3
Bloed. En pijn. Torka werd zich langzaam deze twee dingen bewust en bleef versuft liggen, vol pijn en verwarring. Waar was hij? Waarom was hij alleen? Hij herinnerde zich dat hij de zon had zien opkomen en nu was het donker. En koud. De wind blies met een eentonig geluid over de toendra. Hij luisterde. Lange tijd kon hij niet anders doen dan dat. Het deed pijn wanneer hij bewoog, wanneer hij dacht; zelfs ademhalen deed pijn. Hij zoog kleine beetjes lucht in, even voorzichtig als hij met kleine slokjes zou hebben gedronken wanneer iemand hem iets te drinken had gebracht.
Dorst. In die donkere, pijnlijke onzekerheid was zijn dorst opeens heviger dan zijn pijn. Hij lag met zijn gezicht naar beneden, zijn wang half aan de grond vastgevroren. Zijn mond hing open. Hij kon de toendra proeven. Ze was zoutig en zoet alsof de huid van de eeuwige bevroren grond het vlees was van een levend gevild wezen waarvan het bloed nu in zijn mond liep.
Bloed. Op de een of andere manier had de werkelijkheid iets met dat bloed te maken. En met zijn pijn. En met het feit dat hij alleen was. Door wimpers die samenkleefden van het bloed keek hij uit over de uitgestrekte vlakte en opeens kwam het allemaal terug. De mammoet. De dood van Alinak en Nap.
En zijn eigen dood. Hij herinnerde zich zijn woedende aanval. Met opgeheven speer was hij recht op de mammoet afgerend. Toen het dier zijn kop voorover had gebogen, was hij op een van de slagtanden gesprongen. Toen de mammoet zijn kop omhoog had gegooid om zich van hem te ontdoen, had hij zich tegen de brede schouder van het dier geworpen. Met één hand had hij zich aan de vacht vastgehouden en was hij het dier blijven steken totdat het monster hem uiteindelijk van zich af had gegooid. Hij was omhoog geslingerd alsof hij een steen was die uit een enorme katapult vloog. En toen hij op de grond terechtkwam, wist hij dat hij dood was. jvlaar wonderlijk genoeg leefde hij. Hij had te veel pijn om niet te leven. Zijn instincten zeiden hem dat de mammoet weg was. Waarom? Waarom had hij hem niet afgeslacht zoals hij Alinak en Nap had afgeslacht?
Het antwoord kwam toen hij probeerde op te staan. Hij duwde zich met zijn handen omhoog en, hijgend van pijn vanwege een paar gebroken ribben, keek hij naar de grond onder hem. Wat hij geproefd had, was inderdaad het vlees van een wezen dat levend was gevild. Het was de bloederige massa die er van Nap over was. De langzaam afnemende warmte van zijn geplette, verminkte lichaam had de bewusteloze Torka beschermd tegen de bevriezingsdood. De geur van Naps bloed had de mammoet het idee gegeven dat Torka, wiens lichaam hij bij toeval op dat van Nap had gegooid, ook dood was. Omdat zijn woede was bekoeld en Torka’s steken nauwelijks door zijn dikke, harige huid waren gegaan, was hij verder getrokken. Met het geronnen bloed van de uitpuilende ingewanden van Nap op zijn handschoenen kwam Torka overeind. Kokhalzend en bijna flauwvallend van de pijn wendde hij zich af. Twee keer op één dag had Nap zijn leven gered: één keer toen hij nog leefde en één keer toen hij dood was. Wanneer Torka terugkwam in het winterkamp zou hij lofliederen voor hem zingen. Naps vrouw zou in haar verdriet trots kunnen zijn. Daar zou Torka voor zorgen. Als hij tenminste terugkwam in het kamp. De wind werd sterker. Hoog in de lucht hield een dunne wolkensluier het noorderlicht tegen. Het was een donkere, koude wereld waardoor Torka naar huis begon te trekken.
Uren gingen voorbij. Kilometers legde hij af. Hij was zwak, had P'jn en moest verschillende keren stoppen om te rusten. Ongeveer op het moment dat hij voor het eerst op de sporen van de mammoet stuitte, begon er fijne, droge sneeuw te vallen. Hij trok verder en wist dat de mammoet voor hem uitliep, dezelfde weg die hij met Alinak en Nap dagen geleden vanuit het winterkamp had gevolgd. Half snikkend en vechtend tegen de pijn en zwakte die hem dreigen te overmannen, spoedde Torka zich voort. Hij wist wat de Mammoet van plan was. Die arme, dwaze Nap had gelijk gehad.
