7

 

'Wat is het hier gróót,' riep Stella Brady uit toen ze waren teruggekeerd in het kantoortje van Corinne Delorme. 'Tjee zeg, ik had er geen idee van dat het hier zo uitgestrekt was. Ik denk dat we wel een kilometer of tachtig hebben gereden.' 'Ja, het is inderdaad een hele oppervlakte,' glimlachte Corinne, blij dat haar twee gasten zich niet hadden verveeld. 'Vond u het ook boeiend, mevrouw Brady?' 'Onvoorstelbaar!' Jean sloeg de kap van haar parka neer en schudde haar blonde haren los. 'Die graafmachines... ik heb nog nooit zo iets gezien. Het zijn... het lijken wel prehistorische monsters, die hun koppen in de grond steken.' 'Precies!' De verbeelding van haar dochter Stella was ook meteen geprikkeld. 'Brontosaurussen. Daar lijken ze sprekend op. Bijzonder vriendelijk van meneer Reynolds om dat rondritje voor ons te regelen. En ook heel aardig van hem om ons voor vanavond uit te nodigen.' Corinne toonde haar glimlach, waarmee ze al vele malen enthousiaste bedankjes had afgewimpeld. 'Het genoegen is geheel aan mijn kant. We zijn hier allemaal erg op bezoekers gesteld, 't Brengt een beetje leven in de brouwerij. U zult het ook vast leuk vinden om kennis te maken met Mary Reynolds, de vrouw van m'n baas. Eens even zien of hij al klaar is om naar huis te gaan.' Via haar intercom liet ze Reynolds weten dat moeder en dochter Brady terug waren van hun rondrit. De vrouwen hoorden zijn stem door de luidspreker: 'Prima. Ik ben hier zo klaar.' ik ga mee,' zei Corinne. 'Alles in orde.' Ze ruimde haar bureau op, sloot de laden af, stopte de sleutels in haar handtas en trok een dik, grappig combinatiepak aan van blauw gevoerd nylon en een paar bontgevoerde laarzen. Even later verscheen Reynolds zelf op de drempel van de verbindingsdeur tussen beide kantoren, al even dik ingepakt in marineblauw en wit. 'Goedenavond, dames,' zei hij opgewekt. 'Een leuk ritje gehad, hoop ik? Niet al te saai?' 'Integendeel,' zei Jean Brady enthousiast. 'Het was allerprettigst en heel boeiend.' 'Mooi zo.' Hij wendde zich naar Corinne. 'Waar zijn onze bewakers?' 'Die staan beneden op ons te wachten.' 'Goed geregeld.' Hij gaf Stella een knipoog. 'We zullen de heren maar meenemen, anders krijgen we standjes van je vader.' Hij ging de vrouwen voor naar beneden. Bij de uitgang van het gebouw liepen twee mannen te ijsberen: Terry Brinckman, de chef bewakingsdienst van Sanmobil en diens rechterhand Jorgensen. Toen Reynolds en de drie vrouwen eraan kwamen deden ze de buitendeur open, waardoor een ijzige windvlaag naar binnen joeg. Buiten op het betonnen platform stond al een van de kleine, geel-zwart geblokte busjes van de maatschappij met draaiende motor in de poolkou te wachten. Achter de twee zitplaatsen voorin waren twee zitbanken voor passagiers. Reynolds hielp Jean en Stella op de voorste zitbank, sloeg het portier dicht en ging zelf achter het stuur zitten, de messcherpe wind vervloekend. Corinne nestelde zich tussen de twee bewakers op de achterste zitbank. Het busje reed naar de hoofdpoort. Via de radiotelefoon sprak Reynolds met de bewaker van de poort en gaf een beschrijving van het busje, om de man een loopje naar buiten in de kou te besparen. De grote metalen roldeuren, aangedreven door elektrische motoren, gleden omhoog. Een paar sneeuwvlokken joegen voorbij in het scherpe licht van de booglampen, die de omheining verlichtten. Reynolds toeterde een paar maal bij wijze van bedankje en het busje reed met twee fel borende koplampbundels de ijzige duisternis in. In het busje zelf was het warm en behaaglijk. Het ritje naar het huis van Reynolds zou maar twintig minuten in beslag nemen. Toch voelde Corinne zich niet erg gerust. Haar baas was de hele dag erg nerveus geweest. Hoewel Corinne bij hem haar zonnigste humeur had getoond, verlangde ze niet erg naar het gezellige avondje bij de familie Reynolds. Ze verwachtte dat het een nogal saaie aangelegenheid zou zijn. Misschien konden ze wat muziek maken, dat was altijd wel leuk. Ze boog zich naar voren en vroeg of Stella gitaar kon spelen. 