Wat gebeurt er met de menselijke geest als hij zichzelf volledig zal leren kennen?
Tom Wolfes messcherpe en provocerende vraag was de aanleiding voor mijn reis in de wereld van het hersenonderzoek, en hij staat na afloop nog steeds overeind. Onderweg was dit de essentiële vraag waarover juristen, filosofen en onderzoekers elk op hun eigen manier en via hun eigen dagelijkse filter hun standpunt probeerden te bepalen.
Oké, het idee dat wij onszelf volledig kunnen begrijpen moeten we met een korrel zout nemen; het is een uitdrukking van de overmoed die een enthousiast persoon eigen is. De hersenen zijn gewoon te complex om al hun geheimen prijs te geven, zullen veel onderzoekers zeggen, en ze konden best eens gelijk hebben. Volledigheid is ook niet nodig. Want niemand twijfelt eraan dat we tenminste een wezenlijk inzicht kunnen verkrijgen in dit eeuwig fascinerende orgaan. Het is nog vroeg, en de onderzoekers krabbelen alleen maar met een nagelpuntje aan de buitenkant als ze mentale verschijnselen verbinden met een gewijzigde doorbloeding hier en elektrische activiteit daar. Maar in enkele tientallen jaren hebben ze al enorme stappen gezet, en het is niet onredelijk om in de komende tien tot twintig jaar nog een tijgersprong of twee te verwachten. Hoe ver ze over veertig of vijftig jaar in onze hoofden zullen zijn doorgedrongen, daarnaar kunnen we alleen maar gissen. Hoe dan ook trekt het neuroveld zoveel geld, belangstelling en knappe koppen aan dat doorbraken onontkoombaar zijn.
Wat kunnen we verwachten?
Ongetwijfeld grote dingen. Een beter inzicht in de hersenen zal direct – en direct zichtbaar – leiden tot een beter begrip en betere behandeling van ziekten die tegenwoordig nog min of meer een raadsel zijn: alzheimer, schizofrenie en depressie, om maar een paar van de meest opvallende te noemen. Die vooruitgang is tastbaar en voelbaar. Maar ook in meer futuristisch opzicht zullen we waarschijnlijk met open mond naar nieuwe technologie staan kijken. Nu al kan elektronica die rechtstreeks met zenuwweefsel is verbonden dove mensen laten horen en blinde mensen laten zien, en reken maar dat intelligente chips allengs ook de lammen zullen laten lopen. Ook wordt er voorspeld dat computertechnologie op den duur normale neurologische functies zal kunnen opwaarderen door hersenen te verbinden met computers, wat ons in staat zal stellen om informatie rechtstreeks te importeren en exporteren. Tegelijk zal informatie óver de hersenen op veel terreinen worden toegepast, waaronder marketing, leugendetectie en management. Als we over amper een halve eeuw achteromkijken zullen er dingen gebeurd zijn die we ons tegenwoordig helemaal niet kunnen voorstellen.
Maar het interessantste zal niet de techniek zelf zijn. Zoals Tom Wolfe allang inzag, vindt de belangrijkste en ingrijpendste verandering plaats in het mentale domein, in de geest. Feitelijk kunnen we een parallel trekken met de DNA-revolutie, die net vijftig jaar geleden begon. Want wat is er gebeurd? In de loop van de laatste vijf decennia glipten genetische informatie en gentechnologie geleidelijk overal naar binnen en gingen globaal gezien in alle maatschappelijke sectoren een rol spelen. Genetische codes worden gekraakt en de informatie wordt op talloze manieren toegepast, van levensmiddelenproductie via de industrie tot aan de gezondheidszorg. Tegelijk is het concépt van gentechnologie in ons dagelijkse denken gegleden als een mogelijkheid die voor de hand ligt en – met wat goede wil – als iets wat heel natuurlijk is. Dit heeft mensen voor het eerst tot ‘heren der schepping’ gemaakt. Gentechnologie heeft ons in staat gesteld om aan levende organismen te sleutelen, en daarmee heeft ze ons in feite boven de beperkingen van de evolutie uit getild. En met al die mogelijkheden is de genetische revolutie volop bezig om ons psychologische landschap anders in te richten. Onze kijk op het leven en onze verhouding tot de natuur zijn aan het veranderen. Het wordt duidelijk dat het leven geen vaste vormen kent maar in wezen een informatiestroom is, dat die informatie willekeurig kan worden gecombineerd, en dat natuur daarmee iets is wat wíj op gelijke voet met de evolutie kunnen construeren.