Het was inderdaad een boze geest en zijn woede was niet bekoeld. Hij ging op de geur van de mens af. Hij zou die geur blijven volgen tot hij bij het kamp van Torka's volk kwam. Als hij eenmaal daar was, zou hij hen allen doden.
Umak liep alleen door de nacht. Hij probeerde zich niet af te vragen hoe lang hij al liep of hoever hij bij het kamp vandaan was. Daar hoorde hij zich niet meer om te bekommeren. Toch wist hij het precies en had hij geblinddoekt en in een sneeuwstorm zijn weg terug kunnen vinden naar het kamp. Zijn knie deed pijn, maar lang niet zo erg als hij verwacht had. Misschien was zijn knie toch bijna weer genezen?
Het maakt niet uit. Het is tijd voor de dood, niet voor het leven en genezing. Dat is voor Umak niet meer weggelegd. Toch liep hij verder en verbaasde zich over zijn eigen uithoudingsvermogen. Want al was hij oud en bijna verhongerd, hij was toch niet moe. Hij liep langzaam, afgemeten en gestaag zoals iemand die even gemakkelijk beweegt als dat hij ademhaalt: met de tred van een nomade wiens voeten hem overal hebben gebracht onder de wijde en woeste poolhemel.
Hij keek omhoog. De lucht was gevuld met wolken. Harde vlokjes sneeuw, niet groter dan stofdeeltjes, striemden tegen zijn gezicht. Hij merkte dat hij op het weer lette. Er zou geen storm komen, maar de wind werd krachtiger. Over een paar uur zou het ophouden met sneeuwen, de lucht zou opklaren en er zou een hevige kou neerdalen over de toendra. Het zou gevaarlijk zijn voor iemand die er niet tegen beschut was.
Umak schraapte zijn keel. Voor hem lag de zachte glooiing van een heuvel in de toendra. Het was een lelijke, winderige bult maar hij zou een aardig uitzicht over de toendra bieden aan een man die er bovenop zat, blootgesteld aan de wind en wachtend op de dood. Umak ging erbovenop zitten. De wind stak op en vertelde hem over van alles: over jachtpartijen in het verleden en over vrouwen die zijn trots hadden gedeeld, over kinderen die lang geleden waren gestorven, over... van alles, behalve hoe hij moest sterven. Hij had het niet eens koud. Hij bedacht dat hij zich helemaal zou kunnen uitkleden. Dat zou het proces zeker versnellen, maar hij zag er niets waardigs in om bibberend te sterven met zijn oude botten zichtbaar onder zijn huid zodat alle geesten konden zien dat Umak onder zijn kleren niet meer de man was die hij vroeger was geweest. Weer schraapte hij zijn keel. Hij vermande zich en begon zijn levenslied te zingen. De wind zou het naar de wereld der geesten voeren. De Dood zou het horen en weten dat het tijd was om te komen. Umak was misschien niet meer in staat om de geesten van wilde dieren op te roepen. Maar wat voor Heer der Geesten zou hij zijn als hij de geest van zijn eigen dood niet op kon roepen? Hij bleef zingen. Het was een atonaal ritme, een geneuried samenvloeien van woorden en trillingen in zijn keel. Hij probeerde de klank aan te passen aan de wind, maar hij slaagde er niet helemaal in. Het lied ging verder. Hij kon geen woorden meer bedenken. Nu was het lied alleen nog maar geluid. Het verveelde hem. Verveelde het de Dood misschien ook? De gedachte kwetste zijn trots. Hij was Umak! Welke jager kon zich op dapperder daden beroemen dan hij? De Dood zou onder de indruk moeten zijn. Maar zelfs de grootste Heer der Geesten in het poolgebied zou zijn levenslied met niet meer dan een paar verhalen kunnen vullen. Hoeveel grote beren, of sabeltijgers of trappelende kudden reusachtige bizons kon een man in één leven trotseren? Hij was tenslotte maar een mens ondanks zijn buitengewone dapperheid. Wat wilde de Dood van hem? Hij kon toch geen verhalen verzinnen om zijn levenslied langer te maken: dat was een taboe dat niemand zou schenden, uit vrees dat zijn levensgeest zou worden verstrooid in de wind. Hij dacht er even over na en besloot dat de Dood zijn verhalen misschien zo mooi vond dat Umak ze moest herhalen. Umak deed dat, een paar keer. Maar zijn verhalen lokten de Dood niet. In plaats daarvan lokten ze een wilde hond. Het was hetzelfde dier dat de laatste paar dagen in de buurt van het kamp had rondgehangen. Het verbaasde Umak niet dat hij het dier nu zag. De hond Was slim genoeg geweest om de strikken te ontwijken die Egatsop en de andere vrouwen voor hem hadden gezet. Toen hij een eenzame jager het kamp uit zag lopen, had de hond ongetwijfeld besloten hem als een mogelijke prooi te achtervolgen.