'Zeker!' zei Stella. 'Als niemand luistert.' 'Kom nou! Misschien kunnen we er een zangavondje van maken.' 'Natuurlijk speelt ze goed,' zei Jean beslist. 'Je kunt zingen wat je wilt en zij speelt het.' 'Goed zo.' Corinne drukte haar rug weer tegen de leuning tussen haar twee stevig gebouwde begeleiders. Het busje had inmiddels het onbebouwde deel van het fabrieksterrein verlaten en volgde de bochtige weg door het lage bergland, dat de teerzandgronden van Fort McMurray scheidde. Reynolds reed heel rustig, zonder nodeloos optrekken of remmen, want over het wegdek joeg de altijd stuivende sneeuw, die in het licht van de koplampen glinsterde. Ze waren net de scherpe bocht door van een punt, dat bij de plaatselijke bewoners bekend stond en berucht was als de 'Beulenbocht', toen Reynolds toch op zijn rem ging staan. Het busje slipte naar links en hij herstelde de slip vloekend. Recht voor hen uit werd de weg door een zwarte vrachtwagen geblokkeerd, die in dwarse slip tot stilstand was gekomen. 'Kijk uit!' schreeuwde Corinne. 'Er ligt iemand op de weg!' De bus kwam glijdend tot stilstand op een paar meter afstand van een ineengedoken, voorover liggende figuur. De ronddwarrelende jachtsneeuw joeg even een paar seconden een andere kant op, waardoor de mensen in het busje nóg iemand voorover op de weg zagen liggen, maar deze figuur bewoog. 'O, mijn God!' riep Jean. 'Een ongeluk!' 'Dames, blijf rustig zitten,' beval Reynolds scherp. 'Terry? Ga eens kijken wat er aan de hand is.' Brinckman opende het portier aan zijn kant en stapte uit. Corinne voelde de ijzige wind van rechts tegen zich aan blazen. Tegelijk zag ze rechts voor zich uit een derde figuur vanaf de stilstaande vrachtwagen naar het busje toe komen waggelen. Deze man hield zijn handen voor zijn gezicht, alsof hij zijn ogen tegen het scherpe licht van de koplampen beschermde. Hij hinkte en zwaaide heen en weer, alsof hij gewond was. Corinne merkte dat Brinckman de eerste-hulpkist onder haar zitbank vandaan rukte. Het volgende moment gleed hij uit op de bevroren sneeuw, ging onderuit en viel plat op zijn zij. Hij krabbelde weer overeind en liep heel omzichtig, zijn voeten ver uit een, naar de gewonde man toe, kennelijk om hem hulp te verlenen. Wat daarna gebeurde ging zó snel, dat Corinne zich later talloze malen afvroeg of ze het zich nog wel precies herinnerde. Alles leek als in een nevelig verschiet te verlopen. Het ene ogenblik naderde Brinckman de hinkende figuur. Het volgende ogenblik scheen deze geen enkele last meer van zijn verwondingen te hebben: hij kwam in zijn volle lengte overeind en gaf Brinckman een uitgekiende rechtse hoek, die hem als een boom velde. Op het moment waarop de man zijn handen voor zijn gezicht wegnam, zag Corinne dat hij een nylonkous over zijn hoofd had. Stella schreeuwde: 'Wegwezen! Snel!' Ook Corinne riep iets. Maar voor iemand in het busje iets kon doen, stond de man met de kous over zijn hoofd bij het portier van Reynolds. In een oogwenk had de man het iets openstaande smalle tochtraampje helemaal opengestoten en wierp hij iets in de wagen dat siste. Achterin wierp Corinne zich instinctief plat voorover op de vloer van het busje. Voor in de wagen hoorde ze gesmoorde kreten en de afschuwelijke geluiden van mensen, die in de smerige lucht naar adem hapten. Toen bereikte het gas ook haar gezicht en ze worstelde verstikkend voor haar leven. Maar ondanks die ellendige benauwdheid merkte ze dat de mensen voorin uit het busje de sneeuw in werden gesleurd. Ze kroop zo laag mogelijk over de vloer van de wagen, vechtend tegen de stekende pijn in haar