3

De dagen gingen voorbij. De regen bleef neerkomen in plotselinge stortbuien die de berg overdag nat en glibberig en 's nachts ijzig en glad maakten. Het was niet veilig om eropuit te trekken. De reizi­gers vonden het prima om veilig in hun arendsnest te blijven. Ze hingen de geoliede huid, die anders in hun kuilhut als grondzeil zou hebben gediend, voor de ingang tot de grot. De huid bleek een uitstekend windscherm te zijn dat wind en regen tegenhield en de bodem van hun schuilplaats droog hield. Ze verzamelden drinkwa­ter in zakken van geoliede huid die Lonit zo had gemaakt dat ze re­gen konden opvangen. Ze vergaarden losse stenen en legden die in een kring achter in de grot en maakten zo een vuurplaats die net zo goed was als de haardkuilen die ze op de open toendra van plaggen hadden gemaakt. Verlangend naar warmte, na dagen door de wind en de kou te hebben gezworven, legden ze hun vachten dicht bij het vuur. De stenen namen de warmte van de vlammen op, en in tegen­stelling tot de plaggen, die helemaal verkoolden, bleven ze nog hitte uitstralen lang nadat het armzalige vuur was uitgegaan en de zorg­vuldig opgestapelde kolen waren afgekoeld.

Ze sliepen. Ze rustten uit. Ze kwamen weer op krachten. Umak vulde de tijd met verhalen over het Volk. Aar lag dicht bij de vuurkring, maar niet zo dicht dat een van zijn menselijke meuteleden hem onverhoeds zou kunnen pakken. Hij bewaakte de ingang tot de grot, al luisterend en snuffelend of hij iets van de stinkende in­dringer rook, maar het geheimzinnige wezen kwam niet meer te­rug. Voor alle zekerheid zette Torka een val tegenover de ingang, in de hoop het dier daarin te vangen als het terugkwam. Umak bleef er kalmpjes bij staan kijken. 'Windgeesten zijn zelfs met de beste vallen van Torka niet te vangen. Een man kan de mist niet vasthouden.'

‘Misschien niet.' Torka ging weer bij het vuur zitten. Hij pakte het stuk walvisbeen dat hij van de vlakte had meegenomen en begon een  stuk pees om het botte uiteinde te wikkelen. 'Wanneer het op­houdt met regenen zal Torka er jacht op gaan maken.' 'Een wijs man jaagt niet op geesten. Een wijs man zingt lofliederen voor hen die uit lucht en wind bestaan.'

'Torka weet niet wat voor lovende woorden hij moet zingen voor iets wat ruikt als een smerige wind uit het achterste van een das. Wanneer het ophoudt met regenen, zal deze jager erachter zien te komen waaruit het dier bestaat. Als het een geest is, zal Torka hem loven. Als hij van vlees en bloed is, zal Torka hem doden.' De regen bleef neerkomen. De jagers werden rusteloos. Ze maakten hun wapens gereed voor toekomstig gebruik. Torka begon te den­ken aan smakelijker prooi dan marterachtigen. Net als Umak en Lonit kwijlde hij wanneer hij dacht aan de kamelen en muskusos­sen die ze op weg naar de berg hadden gezien. Wanneer het op­klaarde zou hij eerst op groot wild gaan jagen voordat hij zich richt­te op de confrontatie met stinkende bergbewoners, of dat nu gees­ten of levende wezens waren.

Lonit was net zo ongeduldig als haar mannen. Ze voelde zich veel beter. Haar koorts was verdwenen, haar arm begon aardig te helen en haar eetlust kwam weer terug, net toen de voorraden gedroogd kariboevlees op begonnen te raken. Hoewel ze zo zuinig mogelijk probeerden te zijn, gebruikten ze het grootste deel van de plaggen en botten die ze had meegebracht om vuur te maken. Ze aten hun eten rauw en maakten alleen een vuur wanneer ze op de kilste och­tenden de kou moesten verdrijven.

