Hoofdstuk 2

Snoepjesoma zit ook in de groep bij Sonson en Mano. Ze ziet er gek uit. Net een blanc2. Haar zwarte krulletjes zijn grijs. Haar felrode bloes is grijs, haar zwarte rok is grijs. Sonson kijkt om zich heen. Iedereen is grijs. Alleen bruine ogen en witte tanden steken glanzend af.

Sommige muren van de school zijn omgevallen, andere staan nog overeind. Vooral de voorkant van de school is flink beschadigd. Een koude rilling loopt over zijn rug. Het lokaal waar hij een half uur geleden nog in zat, ligt in puin. Hij had wel dood kunnen zijn! En Mano, en alle kinderen uit zijn klas! De bomen op de binnenplaats van de school en aan de kant van de weg staan nog pal overeind. De bladeren ritselen zachtjes. De bomen staan er trots, alsof ze tegen de muren zeggen: ‘Wij zijn sterker dan jullie.’

Sonson ziet heel wat benen langs zich heen lopen. Bruingrijze blote benen, benen met rokken, benen met broeken. Mensen op blote voeten, mensen met sandalen of dichte schoenen. Hij zucht diep. Wat gebeurt er allemaal? Hij kan het niet bijhouden. De grote chaos en alle mensen die voorbijlopen. Nog nooit is er zo’n grote aardbeving geweest. Elke keer ziet hij weer iets wat hij nog nooit eerder in zijn leven heeft gezien. In zijn hoofd is het chaos.

Mano zit stil naast hem. Het huilen en jammeren van mensen klinkt vreemd in deze stoffige wereld. Alles klinkt bedompt en grijs, net zoals de wereld er nu uitziet. Alsof het geluid van de stemmen niet weg kan. Weer beweegt de grond onder hem. Automatisch pakt iedereen elkaar vast. Sonson grijpt de knie van Mano.

Het meisje naast hem staat op, maar valt na drie stappen weer op de grond.

‘Jezi tounen - Jezus komt eraan!’ roept Snoepjesoma. Terwijl ze praat, schudt haar hele lichaam. Niet lachend, maar bang.

Als Jezus terugkomt, denkt Sonson, is het toch feest? Die komt toch op de wolken met licht en mooie witte kleren? Dit trillen komt vanuit de aarde. Niet van boven waar de wolken zijn. Dit is een grote, doffe, grijze ellende!

Elke keer komen de schokken terug. Soms duurt het even, en soms komen er trillingen heel snel achter elkaar. Na elke schok beginnen de mensen te bidden en te roepen tot Jezus. Op de achtergrond hoort Sonson het gerommel van stenen. Mensen die achter hem zitten, huilen zacht.

‘Niet nog meer’, kreunt Snoepjesoma zacht. Ze wrijft met haar handen over haar dikke benen en klopt het stof van haar rok af. Het meisje dat naast Sonson zat, staat voorovergebogen aan de kant van de weg. Ze moet overgeven.

Er komt een lange jongen op de groep af strompelen. Hij wordt ondersteund door twee mannen. Aan zijn rechtervoet gaapt een grote open wond. Rood bloed en grijs stof loopt over zijn voet door elkaar heen. Hij gaat naast Mano zitten. Een mevrouw met een jerrycan met water en een lap die er niet echt fris uitziet, knielt bij de jongen neer. Voorzichtig wast ze de wond aan zijn voet. De jongen kermt zacht en sluit zijn ogen.

‘Moet je kijken!’ Mano port hem in zijn zij. Hij wijst naar een paar mannen die het slappe lichaam van een grote man dragen, en naar een grote hoop lopen. Sonson rilt. Op die hoop liggen slappe lichamen van mensen en kinderen op elkaar gestapeld, dode lichamen. Zoveel doden heeft hij nog nooit bij elkaar gezien.

