BOEK TWEE - TSJOEN HSING

(De samenstelling van het leger)

WASHINGTON/NEW YORK/TOKIO/KEY WEST

LENTE, HEDEN

-

C. Gordon Minck, hoofd van station Rood, bevond zich drie meter boven het vloeroppervlak. Tussen hem en een val naar de hardhouten vloer bevond zich niets behalve het zitvlak van een hydraulische kraanstoel, en dat beviel Minck eigenlijk best; hij kon het beste en het creatiefst denken in omstandigheden die een gevoel van gevaar met zich meebrachten.

Zijn kantoor was het enige in het gebouw - op zes huizenblokken afstand van het Witte Huis - zonder kamerbrede vloerbedekking. De oorzaak daarvan school in het feit dat Minck niet wilde dat ook maar iets in zijn kantoorruimte geluiden zou dempen. Op het gebied van de zintuigen was hij een fanaticus, dat was hij al jaren, sinds de dag waarop hij afzwaaide en de elitaire Fairchild Academie de rug toekeerde. De meesten die de plek heelhuids verlieten noemden de academie de Bottenbreker.

Minck werd door zijn omgeving voortdurend gevraagd naar het zesde zintuig en zijn antwoord was inmiddels standaard geworden:

'Intuïtie is alles.' Terwijl de meesten van de stationshoofden steeds meer tijd achter hun computer doorbrachten was Minck steeds minder vaak in de buurt ervan te vinden.

En het verschil werd nu merkbaar. De anderen werden grijze wormen met doorgroefde afgezakte gezichten die er in het groene kunstlicht ziekelijk uitzagen, met hoofdpijn van het discussiëren, omringd door assistenten die hen bij het verwerken van de gegevens moesten helpen. Blijkbaar hadden ze nooit gehoord van de regels die voorschreven dat ingehuurde assistenten niet langer dan een halfjaar voor hen mochten werken en waren ze onwetend van het feit dat ze het budget enorm opschroefden.

In Mincks kantoor was geen computer te bekennen; die waren er strikt verboten. Wel stonden er enkele printers met een aansluiting op de centrale computer. Twee van de wanden onder het vijf meter hoge plafond werden in beslag genomen door rechthoekige panelen die de benaming 'raam' eigenlijk niet verdienden. Ze waren ondoorzichtig. In werkelijkheid waren het reusachtige projectieschermen, bedekt met een bijzondere verflaag waarop hologrammen het best tot leven kwamen. De hologrammen werden van tijd tot tijd vervangen, maar meestal, zoals nu, waren het afbeeldingen van Moskou, van het Dzerzjinskiplein, om precies te zijn, het grote open plein met de in dikke jassen gehulde voetgangers en, in de straat achter hen, een Zil-limousine die op het punt stond achter de grijze gevel van de Loebjanka-gevangenis uit het zicht te verdwijnen. De gevangenis was tevens het hoofdkwartier van de KGB. Op de andere wand bevond zich een tweede projectie van het plein, maar deze was vanuit een andere invalshoek genomen. Minck wist uit ervaring dat sommige cellen in de Loebjanka uitzicht boden op het gebouw op zijn wand.

Minck staarde beschouwend voor zich uit en probeerde iets terug te halen van de haat en de angst die hij ooit bij het zien van de Loebjanka had ervaren.

Het was 's winters gebeurd. De lucht zag grijs van de wolkenlagen die dicht over elkaar schoven. In de grote stad brandde altijd licht als de dag zich voor achttien uur terugtrok en plaats maakte voor de nacht. Alle geluiden in de stad werden gedempt door de sneeuw, die zelfs de gewoonste geluiden, zoals die van voetstappen, stemmen en gelach aanzienlijk afzwakte. Om die reden haatte Minck de sneeuw. Want dank zij de sneeuw hadden ze hem geruisloos kunnen benaderen en werd hij met handboeien en wel naar de Loebjanka overgebracht. De sneeuw had de bevroren plas waarop hij was uitgegleden aan het oog onttrokken. Anders had hij hen zeker kunnen ontlopen, want bepaald inventief waren die lui van de KGB niet; blokdenkers, gewend om orders uit te voeren en meer niet. Wat Minck betrof stond intuïtie gelijk aan vrijheid. En zijn intuïtie zou hem die koude nacht in Moskou hebben gered als de sneeuw er niet geweest was. Snjeg, zoals de Russen zeiden. Hij haatte sneeuw met een haat die aan het maniakale grensde. Hij had lang moeten wachten voor ze hem uit zijn cel haalden en de ondervraging begonnen. Hij kon zich de cel nog tot in details herinneren: grauw beton, een brits, een klapstoeltje en een gat in de vloer waarin hij zijn afvalprodukten kon laten verdwijnen. De stank in de cel was verbijsterend geweest.

Minck had zich uit alle macht moeten inspannen om zijn gezonde verstand intact te houden en niet kapot te gaan aan de waarheidsserums en andere middelen die ze hem toedienden. Het enige houvast dat hij al die tijd had gehad was het uitzicht, via de smalle spleet die de benaming raam niet eens waardig was, op de soms blauwe luchten boven Moskou.

Nu ervoer hij opnieuw de kille haat die hij toen jegens zijn kwelgeesten had gevoeld, de haat die hem - toen hij eenmaal de grens was overgestoken - er bijna toe had aangezet om terug te gaan en zijn ondervragers een voor een af te maken.

Als een voorzichtige cowboy op een dorre droge prairie plukte hij nu de haat uiteen zoals de cowboy de restanten van zijn kampvuur uiteen plukt om te voorkomen dat de gloeiende asdeeltjes de complete prairie in vuur en vlam zetten; zo kwam Minck bij de kern van zijn haat: Protorov.

Hij sloot zijn ogen. Zijn hand reikte naar de intercom op zijn bureau. Hij drukte de spreektoets in. 'Tanja,' zei hij zacht tegen de leegte van het vertrek. 'Twee richtlijnen, opdrachten, zoals je wilt. Ik wil die dokter Kidd - wat is zijn voornaam ook weer? Timothy ?

- aan de lijn. Als hij niet aan Park Avenue te bereiken is moetje het bij het Mount Sinai Ziekenhuis proberen. Ongeacht waarmee hij bezig is, ik wil hem spreken.

Vervolgens,' zei Minck, 'wil ik binnen vijf minuten het dossier van Nicholas Linnear op mijn bureau.'

Het was Justines eerste dag in haar nieuwe baan en ze voelde zich net zo op haar gemak als een kat op een heet zinken dak. Bijna driejaar lang had ze als freelancer advertenties aan middelgrote bureaus geleverd, plus concepten en ideeën voor toekomstige projecten. Haar talenten waren niet opzienbarend, maar ze was goed genoeg om een redelijk inkomen binnen te halen.

Natuurlijk had ze van tijd tot tijd overwogen om op de regelmatige aanbiedingen van verschillende bureaus in te gaan, maar de vrijheid die het freelance-bestaan met zich meebracht had bij haar altijd voorop gestaan.

Tot haar ontmoeting met Riek Millar daar verandering in bracht. Ongeveer zes weken geleden had Mary Kate Sims Justine gebeld. Er was dringend behoefte aan een project-coördinator of, zoals ze tactvol zei, -coördinatrice. Mary Kate werkte voor Millar, Soames & Robberts, een van de nieuwe agentschappen die duidelijk in de lift zaten. Daarvan getuigde de jaarlijks stijgende omzet. Twee van Kates beste mensen waren door griep geveld en of Justine maar even wilde inspringen. Er lagen haastklussen te wachten die niet uitgesteld konden worden, maar Kate zei dat Justine op een behoorlijke bonus kon rekenen als ze de tijdelijke verbintenis aanging. Justine nam het eerste project mee naar huis en werkte er achttien uur aan. Toen ze klaar was en het werk had ingeleverd kreeg ze een telefoontje van Riek Millar, het hoofd van het agentschap. Ze waren zo tevreden over Justines bijdrage dat ze haar niet tijdelijk, maar vast in dienst wilden hebben. Justine wist niet wat ze hoorde. Ze maakten een lunchafspraak.

De volgende dag ontmoetten ze elkaar in La Cóte Basque, een bekend Frans restaurant waarover Justine verschillende keren in Gourmet had gelezen, maar waar ze nog nooit naar binnen was gestapt.

Maar het heerlijke eten dat ze kreeg opgediend was het minst memorabele aspect van het etentje, want al gauw bleek dat Millar meer op zijn lever had.

'Justine,' zei hij tijdens het dessert. 'Ik richt me altijd op de personen met wie ik zaken doe, nooit op het materiaal, en zo pak ik het ook in mijn privé-leven aan. Ik geloof in het instandhouden van een sfeer waarin mijn mensen optimaal functioneren. Als blijkt dat iemands talent groter is dan de ruimte die hem wordt geboden ben ik de eerste die de persoon in kwestie aanvullende mogelijkheden zal bieden om zich verder te ontwikkelen.' Hij nipte van zijn bourbon. 'Ik denk dat jij iemand bent die te nauw begrensd bezig is. Kom bij ons werken en geniet van de ruimte en de mogelijkheden die ons bureau je kan bieden.' Hij grinnikte. 'Financieel zul je er zeker op vooruitgaan.'

Justines hart klopte in haar keel. 'Meen je dat?'

'Ik meen alles wat ik zeg.'

'Wil je hiermee zeggen dat je me een echte baan van negen tot vijf aanbiedt?'

Millar knikte.