Terwijl de mannen speerpunten maakten van het allegaartje aan stenen dat ze op weg naar de berg hadden verzameld, spreidde Lo­nit de half geprepareerde kariboehuiden uit die ze van hun laatste kamp had meegenomen. Ze zou ze uren zorgvuldig moeten schra­pen voordat ze soepel genoeg zouden zijn om er kleren van te ma­ken. Ze liet zich niet uit het veld slaan en met haar goede arm be­gon ze er ijverig aan te werken, niet alleen omdat ze niets anders te doen had, maar ook omdat ze wist dat haar mannen het heerlijk zouden vinden om weer twee stellen kleren te hebben, zodat ze na een dag jagen op de modderige toendra schone en droge kleren aan Zouden kunnen trekken. Ze glimlachte onder het werk. Ze zou eerst kleren voor Torka maken: een nieuwe broek voor bij de tuniek van vossenstaarten die ze voor hem had genaaid. Torka. Ze wierp hem een verlangende blik toe en wendde haar ogen toen weer snel af. Ze had bij hem uit de buurt weten te blijven, zodat ze niet weer zijn woede zou opwekken. Maar nieuwe kleren zou hij wel waarde­ren, zelfs als ze door zo'n lelijk, onwaardig meisje werden gemaakt! De nachten waren nog lang en koud. De berg vulde de duisternis met vreemde, onaardse geluiden waarbij het moeilijk slapen was. De hond gromde af en toe. De reizigers werden dan wakker, maar de duisternis bleef onverstoord en de val die Torka bij de ingang van de grot had opgezet bleef leeg.

'Wat er ook in de donkere, nachtelijke wind op de berg rondwaart, het is niet van vlees en bloed. Het is een geest.' Umak kwam over­eind uit zijn slaapvachten, knielde neer, hief zijn armen op en wieg­de heen en weer terwijl hij een loflied op de onzichtbare geesten van de berg zong.

Torka keek hem niet overtuigd aan. 'We zullen wel zien.' Hij kroop onder zijn vachten. Hij ging weer slapen en droomde over bergen van brullend water en over boze geesten die over de aarde zwierven in de gedaante van een mammoet die zich voedde met mensenle­vens. Hij deed zijn ogen open en was opeens klaarwakker. Hij luis­terde naar de geluiden van de ijskap op de berg die in de nacht be­woog. Hij dacht aan de Vernietiger en wist dat als een man hem met het juiste wapen aan durfde te vallen, hij wel degelijk tot bloe­dens toe kon worden verwond.

Lonit rolde zich onder haar slaapvachten op tot een balletje. Ze luisterde naar Umaks loflied op de berggeesten en was bang. Ze vond het helemaal niet prettig op de berg.

Twee dagen later hield de regen op. Ze trokken het windscherm op­zij. Het felle, heldere licht van een onbewolkte zonsopgang scheen in de grot. In de diepte, verspreid over de toendra was grazend wild te zien: een kleine kudde muskusossen, de kamelenfamilie die ze al eerder hadden gezien en een paar steppeantilopen. Zonder een ogenblik te aarzelen pakten Umak en Torka gretig hun wapens op en gingen op jacht. Omdat Torka erop aandrong, bleef Lonit ach­ter. Hij wilde geen vrouw naast zich die zijn geluk zou bederven. Umak herinnerde hem eraan hoe goed het meisje in het verleden had geholpen, maar Torka was onvermurwbaar. Lonit klaagde niet. Ze was ervan overtuigd dat hij gelijk had. Maar ook al verzekerde Umak haar dat ze binnen gehoorsafstand zouden blijven, was ze toch bang om alleen op de berg te blijven.

Met haar dolk in de hand om zich te verdedigen tegen eventuele windgeesten die haar tijdens de afwezigheid van haar mannen konden komen bedreigen, keek ze hoe de jagers naar beneden liepen. Het pad was nat en glibberig, maar nu ze niet door hun bepakking werden gehinderd en uit hun evenwicht werden gebracht, bewogen ze zich gemakkelijk. De hond volgde hen op de gebruikelijke veilige afstand, met zijn staart in de lucht en zijn tong uit zijn bek. Lonit vond het jammer dat hij wegging. Ze zou wel blij zijn geweest met zijn gezelschap.

