1
Het was niet het volk van Karana. De jongen leunde op zijn kruk en staarde naar beneden terwijl de moed hem in de schoenen zonk en hij alleen werd getroost door de gedachte dat het blijkbaar ook niet de Spookbende was. Het was een kleine, rommelige groep van nog geen dertig vermoeide reizigers. Hun kleren waren simpel. Ze droegen geen neussieraden en hun gezichten waren ook niet beschilderd, hoewel ze zo onder het vuil zaten dat ze op het eerste gezicht zwart leken.
Ze bleven onder aan de grote berg staan en begonnen zachtjes tegen elkaar te mompelen bij het nog niet eerder vertoonde schouwspel van een wilde hond die bij mensen verbleef.
Torka en Umak stonden samen op de richel. Aar stond blaffend en grommend voor hen alsof hij zich als woordvoerder van zijn mensenmeute had opgeworpen. Lonit en Karana stonden ernaast. Toen Lonk zich naar de jongen boog en vroeg of het zijn volk was, grauwde hij en schudde vol afkeer zijn hoofd. 'Karanas volk niet zo uitzien!'
Zijn reactie versterkte Lonits toenemende gevoel van onheil. Het uiterlijk van de nieuwelingen beviel haar niet, maar totdat Karana het zei, dacht ze dat haar angst werd ingegeven door jaloezie. Ze had haar leven lang van Torka gedroomd en nu was hij eindelijk haar man. Wanneer ze alleen met hem op de wereld was, zou ze voor altijd zijn vrouw zijn. Samen zouden ze een nieuwe stam stichten. Het Volk zou worden herboren. Nu was haar droom verstoord. Onder de mensen die nu naar het arendsnest stonden te kijken zouden vast wel vrouwen zijn die meer recht hadden op Torka dan zij. Hij zou Lonit niet meer willen. Ze zou hem in verlegenheid brengen. Wanneer hun kind geboren werd, zou hij er niet voor willen jagen. Hij zou hen beiden in de steek laten.
Lonit staarde naar de nieuwelingen en haatte hen. Ze haatte ook zichzelf. Was ze maar niet zo'n lelijk, onwaardig meisje, dan zou ze blij kunnen zijn met hun komst. Langzaam begon ze echter weer hoop te krijgen en minder bang van hen te worden. Zelfs op een afstand kon ze zien dat hun kleren voddig waren, niet door slijtage, maar doordat ze zo slordig waren gemaakt. Het was net alsof de vrouwen die ze hadden gemaakt de tijd niet hadden genomen om ze goed op maat te maken of netjes te naaien. De vrouwen stonden bij elkaar. Ze gingen gebogen onder het gewicht van enorme, uitpuilende pakken. Lonit zag dat ze versleten en ongelijk hangende rokken droegen die niet met een bontrand waren afgezet. De mannen hadden ook kleren met rafelige randen aan. Behalve hun wapens droegen ze geen bepakking. Een paar kleine, stevige jongens liepen voor de groep uit, naast een in bizonhuid geklede jager met zwart haar dat boven op zijn hoofd tot een pluim was samengebonden. Lonit staarde ernaar. Het was net of de pluim uit de schedel van de man kwam, zijn haar was zo stevig dat het bijna niet bewoog, al liep hij in de wind. Hij had speren in beide handen. Met zijn armen in de lucht schudde hij de speren heen en weer terwijl hij hen luid toeriep dat hij als vriend kwam. 'Watte isse? Galeena kumme! Galeena vrind!'
