Schaffer bezorgd. 'Jij en ik zijn niet de enigen die zich in de positie van de zoekers kunnen verplaatsen,' legde Smith geduldig uit. 'Je kunt er alles om verwedden dat de kapitein het ook kan en met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de sergeant eveneens. Je hebt zelf gezien hoe gauw hij dat met die vervloekte radio doorhad. Zo meteen komt een van tweeën hier voorbij, ziet deze afgesloten en onbeschadigde deur en krijgt een woedeaanval. Dan staat hij er op dat enkele van zijn mannen de kans krijgen postuum een IJzeren Kruis te verdienen. Ik bedoel maar dat Schaffer nog niet gered is.' 'Wat doen we eraan, boss?' vroeg Schaffer kalm. 'Ineens voel ik me niet zo lekker meer.' 'We gaan over tot een afleidingsaanval. Hier heb je de sleutels - deze moet je hebben. Steek hem in het slot en houd je gereed, hem om te draaien. We moeten er snel vandoor; soldaten van dit kaliber kun je niet lang voor de gek houden.' Hij groef in zijn ransel, viste een handgranaat op en ging een van de toiletten binnen. Het was er bijna volmaakt donker. Op de tast vond hij de achterwand, waar het raam moest zitten. Ten slotte stelde hij de plaats ervan vast aan de hand van een zwak lichtschijnsel. Hij drukte zijn neus tegen het glas maar zag niets. Zachtjes vloekend bedacht hij dat ramen van toiletten wel altijd van matglas zouden zijn. Hij vond de haak en zwaaide het raam langzaam open. Oneindig voorzichtig en centimeter voor centimeter stak hij zijn hoofd naar buiten. Niemand schoot zijn hoofd van zijn romp. Weliswaar bevonden zich vlak bij hem soldaten en bovendien waren ze gewapend en op hun hoede, maar ze keken niet zijn kant uit. Ze stonden met zijn vijven in een halve cirkel, ongeveer vijftien meter van de stationsingang en elk machinepistool was op die ingang gericht. Wachtend tot de konijnen te voorschijn springen, dacht Smith. Veel belangwekkender was een vrachtwagen, die een paar meter van zijn raam geparkeerd stond; dank zij de weerkaatsing van de zijlichten had hij het raam kunnen vinden. Er maar op vertrouwend dat de vrachtwagen een conventionele constructie had, stelde Smith de granaat op scherp. Hij telde tot drie, gooide de granaat met een boog onder de achterwielen en dook achter de beschuttende muur van het toilet weg. De twee explosies, die van de granaat en die van de benzinetank, volgden zo vlak op elkaar dat het tijdverschil bijna niet te merken was. Glasscherven van het raam boven hem regenden neer op zijn hoofd, en een felle pijn schoot door zijn trommelvliezen als gevolg van het bulderend geluid en de van vlakbij komende schokgolf van de ontploffing. Smith deed geen poging om te kijken hoeveel schade hij had aangericht, niet zozeer vanwege de dringende noodzaak om op te schieten en te maken dat ze wegkwamen, als wel omdat de vrachtwagen buiten in brand was gevlogen en zijn hoofd boven de vensterbank uitsteken een snelle, luisterrijke vorm van zelfmoord zou zijn; de door de wind aangewakkerde vlammen likten al door het verbrijzelde toiletraam. Op handen en voeten kroop hij over de vloer van het toilet; pas in de vestiaire richtte hij zich op. Schaffer hield nog steeds de sleutel vast en had de deur al een centimeter open. Toen hij Smith hoorde draaide hij zich om. 'De heuvels in, boss?' informeerde Schaffer. 