'Had je dat niet tijdens het voorgerecht kunnen zeggen, dan had ik nóg meer van het eten kunnen genieten.'

'Ach, ik heb zo mijn eigen aanpak.'

Ze nam hem scherp op. Hij was tamelijk jong, hooguit veertig. Zijn haar was dik en lang genoeg om er trendy uit te zien; het reikte net over zijn overhemdboord. Het was blond, en strak achterover gekamd; hij had iets weg van een surfer. Zijn gezicht was hard, met een vaag netwerk van kraaiepootjes bij de hoeken van zijn intelligente blauwgroene ogen. Hij had een neus van het type dat onmiddellijk associaties opriep met Mercedessen, roze slaatjes en polospelende rijkelui.

'Ik zie het raderwerk knarsend in beweging komen,' stelde hij vast en glimlachte haar geruststellend toe. 'Laat ik je één ding zeggen. Ik werd niet zwemmend in het geld geboren, ik heb er hard voor moeten werken.'

Ze constateerde dat ze te veel gegeten had. Ze zat tot aan haar kruin toe vol, althans zo voelde het. Dromen zoals deze kwamen echter zelden voor in haar woelige leventje. Hoewel het idee van een vaste, goedbetaalde baan haar bijzonder aansprak, wilde ze niet overhaast toehappen.

Ten slotte ging ze toch op het aanbod in. Daarna ging het gemakkelijker. Ze vroeg Riek of ze de volgende dag meteen kon beginnen. De volgende dag was het vrijdag en ze voelde er niets voor het weekend opgewonden door het vooruitzicht eindelijk aan een maatschappelijke carrière te kunnen beginnen, wachtend door te brengen. Nu Nicholas elders vertoefde had ze thuis niets omhanden en drie dagen wachten zou te veel van haar geduld vergen. Die vrijdag meldde ze zich om vijf over acht, een uur eerder dan van haar verwacht werd, aan Madison Avenue. De kantoren van Millar, Soames & Robberts waren verdeeld over drie verdiepingen van een van de eerste negentiende-eeuwse wolkenkrabbers. Elke kantoorruimte was voorzien van een wandhoge ruit. De gemakken die ze er aantrof overtuigden haar van het feit dat ze hier heel wat produktiever zou kunnen zijn dan ze in haar eentje was geweest. Nu kon ze zich, zoals Riek haar tijdens het etentje al had meegedeeld, op ideeën concentreren en haar schetsen door anderen laten uitwerken. Riek had haar persoonlijk voorgesteld aan Min, haar secretaresse. Het was een meisje van voor in de twintig en het plukje groen in haar haar getuigde overduidelijk van de enige concessie die het bureau aan de post-punkperiode gedaan had. Maar Justine kwam er al snel achter dat onder het moderne uiterlijk een brein schuilging dat vertrouwd was met alle kneepjes van het vak.

Het kantoor van Justine bevond zich een verdieping lager dan dat van Mary Kate, en omdat Mary Kate adjunct-directrice was, was het iets kleiner dan dat van haar vriendin. Maar het was er licht en ruim. Op het lege bureau lag een roze lint met erop gedrukt de tekst SUCCES. Peinzend nam ze het lint en de kale ruimte in ogenschouw, tot er op de deur werd geklopt. Riek verontschuldigde zich voor de staat waarin de kantoorruimte zich bevond en zei dat het bureau halverwege een ingrijpen-de reorganisatie was en dat Min haar zou voorzien van alles wat ze nodig had, 'zodat je binnen enkele weken op topvermogen kunt meedraaien.'

Ze bedankte Riek voor zijn goede zorgen en nam achter haar nieuwe bureau plaats. Haar eerste telefoontje gold Nicholas, waarbij ze in haar opwinding vergat dat het in Tokio middernacht was. De centrale van het hotel protesteerde en vroeg of het een noodgeval betrof. Toen haar werd verteld hoe laat het in Tokio was stelde Justine zich tevreden met het achterlaten van een boodschap; ze wist niet dat hij zich op dat ogenblik in de Jan Jan Club vermaakte. Toen ze de hoorn op de haak legde ervoer ze een onaangenaam gevoel. Opeens voelde ze Nicholas' afwezigheid als een groot gemis en wenste met heel haar hart dat hij zo gauw mogelijk terug zou komen.

Wanhopig had ze zich verzet tegen de angst en bezorgdheid die in haar opwelden toen ze voor het eerst kennisnam van zijn voornemen om voor haar vader te gaan werken. Waren die gevoelens irrationeel of echt geweest? Als haar vader ter sprake kwam ongeacht op welke wijze - constateerde ze dat haar beoordelingsvermogen danig in de war werd gebracht door haar gevoelens. De wijze waarop haar leven zich had ontwikkeld, was door Raphael Tomkin gedicteerd. Haar eerste relaties werden abrupt verbroken, zonder dat ze precies had geweten wat de oorzaak was. Ook was ze er getuige van geweest hoe hij als een strenge en zelfs meedogenloze dictator haar moeder het leven onmogelijk had gemaakt. Hoewel Nicholas' baan een tijdelijke was, was ze doodsbang geweest dat hij zou besluiten voorgoed voor haar vader te gaan werken. Ze wist maar al te goed hoe overtuigend haar vader kon zijn als hij ergens zijn zinnen op zette. Ze was opnieuw doodsbang geweest toen Nicholas naar Japan vertrok. Vlak na de afschuwelijke nachtmerrie waarin Saigö de centrale rol speelde - de man die erin geslaagd was Justine zover te krijgen dat ze een poging had gedaan Nicholas te vermoorden - ervoer ze alleen zijn als een permanente kwelling.

Ze besefte dat hetgeen Saigö haar had aangedaan haar voorgoed had getekend, ondanks al Nicholas' pogingen de duivel van het kwaad uit haar te verdrijven. Toegegeven, ze had zich aan Saigö's duistere invloed weten te ontworstelen, maar ze zou zich nooit aan de herinneringen kunnen onttrekken.

In het holst van de nacht, als Nicholas vredig naast haar lag te slapen, werd ze soms heftig transpirerend wakker met in haar hoofd de afschuwelijke flarden van de zoveelste nachtmerrie. Bijna vermoordde ik hem, dacht ze meer dan eens en dan voelde ze zich een vreemdelinge in haar eigen lichaam. Hoe heb ik dat kunnen proberen ? Het klopte gewoon niet. Ze was niet eens in staat een vlieg kwaad te doen, laat staan de man van wie ze hield. Dat was, vanzelfsprekend, haar redding geweest, de overtuiging dat ze niet kón moorden. Maar toch ... Als Nicholas haar indertijd niet had tegengehouden zou ze hem hebben vermoord. En dat schrikbeeld zou haar haar leven lang bijblijven. Ze had gedaan wat Saigö haar onder hypnose had opgedrongen. Het schuldgevoel, dat was gebleven, was echter enorm.

O, maar nu hij in Japan was verlangde ze elk ogenblik van de dag naar hem. Ze benijdde haar vader omdat hij in gezelschap van Nicholas véckeerde, want ze wist maar al te goed waartoe Raphael Tomkin in staat was als hij iemand wilde inpalmen. Hij kon zich beestachtig grof gedragen, maar ook als een ware charmeur, subtiel, voorkomend, naar gelang de situatie vereiste. Hij kon je te pakken nemen op de ogenblikken dat je dat het minst verwachtte. Bij die gedachte ging er onwillekeurig een rilling door haar heen. O, Nicholas, dacht ze. Als ik je maar duidelijk kon maken hoe hij werkelijk is. Ik wil niet dat hij je van mij afsnoept. Want de gedachte dat Nicholas voorgoed voor Tomkin Industries zou gaan werken was voor haar ondraaglijk. Ze wilde dat haar vader uit haar leven verdween; een wens die ze al sinds haar kinderjaren koesterde en die haar er ooit toe had aangezet haar naam in Tobin te veranderen. Als ze ook maar zou vermoeden dat er een kans bestond dat hij opnieuw zijn intrede in haar leven zou doen zou ze hemel en aarde bewegen om dat te voorkomen. Boos draaide ze Mary's nummer. Als Nicholas haar op dat ogenblik had gebeld zou ze hem onomwonden hebben verweten dat hij haar in een onmogelijke positie had geplaatst... Iemand deelde Justine mee dat haar vriendin in vergadering was, dus ze liet een boodschap achter in de hoop dat ze samen haar aanstelling met een uitgebreide lunch zouden kunnen vieren. Vervolgens vroeg ze Min met de eerste informatieve sessie te beginnen. De secretaresse vertelde haar wat ze wilde weten om aan de eerste projecten voor Millar, Soames & Robberts te kunnen beginnen.

Nicholas had al zijn zelfbeheersing nodig. De schok was zo groot geweest, zo volslagen onverwacht dat hij onwillekeurig met een grote stap achteruit was gedeinsd. Zijn gezicht was iets bleker geworden. Zijn neusvleugels trilden als die van een dier dat door zijn instinct op scherp wordt gezet. Hij was ervan overtuigd dat niemand - afgezien van de stap achteruit - ook maar iets van zijn onbehagen had gemerkt. Het volgende ogenblik werd zijn gezicht vlak en nietszeggend als een gladde stalen plaat. Het geroezemoes van de stemmen rondom hem vervaagde...