Umak had zijn snoer van wolvenpoten en pas buitgemaakte berenklauwen om en lette niet op het gevoel van zwakte dat zijn hoofdwond hem gaf. Hij stond zo recht mogelijk. Trots hield hij een speer in zijn hand. Hij was vastbesloten om zich tegenover de nieuwelingen krachtig en neerbuigend te gedragen. Net als Lonit was hij bang. Hij vond de groep er niet prettig uitzien en begreep niets van wat de hoofdman zei. Karana keek hem aan en wachtte tot hij met de wijsheid van een Heer der Geesten zou spreken. Omdat hij dat niet kon, gaf Umak er de voorkeur aan om lange tijd te zwijgen, waarbij hij met veel vertoon van macht zijn voorhoofd fronste. Zijn kin ging omhoog. Zijn mondhoeken gingen naar beneden. Zijn ogen gingen halfdicht alsof hij naar een andere bestaansniveau keek dat alleen voor een Heer der Geesten zichtbaar was. 'Hundmins. Galeena kumme as vrind! Hundmins minse of giste?' De woorden van de man met de haarpluim bleven onbeantwoord. Torka fronste zijn voorhoofd en probeerde het te begrijpen. Karana kwam dicht bij Umak staan, onder de indruk van zijn boze gezicht en zijn brutale houding zoals hij daar naar de vreemdelingen stond te kijken. In de hoop dat de oude man hem zou prijzen zei Karana: ‘Karana kent taal man. Man vraagt wie op berg. Man zegt hij Galeena heten. Galeena zegt hij naar ons toe willen komen. Hij vraagt ons hem niet te doden. Hij zegt hij vriend. Hij noemt deze groep Hondenmensen. Hij vraagt of Hondenmensen mensen of geesten zijn.'
Umak was hiervan onder de indruk en Torka en Lonit ook. Torka knikte goedkeurend.
'Het is goed dat Karana de taal van andere volken kent,' zei hij. 'Hmmm,' snoof Umak. Hij merkte dat Torka en Lonit begrepen wat Karana nog niet had ontdekt, namelijk dat de kennis van hun Heer der Geesten niet onbeperkt was.
De jongen was verrukt over het compliment van Torka. Hij ging iets rechterop staan en probeerde er net zo hooghartig uit te zien als Umak. 'Karana zal eens net zo zijn als de Heer der Geesten! Alle dingen weten. Maar Galeena spreekt zelfde taal als Torka. Veel volken spreken zelfde taal. Alleen anders zeggen.' Umak hield zijn hoofd scheef. Zijn boze uitdrukking veranderde in een glimlach. Hij had gelijk gehad toen hij tegen Lonit zei dat het Volk op de grote kudden kariboes leek! Ze hadden in het begin inderdaad één geheel gevormd. Nu waren ze verdeeld en de woorden die ze spraken, veranderden langzaam naarmate ze verder van het middelpunt van de Schepping verwijderd raakten. Het begon Umak te dagen. 'Hundmins... hondenmensen. Galeena kumme as vrind... Galeena komt als vriend. Hmmm! Het is goed dat deze Heer der Geesten tot Galeena en zijn volk kan spreken.' En hij sprak tot hen. Hij hief zijn speer op en schudde die. Galeena kumme as vrind! Umak is Heer der Geesten! Hij zegt tot Galeena: Kom! Wees welkom! De hondenmensen hebben veel vlees voor jullie!'
Dat was een vergissing. De oude man wist het zodra Galeena met een stuk of vijf van zijn jagers achter hem aan naar de richel kwam. De stank van de vreemdelingen kwam hem tegemoet. Het was een ergere stank dan die waarin Karana zich had gehuld als bescherming tegen roofdieren. Het was de stank van vuil, van ongewassen lichamen en kleren en van iets anders, iets bedreigends. Deze mannen brachten spanning met zich mee. Karana moest knielen en zijn armen om Aar heen slaan om te voorkomen dat de hond in de aan val ging. Het dier hield zijn kop omlaag en elke haar op zijn rug stond overeind terwijl een diep gegrom tussen zijn opgetrokken lip pen uit kwam.