De hond stond nu heel dicht bij de oude man. Het was een groot, Golfachtig dier met een masker van donkere vacht om zijn lichtblauwe ogen. De hond bewoog tegen de wind in zodat zijn prooi z')n geur niet zou opvangen. Maar Umak wist dat hij er was. Hij wist het, al bewoog hij niet maar bleef hij zitten met gekruiste benen, zijn handen open op zijn knieën en zijn hoofd omhoog naar de wijde hemel vol wolken. Hij wist het en hij glimlachte. Je zult deze oude man niet ongemerkt besluipen, Broeder Hond. Voordat je Umak tot prooi maakt, zal hij je botten breken en het merg eruit zuigen om het vuur van zijn eigen leven brandend te houden.
Hij sprak niet hardop. Maar op de een of andere manier begreep de hond dat hij bedreigd werd. Hij stond stil, met zijn kop omlaag en zijn staart tussen zijn poten, wachtend tot de onbeweeglijke gestalte het eerste teken van kwetsbaarheid vertoonde. Umak zou hem dat genoegen niet gunnen. Hij bleef zitten zoals hij zat. Vanuit zijn ooghoeken zag hij de hond zijn achterpoten buigen tot hij zat. Hoewel het dier erg groot was, kon je aan zijn te lange poten en slungelige houding zien dat hij nog niet volwassen was. Het was een jong dier, een jong mannetje dat alleen was. Misschien was hij uit de groep gejaagd nadat hij zo onverstandig was geweest om het mannetje dat de leiding had zonder succes uit te dagen. Umak wist niet veel over honden. Hij nam aan dat hun gedrag erg leek op dat van de wolven, die je vaker zag: sociale dieren, die in een roedel jaagden en afhankelijk waren van de groep om te overleven. Een verwarrend gevoel van begrip voor de hond maakte Umak sterk bewust van zijn eigen positie. Jong of oud, mens of dier: geen van beiden kon verwachten lang alleen te overleven. Niet dat Umak van plan was te overleven. Nee. Hij was vastberaden te sterven. Nu, voor het eerst, bewoog hij, net voldoende om over zijn schouder naar de wilde hond te kijken. Misschien wilden de geesten zo zijn levenslied beantwoorden? Hij had gevraagd om de dood. Misschien was deze gemaskerde wilde hond met zijn blauwe ogen de brenger van zijn dood?
'Hmmmfl' Het gesnuif klonk zo hard en woest dat zowel de man als de hond ervan schrokken.
De hond stond nu grommend overeind. De twee verworpenen keken elkaar aan. Umak keek naar het botmagere dier, naar zijn vleeskleurige, gehavende neus en zijn gerafelde oren, en werd opeens kwaad.
'Deze oude man heeft niet zo lang geleefd om nu door honden te worden opgegeten! Umak verdient een betere dood!' Met deze woorden sprong hij overeind, stak zijn armen omhoog en stormde met een luid gebrul recht op de hond af.
Doodsbang draaide het dier zich om en zonder zich de tijd te gunnen om te blaffen of te keffen, rende het over de besneeuwde toendra de nacht in, waarin het even volledig opging alsof het er nooit was geweest.