Wat worden de grote mentale stappen in de neurorevolutie? Volgens mij staan we voor een bevrijding. De overkoepelende boodschap die in de talrijke onderzoeksresultaten schuilgaat is er een van vrijheid. Klinkt dat misschien hoogdravend of al te bloemrijk? Het spreekt voor zich als we bedenken wat al dat hersenonderzoek in wezen doet. Het geeft ons zelfinzicht, radicaal zelfinzicht; het duwt ons voorbij gissingen, vermoedens en vage voorstellingen en toont ons wie we echt zijn. De scanners en uitgekiende experimenten maken zichtbaar wat binnen de formidabele homo sapiens schuilgaat. Ten diepste gaat het erom dat neuro-onderzoek ons zó diep in de menselijke natuur laat kijken dat we in staat zijn om ons boven die natuur te verheffen, en om onszelf te overtreffen.
Dat wordt mogelijk omdat we worden toegerust met een zelfkennis die ons van een afstand laat nadenken over ons eigen wezen, over al onze waarnemingen, motieven, houdingen en handelingen, en dat alles op een hoger niveau dan we ooit daarvoor hebben gekund. We zijn niet langer overgeleverd aan het uitsluitend subjectief voelen en beleven van situaties, maar we weten tegelijkertijd zuiver rationeel welke processen zich achter het subjectieve afspelen. We zijn onze ogen aan het openen voor wat emoties zijn: snelle inschattingen op een onbewust niveau, die noch helemaal juist, noch praktisch hoeven te zijn. Anders gezegd: signalen die we niet noodzakelijkerwijs hoeven te volgen.
Denk maar aan de trendy neuro-economen en hun onderzoek naar onze besluitvorming. Als we eenmaal begrijpen waarom we in een keuzesituatie reageren zoals we doen, en begrijpen waarom we een aantal specifieke emoties of behoeften hebben, dan wordt het opeens gemakkelijker om er nuchter tegenaan te kijken. Neem bijvoorbeeld de straf die we maar al te graag aan onze medemensen uitdelen. Me dunkt dat we het daarmee wat kalmer aan zullen doen wanneer we weten dat de drang tot sancties en straf gewoon een geërfd biologisch mechanisme is dat ooit een functie had bij het overleven. Zowel ouders als docenten, en later in het leven collega'a en zelfs politici, preken verdraagzaamheid in de dagelijkse omgang met als argument dat de zaken dan wat soepeler verlopen. Maar vermoedelijk is het veel effectiever en overtuigender als we zelf precies kunnen zien waar en waarom onverdraagzaamheid ontstaat. Dat geldt ook voor alle mogelijke andere gevoelens en ervaringen.
Natuurlijk moeten we ons de kennis die uit het nieuwe hersenonderzoek komt eigen maken en omsmeden tot een collectieve algemene kennis. Net zoals we ons tegenwoordig ook de freudiaanse manier van denken volledig eigen hebben gemaakt. Zonder erbij na te denken, en vaak helemaal zonder te weten waar het vandaan komt, analyseren we de wereld om ons heen en de drijfveren, uitspraken en handelingen van andere mensen met thema'a van Freud in ons achterhoofd. Jeugdtrauma'a die volwassenen hebben gevormd en nog steeds kenmerken, seks als alomtegenwoordige drijfveer, enzovoort. Het is verhelderend, een deel van onze cultuur en vrijwel onmogelijk om je ervan los te maken.