keel en ogen. Ze hoorde een man roepen: 'Waar is die andere griet? We hebben er maar twee!' Het volgende ogenblik werd ze bij de kap van haar sneeuwpak gegrepen en languit op de weg getrokken. Zonder dat ze precies wist waarom wendde ze bewusteloosheid voor. Het leek haar veiliger. Ze voelde dat ze heel gemakkelijk, als een zak aardappelen, over het gladde wegdek werd gesleept. Het deed geen pijn en het kostte geen moeite toen haar achterste door de sneeuw gleed. Aan de voorkant van het busje, in het licht van de koplampen, zag ze dat de zogenaamd gewonde man was verdwenen. De motor van het busje liep nog, maar ook de motor van de vrachtwagen, die de weg blokkeerde, werd aangezet. Plotseling werd Corinne opgetild en in de open laadbak van de vrachtwagen gegooid. Voor de eerste keer werd ze nu heel bang, niet voor de kidnappers, maar omdat ze wist dat ze het gevaar liep dood te vriezen. In haar dikke pak rilde ze al hevig en als zij en de anderen kilometers achtereen in een open laadbak moesten zitten, zou de kou voor alle drie de vrouwen een wisse dood betekenen... Maar haar angst daarvoor bleek ongegrond. Na een ruwe bonkende rit van niet meer dan enkele seconden - daar durfde ze later op te zweren - kwam de vrachtwagen knarsend tot stilstand. Het geluid van de motor verdronk opeens in een veel luider, zwaarder geronk dat overal om hen heen leek te zijn. Corinne opende in paniek haar ogen en zag dat de wagen naast een grijswitte helikopter was gestopt. Ze keek omhoog en zag de schroefbladen wentelen. Ze wilde gaan schreeuwen of wegrennen, maar ze zag er het nut niet van in. Eén seconde aarzelen op haar vlucht zou al fataal kunnen zijn. Ze voelde dat ze als een zak bij schouders en enkels werd genomen en aan boord werd gesmeten. Het geluid was angstaanjagend. Het geloei van de motor steeg nu tot een furieus gegier, maar door dat lawaai heen hoorde ze een vrouw schreeuwen en mannen brullen. Ze zag een lichaamsvorm, die ze als die van Stella herkende, verwoed vechten met een van de mannen met een nylonkous over zijn hoofd. Ze rolden vechtend over de kale stalen vloer van de helikopter. Een andere man had de deur in de zijkant van de romp van het toestel bijna afgesloten, maar hij bleef zijn door de kous onherkenbare kop door de opening houden, iets brullend naar iemand die nog op de grond stond. Het gierende geluid van de motor steeg en daalde, steeg en daalde, alsof de piloot last ondervond van een of andere storing. Daar ging de machine omhoog en bleef in de lucht hangen, maar dat duurde niet lang. De machine daalde weer tot de grond. Corinne was nog nooit eerder in een helikopter geweest en ze wist niet wat er ging gebeuren. Ze kon niet beoordelen of dit een normale startroutine was of dat de piloot een of ander probleem had. Maar wat ze wél heel goed begreep was dat de man, die naar de andere kerel op de grond had geschreeuwd, vergeten had de deur goed te sluiten. De man was weg en de deur stond nog een klein eindje open. Een wanhopig plan flitste door haar brein: op het moment van de start, wanneer die ook zou zijn, zou ze naar de deur rennen, die openrukken en zich naar buiten laten vallen. Voor ze de tijd kreeg om de risico's daarvan in te zien, voelde ze het toestel stijgen. Ze waren al los van de grond. Een hevige bonk volgde. Wéér aan de grond, dacht ze. De keer daarop scheen het te lukken. Het was nu of nooit. Ze rolde bliksemsnel opzij, wierp zich tegen de deur aan en rukte die open. Ze kreeg een klap van een verdovend koude windvlaag. Te laat zag ze dat het toestel al een flink eind van de grond was. Ze werd door de luchtstroom gegrepen, om haar as geslagen en weggezogen. Wild graaide ze naar de rand van de deuropening, maar haar dikke handschoenen gleden zonder houvast langs het kale metaal. Op de rand van haar bewustzijnsdrempel