'De heuvels in.' Zoals te verwachten was, lag het station aan de kant van de rails verlaten. Wie het niet automatisch op een rennen had gezet om uit te vinden wat de oorzaak van de explosie was, had even automatisch aangenomen dat de ontploffing op de een of andere manier te maken had met een ontsnappingspoging of verzet van de opgejaagde mannen. Hoe dan ook, het resultaat was hetzelfde en het was zeer voldoeninggevend. Ze holden langs de rails tot aan de bumpers aan het einde van de spoorlijn, liepen eromheen en bleven hollen tot ze veilig tussen de verspreid staande huizen waren, die steil tegen de heuvel ten oosten van het dorp waren gebouwd. Daar bleven ze staan om op adem te komen en om te kijken. Het station stond in brand. Het brandde nog niet fel maar het vuur viel nu al niet meer te blussen, want de vlammen schoten tot tweeëneenhalve meter de lucht in en zwarte rook golfde naar de nachtelijke hemel. 'Ze zullen er niet erg gelukkig mee zijn,' zei Schaffer. 'Dat denk ik ook niet.' 'Ik bedoel maar dat ze nu pas goed jacht op ons gaan maken, met alles waarover ze beschikken. Op het kasteel hebben ze Dobermannpinchers en in het kamp zullen ze ze ook wel hebben. Ze hoeven ze alleen maar naar het station te brengen en ze aan onze uitrusting laten ruiken. Dan lopen ze ermee om het station, zetten ze op ons spoor en dan is het gebeurd. Smith en Schaffer aan stukken gescheurd. Ik ben van het hele Alpenkorps nog niet bang; maar ik trek de grens bij Dobermannpinchers, boss.' 'Ik dacht dat je bang was van paarden,' zei Smith vriendelijk. 'Paarden en Dobermannpinchers, net wat u zegt. Daar ben ik bang van. Van alles wat vier poten heeft.' Droefgeestig keek hij naar het brandende station. 'Ik zou een waardeloze dierenarts zijn.' 'Maak je geen zorgen,' verzekerde Smith hem. 'We blijven hier niet lang genoeg om een van je viervoetige vriendjes de kans te geven je lastig te komen vallen.' 'Nee?' Schaffer keek hem achterdochtig aan. 'Het kasteel,' zei Smith geduldig. 'Daar zijn we voor gekomen. Weet je het nu weer?' 'Ik was het niet vergeten.' De vlammen van het fel brandende station lekten nu negen tot twaalf meter hoog in de lucht. 'Weet u dat u een verdraaid aardig stationnetje verwoest hebt?' 'Om je eigen woorden te gebruiken: het was tenslotte ons station niet,' bracht Smith hem in herinnering. 'Kom mee. We moeten ergens op bezoek en daarna gaan we eens kijken wat voor welkom ze ons in Schloss Adler zullen bereiden.'
Op datzelfde moment ontdekte Mary Ellison hoe men in Schloss Adler iemand ontving. In haar geval was dat allesbehalve plezierig. Met Von Brauchitsch en Heidi naast zich keek ze in de grote kasteelhal met de stenen muren, de stenen vloer en het eikenhouten dak om zich heen, toen aan de overkant van de hal een deur openging en een meisje naar hen toe kwam. Ze had iets arrogants, iets van gedecideerde autoriteit en ze marcheerde meer dan ze liep. Maar ze was een heel mooi meisje, moest Mary bij zichzelf toegeven, groot, blond, blauwogig en mooi. Ze had een pin-up girl van het Derde Rijk kunnen zijn. Op dat ogenblik keken de blauwe ogen echter erg koud. 'Goedenavond, Anne-Marie,' zei Von Brauchitsch. Zijn stem klonk opvallend weinig hartelijk. 'Dit is het nieuwe meisje, Fraulein Maria Schenk. Maria, dit is de secretaresse van de kolonel. Zij gaat over de hele vrouwelijke staf.' 'Je hebt wel de tijd genomen om hierheen te komen, nietwaar Schenk!' Als Anne-Marie een zachte, zangerige, zoetvloeiende stem had, dan deed ze nu in ieder geval geen moeite hem te gebruiken. Ze wendde zich tot Heidi en nam haar ijzig van top tot teen op. 