Lange tijd keek de oude man het dier na. Hij vroeg zich af of het een wezen van vlees en bloed was geweest of een geest. De sporen leverden hem het antwoord. Het dier was zeker echt geweest. En waarschijnlijk zou het maar al te snel weer terugkomen. In de tussentijd ging het vast weer terug naar het winterkamp. Umak dacht aan Egatsop en haar beloften haar pasgeboren kind niet bloot te stellen aan de storm. Hij dacht aan de andere vrouwen die dat wel hadden gedaan. Hij vroeg zich af of de wilde hond in leven was gebleven door het vlees te eten van de baby's waarvan de moeders niet zo praktisch waren geweest als de vrouw van de hoofdman die haar gezin te eten had gegeven van het lichaam van haar pasgeboren kind.
Zijn handen spanden zich. Hij wilde dat hij de hond had gedood. Hij wilde dat hij zijn speren had meegenomen of in elk geval een van zijn dolken. Zijn brede mond vertrok zich. Als de hond terugkwam, zou hij hem met zijn blote handen doden. Het zou zijn laatste dappere daad zijn. Misschien zou de Dood dan niet verveeld raken door zijn verhalen en zou hij besluiten hem op een eervollere manier te halen dan via de kaken van een smerige, uitgehongerde hond.
Maar de hond kwam niet terug. Vreemd genoeg merkte Umak dat hij hem miste. Wat zou er nu op hem afkomen? Hij haalde zijn schouders op. Wat het ook was, hij zou het trotseren, zelfs als het kwam zoals hij verwachtte: stiekem en zachtjes terwijl hij sliep. Hij klom weer de lage heuvel op en ging zitten. De wind was aan het afnemen. Het was opgehouden met sneeuwen. Hij kon sterren zien waar nog maar kort geleden wolken de duisternis hadden bedekt. Het was heel koud toen hij nogmaals aan zijn levenslied begon. Hij zou langzaam doodvriezen. Zijn geest zou zachtjes wegglijden uit het omhulsel van botten en huid dat hem vanaf zijn geboorte gevangen had gehouden. Het zou niet zo'n slechte dood zijn. Hij voelde hoe hij tijdens het zingen steeds slaperiger werd. Maar hij had het lekker warm in zijn dikke kleren en zijn mantel van bizonhuid die de wind tegenhield. Hij bedacht dat hij in deze zelfde kleren en mantel menige winterse storm op de open toendra had doorstaan. Het was niet erg waarschijnlijk dat hij er nu in dood zou vriezen.
Zonder verder omhaal gooide hij ze dus van zich af. De wind ging dwars door zijn onderkleding heen en beet even fel in zijn huid als een wilde hond had kunnen doen. Wanneer hij ademde deed de kou pijn in zijn longen en hij dacht: deze oude man zal nu zeker sterven. Wanneer hij slaapt zal de Dood zeker komen. Hij ging zitten. Hij wachtte op de Dood. De tijd gleed langzaam voorbij. Het was te koud om te zingen. Te koud om te slapen. Hij dacht dat de tijd misschien sneller voorbij zou gaan als hij een geestdans deed. Beweging zou de bloedsomloop verbeteren. Hij zou het warmer hebben totdat de Dood eindelijk kwam en hij in elkaar zakte. Hij probeerde het een tijdje, maar zijn knie deed pijn en hij voelde zich nogal dwaas dat hij zo aan het dansen was zonder dat iemand ernaar keek. Hij ging op zijn hurken zitten op de lage heuvel, onder de onbarmhartige poolhemel, en wachtte gelaten tot het einde kwam.
