2
Smith greep de hoofdtouwen van zijn parachute zo hoog mogelijk vast, trok zich krachtig op en maakte met gebogen knieën en gesloten voeten een volmaakte landing in een laag sneeuw van ongeveer een halve meter dik. De wind rukte woedend aan zijn valscherm. Hij gaf een klap op de gesp die hem snel van zijn riementuig ontdeed, liet de parachute in elkaar zakken, trok hem naar zich toe, rolde hem op en duwde hem diep in de sneeuw. Als gewicht gebruikte hij de bepakking, die hij zojuist van zijn schouders had geschud. Daar op de grond - als men een plekje ruim tweeduizend meter hoog tegen de Weissspitze tenminste zo mocht noemen -sneeuwde het maar zachtjes, vergeleken bij de sneeuwstorm die over hen heen was gegaan, toen ze uit de Lancaster sprongen; maar desondanks was het zicht bijna even slecht als het boven was geweest, want de wind blies met een snelheid van twintig knopen en de droge poedersneeuw joeg fel in het rond. Snel draaide Smith driehonderdzestig graden om zijn as, maar er was niets en niemand te zien. Tastend met zijn versteende handen haalde hij moeizaam een zaklantaarn en een fluitje uit zijn tuniek. Hij knipte de lantaren aan en blies op de fluit, eerst naar het oosten, toen naar het westen. Eerst verscheen Thomas, toen Schaffer; daarna kwamen binnen twee minuten alle anderen met uitzondering van sergeant Harrod te voorschijn. 'Stapel je parachutes op en verzwaar ze,' beval Smith. 'Ja, begraaf ze zo diep mogelijk. Heeft iemand sergeant Harrod gezien?' Er werden hoofden geschud. 'Niemand? Heeft niemand iets van hem gezien?' 'Toen ik hem het laatst zag, stampte hij als een torpedojager op een hoge zee,' zei Schaffer. 'Ik heb ook zoiets gezien,' knikte Smith. 'Waren zijn koorden door elkaar gedraaid ?' 'Een kurkentrekker was er niets bij. Maar volgens mij was er geen gevaar dat zijn parachute in elkaar zou klappen. Geen tijd genoeg. We waren al bijna op de grond, toen ik hem uit het gezicht verloor.' 'Heb je dan misschien enig idee waar hij geland is?' 'Zo bij benadering. Het zit wel goed met hem, majoor. Een verzwikte enkel misschien, of een tik tegen zijn hoofd. Niets om ons bezorgd over te maken.' 'Pakje zaklantarens,' zei Smith bruusk. 'Verspreiden en hem zoeken.' Met twee mannen links van hem en twee rechts, binnen het bereik van elkaars lantarens, zocht Smith de sneeuw af. Zijn lichtstraal gleed over de grond voor hem. Indien hij Schaffers optimisme over Harrod deelde, bleek dat in ieder geval niet uit zijn gezicht, dat grimmig en gesloten stond. Na drie minuten kwam van rechts een kreet. Smith begon te rennen. De kreet was afkomstig van Carraciola, die nu op de rand van een door de wind sneeuwvrij geblazen kale rots stond en met zijn lantaren even voor zich omlaag scheen. Voorbij de rots dook de grond abrupt omlaag, waardoor een luwte ontstond waarin zich een diepe laag stuifsneeuw had opgehoopt. Half begraven in deze witte diepte lag sergeant Harrod op zijn rug met wijd uitgespreide armen en benen. Zijn voeten raakten bijna de rots, zijn gezicht met de open ogen was naar de vallende sneeuw gekeerd. Hij scheen de sneeuw in zijn ogen niet te voelen. Ze stonden allemaal op de roerloze man neer te kijken. Smith sprong in de stuifsneeuw, liet zich op zijn knieën vallen, sloeg zijn arm om Harrods schouders en probeerde hem overeind te laten zitten. Het hoofd van Harrod rolde achterover als dat van een vernielde lappenpop. Smith legde hem weer terug in de sneeuw en zocht de hartslag in zijn keel. Nog steeds knielend richtte hij zich op. Een ogenblik bleef hij met gebogen hoofd zitten; toen stond hij moeizaam op. 'Dood?' vroeg Carraciola. 'Dood. Hij heeft zijn nek gebroken.' Het gezicht van Smith was uitdrukkingloos. 'Hij moet in de touwen verward zijn geraakt en verkeerd terecht zijn gekomen.' 'Dat komt meer voor,' zei Schaffer. 'Ik heb het meer zien gebeuren.' Hij zweeg een hele tijd, en vervolgde toen: 'Zal ik de radio maar nemen, sir?' Smith knikte. Schaffer knielde neer en zocht naar de gesp van de riem, waarmee de radio op Harrods rug bevestigd zat. 'Nee, het spijt me, maar niet op die manier,' zei Smith. 'Onder zijn tuniek hangt een sleutel om zijn hals. Die past op het slot onder het klepje van de borstgesp.' Schaffer vond de sleutel, ontsloot met enige moeite de gesp, schoof de riemen van de schouders van de dode en slaagde er ten slotte in de radio los te krijgen. Hij stond op en keek Smith aan. De radio bengelde aan zijn hand. 