Hij was terug in New York, met zijn lange dai-katana getrokken. Het glanzende scherp flitste in een boog richting Saigö. De ander pareerde en zei: 'Jij denkt dat Joekio in leven is en naar jou verlangt. Maar helaas, het is niet zo!' Hij lachte toen ze elkaar met moordlustige bedoelingen omcirkelden. Hij keek Nicholas recht in de ogen en zei: 'Ze ligt op de bodem van de Straat van Sjimonoseki, neef, op de plek waar ik haar heb gedumpt.

Ze hield van je, weetje dat? Bij elke ademtocht die ze deed dacht ze aan jou, bij elk woord dat ze sprak. En dat maakte me uiteindelijk stapelgek. Ze was de enige vrouw die iets voor mij betekende, die ik wilde.' Zijn ogen schitterden als gloeiende kooltjes, roodomrand en krankzinnig. Hij bloedde uit vele wonden.

'Jij bent er direct schuldig aan dat ik me genoodzaakt zag haar te vermoorden, Nicholas.' Hij spuwde de beschuldigende woorden uit.

Maandenlang had Nicholas geleefd met de wonden die deze woorden hadden veroorzaakt. In die tijd had hij zich alleen 's nachts op straat vertoond, beschermd door het duister van de nacht, gekweld door het duister in zijn hart. En nu... Akiko Ofoeda leek niet op Joekio, zoals een tweelingzuster soms op haar identieke helft lijkt, maar ze was Joekio. Wat haar figuur betrof waren er verschillen, maar Nicholas had Joekio tijdens de barre winter van voor het laatst gezien, tijdens de lange, afschuwelijke reis naar Koemamoto en ... Saigö. En toen hij ten slotte naar Tokio teruggekeerd was, alleen en verward, was alles veranderd. Satsoegai, Saigö's vader, werd vermoord. Toen stierf de kolonel, de vader van Nicholas. Kort daarop had Tsjeong, zijn moeder, seppoekoe gepleegd en had haar stiefzuster, Itami, haar in de huishouding opgevolgd. Nu hij recht in de ogen van Akiko Ofoeda keek vroeg Nicholas zich af of Saigö die laatste keer had gelogen. Was het mogelijk? Hij was er altijd een ware meester in de waarheid zodanig te vervormen dat de tegenstander in verwarring raakte. Wat zou Nicholas het meest kwetsen, fictie of werkelijkheid? Nicholas kon het onmogelijk bepalen. Maar die ene keer, bij die gelegenheid waarbij hij Joekio het eerst recht in de ogen had gekeken, was er een vonk overgesprongen. Diezelfde vonk was even tevoren opnieuw overgesprongen. Hoe was dat mogelijk? En waarom had deze vrouw welbewust een aura van geheimzinnigheid om zich heen gekweekt? Ze had de waaier met een vooropgezette bedoeling voor haar gezicht gehouden. Waarom? Als ze Joekio niet was, vanwaar dan die belangstelling voor hem? Vanwaar de poging hem van zijn stuk te brengen?

Bovendien was ze hier aanwezig als Sato's toekomstige bruid... Dit onwaarschijnlijk toeval ontging hem niet. Heel terecht was Nicholas zeer wantrouwig ten opzichte van toevallen als deze. Tijdens de huwelijksplechtigheid, waarbij de traditionele sakekom werd doorgegeven, werd Nicholas door de vreemde puzzel beziggehouden. Maar hoe langer hij erover nadacht, des te meer raakte hij verstrikt in het warnet van vragen en mogelijke antwoorden. Het was duidelijk dat dit nergens toe leidde, tenzij hij Akiko ooit onder vier ogen te spreken kon krijgen. En dat was op dit ogenblik onmogelijk. Toch bleef hij zich met de verschillende mogelijkheden die aan deze ontmoeting ten grondslag konden liggen bezighouden. Dat gezicht, dat gezicht. Het was alsof hij een spookhuis vol herinneringen was binnengestapt. Het verwarde hem en hij kon geen uitweg uit het netwerk van vragen vinden. Hij had het gevoel niet langer met beide benen op de grond te staan. Nam de huwelijksplechtigheid veel of weinig tijd in beslag? Hij kon het achteraf niet zeggen. Hij was verstrikt in het net van onwetendheid. Hoop, vrees, woede en cynisme streden in zijn binnenste om voorrang. Zijn eigen veronderstellingen en herinneringen bleven hem bezighouden. En elke keer opnieuw zag hij dat ze naar hem keek. Die ogen die hij zo goed had gekend, waarvan hij zo wanhopig veel had gehouden, die hem tijdens zijn jeugd de hoop op een fraaie toekomst hadden beloofd. Hij probeerde er haar gevoelens in te peilen en kwam, vooral omdat hij zich op dit vlak als een meester beschouwde, tot de ontdekking dat ze hem niets, maar dan ook helemaal niets duidelijk maakten. Wat ging er achter haar netvlies schuil? Spot, verlangen, verraad? Hij kwam er niet uit en dit was minstens zo beangstigend als de kami die uit het verleden was herrezen. Al wat Nicholas wilde was een praatje met Akiko maken. Maar al gauw zag hij in dat het werkelijk onmogelijk was om haar alleen te spreken te krijgen. Aan het eind van de plechtigheid werd het paar vrijwel onmiddellijk omringd door vrienden en kennissen die hen met gelukwensen overstelpten.

De overige gasten waaierden uiteen in de richting van de paden die naar de oevers van het meer leidden, waar de vorige avond gestreepte paviljoens waren opgetrokken.

De ruimte om zijn wens in een daad om te zetten was er niet. Al wat hij kon doen was het gehuwde paar zijn gelukwensen overbrengen. Sato glimlachte breeduit en deed een aanzienlijke concessie door Nicholas op Amerikaanse wijze de hand te drukken en die wild op en neer te pompen. Hij gedroeg zich als een senator op herverkiezingstournee. Tomkin, die naast Nicholas stond, begon te grommen: 'Eén stap verder en hij gaat sigaren uitdelen.' Hij wendde zich af. 'Ga jij maar naar de receptie, ik heb nog steeds last van mijn darmen. Ik ga terug naar het hotel, maar ik zal de auto terugsturen.'

In zijn eentje begon Nicholas aan de wandeling naar de oevers van het meer. Sato en Akiko liepen voor hem uit, omringd door vrienden. Er werd gelachen en iedereen getuigde van vrolijkheid nu de stijve plechtigheid voorbij was.

Nicholas' realiteitszin was binnenste buiten gekeerd. Was Akiko Joekio? Hoe was het mogelijk dat ze nog in leven was? Had Saigö vanuit het graf een laatste diabolische daad gepleegd? Had hij Nicholas al die tijd van haar weggehouden en haar... Die gedachte was ondenkbaar; het idee alleen al maakte hem misselijk. Hij slaagde erin zich te beheersen. Hij wist waar hij was en wat hij moest doen om het antwoord op alle vragen te vinden. Hij zou geduld moeten oefenen. Hij wist dat hij niet anders kon als hij deze gekmakende puzzel wilde oplossen. Ondertussen zou hij moeten doen alsof zijn gebroken hart intact was gebleven. Hij had Alix Logan nu vijf maanden in het oog gehouden. In de zonovergoten straten van Key West, op de smalle, vlakke stranden en binnen en buiten de kleding-en sieradenboetieks. Hij was haar zelden gevolgd toen ze haar hond ging ophalen, een grote boosaardig ogende Doberman. Zijn maag was verstrakt toen hij bij de kennel de zwartwitte kennisgeving boven de oprijlaan zag hangen. GOLD COAST OPLEIDINGSKAMP, Politie-en aanvalstraining zijn onze specialiteiten. En al die tijd was hij steeds opnieuw tot dezelfde conclusie gekomen: ze viel op geen enkele manier te benaderen. Alix Logan was een schoonheid die overal de aandacht op zich vestigde. Ze had het slanke lichaam van een beroepsmodel, lang, dik haar met de kleur van honing en een door de zon in Florida gebruinde huid. Haar ogen waren diepgroen. Hij had ze van dichtbij gezien door de sterke verrekijker die hij altijd bij zich droeg. De afgelopen vijf maanden was zij de enige reden van zijn bestaan geweest, van deze sterke man met de brede schouders en het platgeslagen gezicht. Hij had haar zolang achtervolgd en gadegeslagen dat hij het idee had met haar samen te wonen. Hij wist wat ze at en kende haar smaak wat betreft mannen en kleding; hij wist wat haar aanstond en wat haar niet aanstond.

Haar favoriete drankje was Irish Coffee met veel slagroom, met twee kersen erop. Het tweetal monsters dat haar op de voet volgde stond haar in het geheel niet aan. Eenmaal, op de pier, had ze een van hen aangesproken, of liever gezegd, ze was hem aangevlogen en had zich van haar kleine vuisten bediend om haar woorden te beklemtonen. 'Monster!' had ze hem toegeschreeuwd.

Het monster in kwestie had haar van onder laaghangende wenkbrauwen onaangedaan aangestaard.

'Ik ben jullie zat,' had ze hem toegeschreeuwd. 'Ik kan er niet langer tegen. Ik dacht dat ik hier een rustig leven kon leiden, maar dat is uitgesloten. Ik kan niet werken. Ik kan niet slapen. Ik kan niet eens rustig met een man alleen zijn zonder dat jullie me in de nek hijgen. Alsjeblieft, alsjeblieft, alsjeblieft, laat me alleen.'

