3

De Wanawut propte zich vol. Ze kraakte de beenderen van de lui­aard met haar zware, malende kaken en kiezen, zoog zijn bloed op en at gulzig van zijn vlees. Het kostte haar geen moeite om andere aasetende zoogdieren en vogels te verdrijven als ze te dichtbij kwa­men, hoewel de meesten zich hadden teruggetrokken zodra zij grau­wend en met haar vuisten schuddend uit het kreupelhout was opge­doken.

Het karkas stonk naar de beesten en hun vliegende stokken. Ze lette goed op terwijl ze at en zorgde ervoor dat haar andere zintuigen ge­richt bleven op tekenen of geluiden die erop duidden dat de beesten terugkwamen. Er zat nog zoveel goed vlees op deze luiaard. Hoe konden ze zo verkwistend zijn?

De Wanawut koerde terwijl ze at, en dacht aan haar wachtende jon­gen. Ze klemde haar hand om de holle buis harig bebloed luiaardvel die ze van de arm van het karkas had getrokken. Het was goede, dik­ke huid die het beestenjong warm zou houden. Het werd tijd om terug te gaan naar haar veilige hol in de bergen, maar voordat ze aan de lange klim begon, zou ze eerst nog een hap vlees nemen, nog één hap...

Uit het hoge struikgewas op de vlakte vlogen opeens vogels op en een paar antilopen vluchtten weg uit hun schuilplaats en sprongen naar de rivier.

De Wanawut hield op met eten, stond op, draaide zich naar de wind en rook... leeuw! Ze zag het oude mannetje uit de wilgen tevoor­schijn komen en naar haar blijven staan kijken met ogen die dezelf­de kleur hadden als het gat in de hemel, maar niet dezelfde warmte. Ze hield haar kop scheef. Zijn soort at meestal overdag. De leeuw boog zijn kop voorover en de Wanawut deed hetzelfde. Ze zag zijn gele ogen half dichtgaan, maar op de een of andere manier voelde ze dat ze haar nog scherper dan eerst observeerden. Ze had nog nooit zo'n grote leeuw gezien, of een met zo'n bleke vacht. Als die vacht niet vol modder had gezeten, door een duik in het ondiepe water van een van de vele nabijgelegen meertjes, zou hij bijna wit zijn ge­weest. Zijn manen waren echter zwart, even zwart als zijn bedoelin­gen met haar terwijl hij tussen haar en de weg terug naar haar grot ging staan.

Ze ging naar rechts om langs hem te kunnen lopen. Hij versperde haar de weg. Ze ging nu naar links.

Hij maakte een omtrekkende beweging om haar de pas af te snijden en bleef opeens doodstil staan. Hij brulde en schudde zijn grote, ge­maande kop om haar duidelijk te maken dat ze niet kon passeren... dat zij, en niet het verminkte karkas van de luiaard die avond zijn maaltijd zou vormen.

De Wanawut schreeuwde van verontwaardiging en ontblootte haar tanden. Ze stampte op de grond en zwaaide met haar armen. Ze maaide met haar vuisten door de lucht en toonde haar mensensteen. De leeuw was niet onder de indruk.

Ze stampte weer op de grond, heel hard, met allebei haar voeten, maakte toen dreigende gebaren en liet weer haar tanden zien. De grote kat boog alleen zijn kop, sloeg met zijn staart en kwam op haar af, in elkaar gedoken nu, beheerst. Wanneer hij dicht genoeg was genaderd, zou hij haar bespringen.

Met haar mensensteen in de ene hand en de bedekking voor het jong in de andere bleef ze staan. Ze dacht niet dat hij haar zou aan­vallen als zij hem strak bleef aankijken. Ze was gewoonweg te groot, te sterk, te lenig en te goed gewapend. Haar klauwen waren zo groot als die van een beer en alleen een springende kat had even scherpe tanden als zij. De spieren van de leeuw waren zwaar en bedoeld om te doden, maar die van haar waren dat ook... alleen liep zij rechtop, bijna net als de beesten.

In een witte boog van pure kracht met zwarte manen sprong de leeuw op haar af. Terwijl hij sprong, dook ze in elkaar en kwam ver­volgens onder hem omhoog. Ze gaf hem een klap met haar schouder en bracht hem zo uit balans dat hij op zijn zij viel. Verdoofd bleef hij liggen, maar slechts heel even.

Dat was voldoende voor de Wanawut om te merken hoe zwak haar nog niet genezen schouder was en om de pijn te voelen. Er liep iets warms langs haar been. Ze keek: op de een of andere manier had de leeuw een lange diepe wond op de buitenkant van haar dij gemaakt, van haar heup tot haar knie. Bang en verward maakte ze zachte ge­luiden tot ze gealarmeerd werd door het gegrauw van de leeuw en hem weer op haar af zag komen. Deze keer sprong hij niet. Hij liep gewoon naar voren, omdat hij haar bloed rook en haar zwakte en angst voelde.

