1
'Het spoor van de grote mammoet liep naar het zuiden. We zullen dus naar het oosten gaan, langs het pad dat de kariboes volgen wanneer ze uit de richting van de opkomende zon komen. Weldra zullen we de kudden tegenkomen. Weldra zullen we eten.' Met deze optimistische woorden van Umak gingen ze op pad over het bevroren land, onder een steeds dreigender lucht, oostwaarts naar onbekend gebied, met de wilde hond op een afstandje achter hen aan.
Lonit keek om en wou dat de hond wegging. Misschien was het toch een spookhond. Waarom zou de Heer der Geesten anders geen poging hebben gedaan om hem te doden? Het zou een feestmaal voor hen zijn. Het zou hun de kracht geven om verder te gaan tot er groter en smakelijker wild in zicht kwam. Maar de oude man liet uit niets blijken dat hij de hond wilde doden of verdrijven, en Lonit wist dat zij als vrouw niet het recht had om hem ernaar te vragen. Ze trokken steeds maar verder, gebogen onder de last van hun bepakking, terwijl ze samen het gewicht torsten van de slee en van Torka die er bewusteloos op lag. Na een poosje dacht het meisje niet meer aan de hond. Ze kon zich alleen nog maar op haar volgende stap concentreren. Het trekken van de slee was bijna ondraaglijk zwaar. En hij leek elke kilometer zwaarder en onhandelbaarder te worden. Lonit zei tegen zichzelf dat het niet erg was. Torka's gewicht zou nooit een last voor haar zijn. Nooit. Zolang ze zich kon herinneren had ze van hem gehouden. Torka was knap, de beste van alle jagers, degene die ooit Heer der Geesten zou worden en die de stam zou leiden wanneer de hoofdman te oud werd. Torka was de enige man die nooit had gespot met haar vreemde uiterlijk. En eens, toen ze heel klein was en per ongeluk haar vader voor de voeten liep zodat ze een schop van hem kreeg, had Torka streng en met gefronste wenkbrauwen toegekeken hoe ze gestraft werd. Toen haar vader wegliep, was Torka naar haar toegekomen en had hij haar overeind geholpen. Hij had naar haar geglimlacht... een bemoedigende glimlach... een glimlach die de pijn wegnam. Ze zou dat ogenblik nooit vergeten. Het was voor het eerst sinds de dood van haar moeder dat iemand vriendelijk tegen haar was geweest. 'Wees dapper, klein Antilope-oogje,' had hij gezegd en uit zijn mond had de meestal zo sarcastische verwijzing naar haar grote, abnormaal ronde ogen bijna een liefkozing geleken. Vanaf dat moment hield ze van hem. Het maakte niet uit dat hij haar liefde nooit zou beantwoorden. Ze was zijn aandacht niet waard en zijn genegenheid nog minder. Het was voldoende om in zijn nabijheid te leven, hem te zien en zijn stem te horen. Als Torka’s geest zijn lichaam zou verlaten om mee te gaan met de wind, wist Lonit dat haar geest zou volgen, net zoals zij nu, onder de aanzwellende storm, over de besneeuwde toendra Umak naar het oosten volgde en alles wat ze ooit had gekend achterliet. Maar hoe lang zou zij het nog volhouden? Ze had honger en was moe, niet alleen van de beproevingen van die dag maar ook van de weken van hongersnood. Umak en zij hadden maar een paar kleine stukjes ranzig vet gegeten die de oude man had ontdekt in de ingestorte hut van het stamhoofd. Hij had zijn deel met tegenzin verorberd en met zoveel afkeer gegeten dat het haar had verbaasd. Eten was eten, hoe smerig het ook was. Ze zou het allemaal hebben opgeschrokt als hij er niet op had gestaan om de helft te bewaren, in dunne plakjes gesneden en opgeborgen in een voorraadzak van geoliede vogeldarm. Die had hij platgeduwd en in Lonits reismantel gestopt, tussen de zachte voering en haar tuniek, met het zware pakstel erop om hem op haar rug op zijn plaats te houden. Zo zaten de stukjes vet veilig weggestopt en uit de wind. Ze werden verwarmd door het beetje lichaamswarmte dat door haar tuniek kwam en mals gemaakt door haar bewegingen terwijl ze voort ploeterde door de sneeuw. Wanneer Umak en zij uiteindelijk hun kamp opsloegen en gingen zitten om deze schat samen met Torka op te eten, zouden het zachte vettige stukjes zijn die hun kostbare energie zouden geven terwijl ze sliepen. Het water liep het meisje in de mond als ze eraan dacht, en terwijl haar maag pijn ging doen van de honger, deed haar lichaam pijn van vermoeidheid.