Het monster wendde zijn gezicht af, sloeg zijn armen over elkaar en begon een deuntje uit een Walt Disney-film te fluiten. Vanuit de roeiboot waarin hij zich op dat ogenblik bevond had de man met het doorgroefde gezicht dit alles gadegeslagen. Tussentijds had hij net gedaan alsof al zijn aandacht in beslag werd genomen door zijn dobber. Om elke herkenning te vermijden had hij zijn linnen hoed iets verder naar beneden getrokken. Hier kenden ze hem als Bristol en zo wilde hij het houden. Hij reageerde ook op

'Tex', een tamelijk fantasieloze bijnaam die hij aan Tony, de havenmeester, te danken had.

'Tex' Bristol. Als je er heel even over nadacht klonk het idioot. Maar wat kon het hem schelen? De hele situatie had door Hollywood bedacht kunnen zijn. Hij haalde de lijn binnen en maakte aanstalten om terug te varen. Alix Logan, met tranen in haar ogen, liep met opgetrokken schouders op stijve benen weg van de twee monsters. Hij duwde de roeiboot af en luisterde even later naar het geluid van de buitenboordmotor, vlak achter zijn rug. Met in gedachten een forse tonijn voer hij weg van de kust.

Ver van de kust begon hij te lachen. Voor iemand die dood en begraven was leidde hij een opmerkelijk actief leven. Akiko Ofoeda Sato was zich tijdens de rit van het feestterrein naar haar nieuwe thuis terdege bewust van de druk van de hand van haar echtgenoot op de hare. Ze voelde als het ware de hitte die van hem uitging, de druk van zijn lustgevoelens. In de auto pleegde hij geen enkele voortijdige ongepaste handeling, maar ze voelde de spanning in hem zinderen. Talloze beelden schoven aan haar voorbij, zo snel dat ze elkaar bijna wegduwden. Ze dacht aan haar voy euristische avonden in zijn huis, aan de eindeloze reeks geschenken die ze hem had gepresenteerd gedurende de lange maanden van hun verloving. De beelden waren olie op het vuur van haar opwinding en ze snakte naar lucht. Ze kneep stevig in Sato's hand en liet haar lange, gelakte nagels over zijn handpalm glijden.

Eenmaal binnen het huis ging ze meteen naar de badkamer en ontdeed zich van haar kleding. Toen ze naakt was hulde ze zich omzichtig in een kimono en controleerde in de badkamerspiegel haar make-up.

De grote slaapkamer bevond zich in de omoja, ver van de kamer van de zes tatami vandaan. De andere vrouwen, de geschenken, hadden dit deel van het huis nooit mogen betreden. Per slot van rekening waren het buitenstaanders geweest die niet tot de familie behoorden.

Op een voetstuk, vlak bij het grote foeton-bed, stond een sculptuur van Ankokoe Doji, afgebeeld met de benen opgetrokken in de klassieke lotushouding. Woede spatte van het gezicht van de sculptuur. Hij was het hulpje van de heersers van de hel en het was zijn taak iedereen die zonder toestemming deze vertrekken betrad op gruwelijke wijze voor zijn of haar wangedrag te straffen. Deze bijzondere Ankokoe Doji was gesneden uit kamferhout en dateerde uit de dertiende eeuw.

Akiko haatte hem. Zijn houten ogen leken al haar bewegingen te volgen en leken te vermoeden wat ze zijn eigenaar wilde aandoen. Zodra ze haar plaats in de huishouding stevig had ingenomen zou ze hem naar een ander vertrek verhuizen, bij voorkeur naar een kamer waar ze nooit kwam.

Sato heette haar welkom op zijn foeton. Ze dronken warme sake en hij maakte grapjes. Ze lachte, maar luisterde nauwelijks naar wat hij haar influisterde.

Werd ze zozeer beïnvloed door het idee zometeen de liefde te moeten bedrijven met een gezworen vijand, dat er voor andere gedachten geen plaats was? Ze gebruikte al haar geestkracht om de duistere golf die haar dreigde te overweldigen terug te duwen en te neutraliseren. Ze wilde niet denken aan wat Soen Hsioeng tegen haar gezegd had, maar ze had geen keus.

Sato raakte haar aan en ze kreeg meteen kippevel, een schrikreactie. Ze opende haar ogen en besefte dat ze haar oogleden had laten zakken toen ze zich geestelijk voorbereidde op de ogenblikken die zouden komen.

'Jij bent een schip met een leeg ruim dat door mij zal worden gevuld,' had Hsioeng tegen haar gezegd. 'Je bent uit vrije wil naar mij toe gekomen. Dat moet je tijdens de weken en maanden die komen niet uit het oog verliezen. Je verblijf hier zal soms een eeuwigheid lijken. Het is niet onmogelijk datje zult willen vertrekken. Ik zal je nu alvast vertellen dat voortijdig weglopen uitgesloten is. Als je nu het idee hebt dat de geestelijke en lichamelijke pijn je te veel zullen zijn, dan mag je nu vertrekken. Blijf je, dan is het voorlopig voorgoed. Heb ik me duidelijk uitgedrukt?'

En terwijl angst als ijswater door haar hart spoelde had ze geknikt en gezegd: 'Jazeker,' op een toon alsof ze een verbond met hem sloot, wat in zekere zin ook zo was.

En het verbond was er gekomen, als een huwelijk, o ja. De zijde van haar kimono gleed weg van een van haar ivoorblanke schouders, gestuurd door zijn slanke vingers. Nu ze zo dicht bij hem was, slechts omgeven door de stilte van het huis - alle bedienden logeerden op kosten van Sato die nacht in een van Tokio's chicste hotels - werd ze zich bewust van zijn mannelijke aanwezigheid zoals een vrouwtjesvos zich van de aanwezigheid van haar heer bewust is. Ze was gespeend van lustgevoelens. Wat haar te doen stond had net zoveel met liefde te maken als het samenkomen van twee micro-organismen. De gevoelens die ze jegens hem koesterde kon ze op dat ogenblik echter onmogelijk de vrije loop laten, maar pas als het ogenblik van de wraak was aangebroken. Haar neusvleugels verwijdden zich toen ze zijn lichaamsgeur opvingen. Haar kimono was nu van haar beide schouders gegleden en ze hield haar armen voor haar borsten, als een bang schoolmeisje dat voor het eerst haar ontluikende borsten gewaar wordt. Sato boog zich naar voren en streelde met zijn lippen haar keel. Akiko sloot dat gedeelte van haar geest, dat haar het meest dierbaar was, af voor de werkelijkheid en accepteerde wat er te gebeuren stond.

Ze voelde zijn handen over haar schouders glijden en zette haar passiviteit van zich af. Met beide handen duwde ze zijn kimono van zijn schouders.

Ze kleedde hem uit vóór hij haar kon uitkleden. Zijn warme vlees werd in haar bedreven handen gloeiend heet. Hij was vrijwel haarloos. Zijn huid was glad; nergens was een litteken te bekennen. Ze drukte haar wang tegen zijn maag en ze voelde zijn hart kloppen met de regelmaat van een branding die op een verafgelegen kust stuksloeg. Het deed haar allemaal niets. Ze had haar oor net zo goed tegen de stam van een boom kunnen drukken.

Hij tilde haar op en vlijde haar naast zich neer. Ze drukte haar lichaam met de benen stijf gesloten naar voren. Zijn benen waren gespreid. Ertussen leek een tweede hart te kloppen dat een geheel eigen leven leidde. Ze voelde de aandringende zwelling toenemen. Met een hand ondersteunde ze zijn balzak. Hij kreunde. Ze betastte de basis van de staaf. Langzaam leunde hij naar voren en duwde haar op haar rug. Nog nooit eerder was ze zich zo sterk bewust geweest van een bepaald deel van haar anatomie. De binnenkant van haar dijen brandden alsof ze contact had gemaakt met een oven.

Als hij haar te snel onder ogen kreeg, als zijn lustgevoelens zich beneden het peil bevonden vanwaar geen terugkeer mogelijk was, zou hij haar afwijzen. Ze stelde zich voor hoe hij haar het huis uit zou gooien, haar uit de stad zou verbannen zoals de shogun van weleer mensen uit hun stad verbanden. Voor haar soort was geen plaats op defoeton van een samoerai, laat staan dat hij haar tot zijn bruid zou maken als hij wist... Als.

Daar en op dat ogenblik besefte ze dat er geen enkel verschil was tussen haar en haar moeder. Dat beangstigde haar enorm en ze trilde als een blad. Haar echtgenoot interpreteerde de trilling verkeerd en meende dat ze opgewonden raakte. Nu lag ze op haar rug. De zachte zijde van haar kimono drukte als een streling tegen haar huid. Sato boog zich over haar heen. Zijn gespierde borst en armen wierpen een schaduw over haar heen. Ze stak haar handen naar hem uit en volgde met haar vingertoppen zijn schouderspieren. Haar duimen drukten tegen de spieren.

'Bevallen mijn armen je?' fluisterde hij.

Haar ogen, zwart als jade, staarden zonder te knipperen naar hem op en gaven hem het antwoord dat hij wilde horen.

'Ah,' hijgde hij. 'Ah, ja.'