Hij was oud en wijs, deze leeuw, maar hij was niet voorzichtig. Ze nam onverwachts een duik naar voren, haalde met haar mensen­steen zijn kop open en stak toen diep en snel. Het oog van de leeuw was verwoest en de hele linkerkant van zijn kop was al opengelegd nog voordat hij zich om kon draaien. Ze keek hoe hij als een bezete­ne rondrende, zijn poten over zijn kop haalde en zich daarna om­draaide en wegrende.

Ze wachtte tot hij verdween in de wilgenbosjes waar hij uit was ge­komen om haar aan te vallen. Toen ze hem niet meer kon zien, draaide ze zich om en terwijl ze de huid van de luiaard tegen haar wond duwde om de pijn te verminderen en het bloed te stelpen, be­gon ze naar huis te strompelen.

Het was al donker toen ze terugkwam in haar hol. Hoewel ze pijn had en zwak was door het bloedverlies, maakte de Wanawut zich meer bezorgd om haar jongen dan om zichzelf. Ze ging onmiddel­lijk naar het nest, keek erin en zag dat het kleine beest bloot lag. Hij lag zo stil. Zijn huid was zo koud dat ze er zeker van was dat zijn adem zijn lichaam had verlaten. Haar eigen jong was onrustig van de honger, maar het was warm en kon wel even wachten. Ze tilde het kleine beest op en terwijl ze de hele tijd tegen hem koer­de, blies ze de warmte van haar eigen leven tegen zijn rimpelige huid en in zijn neusgaatjes, oortjes en mondje. Omdat ze nog steeds bang was dat hij dood was, hield ze hem dicht tegen zich aan, ging zitten en hield hem in haar dik behaarde armen tot hij begon te rillen. Hij leefde! Ze werd bijna overweldigd door opluchting. Uitgeput leunde ze achterover tegen de koude, rotsige wand van de grot en luisterde naar de kreetjes van haar eigen jong. Het geluid klonk krachtig. Ondanks haar pijn vertrok haar brede, bijna liploze mond zich tot een glimlach. De hongerige, gezonde kreetjes waren bijna even troostend als het plezier dat ze voelde toen het kleine beest op­hield met rillen, diep in haar vacht kroop en naar een tepel begon te zoeken.

Ze liet hem even zoeken, zette hem daarna op de grond en terwijl ze een grimas trok wegens de kloppende pijn in haar dij, stopte ze hem in de holle huls van luiaardvel. Het vel was nog nat en warm, en zacht van haar bloed. Het kleine beest kroop er blij in weg. Toen ze opstond om haar eigen zuigeling te pakken en weer tegen de muur kwam zitten, was het kleine beest diep in slaap en even tevreden als­of ze hem nog steeds in haar armen hield.

Als de leeuw zijn zin had gekregen, zouden zowel zij als haar baby's dood zijn. Verontrust knipperde de Wanawut met haar ogen en pro­beerde de herinnering te verdrijven. Ze was moe. Haar schouder deed pijn. Haar dij klopte. Ze was zwak... zo zwak... Ze viel in slaap voordat ze tijd had om naar de slaap te verlangen en werd pas wakker toen haar jongen honger kregen. Haar been en schouder waren stijf en pijnlijk. Ze voelde zich niet sterker dan toen ze was gaan rusten, maar de aanblik van haar jongen maakte dat ze zich wat beter voelde.

Ze voedde de jongen en droomde van Moeder en van andere sterke, grijsbehaarde wezens van haar eigen soort. Warm in zijn mouw van luiaardvel viel het beestenjong ook weer in slaap, tot ze de behoefte kreeg om hem op te tillen en liefdevol over hem heen te ademen. De wind werd nu krachtiger en speelde met de wolken zodat het licht uit het gat in de hemel de grijze ochtend af en toe goud kleur­de. Het scheen op het gezichtje van het kleine beest en voor het eerst herkende de Wanawut in de trekken van de baby de man die zich gekleed in de huiden van een goudkleurige leeuw in het verre land had gewaagd om het verlaten kleine beest te zoeken. Haar harige vingers met de scherpe klauwen gleden langs het tere gezichtje van het jongetje terwijl haar lippen zich vormden tot de vreemde klaagzang van het beest, een klaagzang die ze nooit zou ver­geten: 'Man-ara-vak'.

En tot haar verbazing kirde het kind in haar armen, verrukt van het geluid van zijn soortgenoten en zijn eigen naam.