9
Dagen en nachten vlogen voor de zon en maan uit als wolken voortgedreven door de stormen van de tijd. Karana luisterde vergeefs of de berggeesten hun waarschuwingen herhaalden. Na een poosje was hij blij dat hij had gezwegen. Zijn been was nog niet echt sterk genoeg om naar verre en onbekende landen te trekken, en zelfs als het dat wel was, zou hij niet zonder Torka, Lonit en Umak willen gaan. En zij wilden niet geloven dat de geesten van de grote berg door zo'n klein mondje als dat van hem konden spreken. In vele opzichten werd het leven op de richel beter. De herfstnachten werden langer. De dagen waren zacht en mild door het licht van de poolzon, maar dat licht kreeg wel steeds meer een zekere broosheid. Zowel de mensen als de dieren werden onrustig in afwachting van de tijd van de lange duisternis. Zelfs Galeena's mensen stonden met het krieken van de dag op om te gaan jagen, bessen te verzamelen en zich voor te bereiden op de magere donkere dagen die hun wachtten.
De hemel zag wit van de duizenden sneeuwganzen die naar het zuiden en oosten trokken. Ze wedijverden met Lonit en de vrouwen van Galeena's volk om de laatste bessen en wortels van het seizoen te bemachtigen. Toen de ganzen vet werden van de herfstovervloed op de toendra, gingen de vrouwen van Galeena naar beneden om strikken voor ze te zetten. Lonit ving de ganzen liever met behulp van haar bola, een wapen dat volslagen onbekend was bij de vrouwen van Galeena's volk. Torka zag trots hoe de jagers Lonits behendigheid met het vreemde werktuig openlijk bewonderden. De jagers en de jongens waren vol verbazing over het zoemende geluid waarmee de bola laag over de meren en moerassen vloog, en zelfs de norse Ninip schreeuwde van verbazing toen de volmaakt uitgebalanceerde riemen om de poten en nekken van de prooi sloegen. Om een vriendschappelijk gebaar te maken bood Lonit de vrouwen aan hen met de bola te leren werken, maar zij hadden geen zin om iets nieuws te proberen. Ai haalde haar platte, nu scheve neus op en ze| dat het makkelijker was om strikken te zetten dan haar tijd te ver spillen aan het leren omgaan met zoiets ingewikkelds als een bola De vijandigheid tussen Torka en Galeena was geleidelijk aan afgenomen tot een knorrige verdraagzaamheid. De mannen mochten elkaar niet, maar Torka had bewezen dat hij een goed man was op de jacht en omwille van zijn eigen mensen had hij de hoofdman niet meer uitgedaagd sinds hun laatste vijandige woordenwisseling. Nu Galeena zich eindelijk bezorgd toonde over het toekomstig welzijn van zijn mensen, zag Torka geen reden om hem uit te dagen; Galeena's jongste vrouw daarentegen deed haar uiterste best om dat wel te doen. Het was iedereen duidelijk dat ze iets tegen hem had sinds hij haar neus had gebroken, en dat ze met opzet haar aandacht op Torka richtte om haar eigen man tegen de haren in te strijken. Torka meed haar zoveel mogelijk. Nu was ze ook boos op hem en dat deed Galeena plezier en stemde Lonit gelukkig. De nissen in de grot waren weer volgestapeld met proviand voor de komende winter. Overal stonden droogrekken en die waren allemaal beladen met vlees, vis en gevogelte. De vrouwen bewerkten huiden en maakten van horens en botten allerlei gereedschappen. Umak, die zich heel plezierig bij de duidelijk schonere vuurkring van Naknaktup en Oklahnoo had geïnstalleerd, voorspelde alle goeds voor degenen die de laatste dagen van de tijd van het licht voorbereidingen troffen voor het onvermijdelijke opkomen van de kwijnende maan. Met de twee vrouwen, die verzot op hem waren en alles voor hem deden, had hij geen tijd voor Karana. Toen de jongen naar hem toe kwam, gebaarde Umak hem weg te gaan en zei dat hij maar het gezelschap van leeftijdgenoten moest zoeken. Gekwetst en van streek omdat hij werd weggestuurd trok Karana zich terug, maar de oude man merkte het niet. Hij had zijn vrouwen en zijn voorspellingen en dat was genoeg om een man bezig te houden. Arrogant, zelfverzekerd en weer volledig man, had hij bij Galeena's volk groot aanzien gekregen als Heer der Geesten. Hij was dan misschien wat te oud om een steppeantilope in te halen en met zijn blote handen te doden, maar iedereen