De wind werd sterker. Het daglicht was slechts een vaag glimmend, koud schijnsel achter de bewolkte horizon. De nacht verspreidde zich over de toendra. Lonit vroeg zich af hoe lang ze Umak zou kunnen bijhouden. Door de lange haren van de bontrand aan haar mantel wierp ze een zijdelingse blik op hem.
Umak liep voorovergebogen en met zijn hoofd naar voren, vastberaden naast haar. Ze kon zijn profiel zien dat uit de bontrand van zijn zware mantel van berenhuid naar buiten stak. Lange slierten haar wapperden in de wind boven zijn brede, gerimpelde voorhoofd. Een oog met een zwaar ooglid en steile wimpers staarde recht voor zich uit boven de hoge gewelfde neus. Zijn lippen waren samengeklemd boven zijn ronde kin. Het was een sterk gezicht. Het was het gezicht van een ware Heer der Geesten. Maar het was ook het gezicht van een heel oude man.
Lonit was opeens misselijk van angst. Als er iets met Umak gebeurde, hoe zou ze dan voor zichzelf en Torka kunnen zorgen? En als Torka doodging? Nee! Zo mocht ze niet denken. Zulke gedachten waren een zwaardere last dan haar bepakking. Vastberaden zette het meisje zich schrap tegen de wind. Die fluisterde om haar heen en wekte herinneringen op aan de vele doden die nu ver achter hen lagen. Ze bedacht dat Umak en zij de bezittingen hadden gestolen van degenen die nu naar de hemel lagen te kijken.
Je zult niet ver komen. Wij zullen volgen.
We zullen terugnemen wat je hebt gestolen. We zullen je levensgeest eten en in de wind verstrooien. Je zult sterven. Voor altijd.
Had de wind gesproken? Of had ze alleen de stem van haar eigen angst gehoord? Ze wist het niet. Ze boog haar hoofd. Ze zou niet naar de wind luisteren. Ze zou niet aan het verleden of aan de toekomst denken: die waren allebei te angstaanjagend. Ze zou alleen aan dit moment denken. Aan de volgende stap. En de stap daarna. Omwille van Torka moest ze verder gaan.
Umak voelde een verandering in de manier waarop het meisje haar kant van de slee trok. Het verbaasde hem, want haar stap leek eerder nieuwe kracht te hebben gekregen dan langzamer te worden.
Het meisje was sterk; dat was meteen al gebleken. Ze had nog geen klacht geuit en nog niet één keer gewankeld onder het gewicht van haar bepakking. Toch was ze maar een vrouw en ondanks haar lengte nog niet volwassen. Ze zou weldra moe worden. Ze zou weldra struikelen. En de komende dagen, totdat Torka beter was - als hij tenminste beter werd - zou Umak voor haar moeten jagen en ervoor moeten zorgen dat ze beschut was tegen het weer en beschermd tegen roofdieren die op haar afkonden komen. De oude man dacht hier over na terwijl hij liep. Sinds de dood van zijn laatste vrouw, vele manen geleden, had hij alleen voor zichzelf hoeven te zorgen en sinds hij zijn been had verwond, hadden anderen voor hem gezorgd. Nu had iemand hem weer nodig. Torka en Lonit waren van hem afhankelijk om te overleven. Als hij hen in de steek liet, zouden ze sterven. En als ze stierven zou het net zijn alsof het Volk nooit had geleefd.
Het was nu bijna donker. De wind was heel sterk. Toch had de oude man het niet koud en ging hij ook niet langzamer lopen. De verantwoordelijkheid voor Torka en Lonit boezemde hem geen vrees in. Voor hen zou hij weer jong zijn. Voor hen zou hij sterk zijn, even sterk als het meisje dat haar snelheid aan de zijne aanpaste. Hij wierp een bedachtzame, zijdelingse blik op haar en dacht: dit meisje is moedig. Dit meisje zal een vrouw worden die dappere zonen krijgt.
Haar gezicht was verborgen door de bontrand van haar mantel. Dat was maar goed ook, want Umak wist dat ze geen schoonheid was. Het hinderde niet. In het uitgestrekte, vijandige, onbekende gebied dat voor hen lag, zou de schoonheid van een vrouw worden bepaald door haar uithoudingsvermogen en haar wilskracht, niet door de vorm van haar gezicht:
Maar nu, terwijl de duisternis het laatste daglicht verdreef, was de vrouw slechts een meisje, en was het been van de 'jonge' Heer der Geesten pijnlijk en opgesloten in de huid van een oude man. Toen Torka op de slee bewoog, verloren degenen die hem trokken allebei hun evenwicht. Ze vielen op hun knieën in de sneeuw. 'Hmmm,' snoof Umak, terwijl hij overeind kwam en een hand naar het meisje uitstak. 'Ik denk dat het tijd wordt om te rusten.' Zijn hand was vast. Hij was blij dat het donker was. Zo zag ze niet de vermoeidheid op zijn gezicht.