Het einde kwam niet. Hij rilde. Zijn handen en voeten waren gevoelloos. Zijn penis verschrompelde en zijn testikels trokken omhoog naar die warme holte waaruit ze waren ingedaald toen hij een jongen was. Hij dacht aan zijn jeugd. Het leek niet zo lang geleden. De herinneringen kwamen. Gisteren was dichterbij dan morgen. De tijd ging voorbij. Umak stierf niet. Hij zat daar en gaf uiteindelijk toe dat iemand die zijn leven lang tegen de kou had gevochten zich er niet willoos aan kon overleveren, vooral niet wanneer er warme kleren in de buurt waren. Hij staarde naar zijn kleren en bedacht verstandelijk: deze oude man heeft het te koud om te kunnen slapen. De dood zal tijdens zijn slaap komen. Umak zal zijn mantel omdoen. Hij zal doodvriezen... maar langzaam. Hij maakte een tent van zijn mantel. Zonder zijn tuniek van kariboeleer en zijn vest van vossenstaarten, zonder zijn broek en beenbeschermers had hij het nog steeds koud. Hij had wel zijn laarzen en zijn handschoenen aangedaan. Binnen de beschutting van de oude mantel was de kou minder fel. Umak sliep, zij het onrustig. Af en toe werd hij wakker en verwachtte dan dood te zijn, maar hij bleef leven. Hij mompelde dan boos wat en ging weer slapen. Op een gegeven moment, voor het ochtend werd, voelde hij de dood naderen. De Dood riep zijn naam. Alleen het grommen van een hond maakte hem wakker voordat hij antwoord gaf en zijn geest mee liet voeren.
De wilde hond was teruggekomen en stond heel dichtbij. Hij stond waarschijnlijk al uren te kijken en te wachten op de Dood om daarna aan te vallen. Umak vervloekte hem. Hij sprak hardop. 'Stom beest! Deze oude man stond op het punt om de wereld der geesten te betreden! Kon je niet wachten! Umak probeert de hele tijd al te sterven! Als jij er niet was geweest zou mijn geest vrij zijn en zouden mijn nutteloze botten voor jou een feestmaal zijn! Maar deze botten zijn nu beslist niet nutteloos en je zult deze oude man niet eten terwijl hij nog leeft!'
De hond luisterde. Hij hield zijn kop omlaag, zijn oren naar achteren en zijn tanden ontbloot. Zijn gegrom klonk diep en dreigend. Umak gromde terug. 'Aar... ga weg! Als je te dichtbij komt, zal deze oude man jou opeten!'
De hond bewoog niet. Hij bleef grommen. Het was een eentonig, benauwend geluid, even kil en dreigend als een opstekende noordenwind.
Umak werd niet bang. De hond was groot, maar hij was ook jong en mager en waarschijnlijk even zwak als de uitgehongerde man die hij voor zijn volgende maal had uitgekozen. Uit ervaring wist Umak dat hij de hond kon overbluffen. Hij stond op en trok de mantel van bizonhuid om zich heen zodat hij twee keer zo groot leek. Hij gromde nog eens naar de hond en gaf het beest daarbij een naam.
Aar...' gromde de oude man.
En de hond gromde terug maar ging niet achteruit. 'Aarrr...' Hmmm!' zei Umak geërgerd. Zolang de hond bleef, zou zijn lichaam zijn geest niet laten gaan. Hij bukte zich en pakte een steen om naar het dier te gooien. Hij had goed gemikt: de hond kefte en rende weg. Maar de oude man moest hijgen van de inspanning. Hij Gas inderdaad zwak. Hij was inderdaad stervende. En opeens werd hij bang, omdat hij wist dat hij niet wilde sterven.
Hij pakte zijn kleren weer, trok ze aan en begon te lopen. Hij wist niet waar hij naartoe ging. Hij wist alleen dat hij zou doorlopen tot hij neerviel. En dan zou de hond aanvallen, want Umak wist zeker dat hij hem zou volgen. De hond was jong en zou meer uithoudingsvermogen hebben dan een oude man. Het zou inderdaad de dood zijn die Umak had opgeroepen. De dood die hij niet langer wilde.
De oude man en de hond zagen tegelijkertijd de prooi die de wolven hadden achtergelaten. Ze renden erop af. De honger gaf Umak niet alleen moed maar ook nieuwe kracht. Hij liep als een jonge man, schreeuwde, zwaaide met zijn armen waardoor de hond verward achteruit deinsde. Het dier bleef bang staan terwijl de oude man op de verminkte steppeantilope aanviel, grommend en snikkend van opluchting toen hij het zoete levensbloed proefde en besefte hoe graag hij wilde blijven leven.