De wind waaide zacht uit het westen. Hij was warm van het gele licht van de opkomende zon en geurde zoet naar aarde en gras, naar welriekende dennen en artemisia en duizenden geuren die Lonit kende, maar waarvan ze de naam niet wist. Haar hand hield het be­nen handvat van haar dolk wat minder gespannen vast. Het was geen ochtend om aan geesten te denken.

Ze vergat al haar angst voor de windgeesten toen ze weer de grot in ging en de stenen schelpen uit de tas haalde waarin ze ze al die tijd, tezamen met haar spullen om vuur te maken, had gedragen. Uit haar bepakking haalde ze de vier gevlochten riemen voor de armen van haar bola. Met de riemen in haar hand liep ze weer naar de zon­nige, overhangende rots en ging zitten. Ze was van plan om haar bola in elkaar te gaan zetten, maar ze werd afgeleid door de schoon­heid van de ochtend.

Nooit had ze op zo'n hoge plek gezeten. Nooit had ze gedacht dat zulke uitzichten konden bestaan. Ze ademde de heerlijke ochtend­lucht diep in en hield haar adem lange tijd vast - om de lucht op te nemen en ervan te genieten - voordat ze uitademde en weer op­nieuw inademde en nog eens, totdat ze duizelig werd en zich net zo voelde stralen als de zon. Misschien was de berg toch zo slecht nog niet.

Ver weg, op de glooiende toendra, waren er langs de hele horizon enorme stapelwolken te zien. Het duurde even voordat ze besefte dat het geen wolken waren. Het waren bergen. Er vlogen vogels langs, kleine stipjes tegen de hoog oprijzende wanden van ijs en steen. De vogels kwamen dichterbij. Ze zag ze door de lucht scheren en daarna een bocht maken en naar beneden schieten naar de vele plassen, meertjes en onstuimige rivieren die glinsterden in het ochtendlicht.

Ze glimlachte en richtte haar aandacht op het maken van haar bola De komende dagen zou ook zij gaan jagen. Niet met haar mannen, maar zoals een vrouw jaagt. Ze zou veel vogels verschalken. Ze zou ze met haar slinger vangen en ze daarna plukken en boven een smeulend vuur van dennentakken en mos te roken hangen. Wan­neer de tijd van de lange duisternis terugkeerde, zou er veel vlees voor Torka en Umak zijn als aanvulling op hun eigen voorraden. Gerookte watervogel zou als afwisseling goed smaken wanneer ze allemaal genoeg hadden van het stevige en sterk smakende wild. Ze zouden tevreden zijn over Lonit.

Een regen van steentjes viel ergens hoog boven de grot. Geschrok­ken dook Lonit in elkaar en schoot terug onder het beschermende dak van de grot. De lawine van stenen duurde maar even, maar lang genoeg om Lonit van angst te doen rillen. De ochtend verloor haar helderheid. Ze wist zeker dat ze iets had horen uitglijden en zich had horen vastpakken op de verraderlijke rotsen boven de grot. Met stokkende adem liet ze de onafgemaakte bola uit haar handen val­len en dook op haar dolk af. Met de dolk stevig in haar hand stond ze klaar om zich te verdedigen terwijl er wilde, angstaanjagende beelden door haar hoofd spookten.

Maar het ogenblik ging voorbij. Het laatste steentje van de kleine lawine rolde weg en viel op het puin in de diepte. Na een tijdje was er alleen nog maar het geluid van smeltwater dat naar beneden viel, terwijl de wind zachtjes om de berg speelde, een wind die zo warm en lenteachtig was dat het meisje zich ontspande en bij zichzelf zei dat ze een dwaze vrouw was die haar hoofd op hol liet brengen door haar verbeelding. De stenen waren door de dagenlange regen losge­raakt en gevallen. Niets levends bewoog zich op de steile rotsen bo­ven haar. Ze was alleen op de berg.