Maar Lonit keek niet naar Umak. Ze keek naar iets achter hem, in de richting van waar ze gekomen waren, en haar gezicht was verstard van angst.
Ogen.
Honderden starende ogen. Het was net of ze in de nacht hingen. Ze zweefden zonder lichaam, nu en dan knipperend als vonken die dansten boven een onzichtbaar vuur.
Lonit was ervan overtuigd dat het de ogen van de doden waren... die keken... hen kilometers lang achtervolgden... wachtend tot het donker was... die zich opmaakten om de levensgeesten weg te nemen van degenen die de goederen hadden gestolen die hun rechtens toekwamen in het rijk der doden.
Maar Umak wist wel beter. Hij kon nog net de wilde hond zien. Die stond tussen hen en de kijkende ogen. De hond had zijn staart tussen zijn poten en zijn oren naar achteren. Hij stak zijn kop naar voren en ontblootte zijn tanden terwijl hij achter in zijn keel gromde. Het was het waarschuwende gegrom van het ene dier tegen het andere.
Nu gromde Umak ook... omdat hij het gevaar niet had gemerkt. De wind had de geur weggeblazen, maar dat was geen excuus. De hond had het wel geroken. In een andere tijd zou een jongere en minder vermoeide Heer der Geesten geweten hebben dat er gevaar dreigde. Zijn gezicht vertrok van afkeer van zichzelf. Hij tuurde in de duisternis en probeerde uit alle macht de soepele gestalten te zien die zich daar tegen de grond drukten en in hun wintervacht even wit waren als de sneeuw. Vossen.
Hoe lang zaten ze al achter hen aan? Overmoedig door de honger en in een grote, uitgehongerde roedel, zouden ze wanneer ze aanvielen even gevaarlijk zijn als wolven.
En Umak wist dat ze zouden aanvallen. Ze hadden hun prooi zien struikelen en vallen. Ze hadden lucht gekregen van de zwakte van een oude man en een jong meisje en van het bloed van Torka's verwondingen.
Langzaam en doelbewust deed Umak zijn bepakking af en zei tegen het meisje dat zij dat ook moest doen. Ze gehoorzaamde en aarzelde alleen toen hij haar zei dat ze hem twee speren moest geven en er zelf ook twee moest nemen. Ze verbleekte; een vrouw mocht nooit de wapens van een man aanraken om te voorkomen dat de besmettelijke invloed van haar zwakke geslacht hun dodende kracht zou verminderen. Ze had zorgvuldig vermeden om de wapens aan te raken toen ze de bezittingen van de doden hadden verzameld. Nu staarde ze de oude man aan en hoopte dat ze hem verkeerd had begrepen. Maar toen hij haar uitfoeterde en het bevel herhaalde, deed ze wat haar werd opgedragen.
Ze had binnen een tel zijn bepakking opengemaakt en de wapens eruit gehaald. Er waren in totaal zeven speren. Lange, dunne stukken been gesneden uit de schenkels van mammoets die lang geleden door jagers van de stam waren gedood. Elke speer had als punt een splinter steen of ivoor die met pezen was vastgebonden. De oude man had de speren in zijn jagersmantel gerold. Normaal zou hij er twee of drie in één hand hebben gedragen met hun gewicht tegen zijn schouder. Maar omdat hij de slee moest trekken en bovendien een zwaar pak met voorraden moest dragen dat onder normale omstandigheden over een aantal leden van de stam zou zijn verdeeld, zouden de speren hem onnodig hebben gehinderd. Hij was niet van plan geweest om te jagen. Ter bescherming droeg hij in zijn riem, onder zijn mantel, een stenen dolk en een knuppel die was gemaakt van het door vuur geharde dijbeen van een bizon. In een noodgeval, tegen grote roofdieren, zoals nu tegen de vossen, konden de speren snel genoeg worden gepakt.
Hij stond recht overeind. Hij zette zijn borst uit zodat hij in de ogen van de loerende roofdieren groot en onverschrokken zou lijken. Hij gromde weer, zoals de hond deed. Hij grauwde zoals de hond deed. Met een drieste beweging van zijn speren en wat veelbetekenend gegrom toonde hij Lonit wat ze moest doen. De speren voelden vreemd aan in haar handen, maar ze smolten niet en bogen ook niet dubbel toen zij ze in haar vrouwelijke vuisten sloot. Zou het gebruikelijke verbod op het aanraken van wapens niet meer gelden nu de stam niet meer bestond? Het meisje wist het niet. Ze wist alleen dat ze de instructies van Umak moest opvolgen. Als ze dat niet deed, zou hij het recht hebben om haar te slaan of achter te laten.