hoorde ze een man schreeuwen: 'Je bent waanzinnig! Je valt te pletter!' Toen was er alleen nog het vallen door de sneeuwbezwangerde wind. Ze tuimelde hals over kop en zag een paar koplichten onder zich door het donker priemen. Dat was het laatste dat ze kon zien; de volgende seconden zouden haar de rest van haar leven nachtmerries bezorgen. De tijd stond stil. Ze viel eindeloos lang door de ijzige lucht in de overtuiging dat haar lichaam ieder ogenblik aan stukken zou smakken. Ze wilde schreeuwen, maar dat ging niet. Ze wilde diep ademen, maar ook dat lukte niet. Ze probeerde zich om te gooien, maar ze kon de houding van haar val geen millimeter wijzigen. Ze viel hulpeloos, verstijfd van angst. De klap was ongelooflijk zacht. In plaats van dat ze op de steenharde toendragrond terechtkwam, belandde ze in iets zachts, iets dat meegaf. Haar rug kwam het eerst neer en ze sloeg in die houding een meter diep in die gezegende zachte deken. Door de stopkracht werd ze een hele slag omgeworpen, maar dat was alles. Ruggelings lag ze kreunend naar adem te snakken, maar zodra ze haar longen vol lucht had gezogen begon ze van opluchting hevig te beven. Tot haar verbazing lachte en huilde ze tegelijk. Ze was op haar rug in een grote hoop sneeuw beland. Jay Shore stond op het punt zijn kantoor in het bedrijf van Sanmobil te verlaten, toen de telefoon ging. Hij greep de hoorn. 'Ja?' 'Centrale,' zei een stem, overslaand van nervositeit. 'Een spoedgeval. Chauffeur Pete Johnson op de radiotelefoon. Hij wil u ogenblikkelijk spreken.' 'Goed. Verbind maar door.' Shore wachtte. 'Hallo? Hallo?' De krakende stem van Johnson klonk al even opgewonden als die van de man in de centrale. 'Meneer Shore?' 'Ja, Johnson. Kalm aan maar. Wat is het probleem?' 'Ik ben onderweg naar Fort McMurray, meneer, in bus MB3. Ik ben net een bocht door gekomen en daar staat bus MB5 leeg midden op de weg.' 'Léég?' 'Ja. Portieren open, motor loopt, lichten aan. Waar het om gaat is dat het de bus is waarmee meneer Reynolds naar huis ging.' 'Jezus! Waar ben je nu?' Ruim een kilometer voorbij de Beulenbocht. In de richting van Fort McMurray.' 'Okè. Ik stuur iemand naar je toe.' 'O, meneer Shore...' 'Ja, wat is er?' 'Ik heb net een helikopter vlak naast de weg zien opstijgen ener viel iemand uit. En er liggen twee jongens van onze bewakingsdienst op de weg. Meneer Brinckman en meneer Jorgensen. Het lijkt me dat ze er slecht aan toe zijn.' 'Jezus!' 'Zeg dat wel. En er staat een vrachtwagen in de sneeuw op de plaats waar de heli de lucht in ging. Die wagen probeert weer op de weg te komen in de richting van Fort McMurray.' 'Blijf bij 'm uit de buurt!' beval Shore. 'Blijf in je eigen wagen. Hou een beetje afstand. Niet in zijn buurt komen, hoor je. Er komt dadelijk iemand naar je toe.' 'Okè, meneer Shore.' Shore ramde de hoorn neer en greep een tweede hoorn, een buitenlijn. Hij draaide en wachtte. Shore wist dat Carmody en Jones, de twee mannen van de 'Royal Canadian Mounted Police', die de opdracht hadden de dames Brady te bewaken, ook voor het dineetje ten huize van Reynolds waren uitgenodigd, zodat hij daarheen belde. Er werd opgenomen door de vrouw van Reynolds. 'Mary? Met Jay Shore. Luister eens... er zijn wat moeilijkheden hier. George en de dames hebben wat oponthoud. Wat zeg je? Nee, dat hoop ik niet. Niks om over in te zitten. Zijn die twee politiejongens al bij je? Ja? Prachtig. Graag, ja. Geeft niet wie.' John Carmody kwam aan het toestel. 'Spoedgeval,' zei Shore zacht. 'Ik geloof dat je mensen gekidnapt zijn. Ja, ja, zeker.' Hij legde in enkele zinnen uit wat hij wist. 'Wat ik graag van jullie zou willen is dat jullie onmiddellijk naar de Beulenbocht gaan. Alles wat je tegenkomt aanhouden: het kan de vrachtwagen zijn die we moeten hebben. Okè?' 'Okè. We gaan.' 'Prima. Aan de slag dan.'