Zou daar ook het meisje bij liggen op wie hij in de gang getrapt heeft? Even sluit hij zijn ogen. Een traan rolt vanuit zijn rechteroog langs zijn neus. Met de punt van zijn tong likt hij het zoute vocht op. Waarom heeft hij haar niet overeind geholpen? Hij legt zijn mond in zijn elleboog en bijt zachtjes in zijn vel, haalt diep adem en slikt. Mano kijkt naar hem.

Sonson trekt zijn wenkbrauwen op. Maar er komen geen woorden uit zijn keel.

‘Mano, kom met me mee, dan gaan we naar onze kerk. Daar zijn misschien meer mensen.’ Een kleine magere man trekt Mano aan zijn arm overeind.

‘Wacht even Eris, hij gaat ook mee’, zegt Mano en hij wijst naar Sonson.

‘Dit is Eris, mijn zondagsschoolmeester van de kerk’, zegt hij tegen Sonson.

Sonson staat op en loopt met bonkend hoofd achter de magere man en Mano aan. De straten waar hij door loopt, kent hij. Maar nu ziet alles er anders uit. Groepjes mensen zitten midden op de weg. Gewonden worden geholpen door omstanders. Er rijdt geen enkele auto. Aan de kant van de weg liggen dode lichamen. Mannen, vrouwen, kleine kinderen en jongens en meisjes van zijn eigen leeftijd. Sonson bijt op zijn lip. Hij had hier ook kunnen liggen.

Ze lopen door de drukke John Brownstraat, waar het op gewone dagen altijd een vrolijke drukte is. Op John Brown moet je zijn als je goedkoop en lekker boodschappen wilt doen. De vrouwen aan de kant van de weg bieden altijd tegen elkaar op. Echt een plaats waar je grappen kunt uithalen.

De manden met koopwaar liggen aan de kant van de weg. Zoete aardappels, snoepjes, rijst, stukken zeep en wit meel liggen over de straat uitgestrooid. Een paar vrouwen staan gebukt te zoeken en proberen in een plastic zak nog wat te verzamelen.

Ze lopen door. Het wordt bij elke stap donkerder. Sonson struikelt bijna over een verdwaalde steen midden op de straat. Hij kan zijn evenwicht nog net bewaren. De straten waar hij door loopt, kent hij niet. Of wel? Alles is zo raar grijs en dof. Mano en Eris praten niet, maar lopen stevig door. Alles kleeft en voelt korrelig aan. Er zitten scheuren in het asfalt van de weg. Het lijkt wel alsof er geen einde aan deze wandeling komt.

Opeens staat hij stil.

Waarom gaat hij met Eris en Mano mee? Kan hij niet beter op zoek gaan naar Rhodé en Sebastian? Rhodé ging vanmiddag naar school. Ze wil zuster worden. Sebastian heeft vandaag zijn werkdag op het computerbedrijf. Waar moet hij hen zoeken? Misschien lopen ze nu ook door de stad.

Eris en Mano zijn al aan het einde van de straat. Door de grijzige mist ziet Sonson ze nog net rechts de hoek om gaan. Hij holt achter ze aan.

Hijgend komt hij bij Eris en Mano aan. Die houden net hun pas in en slaan nog een keer rechts af. Ze staan naast een groot ijzeren hek dat half op de grond steunt. De muur waar het hek aan hangt, is voor de helft afgebrokkeld. Als ze het hek door zijn, ziet hij de binnenplaats van de kerk. De stenen vloer loopt schuin omhoog naar de kerk, die hoger staat dan de straat waar hij net op liep. Op de binnenplaats zit het vol met mensen en kinderen. Het is er vreemd stil. Achter de groep mensen staat de grote, witte kerk statig overeind. In het schemerdonker lijkt het gebouw licht te geven. ‘Dit is mijn kerk, hier ga ik elke zondag naartoe’, zegt Mano en hij slaat een arm om Sonson heen. Dat voelt goed.

Ze blijven stil voor de groep mensen staan. Sonson kijkt omhoog. De lucht is donker. Hier en daar twinkelt er een ster. Hij ademt diep in. De lucht ziet er net zo uit als anders.