Umak hoefde niet naar Broeder Hond te kijken om ook instinctief gevaar te voelen. Hij had er spijt van dat hij de nieuwelingen had uitgenodigd zonder eerst met Torka te overleggen. Als er iets misging, wist Umak dat het zijn eigen schuld zou zijn. Maar wat kon er nu misgaan, vroeg hij zich af. Het waren mannen. Jagers. Als ze zich hadden gewassen en hun kleren hadden gelucht zouden ze niet zoveel verschillen van de mannen van het Volk die nu naar de hemel lagen te kijken. Maar waarom hielden ze hun wapens zo verdedigend vast? Waarom hadden ze geen vrouwen en kinderen mee naar boven genomen? Umak snoof zachtjes en bedacht dat de nieuwelingen vast bang waren van mensen met een Heer der Geesten die de wil van een wilde hond zo had getemd dat zelfs de kleinste van hen het dier kon aanraken alsof het zijn broeder was. Hij ging nog wat rechterop staan. Hij keek nog iets minachtender. Het was goed te weten dat er weer mensen waren die zijn macht vreesden. Torka keek wantrouwend naar de nieuwelingen. Zijn hand greep het met pezen omwikkelde handvat van zijn knuppel van walvisbeen nog wat steviger vast. Hij wist niet waarom hij die knuppel had gepakt, maar zodra de vreemdelingen de berg begonnen te beklimmen had hij behoefte gevoeld hun zijn macht te tonen. Waarom? Mensen hieven de wapens op tegen wild en roofdieren, niet tegen hun medejagers. Mensen maakten geen jacht op mensen. Maar zodra hij in Galeena's zwarte oogjes had gekeken, had hij daar zo'n brutale roofzucht in gezien dat hij blij was dat hij zijn wapen in zijn handen had. Galeena sprak. Beleefd. Torka antwoordde. Beleefd.
Galeena grinnikte en zijn zes gewapende jagers grinnikten ook. Torka voelde dat hij kwaad werd. Galeena keek naar Lonit op een manier dat Torka hem het liefst de hersens had ingeslagen. Zijn vingers klemden zich om zijn wapen. 'Deze vrouw is Torka's vrouw,' zei hij tegen hem op een toon die geen tegenspraak duldde. Lonit bloosde. Ze boog haar hoofd, sloeg haar ogen neer en ging achter Torka staan omdat ze beschermd wilde worden tegen de blikken van de vreemdelingen. Ze stonden haar niet aan. Iets in hun ogen, in hun glimlach en in de manier waarop ze hun wapens vasthielden, joeg haar angst aan. Ze wilde dat ze nooit waren gekomen. Toch had hun komst Torka ertoe gebracht dingen te zeggen waarvan ze nooit had gedacht dat hij die tegen anderen zou zeggen. Er was een nieuwe groep in hun wereld gekomen en Torka had haar niet verloochend. Het besef maakte haar duizelig. Galeena deed een stap naar voren. Aar sprong bijna uit Karana's armen. Bedreigd door de hond bleef de man doodstil staan. Zijn jagers richtten hun speren op Aar. Karana werd opeens draaierig van angst, maar hij bleef staan en hield zijn armen nog steviger om Aars nek. Hij wist dat zijn armpjes de hond niet konden tegenhouden als hij wilde aanvallen, maar door de zachte woordjes die hij zei, bleef de hond bij hem. 'Kalm, Broeder. Tot de Heer der Geesten spreekt, zijn deze stinkende mensen welkom in ons midden.' Galeena keek naar de jongen en de hond, nam de situatie op en voelde de betovering. Hij keek naar Torka, zag zijn kracht en zijn vastbeslotenheid om zich tegen elke bedreiging van de zijnen te verzetten. Maar het was zo'n klein groepje: een jager, een oude man, een jonge vrouw, een jongen en een wilde hond. Een vreemd gezelschap, waar Galeena voorzichtig mee zou moeten omgaan tot hij zeker wist dat er niet meer aan de hand was. 'Julle Hundmins, giste mins?' vroeg hij rechtstreeks.
Torka deed zijn best om zijn woorden te begrijpen. Umak begreep opeens wat Galeena bedoelde en antwoordde trots. 'Umak is Heer der Geesten!' Toen Galeena zijn gezicht in allerlei rimpels trok waaruit bleek dat hij het niet begreep, herhaalde de oude man het in het dialect van de nieuweling. 'Umak heer van giste! Umaks volk... minse... noem jij Hondenmensen. Wij hebben verbond met giste, geesten!' Het kon geen kwaad om hun status wat aan te dikken. De geesten van de berg waren hen inderdaad goedgezind geweest. Ze hadden hen veilig hun kamp laten opslaan en hen beschermd tijdens de jacht. Umak was blij toen hij de nieuwelingen onzeker en met verholen ontzag naar Broeder Hond zag kijken. Hij voelde zich bijna almachtig toen hij zo tot de vreemdelingen sprak, met zijn kin omhoog en een neerbuigende blik alsof ze onwetende kinderen waren die naar hem toe kwamen voor hun eerste onderricht in de wijsheid van het Volk.