Een van de meest ingrijpende veranderingen in de neuromaatschappij zal onze kijk op de mens betreffen, onze opvattingen over wie we zijn. Het betreft een punt dat geluksonderzoeker Richard Davidson maakte, namelijk dat het Zelf een veel veranderlijker ding is dan waarvoor we het lang hebben gehouden. ‘Een vloeiender ik,’ zoals hij het uitdrukte. Dat beeld dringt zich onweerstaanbaar op als het idee van een onstoffelijke ziel verdwijnt en het Ik onontkoombaar in de hersenen wordt gelokaliseerd en aan een samenspel van cellen en chemische stoffen wordt toegeschreven. Want wanneer je naar het Zelf gaat zoeken kun je het niet echt vinden. De onderzoekers, die zo langzamerhand de grote vragen te lijf gaan, kunnen gewoon geen specifieke plek in de hersenen vinden waar het zelfbewustzijn wordt gevormd of thuishoort. Ze zeggen dat er waarschijnlijk een serie circuits bestaat die elk afzonderlijk een aspect vormen van wat wij als het Zelf beschouwen. Het is een interessante breuk met de traditionele manier van denken. Want hoe reageren we op demente mensen bij wie het karakter langzaam verandert, of op mensen die na een hersenbloeding bijkomen en hun oude leven maar moeilijk kunnen hervinden?
‘Ze zijn zichzelf niet meer,’ zeggen we. Maar het is eerder zo dat er geen Zelf in die zin bestaat. Onze identiteit heeft geen vaste essentie.
De Duitse filosoof Thomas Metzinger van de universiteit in Mainz formuleert het heel mooi in zijn ‘fenomenale Zelf-model’, dat hij onder andere beschrijft in zijn boek Being No One. Terwijl we vanouds ‘iemand’ waren en ons voorstellingen maakten van een onaantastbare Ik-kern, moeten we nu erkennen dat het Zelf geen substantie is, maar een afspiegeling van de informatie die in de hersenen wordt verwerkt. Het verschijnsel Zelf is als het licht in een peertje: een vluchtig dynamisch fenomeen, dat ontstaat als bijverschijnsel van enkele processen. Ja, wij zíjn die processen. Er zit geen klein mensje binnen in ons hoofd, en het gevóél dat er een dergelijk Ik bestaat is niet meer dan een eigenschap die in het systeem zit ingebakken. Zoals Metzinger schrijft: ‘Bepaalde organismen bezitten bewuste modellen van hun Zelf, maar dergelijke modellen zijn in geen enkel opzicht een Zelf; het zijn alleen maar complexe configuraties of toestanden van de hersenen.’
Een toestand, een Zelf, een andere toestand, een ander Zelf, zou je kunnen zeggen. De erkenning van dit vloeiende Ik maakt de weg vrij voor een ander levensdoel: niet het vinden van jezelf, maar meer het kiezen van een Zelf of het vormen van jezelf in een richting die je wilt. Weer is er een boodschap van vrijheid: je biologie is geen gevangenis maar een klomp boetseerklei die je zelf mede vorm kunt geven.
Zelfontplooiing is natuurlijk niets nieuws. Freud en de psychologische revolutie doordrongen ons ervan dat we onze geest kunnen veranderen. Het idee van zelfontplooiing is een diepgewortelde trend in de laatmoderne westerse samenleving. In de toekomst zal zelfontplooiing vermoedelijk veel doelgerichter worden. De acceptatie van het vloeiende Zelf zal heel vanzelfsprekend verlopen, vooral omdat het idee voortborduurt op de moderne gedachte dat identiteit iets is waarmee je kunt spelen. Zo leerden we in de tweede helft van de 20e eeuw dat sekse iets was waarmee we konden experimenteren in kleding en gedrag. Ook de seksualiteit zelf werd een min of meer open domein waar de grenzen van het normale en het geaccepteerde voortdurend werden verlegd. Recentelijk hebben we met de virtuele werkelijkheid – het grenzeloze cyberuniversum – een heel nieuw domein gekregen waarin we ons kunnen ontplooien en waarbinnen alle gebruikelijke regels zijn opgeschort. Hier kan identiteit volkomen vrij worden gekozen, onafhankelijk van de fysieke werkelijkheid.
