Hoofdstuk 4
Sonson zit een poosje stil bij Sebastian en Rhodé. Hij kijkt om zich heen. Er strompelt een zwaar gewonde man naar de auto die aan de kant van de weg staat. De man ziet er slecht uit. Sonson heeft nog steeds niet gegeten en zijn maag voelt vreemd. Gelukkig heeft hij al wel wat water gedronken van Rhodé. Af en toe voelt hij weer lichte trillingen onder zijn voeten. Dat zijn naschokken van de aardbeving.
Sebastian staat op. ‘Ik ga er weer vandoor, de stad in’, zegt hij.
Normaal zou Sonson zin hebben om mee te gaan, maar hij vindt het nu wel even genoeg.
‘Kom, wij gaan naar ons huis. Kijken wat we nog kunnen pakken om hier op straat te gebruiken’, zegt Rhodé. Sonson krabbelt snel op en loopt achter haar aan.
Binnen vijf minuten staan ze bij de ravage. Rhodé gaat op de kleine binnenplaats van het huis staan. De muren rondom de binnenplaats staan overeind. Achter het huis is het een grote, grijze puinzooi. Er liggen allerlei spullen tussen de stenen. Een oude computer met een barst in het beeldscherm, een stoel met een kapotte poot en een ijzeren pan. Op het golfplaten dak van hun huis liggen grote steenbrokken van het huis dat erachter stond.
Rhodé loopt naar links waar de smalle deur van de keuken is. Die deden ze alleen open als ze kookten. Er liggen stukken golfplaat voor de deur. Het golfplaten dak van de keuken is beschadigd. Er zit een gat in het dak. Naast het gat liggen grote stenen. Sonson krijgt een vreemd gevoel in zijn maag. Hier was Sebastian toen de aarde beefde. Dit is hun huis. Hier hadden ze met z’n drieën plezier. Hier kwamen Carlos en Reinaldo hem altijd ophalen om een potje te voetballen. Het was er wel niet zo leuk als in Forêt-des-Pins met de mooie bomen en bergen, maar voor Port-au-Prince is het een prima huis.
Rhodé loopt langzaam over de binnenplaats. Van de ene kant naar de andere kant.
‘Hier naar binnen gaan is gevaarlijk. Dit kan zo instorten’, zegt ze als ze voor de deur van de keuken staat. Ze loopt naar de andere deur. Sonson loopt vlug een stap voor haar uit.
‘Dit ziet er stevig uit. Hier kun je volgens mij prima naar binnen gaan’, zegt hij en hij loopt in de richting van de deur. Rhodé trekt hem aan zijn bloes terug.
‘Eerst goed kijken, dan pas actie ondernemen.’
Sonson snuift. Hij is toch geen klein gozertje meer dat niet weet wat hij moet doen? Hij is ook in zijn uppie hiernaartoe komen lopen vanmorgen! Rhodé tuurt naar het golfplaten dak en loopt naar de deur. Ze doet de deur open en schopt tegen de deurpost aan. Ze loopt een paar stappen achteruit, zet haar handen in haar zij en neemt het huis van boven naar beneden op.
‘Dit ziet er inderdaad minder gevaarlijk uit’, zegt Rhodé na een paar minuten. Ze loopt weer naar de deur en trekt deze voorzichtig open.
Zie je wel, hij zei het toch?
In de kamer is het een rommel. De bank staat schuin in de kamer. Het schilderij van papa ligt kapot op de grond. Een fles water is leeggestroomd in de linkerhoek van de kamer. Het is schemerig. Hij moet even aan de schemering wennen om alles goed te kunnen zien. Rhodé loopt voorzichtig rond en pakt de deken van de bank.
‘Hou vast, die kunnen we goed gebruiken vannacht.’ Ze opent in de hoek van de kamer een doos waar kleren in zitten. Boven op de kleren ligt een grote, witte plastic zak opgevouwen.
‘Hou even open, wil je?’ vraagt Rhodé, terwijl ze aan de plastic tas schudt.