Ze liep terug naar de richel en ging weer aan haar bola zitten wer­ken. Ze koesterde zich in de zon als een lemming op een rots, maar ze voelde zich niet helemaal op haar gemak. Ze dacht aan de windgeesten en hield haar dolk bij de hand, voor het geval ze die nodig zou hebben.

Aar klauterde voor Umak en Torka uit de richel op. Tot Lonits grote  vreugde hadden de twee mannen ieder een antilope gevangen. Hun ogen glinsterden tevreden toen ze de buit van hun schouder haalden en de geelbruine, fijngebouwde dieren aan Lonits voeten lieten vallen.

Ze popelden van ongeduld om hun buit schoon te maken en te vil­len Lonit hield haar eredans kort en ging staan kijken hoe ze werk­ten, maar iets in haar gedrag maakte hen er attent op dat ze zich zorgen maakte. Ze zei hun dat het niets bijzonders was. Ze zei dat ze een dwaze vrouw was die had gedacht dat ze voetstappen hoorde terwijl ze in feite alleen het geluid van vallende stenen had gehoord. Ze was verbaasd toen ze elkaar veelbetekenend aankeken. 'Misschien was het toch geen gezichtsbedrog,' zei Umak terwijl hij zijn messen neerlegde en overeind kwam uit zijn bukkende hou­ding bij het lichaam van zijn antilope.

Torka stond al overeind en veegde zijn bebloede handen af aan de bontkant van zijn net gevilde antilopehuid. 'Kom. We zullen het vinden, wat het ook was. Nu!'

'Het?' Lonit had het gevraagd voordat ze de woorden kon tegen­houden.

'Het ding dat we dachten te zien bewegen op de bergwand boven de richel,' zei Torka met een norse snauw. 'Waarom heeft Bijna Een Vrouw er pas iets over gezegd toen het haar werd gevraagd? Waarom bleef ze op de richel zitten in plaats van dat ze er achteraan ging?' Haar gezicht werd rood. Ze boog haar hoofd en bracht met moeite een bekentenis uit waar ze zich voor schaamde. 'Lonit was bang van windgeesten.'

Umak viel boos tegen zijn kleinzoon uit. 'Bijna Een Vrouw kan niet veilig klimmen met maar één goede arm! En als ze het had gepro­beerd had Torka gezegd dat ze zichzelf niet in gevaar had mogen brengen. Bah! Umak zegt dat Torka erger is dan een vrouw! Hij kan niet besluiten. Het ene moment zegt hij dit en het volgende zegt hij dat! Hmmm! Lonit moet naar Umak luisteren die Heer is der Gees­ten! En de Heer der Geesten zegt dat Enige Vrouw Op Aarde gelijk had dat ze zich niet in gevaar bracht om op geesten te jagen!' 'Wat we boven de grot zagen was geen geest!' zei Torka, geërgerd door het openlijke verwijt van zijn grootvader. Umak had nooit zo ruw tegen hem gesproken voordat ze gedwongen waren om in het gezelschap van het meisje te reizen. Hij keek haar woedend aan 'Luister dan maar naar Umak! Torka zal de bergwand beklimmen Torka zal het spook mee terugnemen. Torka zal van de ingewanden van de geest een saus maken om het vlees van zijn antilope te krui­den!'

