1
Ze liepen tot het donker werd, maar nog steeds zagen ze de berg in de verte, met zijn enorme sneeuwkap die glinsterde in de nacht. Uitgeput en gebroken van vermoeidheid stopten ze en groeven ze een hol in de beschutte helling van een heuveltje. Ze spreidden hun slaapvachten uit en nadat ze wat gedroogd kariboevlees hadden gegeten, kropen ze als vossen tegen elkaar onder de winderige, donkerblauwe lucht.
Ze sliepen. Umak glimlachte in zijn droom. Hij was tevreden. Hij had Torka de hele weg bij kunnen houden. Niet de oude maar de jonge man was gestopt om te rusten.
Lonit glimlachte ook in haar dromen want er was iets wat haar mannen niet wisten. Ze lag met haar rug naar hen toe, zo ver mogelijk naar de rand van het hol. Als ze haar geheim kenden zouden ze haar alleen laten slapen en dat durfde ze niet. De toendra was te donker, te vreemd en te angstaanjagend. Ze bewaarde haar geheim dus goed en begreep nu dat ze niet zou doodgaan aan de kramp waar ze zo'n last van had. Wanneer ze bij de vrouwen van de stam was geweest, had ze dat al veel eerder geweten. Dan zou haar ontdekking haar niet hebben verrast. Nooit meer zou Torka reden hebben om haar Bijna Een Vrouw te noemen. De geesten van haar geslacht hadden haar waardig bevonden. Lonit was eindelijk als vrouw gaan bloeden. Gelukkig had ze genoeg restlapjes van verstelwerk bij zich om haar geheim voor de mannen verborgen te houden.
Torka lag lang wakker. Hij was liever doorgelopen, maar de berg Was verder dan hij had gedacht. Toen hij eindelijk in slaap viel, had hij verwarde dromen waardoor hij heel licht sliep. Daar was hij blij om. Hij wilde waakzaam blijven. Hij was de wolven niet vergeten Hij voelde de spanning in de hond telkens toenemen en weer wegebben. Hij deelde die spanning en was voor het eerst blij met de aanwezigheid van Umaks geestesbroeder die als een vrijwillige wachter boven op het heuveltje lag, net uit de wind. Als er roofdieren op de geur van mensen afkwamen, zou de hond waarschuwen. Torka moest toegeven dat de trouw van het dier aan Umak misschien zijn voordelen had.
Omdat de hond er was, durfde Torka af en toe even te slapen. Zijn dromen waren onrustig, vol geluid: een laag, diep gebrul dat overal weerklonk. In zijn droom leidde hij Umak en Lonit kilometers lang door het donker over de eindeloze, duistere vlakte. Een muur van water torende voor hem op, zo zwart als de nacht en zo hoog als de berg waar hij zijn groep naar toe voerde. Deze krankzinnig hoge golf maakte een geweldig lawaai en dreigde de wereld te overspoelen en alles wat op zijn weg kwam te verdrinken. In zijn droom rende hij weg en Umak, Lonit en de hond renden achter hem aan. Maar de golf bleef hen achtervolgen... en ze werden weggespoeld... naar een zwarte, verstikkende hel waar hun levensgeesten voor altijd verloren gingen.
Hij werd met een schok wakker en schoot overeind. Hij staarde naar het oosten, naar de berg, en keek recht in de opkomende zon. De nacht was voorbij. Er was een nieuwe dag begonnen. En Torka, die niet kon weten dat zijn droom een visioen van het verleden — en van de toekomst - was geweest, was blij dat hij leefde nu hij werd verwarmd door het eerste ochtendlicht dat over de toendra gleed en de hele wereld goud kleurde.
Ze liepen verder, achter elkaar, met de hond voorop. Umak liep met grote passen voor het meisje uit en Torka liep vlak achter haar. Ze zette zich schrap tegen de wind en keek naar de hond die met zijn staart hoog boven zijn rug gekruld vooruitliep. Meestal vond Lonit het wel prettig om de hond te zien. Ze vond het gedrag van het dier vaak grappig en was ervan overtuigd dat de hond zijn menselijke meute zou waarschuwen als er gevaar dreigde. Maar ineens kreeg Lonit het gevoel dat ze in de gaten werden gehouden. Ze fronste haar wenkbrauwen. Aar liep gewoon door, steeds verder naar het oosten, naar de berg. Als hij blikken voelde die op hen waren gericht, liet hij het in elk geval niet merken.