Met de deken onder zijn arm houdt hij de grote zak open voor Rhodé. Ze stopt snel en netjes een paar broeken, shirts en rokken in de zak. Met haar handen in haar zij kijkt ze even rond. Dan hurkt ze neer op de grond en rolt onder de bank een plastic box naar voren. Ze pakt er drie handdoeken, een stuk zeep, een kam en twee rollen biscuit uit en propt die in een andere plastic zak. Even gaat ze op het puntje van de bank zitten. Met haar hand onder haar kin kijkt ze in het rond. Sonson loopt met zijn handen in zijn zakken een rondje door de kamer. Vreemd dat ze hier twee dagen geleden nog gezellig zaten te kletsen met elkaar.
‘Hadden we nog meer eten in de kamer? Het meeste eten staat in de keuken en daar kom ik liever niet. Levensgevaarlijk!’ zegt Rhodé.
Sonson kijkt nog een keer in het rond.
‘Geen eten. Maar achter de bank ligt nog een deken en daar hebben we ook die grote, dikke plastic zakken liggen, die papa uit Forêt-des-Pins had meegenomen, met zoete aardappels erin’, zegt Sonson.
‘Goeie van jou, die kunnen we gebruiken om op te zitten.’
Met volle tassen en de dekens onder hun armen verdwijnen ze. Een kapot huis met een dak boven je hoofd is toch eng. Straks komen er naschokken en stort ook de kamer verder in.
Rhodé en Sonson lopen terug naar hun plekje. Een moeder met twee kleine kinderen heeft het voor de helft ingenomen. De vrouw zit voor zich uit te staren. Haar dochtertje heeft een groot verband om haar hoofd. Het jongetje heeft een zwachtel om zijn rechterarm en rechtervoet. Ze hangen tegen hun moeder aan.
De tas van Rhodé die op hun plekje stond, heeft ze wat opgeschoven. Rhodé zegt niks, maar zet de tas weer een halve meter terug.
‘Kom eens hier met de plastic zakken’, zegt ze tegen Sonson die naar de vrouw kijkt.
Sonson schrikt op en geeft ze snel aan. Je kunt wel zien dat Rhodé voor verpleegster leert. Binnen een paar minuten heeft ze een bed gemaakt van plastic zaken en dekens, met de kleren als kussen.
‘Kleed je eerst maar om, dat schooluniform zal ook niet meer lekker zitten’, zegt ze.
‘Ik haal even de bankkussens uit het huis, dan kan één persoon zacht slapen vannacht.’ Ze rent weg. Sonson trekt zijn broek uit, verwisselt het voor een blauwe joggingbroek en trekt een rood poloshirt over zijn hoofd. Hij probeert de korreltjes cement op zijn buik met zijn nagels ervan af te krabben. Alles ruikt muf. Naar zand, steen en stof. Ook zijn schone kleren.
Als hij helemaal aangekleed is, gaat hij op het pasgemaakte bed zitten.
Rhodé komt met een paar kussens aanslepen. Alleen haar kroeshaar kun je nog zien. Verder is het een berg kussens voor haar. Sonson moet grinniken. Echt Rhodé. Die regelt graag.
‘Zo, vannacht slaap jij lekker zacht. Midden tussen ons in. En de volgende nacht is Sebastian aan de beurt.’
Sonson trekt de dekens weg en legt de kussens in het midden van de witte plastic zakken. Daarna trekt hij samen met Rhodé de dekens recht. Rhodé slaat nog eens op de kussens. Dat levert een grote grijze stofwolk op. Rhodé en Sonson moeten alle twee hoesten. Ze moeten voor het eerst na de aardbeving echt lachen. Ze gaan op de zachte kussen zitten en kijken wat in het rond. Rhodé zingt soms met een lied mee dat de vrouwen zingen. Mensen lopen af en aan met spullen die ze uit hun huizen hebben geplukt. Iedereen probeert een plekje klaar te maken voor de nacht die komen gaat. Soms schrikken ze op door een schok. Dan gaat iedereen direct zitten. Sommige mensen roepen ‘Jezus, help!’ Die zin heeft Sonson veel gehoord deze dagen. Niemand slaapt in een huis. Bang dat er weer zo’n grote beving komt.
De zon verdwijnt langzaam achter de wolken. Het wordt schemerig en koud. Van alle kanten komen mensen met olielampjes aan. Sebastian is terug van zijn tocht door de stad. Zijn kleren zitten onder de modder en het bloed. Zijn hoofd is nat bezweet.