wist dat hij nog niet zo lang geleden een grote breedkoppige beer had weerstaan en hij zorgde dat niemand vergat dat hij telkens wanneer hij de huid van de beer droeg doordrongen werd van de kracht van het dier zelf. Hij begroette elke ochtendstond met een lied waarin hij naar zichzelf verwees als Man Die Grote Beer Alleen Doodt. Hij hief bij elke zonsondergang een smeekbede aan dat de zon maar zou terugkeren, in de naam van Man Die Loopt In Huid Van Grote Beer. En ziet! De zon kwam op! De zon ging onder! Iedereen was onder de indruk. Vooral Umak. Door hun vertrouwen in zijn toverkracht werden de jagers van Galeena brutaler en beter in de jacht. Uit angst voor zijn macht namen Galeena's vrouwen geregeld een bad en hielden ze hun kamp schoner. In geveinsde trance stond hij er op dat ze dat deden omdat ze anders door de windgeesten zouden worden meegenomen. Torka was openlijk trots op hem, en een stralende Lonit bracht hem de lekkerste stukjes vlees van haar eigen vuur. Alle vrouwen deden dat, want Umak was de man die de geesten van de wilde dieren opriep om te sterven door de speren van de jagers en hij hoefde dus niet voor zichzelf of voor zijn vrouwen te jagen. Voor het eerst sinds zijn jeugd hem in de steek had gelaten, had Umak plezier in het leven... behalve wanneer hij werd afgeleid door Karana's waakzame ogen. Zelfs een Heer der Geesten kon niets opmaken uit de gezichtsuitdrukking van de jongen, dus Umak probeerde het ook maar niet. Het was voldoende dat hij de jongen zonder zijn kruk zag lopen. Weldra zou Torka hem mee naar beneden nemen om op kleine ganzen te jagen. En dat alles doordat Umak zijn vaardigheden als heelmeester had gebruikt om de kwade geesten uit het gewonde been van de jongen te drijven. De oude man was trots op zijn prestatie.
Ook Torka, die de verandering in hem zag, was blij. Umak is gelukkig met deze nieuwe manier van leven?' Hmmm! Op één plek leven is niet de gewoonte van het Volk! Maar Man Die Grote Beer Alleen Doodt zegt dat deze berg waarlijk een Machtige Berg is. Hij geeft deze Heer der Geesten grote kracht en wijsheid! Voor degenen die hun kamp binnen zijn muren hebben opgeslagen is hij goed.'
Torka kon geen reden vinden om het niet met hem eens te zijn. Galeena en zijn volk hadden veel gebreken vergeleken bij de leden van zijn eigen groep, maar het leven was gemakkelijker sinds zij waren gekomen en hoewel Torka merkte dat hij er vaak naar verlangde weer alleen te zijn met enkel Lonit, Umak, Karana en de wilde hond als gezelschap, moest hij toegeven dat de toekomst veel min der dreigend was. Umak had gelijk. Het leven op de berg was goed Voor het eerst sinds Torka zich kon herinneren gingen de dagen en nachten voorbij zonder dat er veel problemen waren.
Op een nacht droomde hij weer over de bulderende muur van water die hoog oprees van achter de horizon en naar het oosten, naar de berg toe kwam. Zwart en woest verdronk hij alles wat bewoog, behalve één onoverwinnelijk wezen dat door en op het water liep. Het was kolossaal. Het was stil. Het was huiveringwekkend, en helaas maar al te bekend. Geen vlees en bloed, maar ook geen geest. Zijn schouders reikten tot in de lucht. Zijn enorme poten doorkliefden het water. Zijn bebloede slagtanden verscheurden de wolken. Er viel een regen van lichamen uit, zonder hoofd, zonder gezicht. Verbrijzeld en geplet grepen zij zich vast aan zijn ruwe vacht en reden op zijn enorme rug. Ze grijnsden van mijlenver uit zijn gekwelde herinneringen naar de dromer.
Alinak, Nap, Egatsop, Kipu. Alle doden van het Volk... ze waren er allemaal. Ze wenkten en spraken tot hem in de steeds harder wordende wind, zeiden hem dat hij niet van hen weg mocht gaan, dat ze hem waren gevolgd, dat ze hem altijd zouden volgen... tot hij een van hen was, weer een lid van het Volk, voor altijd. Hij trilde in zijn slaap. Hij probeerde de droom van zich af te schudden, maar die werd alleen maar intenser. Het beest van zijn nachtmerries kwam bij de bergwand. Het was enorm groot, maar slechts half zo groot als zijn angst was toen het beest zijn slurf ophief zodat de lichamen van de doden omhoog konden klauteren en op de richel konden springen.