*** 

Carmody reed. Jones hield het geweer en zijn eigen .38 revolver bij de hand. De Cherokee jeep, een vierwielaandrijving stationmodel, lag heel wat beter op de weg dan een gewone personenwagen, maar niettemin moesten ze voorzichtig rijden. Achter het stuur zat Carmody onafgebroken te vloeken. 'Laten we die vrouwen godverdomme één keertje alleen, gebeurt prompt dit. Wat waren die bewakers van Sanmobil in jezusnaam aan het doen?' Met de jachtsneeuw in hun koplampen reden ze door tot er plotseling lichten van een tegenligger opdoemden. 'Blokkeer de weg!' riep Jones. 'Ga dwars staan.' 'Beter om de wagen recht te houden en hem te verblinden. Hij kan er toch niet langs.' Carmody stopte midden op de weg en zette het knipperlicht en de extra schijnwerper aan. De naderende wagen kwam de bocht door, remde en slipte hevig van links naar rechts voor de wagen glijdend tot stilstand kwam. Jones sprong eruit en liep naar de wagen toe. Hij had nog geen vier meter afgelegd, toen een vuurstraal uit het raam naast de bestuurder schoot, onmiddellijk gevolgd door de klap van een geweerschot. Jones draaide opzij en greep naar zijn linkerschouder. De chauffeur van de andere wagen schakelde en liet opkomen. Heel even zoefden de banden zonder greep door de sneeuw. Toen schoot de wagen naar voren, recht op de jeep af, maar zo manoeuvrerend dat de zijkant langs de jeep schuurde. Het lukte de chauffeur om zich langs de jeep te wringen, waarna hij doorschakelde en vol gas in de richting van Fort McMurray verdween. Carmody wilde zijn portier opendoen, maar dat ging niet: aan de kant van zijn stuur was het plaatwerk van de zijkant helemaal ingedeukt. Hij wierp zich naar de andere kant en rende zijn gewonde collega te hulp. Jones was bij bewustzijn, maar hij bloedde gemeen uit een wond bovenin zijn borst. In de sneeuw onder hem verspreidde zich een grote donkere vlek. Carmody moest pijlsnel denken. Het was te koud om de wond te behandelen: als hij de kleren van Jones zou gaan uittrekken, zou zijn vriend door blootstelling aan de kou en bijkomende shock ter plaatse sterven. Hij moest eerst de warmte in en dan zo snel mogelijk naar het ziekenhuis. Er moest een ambulance komen. 'Tanden op elkaar, Bill,' zei hij vriendelijk. 'Je móet overeind komen, jongen.' 'Oké,' mompelde Jones. 'Het gaat wel.' 'Op je voeten dan.' Carmody greep hem om zijn middel zonder borst en schouders aan te raken en hees Jones overeind. Hij wist hem stap voor stap naar de jeep te krijgen waarvan hij een van de achterportieren opende. 'Voorportier zit vast. Hier in.' Hij kreeg de gewonde Jones veilig in de wagen, sloot de deur, klom weer binnen en zette de verwarming op maximum. Vervolgens greep hij de radiotelefoon. Tot zijn woede gebeurde er niets. Het toestel was niet kapot, maar er kwam geen geluid door. Door de dreun van de vrachtwagen tegen de zijkant was er iets gebroken. Een ogenblik overwoog Carmody nog om de jeep te keren en de achtervolging in te zetten. Maar hij begreep wel dat de vrachtwagen al een te grote voorsprong had. Zelfs met de vierwielaandrijving van de jeep zou het nooit lukken om de wagen op de korte afstand naar Fort McMurray nog te kunnen inhalen. Carmody bevond zich in ieder geval dichter bij de zuiveringsinstallaties van Sanmobil. Het was beter om contact te maken met de chauffeur van het busje, die het eerst alarm had geslagen. Zo snel als hij het maar enigszins kon