'En wat doe jij hier? Het feit dat we je aan tafel laten bedienen als de kolonel gezelschap heeft...' 'Heidi is een nichtje van dit meisje,' viel Von Brauchitsch haar bruusk in de rede. 'En bovendien heeft ze mijn toestemming.' De onuitgesproken bijbedoeling, dat ze zich tot haar dienst kon bepalen, lag er duimendik op. Anne-Marie wierp hem een woedende blik toe, maar liet het er verder maar bij zitten. Dat zouden de meesten in haar geval gedaan hebben. Daarnaar was Von Brauchitsch de man wel. 'Naar binnen, Schenk.' Anne-Marie knikte naar een zijdeur. 'Ik heb je een paar vragen te stellen.' Mary keek Heidi aan en toen Von Brauchitsch. Deze haalde zijn schouders op. 'Een routineonderzoek, Fraulein. Daar kunt u helaas niet onderuit.' Mary liep vóór Anne-Marie uit de deur binnen, die stevig achter hen werd gesloten. Heidi en Von Brauchitsch keken elkaar aan. Heidi perste haar lippen op elkaar en de uitdrukking die heel even over haar gezicht gleed paste precies bij die van Anne-Marie. Von Brauchitsch maakte het oude gebaar van hulpeloosheid door zijn schouders op te trekken en zijn handen met de palmen naar boven op te heffen. Binnen een halve minuut werd de reden voor het hulpeloze gebaar van Von Brauchitsch duidelijk. Door de deur klonk eerst het geluid van een uitschietende stem, een kort geschuifel en toen een felle kreet van pijn. Weer wisselde Von Brauchitsch een berustende blik met Heidi; toen hoorde hij zware voetstappen achter zich en draaide hij zich om. De man, die naar hem toe kwam, was fors met een door weer en wind getekend gezicht en van middelbare leeftijd. Hij was in burger gekleed. Maar hoewel hij geen uniform had, kon men onmogelijk iets anders dan een legerofficier in hem zien. Zijn zware, blauwgeschoren kaken, zijn stierennek, het kortgeknipte haar en zijn doordringende blauwe ogen maakten hem bijna tot een karikatuur van een Uhlanenofficier van de Pruisische cavalerie in de Eerste Wereldoorlog. Dat hij overigens minder een fossiel was dan hij leek, bleek heel duidelijk uit de duidelijk eerbiedige manier waarop Von Brauchitsch hem aansprak. 'Goedenavond, kolonel Kramer.' 'Avond, kapitein. Avond, Fraulein'. Hij had een onverwacht vriendelijke en hoffelijke stem. 'Staat u ergens op te wachten?' Voor ze konden antwoorden ging de deur open en kwamen Anne-Marie en Mary binnen, waarbij Mary de indruk wekte dat ze de kamer in werd geduwd. Anne-Marie was een beetje rood aangelopen en ademde nogal snel, maar verder was ze dezelfde mooie Arische als altijd. De kleren van Mary zaten in de war, haar haar was losgeraakt en ze had kennelijk gehuild. Op haar wangen waren de plekken van haar tranen nog te zien. 'Met haar zullen we geen moeilijkheden meer hebben,' kondigde Anne-Marie tevreden aan. Toen zag ze Kramer en veranderde haar toon aanmerkelijk. 'Een nieuw lid van de staf ondervraagd, kolonel.' 'Op je eigen bekwame manier, zie ik,' zei kolonel Kramer droog. Hij schudde hét hoofd. 'Wanneer zul je eens leren dat fatsoenlijke jonge meisjes het niet prettig vinden als ze met geweld worden gefouilleerd, en als hun onderkleding wordt onderzocht om te zien of die niet in Piccadilly of de Gorkistraat is gemaakt?' 'Veiligheidsvoorschriften,' verdedigde Anne-Marie zich. 'Jaja.' De stem van Kramer was kortaf. 