Zijn hoofd kwam omlaag. Zijn lippen sloten zich rond een tepel. Hij bewoog zijn mond van de ene borst naar de andere. Akiko voelde niets. Met zijn vingertoppen kneep hij in een tepel terwijl hij aan de andere zoog. Het contrast tussen de ruwe vingers en zijn zachte mond deed haar naar lucht happen, eindelijk. Ze wist niet of ze moest gillen of huilen. Ze deed geen van beide. Ze beet op haar onderlip en hapte naar lucht. Ze stopte haar vingers in haar mond en bedekte de plek tussen haar dijen met speeksel. Toen drukte Sato haar op haar zij. Sato's hete lichaam bevond zich nu achter haar. Met een sterke hand drukte hij een been omhoog en kwam ertussen. Ze slaakte een kreetje toen ze hem tussen haar benen voelde. Met zijn vingers maakte hij een opening en heel even dacht ze opnieuw aan alle geschenken. Toen opende ze zich voor hem en voelde zijn gezwollen hitte als een ijzeren staaf tussen haar benen. Ze begon te huilen. Zijn adem siste in haar oor en ze kon de sterke armen, die hij om haar heen sloeg, voelen verstrakken. Haar billen persten zich tegen hem aan. Met een kreun en een gewelddadige beweging duwde hij zich helemaal bij haar naar binnen. Akiko's ogen sperden zich zo ver open dat rondom haar pupillen het oogwit overheerste. In haar borsten kwam een vuurhaard met tomeloos geweld tot leven. Haar lendenen leken vaneen gerukt te worden. De extase van het ogenblik kreeg de overhand en ze schreeuwde het uit. Sato stootte nog verder naar binnen.

Na het ogenblik van extase werd Akiko's geest overspoeld door zwarte visioenen. Alle bekende demonen leken tegelijkertijd bezit van haar te nemen. Als schaamteloze hoeren paradeerden ze aan haar geest voorbij. Heftig sloeg ze met haar hoofd van links naar rechts. Haar lange haar striemde in Sato's gezicht. Kioki, de sensei van de duisternis.

Zijn naam deed haar kreunen en ze sloot haar ogen voor de beelden die als lijkwaden door haar hersens zwierden. Nu, op dit ogenblik, was ze dood. Althans, zo ervoer ze het.

Als schepen in een stormachtige nacht deinden ze op en neer, Akiko gevangen in zijn omarming, hij genietend van het feit te domineren. Er stond schuim op haar lippen. In haar hart woedde de haat. Nooit eerder had ze haar lichaam onvrijwillig gegeven; ze wilde dit nooit voor een tweede keer meemaken, hoewel ze wel zou moeten als ze dit huwelijk tot het bittere einde wilde volbrengen. Toch wist ze precies wat ze moest doen; ze was in staat genot te schenken zonder zelf te genieten. Ook dat maakte deel uit van de rol die ze vrijwillig op zich had genomen. Nog steeds met ogen vol tranen reikte ze achter zich en ondersteunde zijn bungelende balzak. Tegelijkertijd trok ze de spieren van haar vagina samen en bewerkte de eikel die diep in haar werd gestoten. Haar heupen bewogen in een roterende beweging. Ze kneep licht.

Ze hoorde zijn gekrejm en voelde zijn spieren trillen. Dat maakte haar duidelijk dat zijn orgasme eraan kwam. Ik kan het hem niet nóg eens toestaan, dacht ze verward. Morgen, of overmorgen, maar niet nu.

Met een kreetje duwde ze hem van zich af, draaide zich om en omsloot met haar lippen zijn vochtige vibrerende staaf. Toen het ogenblik daar was verkrampte zijn lichaam. Daarna bleef hij roerloos en met gesloten ogen liggen. Ze nam zijn hoofd in haar armen en wachtte tot hij, eindelijk, in slaap viel.

Toen ze zeker wist dat hij sliep liet Akiko zich van het bed glijden. Een ogenblik keek ze roerloos op hem neer, op het lichaam van Seitsji Sato, slapend en bevredigd.

Van haar gezichtsuitdrukking viel niet af te lezen wat ze voelde. Misschien was het waar wat Soen Hsioeng haar ooit had verteld.

'Niet alles wat een mens voelt, is altijd verklaarbaar.'

Maar als dat zo was, hield ze zichzelf voor, zou ik nooit hebben kunnen leren wat ik geleerd heb. Ik zou nooit verder hebben kunnen gaan dan de Koeji-kiritn de Koboedera, de eeuwenoude disciplines die Saigö zich eigen had gemaakt. En, dacht ze triomfantelijk, ik zou er nooit in zijn geslaagd die slimme vos, Masasjigi Koesoenoki, te vermoorden. Ze hadjaho gebruikt en het had gewerkt; ze was erin geslaagd haar ware bedoelingen voor een vos als hij verborgen te houden. Maar haar vreugde was van korte duur. Ze schudde haar loshangende haar en wierp het over haar schouder. Daarna pakte ze haar kimono op. Het was dezelfde die ze die dag tijdens de huwelijksplechtigheid had gedragen. Ze hing de kimono over haar schouders zoals een kind zich op een kille avond in een kamerjas hult. Ze had zich ontzettend moeten inspannen om de daad, die ze als een aanval beschouwde, te ondergaan. Ze had een smerige smaak in haar mond, zoutig, als van bloed. Haar bloed.

Nooit eerder had ze haar karma zo gehaat als op dit ogenblik. Haar training had haar tegen gevoelens als deze moeten beschermen en het was voor haar zowel een verrassing als een zorg dat ze zich door een eenvoudige daad zo van haar stuk kon laten brengen. Dat de daad noodzakelijk was geweest leek er niet toe te doen. Opnieuw begon ze zacht te huilen.

Blootsvoets verliet ze de badkamer en zocht haar weg door het donkere huis toen ze bij de foesama kwam die naar de Zen-tuin leidde.

Daar was het altijd prachtig en vredig. De sterren schitterden boven haar hoofd als de glinsterende tandpunten van een voorhistorisch dier. Heel even liet ze haar verdediging van zich afglijden. Gedachten aan Nicholas Linnear drongen haar bewustzijn binnen. Een onbekende krachtige emotie spande haar lichaam en ze wierp het hoofd in de nek. Met haar gezicht naar de maan gekeerd voelde ze een ogenblik een heftig verlangen naar zielerust. Daar, miljoenen kilometers van alles vandaan, zou ze vrij zijn. Maar het gevoel hield slechts een ogenblik aan; het volgende moment stond ze weer met beide benen op de grond. Ze liet haar kin naar haar borst zakken en keek beschouwend naar de verfijnde grandeur van de tuin. De kiezels werden elke dag aangeharkt, soms twee keer, om de perfecte harmonie die de Japanse tuinman had nagestreefd te handhaven. Op verschillende plekken in de tuin staken drie brokken zwarte steen omhoog uit de kiezels. De grillige contouren van de stenen weerspiegelden de stemmingen die een mens kon ervaren. Akiko nam plaats op de koude stenen bank, met haar benen opgetrokken onder haar billen. Ze vouwde haar handen in haar schoot; de licht gebogen vingers ontspanden zich.

Ze was zich terdege bewust van de kromming van de schaduw in haar binnenste, een scheidslijn tussen licht en duisternis, zo fraai van vorm als de fraaiste katana. Vanuit die plek voelde ze haar haatgevoelens opwellen, haar verlangen op afschuwelijke wijze wraak te nemen. Haar lichaam beefde in hoopvolle verwachting van dat grote ogenblik. Ze kreunde alsof ze pijn had. Het volgende ogenblik streelde een lichte bries haar gave wang en nam het gevoel met zich mee. De zweetdruppels die bij de haargrens waren ontstaan droogden op. Ze raakte in de ban van de perfecte symmetrie van de tuin, en opnieuw werd ze de rust zelve. Ze zuchtte als na een zware storm en sloot haar ogen. Haar hoofd voelde zwaar aan en haar polsslag werd trager. In die geestestoestand overdacht ze de gebeurtenissen die zich die dag hadden afgespeeld. In de stilte van de tuin prees Akiko zich vervolgens gelukkig dat ze niet hoefde te wedijveren met een schoonmoeder, want Sato's moeder zou - indien ze nog zou hebben geleefd - in dit huis de dienst hebben uitgemaakt. Was dat de reden waarom het centrale woongedeelte omaja werd genoemd: het moederhuis. Akiko huiverde onwillekeurig. Ze zou het niet kunnen verdragen orders te krijgen van de heramotsji, van diegene die het recht had de opscheplepel te hanteren en de rijst te verdelen, van het hoofd van de huishouding. Nee. Het was maar goed dat ze aan de zijde van Sato's broer, de oorlogsheid, was begraven. In een opwelling wierp ze de kimono van zich af en stapte in het koude maanlicht blootsvoets op de kiezels. Ze voelden kil en glad aan onder haar voetzolen. Tussen twee van de zwarte stenen liet ze zich op de kiezels zakken en werd een met alles wat haar omringde.

Tanja inzetten tegen de Russen, dat was iets waaraan een vleugje ironie kleefde, een gedeformeerde symmetrie die Minck het gevoel gaf echt te leven. Voor hij haar zag wist hij dat Tanja eraan kwam. Hij voelde het. Het was een gave die hij van zijn verblijf in de gevangenis had overgehouden. Hij had er zodanig onder druk gestaan dat enkele beschermende lagen van zijn bewustzijn waren gepeld. Wat eronder was vrijgekomen, was supergevoelig voor de aanwezigheid van anderen.

Minck keek op en keek in de koele blauwgrijze ogen. Ze waren groot en open, en zijn aandacht werd er onveranderlijk door getrokken.