wagen reed hij in de richting van de fabriek. Jones hield zich onheilspellend stil en gaf geen antwoord als Carmody hem iets vroeg. Carmody klemde zijn kaken opeen en ploeterde voort door de sneeuw. Na een minuut of vijf zag hij het stilstaande busje. Hij herkende de zwart-geel geblokte MB5 onmiddellijk; hij had er zelf diverse malen in gezeten. Achter het busje stond een hele file auto's, aangehouden door Johnson die iedereen toesnauwde dat de politie onderweg was en dat geen mens het busje tot die tijd mocht aanraken. De twee aangevallen bewakers zaten ineengedoken en kennelijk nog aangeslagen achterin de bus van Johnson. Carmody bekeek de situatie snel. 'Weg met die bus,' beval hij. 'Laat iedereen passeren.' Ze duwden de MB5 van Reynolds naar de kant van de weg en de file passeerde. Helemaal achteraan de file kwam een vrachtwagen van Sanmobil aanhobbelen met twee magazijnbedienden erin, de enige mensen, die Shore op dit late uur van de werkdag nog te pakken had kunnen krijgen. Carmody gebruikte de radio in de bus van Johnson voor het oproepen van politieversterking en hij waarschuwde de ziekenafdeling van Sanmobil, dat er drie gewonde mannen zouden worden aangevoerd. Voor dat doel vroeg hij één van de mannen van Sanmobil om de jeep met de gewonde Jones erin naar de ziekenzaal te rijden. Brinckman en Jorgensen, nog wankel ter been, stapten eveneens in de jeep. 'Gauw de warmte in!' zei Carmody. 'Ik spreek jullie nog wel.' Zodra de jeep wegreed, vroeg hij aan Johnson: 'Wat is er gebeurd?' 'Toen ik kwam aanrijden, stond het busje midden op de weg, precies zoals u hem zelf zag staan. Die twee bewakers lagen ervoor en probeerden overeind te komen. Ik stapte uit en toen hoorde ik het lawaai van een helikoptermotor vlak bij.' 'Waar precies?' 'Daar. Ik zal het u laten zien.' Johnson knipte een sterke zaklantaarn aan en ging op de keihard bevroren grond voorop lopen. 'Het leek wel alsof die piloot technische moeilijkheden had. Hij draaide volle toeren en nam dan weer terug. Maar toen ging hij toch: in die richting, naar het noorden. Kijk! Je kunt de afdrukken van de ski's nog zien.' In de lichtstraal waren de afdrukken van lange, zware onderstelski's nog goed te zien, hoewel al ondergestoven door de sneeuw in de windkracht van de schroefbaden. 'Hebt u iets van de helikopter kunnen zien, iets waaraan we hem kunnen herkennen?' vroeg Carmody. 'Nee, niks. Een grote donkere schaduw tegen de lucht. Ik weet zelfs de kleur niet, maar die leek me een beetje witachtig. En ook een paar kleine vinschroeven aan het staartstuk.' 'En toen? Waar precies is de man eruit gevallen?' 'Het was geen man, maar een vrouw. Ze schreeuwde. Ergens daar.' Johnson wees. 'Niet zo ver van hier.' 'Van hoe hoog kwam ze neer?' 'Dertig meter misschien. Misschien nog hoger.' 'Moet morsdood zijn... Maar laten we toch maar gaan kijken. God-nog-an-toe! Een van de dames Brady dood!' In de greep van de wind worstelden ze een helling op. Daar boven was de grond tot gladgewelfde hobbels gevormd. De lantaarn van Johnson ging in de sneeuw van links naar rechts, maar de mannen zagen niets van belang. 'Het moet hier toch in de buurt zijn,' zei Johnson weifelend. 