Op een vergelijkbare manier zal de toekomstige neurotechnologie een middel zijn om het fysieke Zelf te wisselen en te vormen, of het nu gaat om cognitieve technieken, doelgerichte medicatie of elektronische implantaten. We zullen deze mogelijkheden zonder enige angst als gereedschappen toepassen op onze persoonlijke projecten, omdat ons individuele Ik een onderdeel zal zijn van een breed scala aan mogelijke Ikken.
Klinkt dat verleidelijk, of wat al te rooskleurig? Je kunt natuurlijk aanvoeren dat dit de positieve interpretatie is, een soort best-case scenario. Want in werkelijkheid zal aanvankelijk zeker niet iedereen staan te juichen bij al dat zelfinzicht dat de neurorevolutie op een zilveren schaal komt aanbieden. Met het aannemen van een vloeiend en strikt fysiologisch-chemisch Ik maken we een krachtige en brute ruk naar een volledig naturalistisch mensbeeld, waar we nooit eerder in de geschiedenis mee te maken hebben gehad. Tot nu toe was het overheersende model metafysisch. De mens is méér dan wat we kunnen meten en wegen. Het weghalen van dit ‘meer’ zal een existentiële schok geven die door de culturen moet worden geabsorbeerd, en die uiteraard weerstand zal oproepen.
Hierbij kunnen we leren van het oprukken van de gentechnologie, wat ook niet gladjes is verlopen. In het grootste deel van de westerse wereld werd er de laatste vijftien jaar luidruchtig en verbeten geprotesteerd tegen genetisch gemodificeerde gewassen en gemanipuleerd Frankenfood. Momenteel is er een verhit debat gaande over klonen en embryonale stamcellen. Al die commotie is grotendeels een uitdrukking van het feit dat we ons in een overgangsperiode bevinden. Mensen voelen zich onzeker en veel mensen voelen ook een zekere instinctieve afkeer van de hele manier van denken.
Ook de neurorevolutie zal afkeer wekken. Alleen al het feit dat de mogelijkheden om je eigen leven te beïnvloeden toenemen, zal voor velen gelijk opgaan met een even grote frustratie: wat moet je kiezen? Tegelijk zullen een heleboel mensen onder emotionele druk komen te staan omdat ze zonder metafysische krukken achterblijven. Een onontkoombaar gevolg van het uiteindelijke vertrek van de ziel is immers, dat het bestaan geen betekenis heeft. Je kunt niets van boven halen, of uit de biologie of de fysieke wereld zelf. Integendeel, de boodschap is dat we ieder afzonderlijk zelf ons leven en de manier waarop we het leiden een eigen betekenis moeten geven. En hoeveel troost biedt dat?
Het is voorstelbaar dat we twee tegengestelde ontwikkelingen gaan zien. Enerzijds zullen steeds meer mensen zich aanpassen en leven met een natuurwetenschappelijk wereldbeeld, dat flink wordt voortgeholpen door de resultaten van het neuro-onderzoek. Anderzijds zullen datzelfde onderzoek en de daaruit voortvloeiende onttakeling van de mens sommigen tot een tegenreactie drijven. Degenen die het niet kunnen verdragen om de metafysica en een geestelijk standpunt vaarwel te zeggen zullen alleen maar hun toevlucht kunnen nemen bij de fundamentalistische religie – daar waar geloof de waarheid mag monopoliseren en al het andere mag afwijzen. Tussen deze twee extremen zal ‘het kleine onbehagen’ een plek vinden. Dat zal zich manifesteren als weerstand tegen concrete neurotechnologieën.