'Maar het kan ook anders.' Ongeduldig wendde hij zich af. Het in dienst nemen van vrouwelijk personeel was geen zaak waarover het plaatsvervangend hoofd van de Duitse geheime dienst zich problemen hoefde te maken. Terwijl Heidi Mary hielp haar kleren in orde te brengen, vervolgde hij tegen Von Brauchitsch: 'Een beetje opwinding in het dorp vanavond?' 'Niets voor ons.' Von Brauchitsch haalde de schouders op. 'Deserteurs.' Kramer glimlachte. 'Ik heb kolonel Weissner opgedragen dat hij dat moest zeggen. Ik denk dat onze vrienden Britse agenten zijn.' 'Wat?' 'Na die geschiedenis met generaal Carnaby zou het me niets verwonderen,' zei Kramer langs zijn neus weg. 'Rustig maar, kapitein. Het is alweer voorbij. Drie van hen zijn hierheen onderweg; binnen een uur worden ze verhoord. Ik zou het prettig vinden als u er later ook even bij was. Volgens mij zult u het zeer boeiend en - eh - leerzaam vinden.' 'Ze waren met zijn vijven, kolonel. Ik heb hen zelf gezien, toen ze in 'Zum Wilden Hirsch' werden opgepakt.' 'Ze wáren met zijn vijven,' verbeterde kolonel Kramer. 'Maar nu niet meer. Twee van hen, de leider en nog een, liggen in de Blausee. Ze wisten een auto te bemachtigen en reden in de afgrond.' Met haar rug naar Anne-Marie en de mannen streek Mary haar japon glad. Langzaam richtte ze zich op. Haar gezicht stond verbijsterd. Anne-Marie draaide zich om, zag Mary daar zo vreemd onbeweeglijk staan en kwam al nieuwsgierig naar haar toe, toen Heidi vlug Mary bij de arm pakte en zei: 'Mijn nicht ziet er niet goed uit. Kan ik haar naar haar kamer brengen?' 'Goed.' Anne-Marie wuifde even met haar hand, ten teken dat ze konden verdwijnen. 'Dezelfde die jij gebruikt als je hier bent.' Het was een kale, kloosterachtige kamer met linoleum op de vloer, een opgemaakt ijzeren bed, een stoel, een kleine klaptafel, een hangkast en verder niets. Heidi sloot de deur achter hen. 'Hoorde je dat?' zei Mary leeg. Haar gezicht was even levenloos als haar stem. 'Ik hoorde het - en ik geloof het niet.' 'Waarom zouden ze erom liegen?' 'Omdat ze het zélf wel geloven.' Heidi zei het ongeduldig en bijna ruw. 'Het wordt tijd dat je ophoudt met verliefd te zijn en dat je je verstand eens gebruikt. Op deze wereld rijdt een majoor Smith niet in een afgrond.' 'Dat kun je gemakkelijk zeggen, Heidi.' 'De zaak erbij neergooien is ook gemakkelijk. Ik geloof dat hij nog leeft. En áls hij nog leeft en als hij hierheen komt terwijl jij vertrokken bent of niet klaar staat om hem te helpen, weet je wat er dan met hem gebeurt? Dán sterft hij. Dan sterft hij omdat jij hem in de steek hebt gelaten. Zou hij jóu in de steek laten?' Versuft schudde Mary haar hoofd. 'Nou dan,' vervolgde Heidi levendig. Ze voelde onder haar rok en daarna voor in haar bloesje en legde zeven voorwerpen op tafel. 'Alsjeblieft. Een automatische Lilliput .21, twee reservemagazijnen, een klos draad, een schietlood, de plattegrond van het kasteel en je instructies.' Ze liep naar een hoek van de kamer, lichtte een losse vloerplank op, legde de voorwerpen eronder en bracht de plank weer op zijn plaats aan. 'Daar zijn ze veilig.' Mary keek haar een hele tijd aan. Voor het eerst sinds een uur toonde ze weer een beetje belangstelling. 'Je wist dat die plank los zat,' zei ze langzaam. 'Natuurlijk. Ik heb hem veertien dagen geleden zelf losgemaakt.' 'Je - je was dus al zó lang geleden van dit alles op de hoogte?' 'Wat anders?' Heidi glimlachte. 