'Veel verder kan niet, anders had ik het lichaam niet zien vallen. Laten we nog wat verder gaan.' Ze scharrelden een eindje naar links. Opeens zonk Carmody, die op hardbevroren grond had gelopen, tot zijn middel in sneeuw weg. Hij slaakte een kreet en worstelde zich omhoog. Johnson spitste zijn oren en riep: 'Luister! Ik geloof dat ik wat hoor!' Zwijgend stonden ze stil en luisterden naar het gejammer van de wind. Toen hoorde Johnson het geluid voor de tweede maal -een schreeuw die zwak, maar toch dichtbij klonk. 'Daar!' riep hij. 'Verdomd als het niet waar is: ze roept! Die kant op!' De mannen gingen in de goede richting, maar ze kwamen allebei in diepe en zachte sneeuw terecht. Ze begrepen dat er een kloof in de bodem de richting van het geroep ging. 'Ze zit in de sneeuw!' schreeuwde Carmody. 'Kan niet anders! De enige manier voor haar om de val te kunnen overleven!' De mannen krabbelden op de harde rand van de onzichtbare bodemscheur en volgden die nog twintig passen. Daar hoorden ze de kreet weer, bijna vlak onder hun voeten. De mannen schreeuwden allebei terug en kregen antwoord. Nog een paar passen en ze stonden aan de rand van een verticaal gat in de sneeuw van ongeveer een meter doorsnee. Johnson richtte zijn zaklantaarn in het gat en zag daar een massa blauw sneeuwpak zitten. 'Mevrouw Brady? Stella?' riep Carmody. 'Niet gewond, hoop ik?' 'Nee,' kwam het gesmoorde antwoord. 'Ik ben niet mevrouw Brady of Stella en ik ben niet gewond. Ik zit alleen vast!' 'O... wie ben u dan?' 'Corinne Delorme.' 'Corinne! Goeie genade! Ik ben John Carmody! Kun je het nog even uithouden? We hebben je er zó uit.' Johnson rende naar zijn wagen om een schep en touw te halen. Binnen vijf minuten hadden ze het meisje uitgegraven en te voorschijn gehesen. In aanmerking nemend dat Corinne meer dan een half uur in de bijtende kou had doorgebracht, was ze in opmerkelijk goede vorm, in hoofdzaak dank zij het feit dat de sneeuw haar helemaal had ingekapseld en haar volkomen van de scherpe wind had afgesloten. Maar zodra het meisje in de wagen zat, kwam de reactie en ze begon onbeheerst te beven. De eerste impuls van Carmody was om haar naar het ziekenhuis te brengen, maar hij veranderde van plan. Iets, al wist hij niet precies wat, deed hem een andere tactiek volgen. De schurken denken natuurlijk dat ze morsdood is, dacht hij, ze denken dat ze wéér een moord op hun geweten hebben. De kans was één op de miljoen geweest dat ze precies in het ravijntje vol sneeuw was gevallen in plaats van op de steenhard bevroren grond: vijf passen naar links of naar rechts en er was geen bot in haar hele lichaam heel gebleven. Het is gunstig voor ons, dacht Carmody, dat de kidnappers niet weten dat ze springlevend is. Carmody besloot daarom het meisje even tijdelijk veilig aan de roulatie te onttrekken, in ieder geval tot Brady en diens medewerkers weer terugkeerden. Carmody zei tegen Johnson: 'Zou u juffrouw Delorme naar het quarantaineverblijf van de fabriek willen brengen? Als we bij de hoofdpoort zijn, laat haar dan uit het zicht duiken. Ik wil niet dat iemand weet waar ze is. Als ze u iets vragen, zeg dan maar dat u iets voor meneer Shore moet opknappen. Oké?' Johnson knikte. 'Heb je het gehoord, Corinne?' Carmody nam haar kin in zijn hand en keek haar aan. 'Meneer Johnson brengt je naar het quarantaineverblijf van Athabasca. Daar is het lekker warm en behaaglijk. Daar weet ook niemand waar je bent. Ik kom weer zo gauw mogelijk naar je toe.' Door de shock en de reactie op het gebeurde was het meisje volslagen van streek en ze kon geen woord uitbrengen. 'Vooruit met de geit dan maar,' zei Carmody. 'Rijden.'