Galeena kneep zijn ogen onderzoekend samen. Umaks neerbuigende toon was hem niet ontgaan. Hij keek naar de verse hoofdwond van de oude man en dacht: hij heeft misschien macht over de geesten van deze plek en over de geest van de wilde hond, maar dat is toch door een dier gedaan. Zo groot is zijn toverkracht niet. Hij is sterfelijk, deze Heer der Geesten. En degenen die naast hem staan zijn ook sterfelijk. Hij knikte. Hij grinnikte, waarbij hij zijn vuile bruine, wijd uit elkaar staande tanden liet zien, alsof hij ze zo mooi vond dat iedereen ze jaloers zou moeten bewonderen. Hij maakte een weids gebaar naar de brede richel en het nette kamp dat Lonit had gemaakt.
'Goei kamp ditte,' zei hij, openlijk jaloers op de vele huiden, de rekken met drogend vlees, vis en gevogelte en de zakken gedroogde bessen en wortels. Net als Umak had Galeena snel het verschil tussen het dialect van de twee groepen door. Hij wilde zijn eigen dialect wel aanpassen en vooral laten merken dat Umak, al was hij Heer der Geesten, Galeena's bevattingsvermogen toch had onderschat. 'Galeena's volk, wij zien vuurtje dit kamp van heel verre weg. Wij kumme. Nu wij ook hier kamp. Veilig voor Grote Geest op deze hoge plek saam met Hundmins.'
Het was of de wereld onder Torka's voeten trilde, maar het was meer een innerlijke schok. Zijn hart sloeg over en begaf het bijna. 'Grote Geest?'
'Ken je Grote Geest niet? Grote Geest schudt wereld! Grote Geest doodt veel mensen van Galeena. Op verre plek veel mensen dood. Volk van Galeena ziet veel ander volk op plek waar toendra bij bos komt. Veel dennen daarzo. Veel mammoets eten aan begin van Gang van Stormen. Slechte plek. Bergen alleen ijs daarzo. Hoog tot hemel. Lopen net als mens. Geluid als vrouwen die huilen. Wind nooit ophouden. Waait hele tijd.' 'En Grote Geest?'
Galeena gromde en wilde zich niet laten opjagen door Torka's ongeduldige vragen. Het vereiste al zijn aandacht om de woorden zo te vormen dat de Hondenmensen ze begrepen. 'Wij daar kamp. Aan begin van Gang van Stormen. Wij jagen op mammoet. Wij doden. Veel volken saam. Wij veel vlees wegslepen. Wij feestmaal. Dan Grote Geest kom, in huid van dier... net als mammoet... maar te groot voor mammoet. Hij doodt. Velen rennen weg. Zijn rode ogen zien alles. Grote Geest volgt. Zijn slagtanden doden mensen, zo! Zijn voeten doden vrouwen en kinderen zo! Hij schreeuwt. Dan gaat hij. En ikke tevoorschijn kumme. Ikke proberen Grote Geest vinden, Grote Geest te doden. Regen komt. Veel storm en geen ren. Maar Galeena en zijn volk, wij zeggen dit goed. Wij kumme van ver. Wij zoeken hoog kamp. Ver van Grote Geest. Galeena zegt Grote Geest in verre toendra, op zoek naar mensen om te doden. En ikke kan Grote Geest niet doden. Hij is als berg. Hij blijft altijd leven!' Hij wachtte en keek wat voor effect zijn woorden hadden. 'Jij Torka, jij kent Grote Geest.' 'Torka kent Grote Geest.'
'Torka hem zien op verre plek? Misschien Grote Geest ook veel van Torka's mensen doden?' 'Dat is zo.'
'Daarom Torka met weinig! Heel weinig. Torka brengt hen naar hoge plek, veilig zijn! Dat goed! Dit kamp heel goed kamp! Plek voor veel mensen. Galeena's volk, wij kumme! Wij blijven. Wij samen doen met Hondenmensen! Oude man Heer Geesten, hij met geest praten voor allemaal! Galeena's volk geen man van geesten. Dood door Mammoet. Nu goed leven voor allemaal. Veel mensen veilige jacht! Veel mensen makkelijk leven. Goed!'