Athabasca
Inleiding
Dit boek gaat niet hoofdzakelijk over olie, maar het is gebaseerd op olie en op de manier waarop olie uit de grond wordt gehaald, zodat het misschien wel van enig belang en nut is om even kort bij deze verschijnselen stil te staan. Wat olie is en hoe het eigenlijk ontstaat schijnt niemand precies te weten. De technische boeken en verhandelingen over dit onderwerp zijn legio - ik ben ervan doordrongen dat ik er zelf maar een deel van onder ogen heb gehad - en naar men mij heeft verzekerd zijn ze het over 't algemeen aardig met elkaar eens, behalve als het gaat over wat men toch een punt van aanzienlijk belang mag achten: hoe wordt olie nu precies olie? Er blijken hieromtrent evenveel van elkaar afwijkende theorieën te bestaan als over de oorsprong van het leven. Geconfronteerd met dergelijke ingewikkelde zaken krijgt de welingelichte leek de neiging te vluchten in een veel te eenvoudige verklaring; dat is wat ik nu ga doen, omdat mij niets anders rest. Er zijn maar twee bestanddelen nodig geweest voor het ontstaan van olie: rotsgesteente en de ongelooflijke overvloed aan planten en primitieve levende organismen, die in de rivieren, meren en zeeën van misschien wel een miljard jaar geleden krioelden. Vandaar de uitdrukking fossiele brandstoffen. Wat de Bijbel zegt over de leeftijd der gesteenten geeft aanleiding tot misvattingen over de aard en de duurzaamheid ervan. Gesteenten, het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, zijn niet eeuwigdurend en ook niet onverwoestbaar. Ze zijn zelfs ook niet onveranderlijk. Integendeel, de gesteenten staan aan voortdurende veranderingen en bewegingen bloot en het is nuttig om goed tot ons te laten doordringen dat er een tijd is geweest waarin er helemaal geen gesteenten bestonden. Tot vandaag de dag zijn geologen, geofysici en astronomen het nog steeds niet met elkaar eens over de vraag hoe de aarde nu precies is ontstaan, maar ze zijn het wél in zekere mate met elkaar eens dat er oorspronkelijk een gloeiend en gasachtig stadium was en daarna een gesmolten stadium. Het ene noch het andere stadium kon het formeren van iets op zichzelf staands bevorderen, met inbegrip van gesteenten. Het is een dwaling te veronderstellen dat er altijd van meet af aan rotsgesteenten zijn geweest en dat die er altijd zullen zijn. Toch gaat het ons hier niet om de vraag hoe de gesteenten tot stand zijn gekomen, maar wat er met de gesteenten gebeurt zoals wij die vandaag de dag kennen. Gemakkelijk waar te nemen valt dat proces van voortdurende veranderingen niet, want een kleine wijziging kan tien miljoen jaar vergen en een grote verandering honderd miljoen jaar. Gesteente wordt onafgebroken vernietigd en weer opnieuw geboren. In het afbraakproces is het weer de belangrijkste factor en bij het opnieuw ontstaan de zwaartekracht. Vijf belangrijke weersverschijnselen werken op het gesteente in. Vorst en ijs doen steen splijten. Stofdeeltjes in de lucht kunnen rotsgesteente geleidelijk afslijpen. De werking van de zee, hetzij door de constante beweging van golfslag en stromingen, hetzij door het beuken van zware branding, tast ook de zwaarste kusten meedogenloos aan. Rivieren vormen geweldig sterke vernietigers van gesteenten; men hoeft maar naar de Grand Canyon te gaan kijken om die reuzenkrachten te begrijpen. Gesteenten, die aan al die invloeden weten te ontkomen, worden uiteindelijk in ontelbare eeuwen als gevolg van neerslag afgesleten. Wat ook de oorzaak van de erosie is, het eindresultaat is hetzelfde: het gesteente wordt tot zijn kleinst mogelijke bestanddelen teruggebracht, korreltjes, of zeg maar aarde in de vorm van zand en klei. Regen en gesmolten sneeuw voeren het naar de kleinste stroompjes en de machtigste rivieren, die weer zorgen voor vervoer naar meren, binnenzeeën en de kustgebieden der oceanen. Maar hoe fijn het ook is, het blijft* tóch zwaarder dan water en als het water maar stil genoeg is gaat het geleidelijk naar de bodem zakken, waar het in de vorm van slib ook door de getijdewerkingen, in de mondingen van grote rivieren nieuwe grond vormt. Aldus worden hele bergketens in onvoorstelbaar lange perioden naar zee gevoerd, waarna zich onder de invloed van de zwaartekracht nieuwe gesteenten vormen als laag na laag van het fijne afslijpsel zich op de bodem ophoopt. Die lagen kunnen een dikte van wel driehonderd meter bereiken, zodat de onderste lagen net zolang door de enorme en steeds toenemende druk van bovenaf worden samengeperst dat de afzonderlijke deeltjes gaan versmelten en als nieuw gesteente herboren worden. Tijdens de tussenliggende en laatste vormingsprocessen van de nieuwe rotsformaties ontstaat olie. De meren en zeeën van honderden miljoenen jaren geleden zaten stikvol waterplanten en de primitiefste vormen van dierlijk leven in het water. Bij hun afsterven zonken ze samen met de slibdeeltjes naar de bodem en raakten geleidelijk steeds dieper begraven onder de steeds toenemende druk, waarna de vergane vegetatie en de dode zeediertjes in olie veranderden. Zo even snel en eenvoudig verteld lijkt die gang van zaken heel begrijpelijk. Maar nu wordt het moeilijker. Men kent de noodzakelijke voorwaarden waardoor olie ontstaat, maar de oorzaak van de verandering is niet bekend. Het lijkt waarschijnlijk dat er een bepaalde chemische