'Bij nader inzien heeft het weinig zin. Een val die hard genoeg was om zijn nek te breken, kan het binnenwerk van de radio weinig goed hebben gedaan.' Zonder iets te zeggen nam Smith de radio aan. Hij zette hem op de rots, trok de antenne uit, zette de schakelaar op zenden en draaide aan de oproephendel. Het rode verklikkerlampje gloeide aan; het stroomcircuit van de zender was intact. Smith schakelde over op ontvangen, draaide het geluid harder, bewoog de afstemknop, luisterde even naar wat zwaar gestoorde muziek, sloot de radioapparatuur en gaf hem aan Schaffer terug. 'Hij heeft een betere landing gemaakt dan sergeant Harrod,' zei hij kortaf. 'Kom mee.' 'Moeten we hem begraven, majoor?' vroeg Carraciola. 'Dat is niet nodig.' Smith schudde het hoofd en gebaarde met zijn lantaren naar de sneeuwjacht. 'Binnen het uur wordt hij vanzelf begraven. Laten we de voorraden maar gaan zoeken.'
'Laat in godsnaam niet los!' zei Thomas dringend. 'Dat is de moeilijkheid met jullie Kelten,' zei Schaffer berispend. 'Geen vertrouwen in wie dan ook. Je hebt geen enkele reden om je zorgen te maken. In de handen van Schaffer en Christiansen is je leven veilig. Wees maar gerust.' 'Waarom dacht je dan dat ik me zorgen maakte?' 'Als we allemaal beginnen te glijden, zullen we je zo lang mogelijk vasthouden,' zei Schaffer bemoedigend. Thomas wierp een laatste ongelukkige blik over zijn schouder, en liet zich toen langzaam over de zwarte rand van de afgrond zakken. Schaffer en Christiansen hielden ieder een van zijn enkels vast en werden op hun beurt door de anderen verankerd. Zo ver de lichtstraal van Thomas' zaklantaren reikte, bestond de in de duisternis omlaaglopende wand uit een volmaakt loodrechte, naakte zwarte rots. De enige spleten die zich vertoonden, zaten vol ijs; andere plaatsen die handen en voeten houvast konden bieden, waren er niet. 'Ik heb het wel gezien,' zei Thomas over zijn schouder. Ze hesen hem weer op. Hij schoof voorzichtig naar hun opgestapelde voorraden voor hij opstond, en porde in het pak waaruit de ski's staken. 'Heel praktisch,' zei hij gemelijk. 'Werkelijk heel praktisch voor deze toestand.' 'Zó steil?' vroeg Smith. 'Loodrecht en spiegelglad, en de bodem kun je niet zien. Hoe diep denkt u dat het is, majoor?' 'Wie zal het zeggen.' Smith haalde zijn schouders op. 'We zitten op zevenduizend voet. Kaarten geven nooit bijzonderheden op deze hoogte. Haal die nylonkabel eens te voorschijn.' Ze zochten het goede pak en haalden de kabel te voorschijn, driehonderd meter nylon dat nog precies zo in het canvas omhulsel zat opgerold als het van de fabriek was gekomen. De kabel was nauwelijks dikker dan een waslijn, maar de draad er binnenin maakte hem ontzettend sterk. Voor hij de fabriek verliet was elke meter ervan uitvoerig op het voorgeschreven draagvermogen getest, maar het werkelijke draagvermogen was nog veel groter. Aan het ene uiteinde bond Smith een hamer, die hij over de rand liet zakken. Terwijl twee van de mannen hem goed vasthielden, telde hij hoeveel armslengten hij de kabel vierde. Verscheidene malen raakte de hamer een onzichtbare hindernis, naar telkens zag Smith kans hem weer vrij te krijgen. Ten slotte viel de kabel helemaal slap en bleef zo hangen, ondanks alle pogingen van Smith. 'Dat zal het dan wel zijn,' zei Smith. Hij trok zich van de rand terug. 'Maar als het dat nou eens niet is?' vroeg Christiansen. 'Als hij nu eens duizend voet boven de grond achter een pietepeuterig richeltje klem zit?' 'Dan hoor je nog wel van me,' zei Smith kortaf. 'Hoe diep hebt u gemeten?' zei Carraciola. 'Tweehonderd voet.' 'Dan hebben we nog achthonderd voet over, hè?' Thomas grijnsde. 'Die zullen we hard nodig hebben om het garnizoen van Schloss Adler vast te binden.' Niemand vond het grappig. 'Ik heb een nagel en twee walkie-talkies nodig,' zei Smith. Vijf meter van de rand van de rotswand verwijderden ze de sneeuw en hamerden ze een nagel met een haak stevig in de kale rots. Smith maakte van het einde van de nylonkabel een dubbele lus, stak zijn benen erdoor, gespte zijn riem los, maakte hem weer stijf vast om zichzelf en de kabel en hing een walkie-talkie over zijn schouder. Daarna werd de kabel om de nagel geslagen. Drie van de mannen wikkelden hem om hun handen en zetten zich met hun rug naar de afgrond schrap tegen het gewicht. Schaffer ontfermde zich over de tweede walkie-talkie. Smith controleerde of de kabel nergens scherpe of schurende randen van de rotswand raakte, werkte zich behoedzaam over de rand en gaf het teken dat men hem kon laten zakken. De afdaling zelfwas eenvoudig. Zoals Thomas al had gezegd, ging de wand loodrecht omlaag; hij hoefde er