Het waren de ogen van Mikhail. De ogen van haar broer. Mikhail, de dissident, was er de oorzaak van geweest dat Minck indertijd naar Moskou was gegaan. Mikhail had een boodschap naar het Westen gestuurd: hij beschikte over informatie, van vitaal belang voor het Amerikaanse verdedigingssysteem. Minck was door de computer aangewezen om de missie uit te voeren. Hij sprak redelijk Russisch en had een uiterlijk dat met een beetje goede wil voor Slavisch door kon gaan, en daarom hadden ze hem gestuurd, om Mikhail naar het Westen te halen, of, als de ander dat verkoos, de informatie van hem over te nemen.

Maar tijdens die missie hadden ze hem in het oog gekregen en waren hem gevolgd. Iemand in de groep van Mikhail had hen verraden en de ontmoeting was in een spervuur uit machinegeweren geëindigd. Mikhail was in tweeën gereten en schijnwerpers hadden Minck uit de duisternis gelicht. Het sneeuwde. Alle geluiden werden door het door Minck gehate witte goedje gedempt. Toen hij het door de roodgekleurde sneeuw op een lopen had gezet had hij aan Kathy gedacht, zijn liefje van de universiteit en toentertijd zijn vrouw. Ze was dol op sneeuw. Een bevroren plas had hem onderuit gehaald, sterke armen hadden hem vastgegrepen en iemand duwde de loop van een machinepistool tegen zijn strot. De indringende lucht van kool en knoflook sloeg hem vanuit een open mond tegemoet. De stem klonk hard en rauw: 'Gde bumagie! Kak vass zavoot!' Waar zijn je papieren? Wie ben je? Die vragen werden keer op keer herhaald. Het was allemaal acht jaar geleden gebeurd.

'Carroll?'

Ze was de enige die wist waar de C voor stond, de enige die de voornaam durfde te gebruiken, de enige die wist dat ze dat kon doen om de eenvoudige reden dat er tussen hen een sterke band bestond.

'Ja, Tanja?'

Ze keek neer op de brief waarin hij verdiept was geweest. 'Is het dossier van Linnear compleet?'

'Geen enkel dossier is ooit compleet, ongeacht hoever het is bijgewerkt. Dat moet je nooit uit het oog verliezen.'

Toen hij haar aankeek werd Minck opnieuw getroffen door de gelijkenis met haar broer Mikhail. Allebei hadden ze dik, blond en steil haar, hoewel Tanja na de rampzalige gebeurtenissen in Moskou haar tint via een kleurspoeling lichter had gemaakt, om te vergeten, zei ze.

Nadat hij met het bloed van een kolonel op zijn bevende vingers uit de Loebjanka was uitgebroken, de KGB alle beschikbare mensen van de dienst op zijn spoor zette en de militie complete stadswijken doorzocht, had Tanja hem veilig buiten Moskou en, later, buiten Rusland geloodst.

Hij was haar veel verschuldigd.

Bij hun aankomst in Amerika hadden ze haar in een cel gestopt en meedogenloos hard ondervraagd. Hij had zijn eigen toekomst in de waagschaal gesteld door haar uit de cel te halen. Aanvankelijk had dat hem verdacht gemaakt, maar het was slechts de eerste wankele schrede geweest op het pad dat uiteindelijk naar volledig eerherstel had geleid.

Vanwege zijn spectaculaire terugkeer hadden ze hem aanvankelijk niet vertrouwd, maar toen hij hun de informatie in handen speelde die Mikhail hem had bezorgd, zagen ze verder geen enkele aanleiding om hem ervan te verdenken 'bekeerd' te zijn. Hij had hun nooit laten weten dat hij de informatie uit handen van Tanja had ontvangen, lang nadat Mikhail aan flarden was geschoten. Haar geheugen was de opbergplaats geweest waar Mikhail alle belangrijke informatie achterliet. Mikhail was veel te intelligent geweest om ook maar iets aan papier toe te vertrouwen.

Toen Minck driejaar later - na een snelle carrière bij de Familie, de codenaam van de organisatie - had voorgesteld station Rood in het leven te roepen kreeg hij achttien maanden de tijd om schriftelijk te formuleren wat hij dacht met het opzetten van een dergelijke afdeling te bereiken. Hij had slechts achttien weken nodig gehad en vervolgens werd hem een fors deel van het budget van de Familie toegeschoven. Hij onderhandelde sindsdien voor zijn afdeling als de agent van een voetballer die een transfer van de ene eredivisieclub naar de andere overweegt. Hij zat op rozen, vooropgesteld dat hij informatie bleef leveren. En daar zorgde Minck wel voor. Op dat ogenblik dacht Minck niet aan Tanja, budgetten of aan de Familie, maar aan iets anders. Minck voelde zich niet op zijn gemak. Dat was een schok voor hem, want sinds zijn verblijf in de Loebjanka had hij dat gevoel niet meer ervaren. Na zijn thuiskomst had hij zich van Kathy laten scheiden, eenvoudigweg omdat hij te veel schade had opgelopen om ooit nog in staat te zijn een gewoon burgerleven te leiden. Ze had het begrepen. Hij moest zich een enorme geestelijke inspanning getroosten om nu, op dit pijnlijke ogenblik, Tanja in vertrouwen te nemen. Hij kon haar alles toevertrouwen, maar dit... nee. Dit mocht ze niet weten. Want als hij haar wel in vertrouwen nam zou dat een teken van zwakte zijn.

'-daar.'

Zijn hoofd kwam omhoog. 'Sorry, ik was even ...'

'In gedachten verzonken,' zei Tanja. 'Ja, dat zag ik.' Haar ogen, die van Mikhail, keken hem strak aan. 'Ik geloof dat het tijd wordt voor een bezoekje aan het zwembad.'

Ze namen de lift naar een hogere verdieping en passeerden daarbij tweemaal een elektronische controle. Toen hij uitgekleed was keek Minck in een van de spiegels naar zijn gespierde, slanke lichaam. Hij had het lichaam van een tien jaar jongere man. Van enige afstand was er niets bijzonders aan te zien, maar van dichtbij viel het oog al gauw op fijne littekens van geheelde wonden en plakjes dode huid, haarloos en glanzend. Hij was niet ongeschonden uit Loebjanka weggekomen. Hij wierp zich met een wedstrijdduik in het water; het oppervlak rimpelde nauwelijks. Een ogenblik later voegde Tanja zich bij hem in het zwembad van Olympische afmetingen. Beiden droegen nylon zwemkleding. Op deze, en misschien ook andere ogenblikken bewonderde Minck haar soepele, gespierde lichaam. Ze had de brede schouders en de smalle heupen van een atlete, maar echt overdreven gespierd was ze niet. Ze trokken snel tien baantjes en wedijverden zonder dat een van hen zich echt inspande om als eerste de kant aan te tikken. Tanja won ten slotte, maar met een kleiner verschil dan enkele maanden geleden.

'Bijna,' zei hij, happend naar lucht. Hij veegde het water van zijn gezicht.'

Tanja glimlachte. 'Je hebt tussentijds stiekem getraind. Dat is iets dat ik moet onthouden.'

Hij bracht zijn handen omhoog en hees zich aan de rand van het zwembad op. De waterdruppels rolden van hem af en zijn donkere haar kleefde tegen zijn voorhoofd in een model dat hem enigszins deed lijken op een Romeinse senator. Zijn grijze ogen stonden groot en glanzend in zijn hoekige gezicht. Enkele dagen geleden had hij zijn snor met de opkrullende punten afgeschoren en daardoor zag hij er nu verrassend jongensachtig uit.

Tanja, die rustig bleef watertrappelen, wachtte geduldig tot hij zou beginnen. Sinds zijn gesprek met dr. Kidd had hij een zure uitdrukking op zijn gezicht. Ze wist niet wat er besproken was, want Minck was niet bepaald scheutig met informatie geweest. Ze hoopte dat dat gesprek het enige was dat hem dwarszat.

Hij was een man tot wie ze zich in andere omstandigheden ontzettend aangetrokken zou voelen. Hij had die uitstraling die ze het meest in mensen bewonderde; zijn intelligentie sprak uit al zijn bewegingen.

'Het gaat om die schoft van een Nicholas Linnear,' zei Minck met de abruptheid die karakteristiek voor hem was. 'Ik denk dat we ons vroeg of laat van hem moeten ontdoen.'

Nu wist ze wat er tijdens het bezoek van dr. Kidd was besproken, maar ze deed er het zwijgen toe.

Mincks grijze ogen namen haar aandachtig op. 'Ik heb nooit het idee gehad dat ik de man ooit aardig zou gaan vinden. Hij is veel te onafhankelijk. En hij is ontzettend gevaarlijk.'

'Ik heb zijn dossier doorgenomen,' zei ze terwijl ze zich naast hem hees. 'Van enige agressie is bij hem echter geen sprake.'

'O nee,' beaamde Minck. 'Beslist niet. En dat is onze sleutel tot hem. Op ons terrein is hij naïef. Daarom moeten we ervoor zorgen dat hij in ons net gevangen blijft, zodat we hem aan boord kunnen halen als ons dat uitkomt.'

Hij wreef over zijn haarloze dijen. 'Want als hij naar zijn eigen stek terugkeert is het met ons gedaan. Dan raken we zowel hem, als de Russen en de inzet van het spel kwijt.'

'Hallo?'

'Nick, waar heb je gezeten? Ik heb de hele dag geprobeerd je te bereiken.'

Hij mompelde iets tegen het mondstuk. Zijn ogen voelden dichtgelijmd aan. Hij had van Joekio gedroomd. Van de huwelijksplechtigheid bij de graftombe van Tokoegawa, van een zwarte vlieger in de blauwe lucht. Joekio in haar witte kimono met de bloedrode zoom, van het echtpaar, tegenover de priester.