Rhodé pakt rollen biscuit en een flesje water dat ze nog in huis vond. Het wordt koud. Ze kruipen tegen elkaar aan onder de deken en eten een paar biscuits. Sonson ligt in het midden. Naast hen ligt de moeder geknield tussen haar slapende kinderen in. Ze bidt huilend: ‘Jezus vergeef me als ik iets fout heb gedaan, maar breng alstublieft mijn man weer terug. Ik heb hem nodig. Jezus help mij.’
In het schemerdonker hoor je meer mensen zacht praten, bidden of zingen. Iedereen is verdrietig en bang.
Sebastian vertelt zachtjes over zijn tocht door de stad.
‘Ze zeggen dat het alleen in Port-au-Prince en Leogane een chaos is, maar in Leogane is het erger dan hier. Over de rest van het land heb ik niks gehoord. Hopelijk zijn papa en mama en de rest in veiligheid.’
‘Wat heb je de hele dag gedaan?’ vraagt Rhodé.
Sebastian draait zich op zijn zij, steunt met zijn elleboog op de straat en legt zijn hoofd in zijn grote hand.
‘Dat ga ik niet zeggen. Beroerdigheid. Een en al ellende. Dat heb ik gezien.’ Sebastian gaat iets harder praten. Sonson hoort Rhodé naast hem een diepe zucht slaken.
Hij doet zijn ogen dicht. Hoe zou het in Forêt-des-Pins zijn, bij papa en mama? Het liefst zou hij daar zijn, plezier maken. Lachen om gekke grappen en alle ellende vergeten!
Het is een poosje stil.
Dan voelen ze weer een grote schok. Ze springen overeind en gaan toch maar verder van de muur vandaan liggen. Het is geen hoge muur, maar stel je eens voor dat er een steen op je valt.
‘Is het een aardbeving of komt Jezus terug?’ vraagt Sonson aan Rhodé als ze weer liggen.
Rhodé haalt haar schouders op.
‘Het is een aardbeving, maar Jezus komt misschien ook wel terug. Ik weet het niet’, zegt ze.
Sebastian is weer op zijn zij gaan liggen met zijn hoofd op zijn rechterarm gesteund. Hij staart naar het lampje dat naast Rhodé staat. Het is weer even stil.
‘Hé Sebastian,’ zegt Sonson, ‘heb jij nog iets van Carlos en Reinaldo gehoord? Jullie zeggen niks over ze. En ik heb ze de hele dag nog niet gezien. Ook hun vader en moeder niet. Zijn ze naar een andere plaats gegaan?’
Het licht van het olielampje flakkert in het gezicht van Sebastian. Er verschijnt een dikke rimpel boven zijn neus. Sonson draait zich om en ziet Rhodé rechtovereind zitten. Ze legt haar hand op zijn rug. Zachtjes streelt ze hem. Haar zwarte kroeshaar staat rechtovereind.
Sebastian kucht en wrijft over zijn mond en kin.
‘Ja, Reinaldo is met zijn moeder vertrokken. Ze wilden de stad uit naar het platteland waar zijn oma woont.’ Even is het stil. Sonson voelt zijn hele lijf strak gespannen staan. De spieren in zijn benen doen er pijn van. Hij trekt zich langzaam op en leunt met zijn ellebogen in de kussens. Sebastian praat met een stem alsof hij iets ergs gaat vertellen.
‘Ja … en Carlos?’ vraagt hij.
‘En Carlos …’, Sebastian kucht weer. ‘Carlos leeft niet meer. Hij was op school en het lokaal waar hij was, stortte als eerste in van het hele gebouw. Zijn moeder heeft hem gevonden tussen de andere lichamen van de kinderen van school.’
Sebastian zit ook rechtop. Hij staart Sonson aan. Rhodé kruipt naast hem op de kussens en trekt zijn hoofd op haar schoot. Met haar vingertoppen trommelt ze zachtjes op zijn rug en strijkt hem door zijn stugge kroeshaar.
Sonson voelt de tranen branden en kan ze niet tegenhouden. Hij laat ze gaan.
Hij sluit zijn ogen en ziet het lachende gezicht van Carlos voor zich, de gekke bewegingen die hij maakte als hij wilde scoren. Hij voelt de stomp die Carlos de laatste keer gaf toen hij een tegendoelpunt scoorde. Gaat hij hem nooit meer zien? Gaat hij nooit meer voetballen met hem?
Nooit? Wat een naar woord is dat.