alleen maar voor te zorgen dat hij niet tegen de rots terechtkwam terwijl de mannen boven de kabel lieten vieren. Slechts eenmaal, toen de overhellende wand ineens terugweek, draaide hij wild in het niets rond, maar binnen tien seconden had hij weer contact met de rots gemaakt en kon hij zijn gezicht er weer naar toe gekeerd houden. Bergsport voor beginners. . . of misschien leek het alleen maar zo; misschien was het maar goed dat hij niet kon zien wat zich onder hem bevond, dacht Smith wrang. Zijn voeten zakten door veertig centimeter sneeuw en vonden toen vaste grond. Met zijn lantaren scheen hij in een halve cirkel om zich heen, van rotswand tot rotswand. Als het een richel was, dan was het een heel brede richel, want zover zijn ogen en zijn zaklantaren reikten wekte de grond de indruk van een effen plateau dat vanaf de steile rots geleidelijk aan afliep. De wand zelf was een glad en ononderbroken vlak, met uitzondering van een ondiepe spleet van enkele tientallen centimeters breed, vlak bij de plaats waar hij stond. Hij stapte uit de dubbele lus en schakelde de walkie-talkie in. 'Tot dusver is alles in orde. Haal de kabel op. Eerst de voorraden, dan jullie zelf.' De kabel kronkelde omhoog, de duisternis in. In twee keer kwam hun hele uitrusting omlaag; het was binnen vijf minuten gebeurd. Kort daarna verscheen Christiansen. 'Waarom maken ze toch altijd zo'n drukte over die bergbeklimmerij ?' vroeg hij opgewekt. 'Dit had mijn opoe nog wel gekund.' 'Misschien hadden we in plaats van jou beter je opoe kunnen meenemen,' zei Smith zuur. 'We zijn nog niet beneden. Pakje lantaren eens en kijk hoe breed deze richel is, en hoe we het best verder kunnen afdalen. En val in godsnaam niet in de een of andere afgrond.' Christiansen grijnsde en vertrok. Hij scheen zich geen zorgen te maken voor de tijd en zich buitengewoon te amuseren. Terwijl hij nog bezig was met verkennen, kwamen de anderen de een na de ander naar beneden, tot alleen Schaffer nog boven was. Zijn stem door de walkie-talkie klonk klaaglijk. 'En hoe moet ik afdalen? Hand over hand misschien, tweehonderd voet diep? Verkleumde hand over verkleumde hand, tweehonderd voet langs een kabel van deze lengte? Vang me dan maar op! Had nu echt niemand daaraan kunnen denken?' 'Er is iemand die eraan gedacht heeft,' zei Smith geduldig. 'Kijk eens of de kabel nog om de nagel loopt, en schop dan de andere achthonderd voet over de rand.' 'Voor elk probleem bestaat een oplossing,' zei Schaffer opgelucht. Ze hadden hem juist omlaaggetakeld toen Christiansen terugkwam. 'Het valt mee,' meldde hij. 'Een meter of vijftig naar het oosten is een nieuwe rotswand. Dat wil zeggen: ik vermoed dat het weer zo'n steile wand is. Ik heb geen moeite gedaan om erachter te komen hoe diep en hoe steil het daar is. Ik ben een getrouwd man. Maar naar het westen daarginds loopt het plateau zachtjes af. En dat schijnt een hele tijd zo door te gaan. Bomen groeien er ook. Ik ben ze tweehonderd meter lang gevolgd.' 'Bomen? Op deze hoogte?' 'Nou, masten voor een flink schip haal je er niet uit. Het is meer laaggroeiend spul. Maar ze geven wat beschutting. We kunnen ons ertussen verbergen.' 'Prima,' knikte Smith. 'Dan bivakkeren we daar.' 'Zo dichtbij?' Aan de verraste klank van Schaffers stem was te horen dat hij niet veel voor het idee voelde. 'Kunnen we vannacht niet beter zo ver mogelijk naar de voet van de berg afdalen, majoor?' 'Dat is helemaal niet nodig. Als we opbreken zodra het licht wordt, kunnen we bij zonsopgang royaal de boomgrens hebben bereikt.' 'Ik ben het met Schaffer eens,' zei Carraciola rustig. 'Laten we zo vlug mogelijk opschieten.' Hij wendde zich tot Christiansen. 'Wat vind jij ervan, Olaf?' 'Wat Christiansen ervan vindt, doet niet ter zake.' Smith zei het kalm, maar zo koud als de berglucht. 'En jouw mening evenmin, Carraciola. Dit is geen debatingclub, maar een militaire operatie. Bij militaire operaties hoort een leider. Of jullie het prettig vinden of niet, admiraal Rolland heeft mij het bevel gegeven. We blijven vannacht hier. Pak de spullen.' De vijf mannen keken elkaar nadenkend aan. Toen bukten ze zich om het materiaal op te nemen. Er bestond geen enkele twijfel meer over de vraag wie het commando had. 'Meteen de tenten maar opzetten, boss?' vroeg Schaffer. 'Ja.' Smith bedacht dat de aanspreektitel 'boss' volgens het woordenboek van Schaffer waarschijnlijk een hogere graad van respect aanduidde dan 'majoor' of 'sir'. 