Hij bleef maar eten en merkte niet dat de hond ook was gaan eten. Ergens halverwege een achterbout keek hij op en zag de hond tegenover hem van het karkas eten. Ze keken elkaar aan. De hond hield op met eten. Hij gedroeg zich onderdanig. Umak at door. Merkwaardig genoeg voelde de oude man niet de behoefte om de hond weg te jagen. Het rauwe, halfbevroren vlees gaf hem zijn kracht terug. Als de hond er niet was geweest, zou hij nu dood zijn, wist hij, daarginds op die heuvel. De hond had zich dan aan zijn vlees tegoed gedaan in plaats van aan het vlees van de prooi die ze nu deelden. Terwijl hij verder at, vroeg hij zich af of de geesten misschien deze jonge, halfverhongerde hond naar hem toe hadden gestuurd om duidelijk te maken dat zij Umaks dood niet wensten. Maar waarom?
Hij ging bij het karkas vandaan. Zijn honger was gestild, maar zijn vragen bleven onbeantwoord. Hij keek naar de hond. Hij bedacht dat hij nu sterk genoeg was om hem met stenen goed te raken. En het was nu het juiste moment om hem te doden, nu hij niet op zijn hoede was. Hij zou dagenlang van het karkas kunnen eten. Hij zou het zelfs mee terug kunnen nemen naar de stam. Hij zou kunnen pronken met zijn bekwaamheid. Hij zou Egatsop kunnen laten zien hoezeer ze zich in hem had vergist. Hij herinnerde zich hoe ze bereid was om haar eigen kind als lokaas te gebruiken om de hond te vangen. Hij fronste zijn voorhoofd vol afkeer van de vrouw. Nee, dacht hij, terwijl hij naar de hond keek, jij zult niet in de buik van die vrouw verdwijnen. De stam heeft deze oude man verstoten. Maar jij hebt Umak weer de wil gegeven om te leven. Nu we van dezelfde prooi hebben gegeten zijn wij één, Broeder Hond. En Umak zal niet eten van het vlees van zijn broeder. Hij stond op en bleef naar de hond staan kijken. De hond voelde zijn doordringende blik en keek op. Hij keek aandachtig naar Umak met zijn blauwe, zwartomrande ogen. Het dier voelde een verandering in de man. Umaks houding was weer vitaal en doelbewust en uit zijn zwarte, scheve ogen straalde een vreemde, onbedwingbare kracht. Hij had niets dreigends meer. De man had 'zijn' prooi met de hond gedeeld. In de ongesproken, instinctieve taal van alle dieren die in groepen jagen, was dit een teken dat hij hem accepteerde als lid van de groep. Zij die van dezelfde prooi aten waren voor altijd verbonden door het levenschenkende bloed van die prooi dat zij tot zich hadden genomen. Een roofdier mocht nooit samen met zijn prooi eten. De hond begreep dat. Hij voelde dat de man het ook begreep. De hond ontspande zich duidelijk. Hij wendde zijn ogen van de man af en begon naar hartenlust te eten. De man zou hem niets doen. Hij zou de man niets doen. Ze hadden een verbond gesloten. Ze behoorden nu tot dezelfde groep.
Umak en de hond bleven bij het karkas van de steppeantilope tot ze het helemaal hadden opgegeten. De prooi was vers en maar gedeeltelijk verorberd door de wolven die haar hadden buitgemaakt. Pas toen Umak de laatste botten kraakte en het merg eruit zoog, begon hij zich af te vragen waarom wolven zoveel vlees zouden laten liggen.
Die vraag zette Umak aan het denken, want wolven zijn even spaarzaam als mensen en wat ze niet ter plekke kunnen eten nemen ze mee of verbergen ze. En het waren tijden van grote honger voor jagers, of het nu mensen waren of beesten.
Het flauwe ochtendlicht van de poollente ging over in de schemering. Het werd weer nacht. De oude man zat ineengedoken in zijn tentachtige mantel van bizonleer en sliep, met de wilde hond in de buurt maar niet al te dichtbij. Ze waren niet langer tegenstanders, maar nog geen vrienden. De nacht ging voorbij. Het werd weer ochtend. Umak werd wakker en glimlachte omdat hij leefde en hij was blij, hoewel hij niet precies wist waarom.
Hij liep verder. De hond volgde hem. Toen hij pauzeerde, bleef de hond ook staan. Toen hij weer verder ging, was de hond nog steeds bij hem. In het flauwe licht van de poolochtend vonden ze het pad dat Nap, Alinak en Torka hadden gevolgd toen ze dagen daarvoor uit het kamp waren vertrokken. Umak bleef staan en vroeg zich af of ze al weer terug zouden zijn bij de stam. Omdat Torka erbij was, twijfelde Umak daar niet aan. Zijn kleinzoon was een uiterst bekwaam jager, een man met een scherp instinct. Wanneer Umak hem alles had geleerd wat er te leren viel, zou Torka op een dag Heer der Geesten worden.