Ze bestonden uit mist en rook en ze dansten over de slapende gestalten van Umak, Lonit en Karana heen. Hij kende hen allemaal en kende hen toch niet. Die geplette, gekneusde, afschuwelijk verbrijzelde en bloederige lichamen konden niet zijn geliefde vrouw en zijn nog geliefdere zoon zijn. Ze hadden geen van beiden een gezicht, maar toch glimlachten ze en staarden hem aan voordat ze hun verminkte wolkenmonden op het gezicht van Umak, Lonit en Karana legden om de levensgeest uit hen te zuigen. Het beest ramde zijn slagtanden in de bergwand. De aarde beefde toen de Donderspreker triomfantelijk trompetterde tegen de man die hem helemaal alleen had durven trotseren en het nog na kon vertellen. Torka!
Hij sprak Torka's naam en omvatte met zijn onmogelijk lange slurf zijn borst, verbrijzelde zijn ribben, tilde hem op, droeg hem de grot uit en wierp hem omhoog, de nacht in. Torka schoot de wolken in en werd verblind door hun mist. De bliksem flitste vlakbij. Het donderde oorverdovend toen hij de bliksemschicht greep en gebruikte.
[)e bliksem was deel van hem. Hij werd de bliksem. Die was een verlengstuk van de arm waarmee hij zijn speer wierp. De bliksem gloeide en zette zijn geest in vuur en vlam. Hij trok de menselijkheid uit Torka en veranderde hem in een levend wapen. Zijn arm was geen arm, maar een krachtige slinger met vijf gewrichten; de spieren, pezen en het vlees werden allemaal door de bliksem samengevoegd tot een geweldig werktuig dat terugveerde en naar voren sprong als de poot van een springende leeuw. Hij was minstens even sterk als dat beest toen hij de lichtflits zo snel als een omlaag duikende adelaar uit zijn hand naar beneden liet schieten. Hij raakte de Vernietiger in zijn rode, met haat gevulde oog. Hij schoot recht die haat in, het meer van bloed in dat hem verstikte en de kracht van de bliksem bekoelde tot hij koud en levenloos bleef steken in het hart van de grote, dode geest die nooit meer over de aarde zou zwerven om zich te voeden met mensenlevens. 'Torka!'
Manaaks doordringende gefluister haalde hem uit zijn droom. Hij staarde de jager met het gehavende gezicht verward aan, met droge mond en bonzend hart. De ochtendstond nam langzaam de duisternis weg. Lonit lag warm tegen zijn rug onder hun slaapvachten, maar hij was koud, verward en blij dat Manaak hem wakker had gemaakt.
Kom! Luister! Torka moeten horen!'
Torka kwam langzaam overeind om Lonit niet wakker te maken. Hij trok zijn tuniek aan en volgde Manaak naar de rand van de uitstekende rotspunt. De wereld was blauw van de kou en de watervallen waren stijf bevroren. De wind sprak zacht, met de belofte dat de zon weldra zou opkomen.
Van over de vlakte, uit de verre ravijnen en met ijs bedekte bergketens ver in het oosten, kwam een geluid dat Torka's droom waarheid maakte.
'Mammoet...' Manaak zei het woord met een zucht alsof een vaak opgezegd gebed werd verhoord.
Torka luisterde, zijn hart en ziel even koud en bevroren als de watervallen, tot het geluid duidelijker werd. Hij glimlachte opgelucht 'Veel mammoets. Een kudde. Heel ver. Dagen van deze plek vandaan. Een kudde betekent vrouwtjes en jongen.' De droom verbleekte nu. Hij voelde zich beter. Hij zag de teleurstelling op Manaaks gezicht, maar het kon hem niet schelen. 'Grote Geest... Wereldschudder... de Vernietiger... degene die Manaak wil doden, die is alleen. Die trekt alleen.'
Manaaks ogen vernauwden zich. 'Grote Geest was niet alleen toen hij bij de Gang der Stormen het kamp van de mammoetjagers vond. De mammoets gilden toen ze stierven in de kuilen in het moeras waarin ze door de jagers werden gedreven. Toen kwam Grote Geest. Als de schaduw van vroege winter kwam hij en hij overviel ons als een storm. Toen hij wegging, was hij alleen, maar men zegt dat Grote Geest met de kuddes meetrekt. Hij past op de oude, zwakke en verdwaalde dieren die ergens gaan sterven. Hij doodt degenen die van hun vlees willen eten. Hij stampt degenen die hun botten verstoren de toendra in. Daarvoor leeft hij: om de levensgeesten van degenen die op mammoets jagen te vernietigen.' 'Dan zal hij ons niet komen zoeken, want wij jagen op ander vlees.' Manaak schudde zijn hoofd. 'Men zegt dat Grote Geest alles weet en onthoudt. En net als Manaak vergeeft hij niet. Grote Geest is daar ergens. Zelfs terwijl we praten, sterven anderen misschien in hun kamp. Op een dag zal hij naar ons toekomen en zullen we hem moeten weerstaan. Galeena vindt het dan misschien wel prettig om zich in de buik van de berg te verstoppen, maar tot Grote Geest dood is, zal Manaak luisteren of hij mammoets hoort bewegen in de nacht en zal Torka in zijn dromen beven.