‘Hé Mano, kom maar bij ons zitten.’ Een kleine tengere vrouw met een schorre stem wenkt naar hen. Sonson schrikt van de stem. Mano pakt hem bij de hand en loopt naar haar toe. Ze wiegt een huilend baby’tje op haar arm.

Sonson gaat zitten en zucht diep. Hij is moe en heeft dorst. Hoe laat zou het eigenlijk zijn? Zeven uur of acht uur, gokt hij. Dan beeft de aarde al drie uur lang! Wat moet hij doen? Hij voelt zich verloren. Weer trilt de aarde. De vrouw met de baby gaat rechtop zitten.

‘Nee, niet weer. Help ons Jezus’, mompelt ze zacht.

Een paar grotere jongens komen aanlopen. Ze hebben een tet gridap3 bij zich en steken die aan.

Sonson kijkt om zich heen. Voor de grote groep mensen staat een donkere schim.

‘Mensen’, zegt de man, en hij kucht.

‘Dat is Eris’, fluistert Mano in zijn oor.

‘Mensen, laten we deze nacht bidden en zingen. Laten we God vragen of Hij ons wil helpen. Dat is het enige wat ik tegen jullie kan zeggen.’

Helemaal aan de andere kant van de groep begint een groepje vrouwen zachtjes te zingen. De rest van de groep neemt het geleidelijk aan over. Sonson kent het lied wel. Ondanks zijn droge keel zingt hij zacht maar brommerig mee:

Bondye ou fidel    God, U bent trouw
Bondye pam nan ou fidel    Mijn God, U bent trouw
ou leve m anlè    U tilt mij op
e ou pote fado m yo    U draagt mijn lasten
ou ban mwen lavi    U geeft mij het leven
e seche dlo nan je mwen    En droogt de tranen in mijn ogen
ou toujou la    U bent er altijd
ou se Bondye fidel    U bent de trouwe God

Het is even stil. Dan zet een andere vrouw een nieuw lied in. Het ene na het andere lied wordt zacht gezongen. Als er weer schokken vanuit de aarde komen, roept iedereen tot God. Sonson zit nog steeds met zijn voeten opgetrokken en met zijn kin op zijn knieën. Weer een grote schok. Hij sluit zijn ogen, maar doet ze snel weer open. Met dichte ogen voel je de schokken alleen maar erger.

‘Hoe lang gaat dit nog duren?’ vraagt Mano aan hem.

‘Als we dat zouden weten’, antwoordt Sonson.

Eris is na een wandeling langs alle groepen tussen Mano en Sonson in komen zitten. De vrouw met de baby zit tegenover hen. Hij legt zijn ene hand op de blote knie van Mano en omknelt met zijn andere grote hand de knie van Sonson.

De baby is gestopt met huilen. De vrouw wiegt nog steeds met haar lichaam heen en weer. Sonson ziet het hoofdje van het kind slap in de armen van de vrouw liggen. Het slaapt.

‘Crayon Bon Dye pa gen gom, jongens, het potlood van God heeft geen gum. Toch zorgt Hij nu voor mij’, zegt de vrouw. Haar stem klinkt minder schor.

Ja logisch, er is geen gum die de grote chaos en het puin weg kan vagen, denkt Sonson. Wat raar dat ze dit zegt. Maar zijn hoofd is te zwaar en te vol om nog meer vragen te stellen. Het liefst zou hij een grap vertellen en zo hard lachen dat alle vragen in zijn hoofd zouden verdwijnen.

Hij draait zich met zijn rug naar Mano toe en leunt tegen hem aan. Met zijn hoofd op zijn opgetrokken knieën probeert hij te slapen.

2 Mensen met een witte huidskleur worden in Haïti ‘blanc’ genoemd. Deze naam komt nog uit de tijd van het slaventijdperk. Zie achter in het boek.

3 Klein olielampje, zo groot als een colablikje, waar olie in gedaan wordt. Veel Haïtianen hebben zo’n lampje in huis voor als ze geen stroom hebben of voor het geval de stroom uitvalt.