Als het langzamerhand praktisch uitvoerbaar wordt om meer en meer aspecten van onze mentale toestand af te lezen, zullen er bezorgde groepen komen die de boel ophitsen. Want mag het werkgevers, verzekeringsagenten of officieren van justitie wel worden toegestaan om onze hersenen binnen te dringen en onze gedachten en gevoelens bloot te leggen? En hoe zit het met kleine kinderen? Mogen hun ouders hen de scanner in dwingen om een overzicht te krijgen van het potentieel dat daarbinnen schuilgaat? Leidt alleen al het bestaan van deze technieken niet linea recta naar een maatschappij die is doordrenkt van een verlangen naar gedachtenpolitie en controle? Zetten vakgebieden als neuromarketing en neuromanagement de deur niet wagenwijd open voor de grofste vormen van manipulatie van mensen en misschien de hele samenleving? Om maar niet te spreken over de mogelijkheden op de lange termijn om het Zelf te veranderen. Moet iedereen die het kan betalen vrijuit toestemming krijgen om elke neurotechniek die er maar op dat moment bestaat te gebruiken om zichzelf op te waarderen? En dan de samenleving – moeten de autoriteiten mogelijkheden krijgen om speciale technologieën te gebruiken voor preventie of behandeling als het afwijkende personen betreft die op de een of andere manier een gevaar vormen voor zichzelf of voor anderen?
Tot nu toe krijgen dit soort vragen en speculaties in het flakkerende publieke besef niet veel ruimte, en het weinige wat er wel gebeurt, speelt zich af in zeer beperkte kringen. Al een paar jaar geleden deed het woord ‘neuro-ethiek’ zijn intrede tijdens een congres voor bio-ethici, en tegenwoordig bestaat er een klein internationaal gezelschap van zelfbenoemde neuro-ethici. Die debatteren op academische wijze tijdens bijeenkomsten en in tijdschriften. Daarnaast is er een handjevol blogs en websites waar geïnteresseerde mensen standpunten uitwisselen over de nieuwe onderzoeksresultaten en steeds weer tegenover elkaar benadrukken dat we nu toch heel snel een breed maatschappelijk debat op gang moeten brengen.
Ze hebben natuurlijk gelijk. Het onderwerp schreeuwt om een verbreding van het debat, vooral het politieke, en om het verwijderen van de oogkleppen en de oordoppen. Politici praten zalvend over de kennismaatschappij en over de noodzaak een technologische leiderspositie in te nemen, en ze zijn erop gebrand om alert te zijn, juist bij nieuwe kennis en technologie. Maar het is alsof ze de ernst van de situatie niet helemaal doorhebben. Bij de gentechnologie lagen ze jarenlang te pitten en stonden ze in hun hemd toen het volk reageerde. Ze hebben de achterstand nooit helemaal ingehaald maar hinken nog steeds zonder duidelijk standpunt achter het debat aan.
Nu hebben politici de kans om aan boord te springen bij de volgende grote omwenteling, en het is hun verantwoordelijkheid om zich niet omver te laten lopen door angst voor techniek. Op de drempel naar de neurorevolutie is de grote uitdaging namelijk om ons niet te laten overweldigen door onze bijna automatische angst voor de toekomst. Om niet toe te geven aan een gevoel dat al het nieuwe dat ooit komt noodzakelijkerwijs slechter is dan het oude dat ooit was. We moeten niet met de pootjes omhoog gaan liggen en ons intellect opzij schuiven ten behoeve van gevoelens en vermoedens, maar we moeten juist ons intellect gebruiken en nieuwsgierig onze tanden zetten in de nieuwe mogelijkheden. Zo krijgen we een vruchtbaar debat over de vraag hoe kennis over de hersenen en hersentechnologie offensief gebruikt kan worden met een goed leven als doel. Daarmee zijn we terug bij de opmerking van de heren Iacoboni en Damasio, namelijk dat al dat fascinerende hersenonderzoek niet alleen plaatsvindt om academische belangstelling te prikkelen. Het kan en moet ook een weg zijn om zowel de individuele mens als de maatschappij als geheel te verbeteren.
Wat is er nodig om belangstelling te wekken en het debat op gang te brengen?
Die vraag stelde ik aan socioloog Paul Root Wolpe, die intens betrokken is bij de neuro-ethiek, en hij antwoordde zonder aarzelen. Hij zei: ‘Er is een of andere schokkende zaak nodig als die van het schaap Dolly, eer de publieke opinie doorkrijgt dat het belangrijk is.’ En na een bijna onmerkbare pauze voegde hij daaraan toe: ‘En ik ben ervan overtuigd dat die er ook komt.’