'Daarna warm eten, hete koffie en proberen met de radio Londen op te roepen. Bid maar een schietgebedje dat hij werkt. Haal die kabel omlaag, Christiansen. Laten we niet beginnen met hartaanvallen te bezorgen aan de kerels, die als het licht wordt in Schloss Adler met verrekijkers gaan rondsjouwen.' Christiansen knikte en begon aan het touw te trekken. Toen het andere eind de lucht in ging, gaf Smith een kreet. Hij sprong naar Christiansen toe en greep zijn arm vast. Christiansen hield geschrokken op met trekken en keek om. 'Jezus!' Smith veegde met de rug van zijn hand over zijn voorhoofd. 'Dat scheelde maar een haar.' 'Wat is er aan de hand?' vroeg Schaffer snel. 'Hijs me op, jullie tweeën. Vlug, voor dat vervloekte touw er vandoor is!' Twee mannen tilden hem op. Smith stak zijn hand uit en greep het bengelende uiteinde van de kabel. Toen hij weer op de grond terugviel, trok hij hem mee. Heel zorgvuldig en heel stevig knoopte hij hem aan het andere uiteinde. 'Nu dat dan allemaal geregeld is...' zei Torrance-Smythe beleefd. 'De radio.' Een diepe zucht van opluchting ontsnapte Smith. 'Er bestaat maar één lijst van frequenties, oproepseinen en coderingen. Veiligheidsvoorschrift. En die ene lijst zit in de tuniek van sergeant Harrod.' 'Vindt u het erg als ik ook even mijn voorhoofd afveeg, boss?' informeerde Schaffer. 'Ik zal hem wel even halen, als u wilt,' bood Christiansen aan. 'Dank je. Maar het was mijn eigen fout, en daarom haal ik hem zelf. Ik ben trouwens de enige van ons met enige klimervaring. Dat heb ik tenminste begrepen uit wat kolonel Wyatt-Turner vertelde. Volgens mij zouden jullie gauw tot de ontdekking komen dat een rotswand beklimmen heel wat moeilijker is dan hem af te dalen. Maar er is geen haast bij. We zullen eerst de tenten opzetten en wat eten.'
'Als dit alles is wat je kunt, Smithy,' zei Schaffer tegen Torrance-Smythe, 'dan ben je met ingang van volgende week ontslagen. Met terugwerkende kracht tot een week geleden.' Hij krabde over de bodem van zijn metalen bord en rilde. 'Ik ben door christenmensen opgevoed, en ik zal je dus maar niet vertellen waar dit me aan doet denken.' 'Ik kan er niets aan doen,' klaagde Torrance-Smythe. 'Ze hebben de verkeerde maat blikopeners ingepakt.' Hij roerde in de ketel op het butaankacheltje, waarin zich een goulash van een onduidelijke samenstelling bevond, en keek hoopvol naar de mannen die in een flauwe cirkel in de halfverlichte tent zaten. 'Wil iemand nog wat?' 'Dat is helemaal geen leuk grapje,' zei Schaffer streng. 'Wacht maar tot je zijn koffie hebt geproefd,' raadde Smith aan. 'Dan vraagje je af waarover je je beklaagd hebt.' Hij stond op, stak zijn hoofd uit de tent om te zien wat voor weer het was en keek weer naar binnen. 'Het kan me een uur kosten. Maalais de sneeuw daarboven is gaan stuiven.. .' De zittende mannen werden plotseling ernstig. Ze knikten. Als het daarboven was gaan stuiven, zou Smith wel eens heel lang bezig kunnen zijn voor hij sergeant Harrod terugvond. 'Het is geen prettige nacht,' zei Schaffer. Ik ga mee om u een handje te helpen.' 'Nee, dank je. Dat is echt niet nodig. Ik takel mezelf op en laat me straks weer zakken. Een kabel om een nagel is bepaald geen lift, maar ik red het wel. Twee man kunnen bij zo'n karweitje niet meer uitrichten dan één. Maar ik heb iets anders voor je.' Smith ging naar buiten en kwam even later terug met de radio, die hij voor Schaffer neerzette. 'Ik voel er niets voor dat hele eind naar boven te klauteren om het codeboek te halen, en dan tot de ontdekking te komen dat de een of andere kinkel over dit ding gestruikeld is en het aan gort heeft getrapt. Bescherm de radio met je eigen leven, luitenant Schaffer!' 'Aye, aye, sir,' zei Schaffer plechtig.
Met een hamer en een paar reservenagels om zijn middel gebonden bevestigde Smith de kabel weer. Net zoals de eerste keer liet hij de kabel door zijn riem lopen en stak hij zijn benen door de dubbele lus. Daarna pakte hij het vrije uiteinde en begon zichzelf op te trekken. Zijn opmerking tegen de anderen, dat dit werk was voor een ervaren bergbeklimmer, scheen nauwelijks ter zake; veel ervaring had je voor dit hijswerk niet nodig, het was alleen maar slopend. Het grootste gedeelte legde hij lopend tegen de loodrechte rotswand af, met zijn benen in een bijna rechte hoek ten opzichte van zijn lichaam. Toen hij echter aan het overhangend gedeelte kwam, waar' zijn armen het hele werk moesten opknappen, moest hij tweemaal een slag in het vrije einde van de kabel leggen om even rust te kunnen nemen en te wachten tot de kracht in zijn schouders en de spieren van zijn onderarmen terugkeerde. Tegen de