Na een poosje hield Lonit zichzelf voor dat ze een domme vrouw al had ze nog steeds sterk het gevoel dat ze in de gaten werden gehouden. Umak, Torka en de hond waren tenslotte jagers. Haar zintuigen waren lang niet zo scherp als die van hen. En het was bekend dat wanneer een vrouw haar periode van bloeden had, haar gedachten even verward waren als haar gevoelens. Als ze met het Volk had gereisd zou ze van iedereen zijn afgezonderd, behalve van vrouwen in dezelfde omstandigheden. Ze zouden helemaal aan het eind van de karavaan hebben gelopen om te voorkomen dat ze door hun toestand anderen allerlei ongeluk bezorgden. Ze bloosde van schuldbewustzijn en was blij dat noch Torka noch Umak haar gezicht kon zien. Haar wangen gloeiden van schaamte over haar bedrog en als de mannen haar zagen, zouden ze weten dat ze iets voor hen verborgen hield en kwaad worden. Ze zouden haar misschien wel bevelen om voor altijd bij hen weg te gaan. Ze zou niet beter verdienen. Maar nee, ze was de enige vrouw ter wereld en ze zouden haar niet wegsturen. Maar ze zouden haar wel achter hen laten lopen. Traditie en taboes zouden dat vereisen. En daar was ze nu juist zo bang voor, want degene die aan het eind van de karavaan liep, viel het eerst aan roofdieren ten prooi. Een groep vrouwen zou misschien nog wel veilig zijn, maar lang geleden, toen ze nog klein was, had ze gezien hoe iemand die treuzelde door een leeuw werd verscheurd. De vrouw was achtergebleven om haar behoefte te doen en het grote, harige katachtige dier had haar besprongen van achter een heuveltje waar hij op de loer had gelegen tot de hele karavaan voorbij was getrokken. Tegen de tijd dat de mannen van de groep waren toegesneld om het roofdier met hun speren te doden, was het te laat geweest voor de vrouw. Lonit was nooit vergeten hoe de vrouw eruitzag toen de leeuw met haar klaar was. Ze huiverde en zorgde dat ze haar mannen bijhield. Torka, Umak en de hond zouden wel weten of iets hen in de gaten hield. Intussen probeerde ze niet te denken aan leeuwen of windgeesten die hen vanaf de koude woeste hoogte van hun verre berg misschien aan zagen komen. Met neergeslagen ogen dwong ze zichzelf om aan niets anders te denken dan aan de volgende stap, en nog een en nog een, totdat Umak opeens stil bleef staan en ze tegen hem aan liep. 'Kijk!' Hij merkte blijkbaar niet dat ze tegen hem was opgebotst. Hij wees in de verte. Lusteloos volgde het meisje zijn blik.
Daar, recht voor hen, lag een enorm skelet. Torka's hand klemde zich zo stijf om het handvat van zijn speer dat zijn vingers pijn deden. Hij klemde zijn tanden op elkaar om het niet uit te schreeuwen.
De Vernietiger... de Donderspreker... Hij Die De Wolken Doorklieft... Hij Die De Wereld Schudt...
'Nee!' riep Torka uit, vol ongeloof omdat de waarheid onverdraaglijk was. Als die enorme hoop beenderen van de grote mammoet was, zou hij het dier nooit met eigen handen kunnen doden. Tot op dat moment had hij niet beseft hoe graag hij dat wilde, ondanks Umaks wijze raad en alle onzekerheden en hindernissen, zelfs als hij door het dier te doden zelf het leven zou verliezen. Het ging alleen om het gevecht, om nog een keer in die rode ogen te kijken die vol haat waren voor de mens, om zijn speer in het dier te steken... ter gedachtenis aan zijn Volk dat was omgekomen, aan zijn vrouw Egatsop en aan Kipu, zijn geliefde zoontje dat nooit meer schaterend van levensvreugde op zijn schouders zou zitten. Diep in zijn keel proefde hij bittere gal. De tranen prikten achter zijn oogleden toen hij een gepijnigde schreeuw van teleurstelling inhield. Met zijn arm met de speer omhooggeheven rende hij erop af, met de hond op zijn hielen en Umak en Lonit hard achter hem aan.