'Succes, nicht.' Mary ging op het bed zitten. Tien minuten nadat Heidi vertrokken was, had ze zich nog altijd niet bewogen. Toen kwam ze vermoeid overeind en ging ze naar het raam. Haar raam keek uit op het noorden; ze zag de rij draagmasten, de lichten van het dorp en daarachter het donkere water van de Blausee. Heel dat tafereel werd echter overheerst door rossig opstijgende vlammen en wervelende wolken zwarte rook, die afkomstig waren van het een of andere brandende gebouw aan de andere kant van het dorp. Honderd meter in het rond was het even licht als midden op de dag. Zelfs als er een plaatselijke brandweer had klaargestaan, zou het volslagen onmogelijk zijn geweest het vuur ook maar ergens te naderen. Als dat vuur doofde, zou er niets overblijven dan rokende as. Mary vroeg zich vaag af wat het te betekenen kon hebben. Ze opende het raam en leunde naar buiten, maar voorzichtig. Zelfs voor iemand die zo diep in de put zat als zij, was het allesbehalve aantrekkelijk om te ver naar buiten te leunen; de kasteelmuren en de vulkanische rots strekten zich bijna honderd meter loodrecht naar beneden uit. Ze werd er een beetje duizelig van. Links onder haar verliet een cabine van de kabelbaan het moederstation in het kasteel en begon naar het dal daar beneden te bewegen. In de cabine stond Heidi. Ze leunde uit een halfgeopend raam en zwaaide hoopvol, maar Mary's ogen waren weer vol tranen geschoten en ze zag niets. Ze sloot het raam en liet zich op het bed vallen. Ze dacht aan John Smith en ze vroeg zich af of hij leefde of dood was; en opnieuw vroeg ze zich af wat er toch met die brand in het dal aan de hand kon zijn.
Smith en Schaffer slopen achter langs de huizen, winkels en Weinstuben aan de oostelijke kant van de straat en zooveel mogelijk in de diepe schaduw. Smith realiseerde zich dat hun voorzorgen nogal overdreven waren; de onbetwiste attractie van die nacht was het vuurspuwende station. De straat erheen werd versperd door honderden soldaten en dorpelingen. Het moest een heel aanzienlijke brand zijn, dacht Smith; want hoewel ze het vuur zelf niet meer konden zien, afgezien van de rode gloed van de lucht erboven, was het gebulder en geknetter van de vlammen duidelijk te horen - vlammen op een afstand van driehonderd meter, met een wind die van hen af waaide. Als afleidingsmanoeuvre was het een daverend succes. Ze bereikten een van de weinige stenen gebouwen van het dorp, een groot geval dat er uitzag als een schuur met aan de achterkant dubbele deuren. De grond voor de achterdeur leek wel een autokerkhof. Er lagen een stuk of zes oude wagens, de meeste zonder banden, een paar verroeste motoren, tientallen kleine nutteloze motoronderdelen en stukken carrosserie en een kleine berg lege olievaten. Voorzichtig zochten ze hun weg door de rommel, tot ze bij de deuren kwamen. Schaffer gebruikte de lopers en niet zonder resultaat. In vijftien seconden waren ze binnen, met de deuren alweer gesloten en hun zaklantarens aan. Eén kant van de garage werd ingenomen door draaibanken en allerlei soorten machinegereedschap, maar de rest van de vloer werd bezet door een verscheidenheid van meest oude voertuigen. Wat echter onmiddellijk Smiths aandacht trok en gevangen hield, was een grote gele bus die pal achter de dubbele voordeur geparkeerd stond. Het was een typische Alpen-postbus, met een zeer lang overhangend achterstuk om in de bergen beter de haarspeldbochten te kunnen nemen; de achterwielen zaten zo ver naar voren, dat ze zich bijna halverwege de bus bevonden. Zoals eveneens bij Alpen-postbussen in de winter gebruikelijk was, zat voor op het chassis een reusachtige hoekige sneeuwploeg bevestigd. Smith keek Schaffer aan. 