tijd dat hij zich eindelijk over de rand van de afgrond sleepte, snakkend naar adem en zwetend als iemand in een saunabad, was hij de totale uitputting dicht genaderd. Hij had geen rekening gehouden met de verlammende uitwerking, die een grote hoogte heeft op iemand die er niet aan gewend is. Minutenlang bleef hij plat op zijn gezicht liggen, tot zijn ademhaling en zijn polsslag weer min of meer normaal waren, of althans waren teruggekeerd tot wat normaal is op een hoogte van meer dan tweeduizend meter. Toen stond hij op om de nagel, waaromheen de nylonkabel liep, aan een onderzoek te onderwerpen. Hij scheen stevig genoeg vast te zitten, maar voor alle zekerheid gaf hij er nog een paar krachtige slagen met de hamer op. Daarna verwijderde hij de dubbele lus van zijn benen. Het eind van de kabel bond hij stevig aan de nagel, waarna hij de knoop zo dicht mogelijk aantrok. Een meter verder van de rand van de rotswand veegde hij de sneeuw weg en sloeg een van de meegebrachte reservenagels een klein eindje in het gesteente. Met zijn hand probeerde hij of de nagel gemakkelijk losschoot, hetgeen inderdaad het geval bleek te zijn. Hij sloeg hem nogmaals in de rots en leidde de kabel vanaf de muurvast zittende eerste nagel eromheen. Toen liep hij het flauw hellende plateau op. Hij floot een passage uit 'Lorelei', niet erg welluidend - Smith zou de eerste zijn geweest om het toe te geven - maar in ieder geval herkenbaar. Uit de nacht dook een gestalte op, die struikelend en uitglijdend in de diepe sneeuw naar hem toe kwam rennen. Het was Mary Ellison. Ze bleef vlak voor hem staan en zette haar handen op haar heupen. 'Zo zo!' Hij kon haar tanden horen klapperen van de kou. 'Je hebt er wel de tijd voor genomen, hè?' 'Geen minuut meer dan noodzakelijk was,' verdedigde Smith zich. 'Eerst had ik een warme maaltijd en een kop koffie nodig.' 'Je had een. .. Schurk. Egoïstische schurk, die je bent!' Ze stapte vlug vooruit en sloeg haar armen om zijn nek. 'Ik haat je.' 'Dat weet ik.' Hij trok een handschoen uit en raakte zachtjes het onbedekte deel van haar wang aan. 'Je bent ijskoud.' 'Je bent ijskoud, zegt hij! Natuurlijk ben ik versteend. Ik stierf bijna in dat vliegtuig! Had je niet voor een paar warmwaterkruiken kunnen zorgen, of - of voor een elektrisch verwarmd pak - of voor wat dan ook? Ik dacht dat je van me hield!' 'Wat jij denkt, kan ik niet helpen,' zei Smith vriendelijk. Hij klopte haar op de rug. 'Waar heb je je uitrusting?' 'Een meter of vijftig verderop. En hou op met me op die manier te bekloppen. Ik ben je hondje niet!' 'O, o, wat een woorden toch allemaal,' zei Smith afkeurend. 'Kom, laten we de boel maar eens gaan halen.' Ze sjokten door de dikke sneeuwlaag naar boven. Mary hield zijn arm stijf vast. 'Wat voor smoesje heb je in vredesnaam bedacht om terug te kunnen gaan?' vroeg ze nieuwsgierig. 'Dat je een manchetknoop verloren was?' 'Ik ben niet alleen voor jou teruggekomen. Er was nog iets. Ik deed net of ik er pas op het allerlaatste moment aan dacht, en toen was het bijna te laat. Het radiocodeboek in de tuniek van sergeant Harrod.' 'Is hij - is hij het verloren? Heeft hij het laten vallen? Hoe -hoe kon hij zo misdadig zorgeloos zijn!' Niet-begrijpend bleef ze staan. 'En het zit met een kettinkje vast!' 'Het zit nog steeds in zijn tuniek,' zei Smith somber. 'Hij ligt daarboven - dood.' 'Dood?' Ze greep hem bij zijn armen. Pas na een hele poos zei ze: 'Dood... Die - die aardige man. Ik hoorde hem zeggen dat hij nog nooit eerder had gesprongen. Een ongelukkige landing?' 'Daar lijkt het op.' Zwijgend zochten ze haar koffertje op. Smith droeg het terug naar de rand van de afgrond. 'En nu?' vroeg Mary. 'Het codeboek?' 'Wacht even. Ik wil eens goed naar deze kabel kijken.' 'Waarom?' 'Waarom niet?' 'Houd het maar voor je,' zei ze berustend. 'Ik ben maar een klein meisje. Je zult wel weten wat je doet.' 