Zonder acht te slaan op de protesten van de oude man ging hij met zijn dolk tussen zijn tanden op pad om zijn opschepperige woorden in daden om te zetten. Hij was niet bang van de schim die Umak en hij over de kale rotsen hadden zien schieten. Vanaf hun verre uit­kijkpost had het niet meer dan een schaduw geleken die door licht en wind op de hoge, ingekerfde rotswanden was getoverd. Nu hij er over nadacht, wist hij dat het meer was geweest dan enkel een scha­duw. Het was een donker, lenig, harig ding geweest, groter dan een veelvraat, maar wat kleiner dan een jonge beer. Het meisje had het wel degelijk goed gehoord. Ze hadden het allemaal wel degelijk goed geroken in hun eerste nacht op de richel. Hij was ervan over­tuigd dat het geen windgeest was. Om redenen die hij niet kon doorgronden, wilde hij het meisje dat laten weten. Hij wilde haar laten zien dat Umak niet altijd gelijk had. Hij zou haar het karkas brengen van wat volgens de oude man een spook was, en ze zou zien dat het slechts een dier was. Met de vlijmscherpe knuppel die hij van de walvisrib had gemaakt en die hij nu in een schede aan zijn riem droeg, zou hij de schedel van het beest kapotslaan en hem van zijn keel tot zijn kruis opensnijden. Hij zou hem voor Lonits voeten laten vallen en zeggen: 'Hier is de windgeest! Hier is de geest waar Umak bang voor is. Dans nu de lofdans voor Torka die hem heeft gedood. Dans nu voor de jager die de angst uit onze grot heeft verdreven!'

De gedachte daaraan gaf hem oneindig veel plezier. Hij wist niet waarom. Eigenlijk zou het hem niet moeten kunnen schelen wat het meisje dacht. Maar het kon hem wel schelen. Terwijl hij klom, was zijn enige zorg dat hij totaal onverwacht op zijn prooi zou stuiten. Hij zag zich al omhoog reiken en steun zoe­ken voor zijn handen terwijl de klauwen en nagels van het wezen in zijn vlees drongen voordat hij zijn knuppel kon grijpen. Hij zag zich al zijn evenwicht verliezen en in de diepte vallen terwijl het schimmige wezen ineengedoken op een richel zat. Umak en Lonit zouden hem zien vallen en de oude man zou zeggen: Het is zoals de Heer der Geesten heeft voorspeld... mensen kunnen niet op geesten jagen.  Wijze mannen zingen lofliederen voor hen die uit lucht en wind bestaan.

Hmmm, dacht Torka terwijl hij klom. We zullen eens zien wie er uit lucht en wind bestaat en voor wie Lonit haar volgende loflied zal zingen.

Hij droeg zijn dolk tussen zijn tanden en gebruikte hem om bij wij­ze van voorzorg over elk steunpunt heen te slaan voordat hij zijn blote hand eraan toevertrouwde. De rots was koud en brokkelde af onder zijn grijpende vingers. Op sommige plaatsen was hij vergaan en op andere plaatsen hard en glad. Dat maakte het klimmen ge­vaarlijk. Toch had hij goed houvast door de lange, verticale spleten in de rots. Weldra bevond hij zich op een brede helling vlak onder de top. Hij wachtte even om weer op adem te komen, boog zijn handen om ze te ontspannen en liep toen door dunne mistvlagen, terwijl hij zichzelf voorhield dat het alleen mist was en geen wind­geest.

Boven hem pakten de wolken samen boven de ijskap. Hij hoorde af en toe kreunende en krakende geluiden uit de ijsmassa komen. Een minder pragmatisch man zou zich hebben verbeeld dat hij de stem­men van geesten hoorde, maar Torka hoorde het levende geweld van aarde en ijs en wist dat het hem niet bedreigde zolang hij voor­zichtig liep. Maar toch, hij was een jager van de toendra, van de weidse, glooiende steppe. Hij was op onbekend terrein en dat besef­te hij. De berg maakte dat hij zich klein voelde en kwetsbaar voor machten die hij niet begreep. Instinctief liep hij zachtjes, met zijn dolk gereed.

Nu en dan voelde hij de blikken van iets dat toekeek hoe hij vorder­de terwijl hij verder liep over de helling. Let op. Torka komt eraan. Torka zegt dat je zult sterven, waarschuwde hij in stilte. Het oppervlak van de helling bood weinig houvast. Hij liep als op hard, ingeklonken zand. De helling bestond uit een laag puin die tientallen meters dik op de stevige rotsen van de oostelijke berg­wand lag en hield abrupt op aan de voet van een hoge, steile rotswand die eindigde bij een uitloper van de ijskap. Het was een enor­me ijslob. Vol stenen en rotsblokken die groter waren dan mam­moets, hing de ijstong over de afgrond heen en stak uit over de rand zodat er lagen te zien waren die zwart en bruin waren van het puin.