'Dat belooft wat, vind je niet?' 'Als ik optimistisch genoeg was om te denken dat we hier ooit nog eens terugkomen, dan zou ik zeggen dat het bijzonder veelbelovend was,' zei Schaffer zuur. 'Wist u hiervan?' 'Wat denk je dat ik ben? Een busvoorspeller soms? Natuurlijk wist ik ervan.' Smith klom op de chauffeursplaats. Het sleuteltje zat in het contactslot. Hij draaide het om en zag de benzinemeter naar de halfvol-streep klimmen. Toen zocht hij de knop voor de koplampen en probeerde hem. Ze werkten. Hij drukte op de starter en de motor sloeg onmiddellijk aan. Meteen schakelde hij hem weer uit. Schaffer sloeg de voorstelling belangstellend gade. 'Je hebt zeker een vrachtwagenrijbewijs nodig om zo'n ding te besturen, boss?' 'Ik moet er nog ergens een hebben liggen. Laat de helft van de explosieven achter in de bus achter. En schiet op. Misschien komt Heidi met de volgende cabine naar beneden.' Smith klom uit de bestuurdersplaats en ging naar de voordeuren. Hij ontgrendelde ze allebei van boven en beneden en duwde er voorzichtig tegen. De deuren gaven een paar centimeter mee en bewogen toen niet verder meer. 'Er zit een hangslot op,' zei Smith kortaf. Schaffer bekeek de massieve stalen ploeg voor op de bus en schudde bedroefd zijn hoofd. 'Arm hangslot,' zei hij.
Het sneeuwde niet meer, maar er woei nog een krachtige westenwind. Het was intens koud. Massa's aan flarden gescheurde donkere wolken joegen door de lucht; beurtelings werd heel het dal in de diepste schaduw gedompeld en met verblindend licht overgoten, al naargelang de maan door de wolken verduisterd werd of door de voortschuivende openingen daartussen scheen. Aan de andere kant van het dorp wisselden licht en donker elkaar echter niet af; het station brandde nog fel genoeg om alle pogingen van de maan elke uitwerking te ontnemen. Een cabine van de kabelbaan daalde langzaam naar het dal af en bevond zich nu minder dan honderd meter van het grondstation. In de greep van de machtige windstoten slingerde zij wild en angstaanjagend door de lucht. Toen zij echter het einde van haar reis naderde, verminderden haar bewegingen snel, en vlak bij het station was zij volkomen tot rust gekomen. De cabine kwam met een ruk tot stilstand. Heidi, de enige passagier, stapte uit. Zoals verwacht mocht worden, zag ze nogal bleek. Aan de achterzijde van het station ging ze de trap af. Toen ze de begane grond bereikte, bleef ze doodstil staan bij het horen van de zachtjes gefloten eerste maten van 'Lorelei'. Snel draaide ze zich om. Toen liep ze langzaam naar de twee schimmige gedaanten, die naast het station bij elkaar stonden. 'Op deze wereld rijdt een majoor Smith niet in een afgrond,' zei ze kalm. Ze wachtte even; toen stapte ze ineens vooruit, omhelsde de beide mannen vlug en gaf ze ieder een kus op de wang. 'Maar je hebt me wel een beetje bang gemaakt.' 'Je kunt gerust een beetje bang blijven,' zei Schaffer. 'Maar niet omwille van hem.' Heidi maakte een handgebaar naar de andere kant van het dorp. Vanaf het station van de kabelbaan laag tegen de helling hadden ze een voortreffelijk, zij het ver verwijderd, uitzicht op de brand. 'Zijn jullie daarvoor verantwoordelijk?' vroeg ze. 'Het was een ongelukje,' legde Smith uit. 