De oude man knarsetandde. Hij bedacht dat hij was verstoten en dat hij Torka niets meer bij zou brengen. Zijn kleinzoon zou het moeten doen met wat hij had geleerd. Ze zouden elkaar nooit meer zien.
Die gedachte deed de oude man zo'n pijn dat hij wenste dat hij inderdaad was gestorven. Want alleen op de toendra zijn, verstoten uit de stam zonder zijn beminden ooit nog te zien, dat was immers de dood.
De plotselinge opwinding van de hond maakte een einde aan Umaks melancholieke overpeinzing. Voor hen liepen andere sporen dwars over die van Umaks stamgenoten. De hond liep eromheen en snuffelde. De oude man ging kijken. Mammoet.
Hij was zo verstandig om het woord niet hardop uit te spreken zodat hij de geest van het wilde dier niet zonder de juiste rite opriep, maar het was inderdaad mammoet. Een mammoet die alleen was, en aan de afmetingen van zijn sporen te zien de grootste mammoet die Umak ooit had gezien.
Hij keek zorgvuldig naar de sporen. Raakte ze aan. Rook eraan. Ze liepen op verschillende plaatsen kriskras over het spoor van de jagers, zo vaak dat Umak de indruk had dat de mammoet dezelfde weg volgde als de mannen hadden gekozen toen ze het kamp verlieten.
Merkwaardig gedrag, dacht de oude man. Mammoets trokken meestal in kleine hechte families door het kreupelhout aan de voet van de bergen in de verte. De koeien en kalveren bleven bij elkaar terwijl de stieren alleen of met zijn tweeën trokken en enkel in de paartijd de kudde volgden. Ze bleven uit de buurt van de mens.
Aan de sporen van de eenzame reus zag Umak dat ze van een groot, mannelijk dier waren. Hij knielde en spreidde een hand dwars over de enorme afdruk. Er kwamen herinneringen bij hem boven aan verhalen die hij lang geleden had gehoord, aan een legende die door oude mannen fluisterend werd verteld toen hij nog klein was. Over De Donderspreker. Over Hem Die De Wereld Doet Schudden. Over Hem Die De Wolken Doorklieft. Over een mammoet die de mannen de Vernietiger noemden omdat niemand hem kon volgen en iedereen stierf op wie zijn schaduw viel.
Hij haalde zijn schouders op over die herinneringen. Hij glimlachte over zijn eigen dwaasheid. Het beest dat hij zich uit zijn jeugd herinnerde, was slechts een fabel. Mammoets waren schuwe dieren die de mens uit de weg gingen. Als dit oude mannetjesdier in de richting van het kamp van de stam trok, zou zijn volk eindelijk geen honger meer lijden. De jagers die er elke dag vanuit het kamp op uittrokken, zouden de mammoet zien. Ze zouden het geweld van zijn tred in de bevroren grond voelen trillen. Ze waren bijna uitgehongerd, maar het gebrek aan voedsel zou hen sterk maken. Ze zouden hun wapens oppakken en goed nadenken, en gezamenlijk zouden ze het beest doden.
Hij stond op, blij voor zijn volk en bedroefd dat hij naar Egatsop had geluisterd en voor de dood had gekozen. Het was jaren geleden dat hij op mammoet had gejaagd. Zijn ervaring zou waardevol zijn voor de stam. Maar hij kon niet teruggaan. Als het besluit eenmaal was genomen om met de Dood mee te gaan, was dat onherroepelijk. Teruggaan na de Dood te hebben opgeroepen zou misschien maken dat de Dood meeging en de levensgeesten van de hele stam opat. Hij zuchtte even. Jammer. Hij zou graag helpen en hun vertellen dat een mammoet zo groot als een wandelende berg naar hen toe kwam.