Smeltwater sijpelde eronderuit en deed de steile rotswand glimmen van ontelbare, wilde, melkwitte watervallen. Torka bleef het gevoel houden dat hij werd gadegeslagen. Hij ving de lucht van een marterachtige op en ging zijn neus achterna naar de serie grotten die hij dagen daarvoor vanaf de toendra had gezien. Ze tekenden zich af in het onderste gedeelte van de rotswand. In te­genstelling tot de brede, beschutte ruimte van de grot waarin hij met de anderen het kamp had opgeslagen, waren deze rotsen vaak niet meer dan uithollingen in de rots. Er was er maar één die zo groot en diep was dat een flinke marterachtige erin zou kunnen wo­nen en er nog ruimte over zou zijn.

Torka waagde zich niet te dichtbij. Zijn vingers klemden zich om het benen handvat van zijn dolk. Het rook overal naar het dier dat er woonde. Toen hij naar sporen zocht, haalde hij zijn knuppel uit zijn schede van kariboeleer en liep ernaartoe, met het dodelijke wa­pen in gereedheid voor het geval het dier hem aan zou vallen. Maar wat er ook in dat smerige hol huisde, het was er niet en zijn poten hadden ook geen duidelijke afdrukken achtergelaten die de ervaren sporenzoeker zijn identiteit zouden hebben onthuld. Uiterst voor­zichtig tuurde Torka de grot in.

Het wezen had voor zichzelf een klein, vuil nest gemaakt van gras­sen en twijgen die het waarschijnlijk van de toendra in de diepte had meegenomen. Het nest was gevoerd met allerlei veren en dons en er lagen stukjes afgekloven bot in en restjes uitgekauwde pezen. Er lagen geen uitwerpselen in het nest, maar Torka moest moeite doen om niet over te geven van de muskusachtige stank van klieraf­scheidingen die er hing.

Hij trok zich terug en ademde diep de snel afkoelende berglucht in. Wat voor wezen kon in zo'n vuil nest wonen? Het was een koude, vijandige plek voor een dier om een nest te maken, al zag Torka dat het licht van de opkomende zon erop viel, dat het een schitterend uitzicht bood op de toendra en toch uit de wind lag. Hij draaide zich om en zocht de top en de helling onder hem af. Hij werd nog steeds in de gaten gehouden, maar hij wist niet precies waar­vandaan. Hij wilde gaan kijken, maar de rotswand was te steil en de ijslob te gevaarlijk voor nader onderzoek. En tot zijn verbazing werd zijn schaduw al lang. Weldra zou de dag ten einde zijn. Het vooruit­zicht om in het donker de berg af te moeten dalen was ontnuchterend.

Geërgerd onderdrukte hij een gevoel van frustratie. Umaks 'geest' deze dag overleven. Maar langer niet, als het aan Torka lag. Het kostte niet veel tijd om een strik bij de ingang van de grot te zetten. Hij was blij dat hij zo zonder aarzelen was gaan klimmen: hij had nog steeds zijn strikken en pezen bij zich. Toen Umak en hij ieder een antilope hadden neergelegd, had geen van hen er nog het nut van ingezien om tijd te besteden aan het zetten van strikken voor kleinere, minder begeerlijke prooien. Torka zette zijn strikken nu, op de meest voor de hand liggende plekken op de helling en bij de uitstekende oostwand terwijl hij de moeilijke afdaling begon naar de grot waar Umak en Lonit op hem wachtten. Zijn mond stond grimmig toen hij naar beneden klom. Hij had zijn strikken heel zorgvuldig gezet. Er zou er vast wel één zijn die iets opleverde. Morgen. Umak zou zijn 'geest' zien en Lonit zou zien wie een betere Heer der Geesten was: de man die lofliederen voor het onbekende zong of de man die zijn angsten durfde op te zoeken en te verslaan,