Ze stonden stil naast elkaar en keken naar de beenderen van een wezen dat anders was dan alle wezens die ze ooit hadden gezien. Torka voelde een enorme opluchting, toen Umak gromde van teleurstelling en het meisje ook teleurgesteld keek. 'Geen mammoet,' zei de oude man die zich afvroeg waar het grote dier nu graasde en hoopte dat het ver, heel ver bij dit stuk toendra vandaan was.
Lonit stond daar, gespannen vanwege de nare herinneringen. Ze staarde naar de vreemde, langgerekte botten. Het speet haar dat ze niet van de mammoet waren die het Volk had omgebracht. Ergens leefde dat beest nog steeds. Ergens deed het de wereld trillen met zijn machtige, gehate getrompetter. Ergens. Maar niet hier. Umak had hen bij het dier vandaan geleid. Maar als het nu eens met een bocht in oostelijke richting was getrokken? Als het nu eens uit een dal op deze zelfde vlakte was gekomen? Als het nu eens voor hen uit liep? Als het nu eens datgene was wat hen, naar haar gevoel, de hele tijd al in de gaten hield? Ze huiverde. De gedachte was onverdraaglijk.
De hond jankte zachtjes. Hij liep om het enorme karkas heen en snuffelde heftig totdat hij alle interesse verloor omdat zijn neus hem zei dat het heel oude botten waren die geen maaltijd zouden opleveren. Minachtend liep hij snuffelend en snuivend om de lange botten heen en tilde hier en daar zijn poot op om te markeren dat bij er was geweest. Uiteindelijk ging hij zitten, gaapte en keek naar het oosten alsof hij zijn medereizigers duidelijk wilde maken dat er niets interessants was om voor te blijven en dat ze net zo goed verder konden gaan.
Maar het karkas had Torka's belangstelling gewekt. Nog nooit had hij iets gezien wat er ook maar in de verste verte op leek. Het lag half in de toendra begraven en was in totaal meer dan dertig passen lang. Hij liep er twee keer langs, om er zeker van te zijn dat hij het zich niet verbeeldde. Het had geen poten, geen slagtanden en geen tanden en zag eruit als een enorme vis. Maar hoe kon een vis nu op het land zijn doodgegaan? En welk van de stroompjes, meertjes en riviertjes die hij ooit had gezien was breed en diep genoeg om zo'n vis te laten zwemmen?
Umak scheen de gedachten van zijn kleinzoon te raden. Ze keken elkaar aan. Umak knikte, gromde wat en tuitte zijn lippen. 'In de tijd van de grote regen, toen al het water bijeenkwam om de aarde te beheersen, in die tijd zou het water hier breed genoeg zijn geweest voor zo'n vis om in te zwemmen en diep genoeg om zich in te verbergen. Men zegt dat het vlees van het Volk in die tijd als voer voor de vissen diende.' Hij zweeg en de verhalen over de Schepping die hij in de lang vervlogen dagen van zijn jeugd van oude mannen had gehoord, kwamen weer in zijn gedachten. Hij knikte weer, gerustgesteld door de aanblik van het onmogelijk grote karkas. Het bewees dat de verhalen op waarheid berustten. Alleen in ruim water kon zo'n vis leven. Maar Umak was een man van zijn tijd, een man van de toendra. Hij kon zich moeilijk een beeld vormen van een oceaan en nog veel moeilijker van een walvis. Torka herinnerde zich zijn droom: de grote zwarte muur van water die over de vlakte heen stortte. Hij stak zijn hand uit en raakte het skelet van de walvis aan. Zijn hand rustte op een gedeelte van een versteende rib. Hij wist uit ervaring dat de botten van een vis verdroogden en door de wind werden weggeblazen en dat ze niet leken op de stevige botten van mensen en zoogdieren. Maar dit... onder zijn blote hand was het bot ruw en even hard als steen. De droom spookte weer door zijn gedachten. Hij zag de golf vanuit het zuiden, het noorden, het oosten en het westen op zich afkomen. De golf omsingelde hem, torende omhoog en vormde een hoge muur van water en dood die even zwart was als de vloeistof in de oogbal van een kariboe. Het zwart werd dieper en glansde even zacht als lavaglas. Het water brulde. Het kwam steeds hoger, begon toen te vallen en krulde zich tot lippen die schuimden als de mond van een man die bezeten is.