'Bij God, ik wou dat het waar was,' zei Smith gevoelig. Zwijgend en naast elkaar op de koffer wachtten ze. Allebei staarden ze plechtig geconcentreerd naar de kabel, alsof nylonkabels op tweeduizend meter hoogte iets heel anders zijn dan nylonkabels ergens anders. Tot tweemaal toe probeerde Smith een sigaret op te steken; beide keren werd hij sissend door de sneeuwjacht gedoofd. De minuten gingen voorbij - drie, vier misschien; het leken er wel dertig of veertig. Het drong tot hem door dat het meisje naast hem hevig rilde - volgens hem klemde ze haar tanden op elkaar om ze niet te laten klappèren - en nog pijnlijker werd hij zich bewust dat zijn hele linkerkant, de kant die hij naar de wind en de sneeuw had gekeerd in een poging haar te beschutten, langzaam maar zeker gevoelloos werd. Hij stond juist op om verder te gaan, toen er plotseling een hevige ruk aan de kabel werd gegeven. De nagel verderop in de rots vloog los, en de boog van de kabel schoot razend snel voorbij de nagel waarmee hij verankerd zat, tot hij strak gespannen stond. Wie of wat er ook aan de kabel trok, de kracht die erop werd uitgeoefend werd steeds groter, tot het nylon diep in de verse sneeuw op de rand van de afgrond beet. Smith kwam naderbij en probeerde de spanning van de kabel, eerst zachtjes en onderzoekend, daarna met al zijn kracht. De kabel was en bleef zo strak als een pees, maar de nagel hield het uit. 'Wat - wat is dat?' begon Mary. Toen zweeg ze. Haar stem was niet meer geweest dan een fluistering vol ontzetting. 'Aardig, aardig,' mompelde Smith. 'Vind je het niet sprekend Rocky Graziano, maar dan omgekeerd?' 'Wat?' Mary was opgestaan. Haar lippen weken vaneen en haar ogen waren heel groot. 'Wat zei je, John?' 'Rocky Graziano. Die heeft eens een boek geschreven onder de titel Iemand daarboven mag me. Nou, iemand daar beneden mag mij niet. Vind je het vreemd?' 'Als - als die nagel het niet gehouden had, dan waren we nooit meer beneden gekomen.' Haar stem beefde, en niet alleen maar door de kou. 'Het is een sprong van heb ik jou daar,' gaf Smith toe. Hij nam haar bij de arm en trok haar mee. De sneeuw viel nu dichter; zelfs als ze hun zaklantarens gebruikten was het zicht minder dan twee meter. Door zich echter te oriënteren op de oprijzende rotsmassa had Smith niet meer dan twee minuten nodig om sergeant Harrod terug te vinden. Harrod was inmiddels veranderd in een onherkenbare bobbel ergens in de diepte van de opgewaaide sneeuw. Smith veegde de witte lijkwade weg, knoopte de tuniek van de dode los, pakte het codeboek, hing het kettinkje om zijn nek en bevestigde het boek stevig in zijn eigen Alpenkorps-uniform. Toen moest hij sergeant Harrod op zijn zij draaien. Hij had verwacht dat het een onprettig werkje zou zijn, en dat was het ook; hij had niet verwacht dat het onmogelijk zou zijn, en dat was het ook niet - althans niet volslagen onmogelijk. Wel was het een verschrikkelijk zware opgave. De dode was zo hard als een plank; hij was letterlijk stijfbevroren in de houding waarin hij neergevallen was, met zijn armen uitgestoken. Voor de tweede keer die nacht voelde Smith hoe het zweet zich met de gesmolten sneeuw op zijn gezicht vermengde. Geleidelijk aan kreeg hij hem echter omgedraaid, zodat de bevroren rechterarm naar de sneeuwende hemel wees. Smith knielde neer, hield zijn lantaren wat dichterbij en onderzocht aandachtig het achterhoofd van de dode. 'Wat doe je?'vroeg Mary. 'Wat zoek je?' Opnieuw daalde haar stem tot een zacht gefluister. 'Zijn nek is gebroken. Ik wil alleen maar weten hoe hij gebroken is.' Hij keek het meisje aan. 'Je hoeft niet te kijken.' 'Maak je over mij maar geen zorgen.' Ze wendde zich af. 'Dat was ik echt niet van plan.' Net als de man zelfwaren zijn kleren hardbevroren. De kap, die zijn hoofd bedekte, brak en versplinterde in Smiths gehandschoende handen toen hij hem omlaag trok om het achterhoofd en de nek te kunnen bekijken. Vlak onder de kraag van de sneeuwkiel vond hij ten slotte wat hij zocht - een rode plek, onder aan de nek, waar de huid vernield was. Hij stond op, greep de dode bij de enkels en trok hem een halve meter langs de helling naar beneden. 'En nu?' Mary kon het niet helpen; ze moest weer kijken. Vol weerzin en afschuw verzette ze zich tegen de hypnotische aantrekkingskracht die van het schouwspel uitging. 'Wat zoek je nu weer?' 'Een rots,' zei Smith kort. Zijn woorden hadden een kilte die haar trof. Mary wist dat die niet voor haar was bedoeld, maar de uitwerking ervan was toch voldoende om haar van alle verdere vragen af te laten zien. Met een straal van een halve meter om de plek, waar Harrods hoofd had gelegen, verwijderde Smith alle sneeuw. Heel precies onderzochten zijn ogen en handen de grond. Toen stond hij langzaam op, nam Mary bij de arm en liep weg. Na een paar stappen aarzelde hij. Hij stopte, keerde naar de dode terug en draaide hem weer om, zodat de rechterarm niet langer in de lucht stak. Halverwege naar de rand van de afgrond zei hij plotseling: Tets heeft Harrod achter in zijn nek geraakt. Ik dacht dat het misschien een rots was geweest. Maar er liggen daar geen rotsblokken. Het is allemaal gras.' 'Vlak bij was een uitstekende rotspunt.' 