katalysator voor nodig is, maar men heeft die katalysator nooit kunnen ontdekken. De eerste zuiver synthetisch bereide olie, die zich duidelijk onderscheidt van synthetische nevenproductolie zoals die welke uit steenkool wordt gewonnen, moet nog gemaakt worden. We moeten gewoon het feit aanvaarden dat olie olie is en dat het zit opgeslagen in gesteentelagen van gebieden die we tamelijk goed kennen, maar altijd op plaatsen waar heel vroeger zeeën en meren waren. Enkele van die gebieden zijn vasteland geworden, andere van die gebieden liggen diep in de schoot van nieuwe oceanen. Als de olie in die diepliggende rotslagen was blijven zitten en als de aarde altijd een stabiel oord zou zijn geweest, dan zouden we de olie nooit te voorschijn hebben kunnen halen. Maar onze planeet is een hoogst onrustig oord. Er bestaat niet zoiets als een stabiel vasteland, dat veilig verankerd zit aan de kern van de aarde. De continenten rusten op zogeheten tectonische plateaus, die op hun beurt weer in het gesmolten magma daaronder drijven, zonder anker of roer en vrij om elke willekeurige richting op te gaan die ze verkiezen. Dat doen ze ook zonder enige twijfel: ze vinden het leuk tegen elkaar op te botsen, vlak langs elkaar te schuren, of op elkaar te klimmen of onder elkaar door te schuiven op manieren, die we met geen mogelijkheid kunnen voorzien. In het algemeen gesproken lijken ze in het vertonen van hun essentiële onstabiliteit op rotsgesteenten. Aangezien dit gebonk en gedreun op elkaar perioden van tientallen of zelfs honderden miljoenen jaren in beslag neemt, merken wij er niet veel van, behalve in de vorm van aardbevingen, die meestal optreden als twee tectonische plateaus ruzie met elkaar hebben. De botsing van twee van dergelijke plateaus levert een onvoorstelbare druk op en twee gevolgen van zo'n druk zijn hier van belang. In de eerste plaats hebben de geweldige drukkrachten de neiging om de olie uit de rotslagen te persen en de olie de kant op te duwen naar plaatsen waar de druk minder is - naar boven, naar beneden of naar opzij. In de tweede plaats worden de rotslagen zelf door de botsing in elkaar geduwd of gevouwen. De bovenste lagen worden omhoog geduwd en vormen bergketens - de noordwaartse beweging van het tectonische plateau van India schiep het Himalaja Gebergte -en de onderste lagen worden samengedrukt tot wat in feite onderaardse bergen zijn: massieve welvingen en golvingen van de op elkaar liggende gesteentelagen. Op dit punt, althans wat het ontdekken van olie betreft, wordt de soort van het gesteente zelf van belang. Het gesteente kan poreus of niet poreus zijn. Poreus gesteente, zoals gips, laat vloeistoffen zoals olie door, maar niet poreus gesteente, zoals kalksteen, laat geen vloeistoffen door. In het geval van poreus gesteente sijpelt de olie, onder invloed van de drukkracht, door het gesteente heen tot de druk, die de vloeistof verspreidt, afneemt. Dan komt de olie aan of dicht onder de oppervlakte van de aarde tot rust. In het geval van niet-poreus gesteente blijft de olie in een gesteenterug opgesloten zitten en hoe groot de druk van onderaf ook is, de olie kan geen kant op en blijft daar. In dat laatste geval worden de conventionele methoden van oliewinnen toegepast. Geologen bepalen de plaats van een onderaardse rug en er wordt een gat geboord. Met een beetje geluk vinden ze een niet ondoorboorbare, onderaardse rug vol olie en dan hebben ze verder geen problemen meer: in normale gevallen stuwt de machtige onderaardse druk de olie wel naar boven. Het winnen van sijpelolie, die door poreus gesteente omhoog is gekomen, biedt een heel ander en een veel omvangrijker probleem, waarop het antwoord pas in 1967 werd gevonden. Ook toen was het nog maar een gedeeltelijke oplossing. Het vervelende is natuurlijk dat deze naar de oppervlakte doorgesijpelde olie zich niet tot een olieplas verzamelt, maar dat de olie zich hecht met allerlei materiaal zoals zand en klei heeft vermengd, waaraan het eerst onttrokken en dan verder gezuiverd moet worden. Die olie is in feite een vast gesteente geworden en moet ook als zodanig worden gewonnen. Hoewel deze verharde olie tot wel tweeduizend meter diep kan zitten, kan alleen de toplaag van zo'n zestig meter, met alle beperkingen van de hedendaagse wetenschap en techniek, worden gewonnen en dan nog uitsluitend door mijnbouw aan de oppervlakte. De bekende manier van mijnbouw, te weten een loodrechte schacht maken en dan dwarsgalerijen hakken, is hier volstrekt onvoldoende, omdat aldus maar een miniem gedeelte van de grondstof kan worden gewonnen die nodig is om dit hele mijnbouwprocédé lonend te maken. De jongste oliewinningsmachinerie, die pas in de zomer van 1978 in gebruik werd genomen, moet 10000 ton van deze verharde olie per uur verwerken om de onderneming commercieel zinvol te kunnen noemen. Twee uitstekende voorbeelden van beide verschillende methoden van oliewinning vinden we in het hoge noord-westen van het Amerikaanse vasteland. De bekende conventionele wijze van diep boren wordt goed vertegenwoordigd door de werkmethode op het olieveld van Prudhoe Bay aan de poolzeekust van noordelijk Alaska. De moderne tegenhanger daarvan, het winnen van verharde olie door mijnbouw aan de oppervlakte, gebeurt maar op één plek ter wereld: in de teerzandvelden van Athabasca.