'Hmmm,' zei hij hardop, zonder te beseffen dat hij tegen de hond praatte. 'Ze zullen deze oude man niet nodig hebben. Een mammoet zo groot als een berg zal ook zo oud zijn als een berg. Misschien trekt hij net als Umak eenzaam rond en wacht hij op de dood. Hij zal zwak zijn. Het zal makkelijk zijn om hem te doden.'
De nacht viel en de wind was bitter koud. De oude man zat in zijn in elkaar geflanste tent van bizonhuid en dacht aan jachtpartijen in het verleden en roemrijke gevechten met groot wild. Hij zong. De wind nam zijn woorden mee en blies ze over de toendra. De hond luisterde. Hij lag in de buurt maar niet al te dichtbij. In elkaar gerold tegen de wind, met zijn neus onder zijn staart, had de hond zijn eigen dromen en hij trilde zacht bij de herinnering aan zijn eigen gevechten in het verleden.
Niet ver daarvandaan dreef Umaks gezang voort op de wind. Torka hoorde het en kon het niet geloven. Hij probeerde op te staan en slaakte een kreet toen hij weer half bewusteloos neerviel waar hij uren daarvoor in elkaar was gezakt.
De wilde hond hoorde zijn kreet. Zijn kop schoot omhoog en alle haren op zijn rug gingen overeind staan. Umak hoorde het ook, maar het geluid was zo snel voorbijgegaan dat hij het niet kon thuisbrengen.
Hij hield op met zingen. Had hij een prooi of een roofdier gehoord? Hij wist het niet. Alle herinneringen aan zijn jeugd waren opeens verdwenen en hij was weer een oude man die alleen en ongewapend wachtte op de dood daar op de donkere en woeste toendra.
Misschien had hij de stem van de Dood gehoord? Hij stond op en hief zijn hoofd op. Zijn kin ging uitdagend naar voren. Hij was Umak! Hij zou niet bang zijn. Maar wat hij ook probeerde, zijn handen spanden zich van verlangen naar zijn wapens. Achter in zijn keel proefde hij een zurige droogte die maar al te veel op angst leek. Hij was inderdaad bang. Hij was oud, zwak en alleen, maar hij wilde beslist niet sterven. De Dood had moeten komen toen hij hem voor het eerst had opgeroepen; toen verlangde hij ernaar. Nu niet meer. De drang om te leven was nu te sterk. Hij kneep zijn ogen vastbesloten dicht tegen de wind. Zijn kin ging omlaag. Als Umak nog steeds de Heer der Geesten is die hij ooit was, kan hij ook weer wegsturen wat hij heeft opgeroepen. Hij begon weer te zingen. Een nieuw lied. Een luid lied. Lawaai verjoeg altijd de geesten van de angst die uit de buik van een man tevoorschijn kwamen. Misschien zou het de Dood ook op de vlucht jagen. Maar het lied van Umak werd meegevoerd door de wind en bereikte Torka. Het drong door tot zijn wegebbende bewustzijn. Het rakelde het dovende vuur van de levensgeest van de jonge jager op en gaf hem na de pijn en verlatenheid nieuwe hoop.
'Umak?' Ja! In de donkerste nacht, in de dichtste sneeuwjacht en in de ergste storm zou hij die geliefde stem herkennen. 'Umak!' Hij schreeuwde de naam tegen de wind in. Umak hoorde het.
Met de hond voor hem uit vond de oude man snel zijn kleinzoon en knielde hij neer om Torka in zijn armen te nemen terwijl hij luisterde naar zijn angstaanjagende verhaal.
'Umak... vader van mijn vader... je moet het Volk waarschuwen... je moet... hen op tijd bereiken...'
Torka's woorden vloeiden uit hem terwijl hij vocht om het bewustzijn te bewaren en verloor.
De oude man hield hem dicht tegen zich aan. Daar, onder die donkere winterhemel, begreep Umak eindelijk waarom de Dood niet was gekomen om de geest van een oude man mee te nemen... hij had zich gevoed met jongere, zwakkere levensgeesten. En nu Torka ernstig gewond was, begreep Umak dat in de gedaante van de Donderspreker, van Hem Die De Wereld Doet Schudden, van een reusachtige, wollige mammoet die men de Vernietiger noemde, het allergrootste roofdier, de Dood, op weg was naar het winterkamp van zijn volk.
Er was nog maar één oude man om hem tegen te houden. 'En deze oude man zal dat zeker proberen!'