'Je breekt je nek niet op een rotspunt, om daarna op te staan en in een massa stuifsneeuw te springen. Zelfs als hij erin gerold is, kan hij nooit met zijn hoofd meer dan twee meter van de rots terecht zijn gekomen. Hij werd door een hard metalen voorwerp geraakt, door de kolf van een pistool of het handvat van een mes. De huid is beschadigd, maar er is geen blauwe plek te zien; zijn nek brak onmiddellijk daarna, terwijl hij bewusteloos was. We moesten geloven dat het een ongeluk was geweest. Het moet op de rots gebeurd zijn, want de sneeuw om hem heen was ongerept. En het moet zijn gebeurd terwijl hij overeind stond. Een tik in zijn nek, zijn nek snel omgedraaid - en toen viel hij over de rand van dat rotsblok, of hij werd eraf geduwd. Steen is mooi spul,' besloot Smith verbitterd. 'Je laat er geen voetafdrukken op achter.' Mary bleef staan en staarde hem aan. 'Begrijp je wel wat je zegt?' Ze ving zijn peinzende, vertrouwde blik op, legde haar hand op zijn arm en vervolgde snel: 'Nee, ik bedoel wat daar allemaal uit volgt. Het spijt me - het spijt me, natuurlijk begrijp je dat. John, ik - ik ben bang. Zelfs al die maanden, die we samen in Italië waren - dat weet je toch ook, zulke dingen als nu gebeurden toen niet. . .' Ze onderbrak zichzelf, zweeg even en ging toen verder: 'Kan er geen - kan er geen andere verklaring zijn?' 'Dat hij zichzelf van achteren heeft neergeslagen bij voorbeeld? Of dat hij door de verschrikkelijke sneeuwman te pakken is genomen?' Ze keek hem strak aan. Haar donkere ogen waren veel te groot voor haar gezichtje, voor zover dat zichtbaar was onder de capuchon. 'Zo mag je niet praten, John. Ik ben echt bang.' 'Ik ook.' 'Dat geloof ik niet.' 'Nou, als ik niet bang ben, dan wordt het verdomd hoog tijd dat ik het word.' Smith onderbrak zijn afdaling toen hij zich naar zijn schatting ongeveer twaalf meter van de onderkant van de rotswand bevond. Hij greep twee lussen van de nylonkabel om zijn linkerbeen, klemde zijn rechterbeen ertegenaan en sloeg een van de lussen om zijn linkerarm. Met zijn tanden verwijderde hij zijn rechterhandschoen, stopte hem weg in zijn tuniek, haalde zijn Luger te voorschijn en zette de veiligheidspal op vuren. Toen vervolgde hij zijn weg, terwijl hij zijn afdalingssnelheid met zijn gehandschoende linkerhand onder controle hield. Het was bepaald niet ondenkbaar dat degene, die geprobeerd had de kabel omlaag te trekken, beneden stond te wachten om zijn werk af te maken. Hij trof echter geen ontvangstcomité aan, althans niet op de plaats waar hij weer vaste grond onder de voeten voelde. Snel scheen hij met zijn lantaren in een kring om zich heen. Er was niets en niemand te zien; de voetstappen, die er geweest moesten zijn, waren al lang door de sneeuwjacht uitgewist. Met zijn pistool in de ene hand en de lantaren in de andere bewoog hij zich dertig meter langs de rotswand, en beschreef daarna een halve cirkel tot hij weer bij de rots kwam. De touwtrekker had zich blijkbaar bescheiden teruggetrokken. Smith keerde naar de kabel terug en gaf er een ruk aan. Twee minuten later kwam het koffertje van Mary naar beneden, en weer een paar minuten later Mary zelf. Zodra ze uit de dubbele lus was gestapt, maakte Smith de knoop los. Daarna trok hij de kabel van de bovenrand van de afgrond omlaag en rolde hem op. Zijn handen waren langzamerhand zo stijf en gevoelloos geworden, dat al deze werkzaamheden hem bijna een kwartier kostten. Met de kabel over zijn ene schouder en haar koffertje over de andere, ging Smith Mary voor naar de spleet in de rotswand. 'Geen tent opzetten,' zei hij. 'Vouw hem open, leg je slaapzak op de ene helft, kruip er dan in en trek de andere helft van de tent over je heen. Binnen een half uur ben je met stuifsneeuw bedekt. Die sneeuw zal je niet alleen warmhouden, maar je ook verbergen voor eventuele slaapwandelaars. Morgenochtend, voor we opbreken, kom ik terug.' Hij liep weg, bleef staan en keek om. Mary stond hem nog steeds na te kijken, waar hij haar had achtergelaten. Ze liet haar schouders niet hangen en haar gezicht vertoonde eigenlijk geen enkele uitdrukking, maar ze zag er op een vreemde manier hulpeloos, eenzaam en verlaten uit. Na een aarzeling ging Smith naar haar terug. Hij vouwde haar tent en haar slaapzak uit, wachtte tot ze erin was gestapt, ritste de slaapzak dicht en trok de andere helft van de tent tot haar kin over haar heen. Ze glimlachte naar hem. Hij bevestigde de kap van de slaapzak, bedekte hem met een punt van de tent en vertrok zonder een woord te spreken. Hij vond zijn eigen tent heel gemakkelijk terug door het licht dat erin brandde. Hij sloeg de sneeuw van zijn kleren, bukte zich en ging naar binnen. Christiansen, Thomas en Carraciola lagen in hun slaapzakken te slapen, of deden alsof. Torrance-Smythe was bezig hun voorraad plastic explosieven, lonten, slagpijpjes en granaten te controleren, terwijl Schaffer een pocketboek zat te lezen - een Duits - en een sigaret rookte -eveneens een Duitse - waarbij hij trouw de radio bewaakte. Hij legde zijn boek neer en keek Smith aan. 