Torka was verontrust door
Manaaks woorden, maar terwijl er voortdurend wild langs de berg
trok in een langzaam minder wordende stroom, waren er geen
mammoets te bekennen en de dieren die Manaak en hij in de verre
bergen hadden horen trompetteren, waren niet meer te
horen.
Overdag bleef de lucht vol vogels die in de steeds langer wordende nachten in de berijpte moerassen gakten, snaterden en kwaakten. De dieren van de toendra verwisselden hun zomerkleed voor het winterse wit. Fluithazen en andere knaagdieren verzamelden koortsachtig het laatste groen dat er te vinden was: takken en twijgen en jonge scheuten die ondanks de steeds toenemende kou durfden te ontspruiten. Verstopt in holen die met korstmossen waren bekleed, zou dit groen drogen en tot voedsel dienen wanneer er een ondoordringbare laag sneeuw en ijs op de toendra lag. De mannen voelden nu minder drang om te jagen. De jongens werden aangemoedigd om af en toe eens op strooptocht te gaan, zolang ze maar binnen gehoorsafstand van een van de ouderen bleven. Karana's been was veel beter, maar toen hij zijn speer pakte en met de anderen mee wilde gaan, dreef Ninip de spot met hem omdat hij nog met zijn been trok en weigerde Torka zeer beslist om hem de rotswand af te laten dalen.
'Wanneer je been sterker is, mag je gaan. Nu nog niet.' Karana gehoorzaamde Torka nors en zonder iets te zeggen, maar toen de anderen zonder hem weggingen keek hij kwaad en kon hij niet worden opgevrolijkt. Zelfs niet toen Lonit zijn favoriete pastei voor hem wilde maken; een mengsel van gestampt vet dat werd gezoet met geronnen bloed met daarin allemaal vers geplukte kornoeljebessen en veenbessen.
De dagen en nachten verstreken, en Torka knikte bemoedigend toen hij zag hoe Karana zijn been oefende tot hij er spierpijn van kreeg. Maar de jongen bleef nog erg met zijn been trekken en hij mocht van Torka de grot nog niet verlaten.
Je zult langzaam zijn. Je zult niet vast ter been zijn. Je zult een gevaar zijn voor jezelf en voor iedere man of jongen die met je jaagt.' Laat me dan alleen jagen! Laat me mezelf bewijzen!' De jongen leek zo sterk op de zoon die hij verloren had dat Torka zijn blik af moest wenden. Karana was als een zoon voor hem geworden. 'Binnenkort,' zei hij en probeerde zijn herinneringen te vergeten. Het lukte hem niet. Toen hij weer naar Karana's ernstige gezichtje keek, zei hij uit het diepst van zijn hart: 'De tijd gaat snel, Kleine Jager. Het lijkt slechts een maan geleden dat ik als jongen in de schaduw van mijn vader liep en mezelf graag wilde bewijzen tegenover hem en tegenover mijn volk. Op een gegeven moment tussen toen en nu werd ik een man die mijn eigen zoon overschaduw de. En nu zijn mijn vader en mijn zoon en de meesten van mijn volk in het rijk der geesten en is Torka bij Karana en worden wij allebei overschaduwd door de wijsheid van Umak, onze Heer der Geesten. Ik zal hem vragen om liederen te zingen waardoor de geesten zich zullen haasten om Karana's been gezond te maken. Maar Karana moet bedenken hoeveel Umak al aan de geesten heeft gevraagd voor één klein jongetje.'
'De Heer der Geesten heeft zijn vrouwen en een nieuw volk. Hij geeft niets om een klein jongetje.'
Torka schudde zijn hoofd. 'Karana leeft dankzij Umaks toverkracht. Karana wordt sterker omdat een oude man hem niet wilde laten sterven. Het leven is goed voor ons, Kleine Jager, dus wees geduldig. Wees tevreden met de dagen zoals ze komen. Wees blij dat tussen nu en het opkomen van de kwijnende maan Torka voor jou zal jagen en Lonit voor jou zal koken terwijl Umak het vuur deelt met degenen die hem op deze hoge, veilige plek weer het gevoel hebben gegeven dat hij jong is.'
'De Heer der Geesten is ons vergeten,' pruilde de jongen. Torka glimlachte. 'Nee, Kleine Jager. Hij heeft zichzelf weer gevonden en vindt het heerlijk om weer een man tussen mannen te zijn.'