Torka dwong zich op te staan en weer tot zichzelf te komen voordat zijn visioen hem overweldigde. Daarbij tilde hij zijn hand op van het walvisbeen en liet hem toen weer in een reflexbeweging met zoveel kracht neerkomen dat hij het versteende bot in tweeën brak. Het bovenste stuk viel voor zijn voeten op de grond. Umak keek met grote ogen toe. Het meisje en hij maakten verbaasde geluiden en toen betrok het gezicht van de oude man. Torka stapte bij het gebroken bot vandaan en zou het de rug hebben toegekeerd, als Umak geen schreeuw had gegeven om hem daarvan te weerhouden.
'Nee! De hand van Torka heeft het bot doorkliefd. De levensgeest van de grote vis heeft zich aan Torka overgegeven. Hij heeft een deel van zichzelf aan hem geschonken. Torka kan niet weglopen.' Hij wilde eraan toevoegen: anders zal de geest volgen. Hij zal een kwade geest worden. Hij zal zich met Torka's ziel voeden en Torka zal sterven. Maar hij durfde dat niet te zeggen, omdat hij vreesde dat zijn waarschuwing daardoor bewaarheid zou worden. In plaats daarvan zei hij: 'Jij neemt het mee!'
Torka hoorde in Umaks woorden een duidelijk bevel. De oude man had gelijk. Hoewel hij zijn waarschuwing niet hardop had uitgesproken, kon Torka die duidelijk op zijn gezicht lezen. Hij moest wel gehoorzamen. Hij knielde neer en staarde naar hetgeen er voor zijn voeten was gevallen.
Torka hield verbaasd zijn adem in. Het bot was wat korter dan zijn voorarm en heel natuurlijk gebogen. Het was duidelijk dat de kracht van zijn klap het niet louter van de rest van de rib had afgebroken: op de plaats van de breuk was het bot zo scherp als een dolk. Hij had het onmogelijk gladder kunnen afslijpen. Hoe ijverig hij het ook had bewerkt, hij had nooit een scherpere rand kunnen krijgen Hij liet de binnenkant van zijn duim licht over de breuk glijden om de scherpte te testen en trok hem snel weer terug. Hoewel hij er maar licht op had gedrukt, bloedde hij. 'Hmmm!' riep Umak. Zijn kin ging omhoog en hij knikte goedkeurend.
Torka glimlachte ondanks zijn sombere stemming. Dit stuk vissenrib dat noch been noch steen was, stond hem niet erg aan, maar het was goed te zien hoe Umak weer verwaand werd en op grond van zijn bevel het bot mee te nemen, de eer voor de ontdekking opeiste. Torka nam het stompe einde van het afgebroken stuk walvisbot in zijn hand; hij testte het gewicht van dit geschenk van de levensgeest van de grote vis die, zoals hij wist, op de een of andere manier geen vis was. Hij tilde het hoog op terwijl hij overeind kwam. Hij voelde hoe het in zijn hand lag en besloot dat het een geweldig wapen zou zijn, of hij het nu leuk vond of niet. 'Ik neem het mee,' gaf hij toe. Umak bromde goedkeurend.
Opnieuw trokken ze verder naar de berg. Deze keer had niet alleen Lonit het onaangename gevoel dat ze in de gaten werden gehouden. Torka voelde het ook, maar de ogen van zijn spookbeeld staarden van binnen in hem, en af en toe keek hij achter zich, half verwachtend dat de golf uit zijn angstaanjagende visioen zou oprijzen en hen zou achtervolgen. Er was niets, alleen de lege vlakte en het skelet van de walvis dat steeds kleiner werd. Ten slotte was het uit het zicht verdwenen. En nog steeds trokken ze verder.