'Alles in orde?' 'Alles in orde.' Smith haalde het codeboek uit zijn tuniek. 'Sorry dat ik zo lang wegbleef, maar ik dacht dat ik hem nooit zou vinden. Het stuift daarboven als een razende.' 'We hebben een wachtregeling gemaakt,' zei Schaffer. 'Ieder om de beurt een halfuur. Over drie uur wordt het licht.' Smith glimlachte. 'Waartegen moet je in deze contreien de wacht houden?' 'Tegen de verschrikkelijke sneeuwman.' Ineens glimlachte Smith niet meer. Hij nam het codeboek van Harrod en prentte tien minuten lang allerlei oproepsignalen en golffrequenties in zijn hoofd. Daarna schreef hij een codebericht op. Nog voor hij daarmee klaar was, was Schaffer in zijn slaapzak verdwenen. Torrance-Smythe betrok de wacht. Smith vouwde het bericht op, stak het in zijn zak, stond op, pakte de radio en een rubber grondzeil om het tegen de sneeuw te beschermen. 'Ik ga een eindje naar buiten,' zei hij tegen Torrance-Smythe. 'Tussen de bomen is de ontvangst waardeloos. Ik voel er trouwens niets voor de anderen wakker te maken. Ik ben zo terug.' Hij stopte twee keer en veranderde evenveel maal van richting, voor hij tweehonderd meter van de tent neerknielde, met zijn rug en het rubber grondzeil naar de sneeuwjacht gekeerd. Nadat hij een vier meter lange telescoopantenne had uitgeschoven, bracht hij een van tevoren uitgekozen oproep aan en draaide hij aan een hendel. Bij de vijfde draai had hij al contact. Er moest daarginds iemand met zijn neus vlak boven de radio op wacht zitten. 'Danny Boy hier,' kraakte de luidspreker. Het signaal was zwak en weifelend, maar nog juist verstaanbaar. 'Danny Boy antwoordt. Over.' 'Slagzwaard hier,' zei Smith in de keelmicrofoon. 'Kan ik vader of moeder Machree spreken? Over.' 'Sorry. Zijn er niet. Over.' 'Code,' zei Smith. 'Over.' 'Klaar.' Smith haalde het papier uit zijn zak en bescheen het met zijn zaklantaren. Er stonden twee regels op met niets dan zinloos samengeflanste letters, en daaronder de vertaling in klare taal: 'VEILIG GELAND HARROD DOOD GOED WEER NADER BERICHT ACHT UUR.' Hij las de corresponderende codecijfers af en eindigde: 'Meld dat aan vader Machree om zeven uur, wat er ook gebeurt.' Torrance-Smythe keek op, toen Smith terugkwam. Zijn stem klonk verbaasd. 'Bent u nu al terug? Hebt u contact gekregen?' 'Geen schijn van kans,' zei Smith walgend. 'Er zijn veel te veel van die vervloekte bergen in de buurt.' 'U hebt het anders wel gauw opgegeven.' 'Na twee en een halve minuut.' Nu was de beurt aan Smith om verbaasd te kijken. 'Je weet toch dat dat het veiligheidsmaximum is?' 'Denkt u dat er afluisterstations in de buurt zijn?' 'Welnee!' Het sarcasme droop eraf. 'Waarom zouden ze in Schloss Adler radiozenders willen afluisteren?' Torrance-Smythe glimlachte vermoeid. 'Ach, ja. Iemand zei dat Schloss Adler het zuidelijk hoofdkwartier van de Duitse geheime dienst was. Sorry, majoor. Het is niet dat ik oud word, hoewel het er wel mee te maken heeft. Maar wat voor mijn hersens moet doorgaan, is zo door kou en gebrek aan slaap aangetast dat het volgens mij helemaal niet meer werkt.' Smith trok zijn laarzen en zijn sneeuwpak uit, kroop in zijn slaapzak en zette de radio vlak naast zich neer. 'Dan moest je maar eens een stukje gaan slapen. Ik heb niets aan mijn explosievendeskundige, als hij geen slaghoedje van een deurknop kan onderscheiden. Vooruit, kruip erin. Ik houd de wacht wel.' 'Maar we hadden afgesproken...' 'Altijd maar tegenstribbelen,' zuchtte Smith. 'Niets dan insubordinatie.' Hij glimlachte. 'Komaan, Smithy. Ik ben klaarwakker. Ik slaap vannacht toch niet.' Een keiharde leugen en een onbetwistbare waarheid, dacht hij. Hij was niet klaarwakker; hij was lichamelijk en geestelijk uitgeput, en hij zou binnen een paar seconden in diepe vergetelheid wegzinken als hij zijn wilskracht maar even liet vieren. Maar dat hij die nacht niet zou slapen, stond als een paal boven water. Niets ter wereld zou hem ertoe kunnen bewegen een oog dicht te doen; maar misschien was het onder deze omstandigheden verstandiger daarvan niets tegen Torrance-Smythe te zeggen.