'Nick, ben je er nog?'

'Sorry, Justine. Sato is gisteren getrouwd. De receptie duurde tot-'

'Laat maar zitten,' zei ze. 'Ik heb geweldig nieuws.' Pas op dat ogenblik viel het hem op hoe opgewonden ze klonk.

'Wat is er?'

'Op de dag van je vertrek sprak ik Riek Millar. Ik heb de baan die hij me aanbood aangenomen. Ik was zo enthousiast dat ik vrijdag ai begonnen ben.'

Nicholas streek met een hand door zijn haar. Buiten werd het langzaam licht, de dageraad brak aan. Toch was hij in gedachten nog steeds bij de gebeurtenissen van gisteren, alsof er van een nieuwe dag nog geen sprake was. Hij dacht opnieuw terug aan het hartstukkende ogenblik waarop Joekio de waaier had laten zakken. Dat gezicht! Hij voelde zich opgejaagd door zijn verleden, gedoemd om dat pijnlijke ogenblik keer op keer te beleven ... tot hij het antwoord op zijn vragen vond.

'Nick, heb je gehoord wat ik zei?' Haar stem had nu een scherp tintje. De opgewektheid was eruit verdwenen.

'Ik dacht dat jij voor jezelf wilde werken, Justine,' zei hij afwezig.

'Ik snap niet waarom je je nu bindt -'

'O, Christus! Nick!' Ze gaf nu onverholen blijk van haar boosheid. Zoals hij zich gedroeg, was hij net een spiegelbeeld van haar vader, ongeïnteresseerd, afstandelijk en, in zeker opzicht, wreed. O, en juist nu ze zijn steun zo hard nodig had. 'Gefeliciteerd, dat had je moeten zeggen. Wat leuk voor je, Justine. Is dat zo moeilijk?'

'Natuurlijk vind ik het leuk voor je, maar ik dacht -'

'Jezus, Nick.' Ze spatte uit elkaar als een doorgebroken dam.

'Loop naar de hel, wil je?'

Ze haakte abrupt af. Toen hij haar probeerde terug te bellen was de lijn aan de andere kant voortdurend in gesprek. Het is maar goed ook, dacht hij bedroefd. Ik ben momenteel niet in staat mijn verontschuldigingen aan te bieden.

Hij liet zich naakt achterover op het bed vallen en vroeg zich af in hoeverre zijn geheugen een spelletje met hem speelde. Klokslag negen uur klopte mevrouw Josjida op de deur van zijn hotelkamer. Ze was precies op tijd.

'Goedemorgen, Linnear-san,' zei ze. 'Bent u zover?'

'Hai. Maar ik moet bekennen dat ik nog niet in de gelegenheid ben geweest om te bellen.'

Het was zondag. Greydon was in Misawa, op bezoek bij zijn zoon.

Tomkin lag in bed en probeerde van zijn griep af te komen. Nu was het tijd om de verplichtingen jegens zijn familie af te werken. In de limousine met de getinte ruiten, die hen naar het platteland reed, zag Nicholas dat ze haar make-up had veranderd. Ze leek nu ongeveer twintig en hij besefte plotseling dat hij er geen idee van had hoe oud ze was.

Ze was heel stil, bijna teruggetrokken. Ze zat ver van hem vandaan, aan de andere kant van de achterbank. De ruimte tussen hen in had op Nicholas het effect van een muur.

Verschillende keren stond Nicholas op het punt iets te zeggen, maar toen hij de geconcentreerde uitdrukking van haar gezicht gewaar werd besloot hij er beter aan te doen zijn mond te houden. Na een hele tijd liet mevrouw Josjida haar schouders ontspannen zakken en keek hem aan. Haar ogen waren heel groot. Ze had zich in traditionele Japanse kleding gestoken en op de een of andere wijze deden de kimono, de obien geïo, haar uiterlijk bijzonder goed.

'Linnear-san,' begon ze en het volgende ogenblik, alsof ze zich had bedacht, hield ze haar mond. Hij zag haar diep ademhalen alsof ze de grootste moeite moest doen om te zeggen wat ze zeggen wilde.

'Linnear-san, vergeef me voor wat ik nu ga zeggen, maar ik voel me niet prettig als u in een gesprek met mij anata gebruikt. Wilt u zo goed zijn over te gaan op omae.'

Nicholas dacht erover na. Het duidde aan dat de emancipatie in Japan nog niet zo ver was als in de westerse wereld. Hier bedienden mannen en vrouwen zich van verschillende aanspreekvormen. Mannen spraken vaak in de gebiedende wijs. Vrouwen drukten zich over het algemeen nederig uit.

Die laatste categorie bediende zich altijd van anata. Omae en anata betekenden hetzelfde, jij. Maar anata was de beleefdere vorm.

'Josjida-san,' zei hij. 'Ik zou me heel wat meer op mijn gemak voelen als we allebei dezelfde vorm zouden gebruiken. Je kunt niet ontkennen dat jij, net als ik, enige beleefdheid in een gesprek verwacht.'

Mevrouw Josjida boog haar hoofd. 'Linnear-san, ik kan natuurlijk niet weigeren als u dit als een verzoek brengt, maar denk eens aan de gevolgen. Hoe moet ik deze, eh, sociale breuk tegenover Sato verklaren?'

'We leven niet in het feodale verleden, Josjida-san,' zei Nicholas zo vriendelijk mogelijk. 'Naar ik aanneem is Sato-san voldoende verlicht om dit voor kennisgeving aan te nemen.'

'Linnear-san, toen ik bij Sato Petrochemicals in dienst kwam was ik het kantoormeisje. Van het kantoormeisje wordt alleen geëist dat ze een knap gezicht heeft.'

'Maar na al die jaren zal men toch heel anders over u zijn gaan denken?'

Josjida boog haar hoofd.

Nicholas zuchtte. 'Oké, laten we een afspraak maken.Als we samen zijn bedienen we ons van anata, is er iemand in de buurt dan schakelen we over op omae. Alleen wij zullen van deze heiligschennis getuige zijn.'

Een flauwe glimlach verscheen en ze knikte. 'Hai, dat is acceptabel.'

Na een poosje wendde ze haar hoofd af en keek naar het golvende platteland dat aan de raampjes voorbijgleed. 'Je bent bijzonder vriendelijk,' fluisterde ze heel zacht.

Nicholas stond voor de grafstenen van zijn ouders. Herinneringen: vreugdevolle dingen, rampen, afschuwelijke moorden. Het schokken van het lichaam van zijn moeder toen het seppoekoe-zv/azrd haar lichaam binnendrong. En Itami, Tsjeongs schoonzuster, die plichtsgetrouw de grote katana hanteerde die voorgoed een eind maakte aan de kwelling die zijn moeder onderging.

'Ze is eervol gestorven,' had Itami tegen hem gezegd. Nicholas knielde en stak de wierookstaafjes aan, maar er kwam geen gebed over zijn lippen. In plaats daarvan werd hij overspoeld door een tweede golf herinneringen.

Hij zag zichzelf als een tiener, wandelend over de heuvelhellingen van Josjino. Hij was de beste leerling van de Tensjin Shoden Katori-rioe. Er bestond, had hij indertijd begrepen, een mystieke band tussen dit land en de leerlingen van de rioe. Blauwe nevel zweefde boven de cipressen. De kleuren van de dageraad - groen, blauw, roze - kleurden de hemel in het oosten. Nicholas en Akoetagawa-san wandelden naast elkaar, de een in de eenvoudige zwarte kimono-gi van de leerling, de ander in het grijs katoen met het roodbruin van de jonin sensei. Achter hen staken de stenen muren en het groene dak van de rioe naar de hemel omhoog. Stralen zonlicht priemden tussen de takken door. Akoetagawa-san bevond zich in de schaduw van een grote loofboom toen hij zei: 'De vergissing die we allemaal begaan als we ons hier melden is te veronderstellen dat onze samenleving beschaafd is. De geschiedenis zoals wij die voorgeschoteld krijgen is vertekend en geeft een overdreven heroïsch beeld van onze voorvaderen.'

Akoetagawa-sans langwerpige gezicht met de melancholieke mandarijnogen stond ernstiger dan gewoonlijk. Bij de studenten stond hij bekend als 'de man zonder glimlach'. Mogelijk hadden deze twee mannen aspecten van zichzelf in de ander ontdekt en voelden ze zich daarom tot elkaar aangetrokken.

Beiden waren buitenstaanders in deze rioe van buitenstaanders, want volgens de legende van de ninja waren ze voortgekomen uit de hinin, de onderste laag van de Japanse samenleving. En zoals in vele lagen van de Japanse samenleving was gebeurd, was legende ten slotte geschiedenis geworden. Of de wordingsgeschiedenis al dan niet op feiten berustte was van minder belang, want door de eeuwen heen hadden de ninja de legende als de waarheid gepresenteerd, en in hun voordeel. Van de mystiek die hen omringde hadden ze handig gebruik gemaakt.

Akoetagawa-san was half Chinees, ging het gerucht onder de leerlingen. Velen hadden zich afgevraagd waarom hij de leiding had van een gemeenschap die uit de Japanse geschiedenis was voortgekomen, maar die vraag was beantwoord toen ze ontdekten dat aka-i-ninjoetsoe oorspronkelijk uit China afkomstig was.