'Jup. Zijn hand gleed uit,' voegde Schaffer eraan toe. 'Jullie moesten het eens bij de revue proberen,' zei Heidi droog. Opeens werd ze ernstig. 'Mary denkt dat jullie er allebei aangegaan zijn.' 'Weissner niet,' zei Smith. 'De auto, die over de rand viel, deed dat zonder ons. Ze zitten achter ons aan.' 'Dat verwondert me nauwelijks,' mompelde ze. 'Of had je nog niet gezien hoe groot die brand is ?' Even zweeg ze. Toen vervolgde ze somber: 'Ze zijn niet de enigen die achter jullie aan zitten. Kramer weet dat jullie Britse agenten zijn, die op generaal Carnaby azen.' 'Zozozo,' zei Smith peinzend. 'Ik vraag me af welk vogeltje in Kramers schelpvormig oor heeft zitten fluisteren. Het moet er een geweest zijn met een zeer vèrdragende stem, dunkt me.' 'Waar heb je het over?' 'Nergens over. Het is niet belangrijk.' 'Niet belangrijk! Begrijp je het dan niet?' Haar stem klonk smekend en bijna radeloos. 'Ze wéten dat jullie nog leven of ze kunnen er ieder ogenblik achter komen. Ze wéten wie jullie zijn. Ze verwachten je daarboven.' 'O, maar het subtiele van de zaak zie je over het hoofd, beste Heidi,' merkte Schaffer op. 'Wat ze niet weten, is dat wij verwachten dat zij óns verwachten. Ik geloof tenminste dat ik dat bedoel.' 'Je loopt in het donker te fluiten, luitenant. En nog iets -dadelijk worden jullie vrienden naar het kasteel opgebracht.' 'Voor ondervraging?' vroeg Smith. 'Ik geloof nooit dat ze op de thee gevraagd zijn,' zei Heidi zuur. 'Goed.' Smith knikte. 'Dan gaan wij met hen mee.' 'In dezelfde cabine?' Niet haar woorden, maar haar toon en haar gezichtsuitdrukking twijfelden aan zijn verstand. 'Niet 'in'. Mèt.' Smith bestudeerde zijn horloge. 'De postbus in de garage van Sulz. Zorg dat je daar over tachtig minuten bent. En wacht - breng een paar kratten met lege bierflessen mee.' 'Een paar... O, goed.' Vol overtuiging schudde ze haar hoofd. 'Jullie zijn allebei stapelgek.' 'Dat blijkt uit al onze woorden en gebaren,' beaamde Schaffer. Plotseling werd hij ernstig. 'Zeg een schietgebedje voor ons, lieverd. En als je niets te bidden weet, kruis dan je vingers zo hard over elkaar dat ze pijn doen.' 'Kom alsjeblieft terug,' zei ze. Haar stem stokte even. Ze aarzelde, wilde nog iets zeggen, maar draaide zich toen om en liep vlug weg. Schaffer keek haar bewonderend na. 'Daar gaat de toekomstige mevrouw Schaffer,' kondigde hij aan. 'Een beetje snibbig en lichtgeraakt misschien.' Hij dacht na. 'Maar gek - ik dacht dat ze daarnet op het laatst bijna begon te huilen.' 'Als jij de laatste tweeëneenhalf jaar hetzelfde als zij had moeten doorstaan,' zei Smith zuur, 'dan zou je misschien ook snibbig en lichtgeraakt en vlug met je tranen zijn.' 'Misschien zou ze minder lichtgeraakt en huilerig zijn, als ze wat meer wist van wat er aan de hand is.' 'Ik heb geen tijd om iedereen alles uit te leggen.' 'Wilt u dat nog eens zeggen? U bent een rare, boss.' 'Dat vind ik ook.' Smith keek op zijn horloge. 'Bij God, ik wilde dat ze opschoten.' 'Zeg dat maar niet namens mij.' Schaffer zweeg. 'Als we. . . Nou ja als we er vandoor gaan, gaat ze dan met ons mee?' 'Wie gaat met ons mee?' 'Heidi natuurlijk!' 'Heidi? Natuurlijk. Als we het klaarspelen - en we redden het alleen via Mary, die geïntroduceerd is door...' 'Zeg maar niets meer.' Schaffer keek het zich verwijderende figuurtje na en schudde zijn hoofd. 'Ze wordt de sensatie van de Savoy Grill.' zei hij dromerig.