Hij liep brutaal op de vossen af en Lonit liep brutaal naast hem, terwijl ze inwendig de geesten aanriep die in de speren huisden.
Vergeef dit onwaardige meisje dat ze jullie vasthoudt. Geef haar handen kracht en haar geest moed. Wees sterk en snel, voor Torka en voor Umak. Ga recht op het doel af.
De speren verhoorden haar smeekbede, want met Umak naast haar leken haar armen opeens sterk. De oude man deed een paar grote, stampende stappen vooruit. Hij schreeuwde naar de vossen dat ze weg moesten gaan. Lonit deed hem na, verbaasd over haar eigen stemgeluid. Ze klonk niet bang.
Sommige ogen knipperden en verdwenen, maar andere keken gemeen en gloeiden toen de rest van de vossen bleef staan. Toen Lonit en Umak naar voren liepen, keek de wilde hond om. De leiders van de roedel vossen profiteerden van de beweging van de hond. Ze sprongen vanuit de duisternis op hem af. Lonit zag hen nu voor het eerst. Haar adem stokte. Het waren net lemmingen die in groepen naar de hond toe sprongen. Nog nooit had ze zoveel vossen bij elkaar gezien. Ze had niet gedacht dat er in de hele wereld zoveel vossen zouden zijn. Even verdween de kracht uit haar armen en kneep de angst haar keel dicht. Ze kon niet bewegen. De wilde hond had makkelijk weg kunnen rennen. Hij had zich kunnen omdraaien en in de nacht kunnen verdwijnen. Maar in plaats daarvan bleef hij staan, draaide bijtend en grauwend in het rond en viel zijn tegenstanders aan die om hen heen dromden en met flitsende tanden en klappende kaken tegen hem opsprongen. Lonits instinct zei haar dat zich om moest draaien en vluchten. De vossen zouden de hond opeten. Als Umak en zij snel weggingen, zouden de vossen hen niet achternakomen. Ze zouden daar willen blijven om te eten. Maar waarom bleef de hond om tegen hen te vechten? Het was net of het dier zich omwille van hen welbewust aan het gevaar blootstelde; alsof hij hen op de een of andere manier als leden van zijn meute beschouwde en het als zijn plicht zag om hen te beschermen. 'Aaar!'
Het meisje maakte een sprongetje van schrik bij Umaks schreeuw toen hij gillend naar de hond rende. Hij stond midden tussen de vossen terwijl hij links en rechts stekend tekeerging met zijn speren. Ze hoorde gepiep en geblaf van pijn. En toen, als een vlucht vogels die door de lucht scheerde, was de roedel vossen opeens verdwenen. Umak en de hond stonden hijgend naast elkaar, omgeven door bloedende, opengereten lichamen van vossen die nooit meer zouden opstaan om met hun soortgenoten mee te gaan. Umak stak een van zijn speren in de lucht. Hij schudde hem heen en weer, met het lichaam van de vos die hij ermee had doorboord er nog aan. 'Nu houden we een feestmaal!' riep hij in triomf. Lonit knipperde en staarde naar de oude man die naar de hond keek. Op een gehavend oor en een bloedende snuit na leek het dier ongedeerd. Zijn dikke pels had er blijkbaar voor gezorgd dat de vossen niet veel schade toebrachten. Hij stond zo dicht bij Umak dat die zijn speer door de rug van de hond heen in zijn hart had kunnen steken als hij gewild had. De hond keek naar de oude man en was blijkbaar niet bang. Hij maakte geen aanstalten om weg te lopen toen Umak het lichaam van de vos van zijn speer liet glijden en voor het dier liet neervallen. De hond snuffelde eraan en ging toen rustig liggen eten alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat een hond een mens gezelschap hield.
Maar het was niet zo gewoon. Lonit bleef Umak aanstaren. Hij was werkelijk een Heer der Geesten, een jager die zo goed en sterk was dat hij door toverkracht de geest van een dier kon binnendringen en het zo kon dwingen te doen wat hij wilde. Niet alleen had hij de vossen weggejaagd en sommige ervan gedood zodat ze konden eten, maar hij had de hond ook doordrongen met zijn geest. Hij had ervoor gezorgd dat de hond bleef staan en naast hem vocht alsof het dier zijn broeder was.