'Een feit is,' herinnerde Nicholas zich dat Akoetagawa-san had gezegd toen hij het zonlicht binnenstapte, 'dat zoiets als beschaving niet bestaat. Het is een concept dat door de Chinezen werd bedacht - of, als je de westerse optiek prefereert, door de Grieken - enkel en alleen om een soort morele norm aan te duiden en een excuus te hebben om te proberen andere volkeren te onderwerpen.'

Nicholas schudde zijn hoofd. 'Ik begrijp het niet. Wat te denken van alle miniatuuraspecten van de Japanse samenleving die te zamen de beschaving vormen die ons van andere volkeren onderscheidt? Wij hechten waarde aan plicht, eer, verantwoordelijkheid, boesjido, giri. Aan alle dingen die ons vormen.'

Akoetagawa-san keek naar het open jongensgezicht en zuchtte. Zijn zoon was in Mantsjoerije door een Russische kogel om het leven gekomen. Elk jaar ondernam hij een pelgrimstocht naar China om enkele weken dicht bij het graf te zijn. Wat hij er verder precies deed wist niemand, maar nu meende Nicholas dat hij erachter was.

'Waar jij het over hebt, Nicholas, zijn de segmenten die vormen wat wij een cultuur noemen. Ze staan in geen enkele relatie tot het woord beschaving. Beschaving is wat mensen van een cultuur maken.'

Ze liepen de heuvelhelling op.

'Als wij een werkelijk beschaafde samenleving hadden,' vervolgde Akoetagawa-san, 'zou er aan samoerai geen behoefte zijn; dan zouden er geen vechtersbazen nodig zijn. Maar het concept van

"beschaving" is gelijk aan dat van het communisme. Het leeft alleen in de geest, in werkelijkheid is er niets dat het bestaansrecht ervan rechtvaardigt. Het concept is voor de mens absoluut. Zoals de relativiteitstheorie het best kan worden beschouwd als voedsel voor de geest, want, nogmaals, een werkelijk beschaafd mens zou geen oorlogszuchtige neigingen kennen. Hij zou zijn medemens niet bespioneren. Hij zou geen overspel plegen, niet plunderen, niet vernielen.'

Akoetagawa-san legde zijn hand op de arm van Nicholas. Samen staarden ze over de gedeeltelijk beboste vallei en naar de boomtoppen die boven de ochtendnevel uitstaken als stenen op een go-bord.

'Voor de meeste mensen, Nicholas, is het leven datgene wat zichtbaar is en datgene wat verborgen blijft, het zichtbare en het onzichtbare. Maar voor ons gelden deze uitgangspunten niet. Wij zetten het hele concept beschaving opzij. Wij proberen onszelf te bevrijden. En door ons in de nevel van het onbekende te storten leren we de wind te berijden, op water te lopen, ons te verbergen op plekken waar geen schuilplaats is, om te zien daar waar geen licht is, om te horen met dichtgestopte oren. Jij zult leren datje aan ëën ademtocht voor enkele uren voldoende hebt en je zult leren hoe je met je vijanden moet afrekenen.

Je moet mijn woorden zeker niet lichtzinnig opvatten, hoewel ik je voldoende meen te kennen om te weten datje dat niet zult doen. Je begrijpt, dat weet ik, wat ik je probeer duidelijk te maken, want de kennis om een leven te nemen brengt automatisch met zich mee dat je de verantwoordelijkheid van een god hebt. Beheersing is de essentie van dit alles. Zonder beheersing, zonder controle rest er niets dan chaos en als die een kans krijgt zal onze cultuur ten onder gaan.'

Nicholas zweeg. Zijn lichaam en geest waren afgestemd op de noodzaak te begrijpen - werkelijk te begrijpen - wat hem werd verteld. Veel ervan leek zich buiten zijn bereik te bevinden, leek veel meer omvattend dan het leven zelf, maar hij sloeg het allemaal op in zijn geheugen, begrijpend dat als hij geduld toonde, alles hem uiteindelijk duidelijk zou worden.

Akoetagawa-san staarde naar het eeuwenoude landschap en inhaleerde met genoegen de frisse geuren alsof ze 's lands kostbaarste parfum vertegenwoordigden.

'Wat je nu dient te begrijpen, voor het te laat is, nu je nog tijd hebt om een ander besluit te nemen, is dat aki-i-ninjoetsoe slechts een fragment van een complete discipline vertegenwoordigt. En zoals alle disciplines heeft ook deze negatieve kanten.' Hij draaide zijn hoofd om en keek met zijn koolzwarte ogen in die van Nicholas. 'Als je je in onze mantel hult, zul je kwetsbaar zijn voor de negatieve kanten van de discipline.

Een van de redenen dat ik hier ben is dat ik sennin in een aantal van de negatieve disciplines ben. Heb je ooit gehoord van Koeji-kiri, het Snijden met de Negen Handen?'

Nicholas hield bijna op met ademhalen. Koeji-kiri was de discipline waarmee Saigö hem bijna had verslagen, een jaar geleden, in Koemamoto; toen had Saigö Joekio meegenomen en waren ze verdwenen, als van de aardbodem weggevaagd.

Zijn lippen waren droog en hij moest het twee keer vergeefs proberen voor hij erin slaagde een schor 'ja' over zijn lippen te krijgen. 'Ik heb ... ervan gehoord.'

Akoetagawa-san knikte. Welbewust keek hij Nicholas niet recht in de ogen en bespaarde zijn leerling zodoende gezichtsverlies. Nu was hij zich zogenaamd niet bewust van de onwetendheid van zijn leerling.

'Foekasjigi-san verwachtte dit al. Hij is ervan overtuigd dat je deze, eh, onorthodoxe training nodig zult hebben om te overleven. En dat wordt je hier geleerd, overleven.'

Akoetagawa-sans hoofd draaide op zijn schouders als dat van een havik en de blik van zijn ogen trof Nicholas alsof de man fysiek contact met hem maakte. Van daadwerkelijk contact was geen sprake, maar de stootkracht van de energie die erachter school was er de oorzaak van dat Nicholas zijn spieren spande, de reflex van een primitief wezen.

Vreemd genoeg ervoer hij geestelijk niets van deze turbulentie. Voor het eerst sinds zijn reis naar de Straat van Sjimonoseki - de rivier de Styx - waar hij op zoek was gegaan naar Saigö, die in de onderwereld verdwenen leek, koesterde hij hoop.

Akoetagawa-san glimlachte luchtig. 'Wij kennen hier vele Chinese gewoontes. Jij bent al met de Japanse bekend. Al je zintuigen zullen hier worden aangewend om te overleven, maar wij werken altijd vanuit de cultuur van de betreffende persoon.' Dit zou de enige keer blijven dat de sennin zich op deze wijze persoonlijk tot Nicholas richtte; het was een gematigd gunstig teken dat hij besefte dat Nicholas enige richtlijnen nodig had.

'Je bent bekend met de gevaren, de risico's. Foekasjigi-san deed er goed aan je hierheen te sturen.'

'Is dat niet tegenstrijdig?'

'Zijn zon en maan niet tegenstrijdig, net als water en vuur? En toch horen ze bij elkaar.'

'Wat probeert u me duidelijk te maken?' De sombere klank in de stem van de sennin ontging Nicholas niet.

'Denk niet dat ik niet voorzichtig ben. Foekasjigi-san en ik denken in velerlei opzichten langs dezelfde lijnen. Ik geloof echter niet dat je een dergelijke waarschuwing nodig hebt.'

'U had gelijk.' Nicholas haalde diep adem. 'Ik wil dat u me alles leert, sennin. Koeji-kiri jaagt me geen angst aan.'

'Nee,' zei Akoetagawa-san bijna bedroefd, 'maar na enige tijd zul je beseffen dat de leer niet helemaal risicoloos is.' Hij pakte Nicholas' hand vast. 'Kom nu.' Hij slaagde er moeiteloos in de klank van zijn stem te wijzigen. 'Laten duisternis en dood je van nu af aan leiden.'

Ze liepen de heuvelhellingen af. Al gauw werden ze beiden door de nevel opgeslokt.

De monsters hadden het goed voor elkaar. Ze waren nooit allebei tegelijk in de buurt van Alix Logan, maar ze losten elkaar af in wisseldiensten van twaalf uur. Overdag was de dikste van de twee in haar buurt te vinden. Bristol had hem Rood gedoopt. De tweede man, de magerste van de twee, een schraal monster met een lange nek en een neus als een snavel, had hij Blauw genoemd. De eerste vraag die hij zichzelf gesteld had toen hij ze voor het eerst had opgemerkt, luidde: zaten zij in de auto?

Het was al weer enkele maanden geleden sinds die stormachtige nacht de wind was opgestoken en met orkaankracht de toppen van de palmen naar de grond had gebogen. Hij reed met een slakkegang van zestig kilometer per uur over de snelweg toen ze hem achterop waren gereden, snel, met gedoofde lichten.

Opnieuw beleefde hij de schok van de botsing. Opnieuw riep hij:

'Wat zullen we nu beleven ?' Ook ditmaal riep hij het tegen niemand in het bijzonder. Hij had zich gelukkig geprezen dat hij zich in zijn veiligheidsgordel had gesnoerd. Ze reden vlak achter hem en beseften maar al te goed dat hij meteen na de eerste rampoging in zijn achteruitkijkspiegel zou kijken. Toen hadden ze groot licht aangezet. Op dat ogenblik, volslagen verblind, waren ze ook naar voren geschoten om hun werk af te maken. In die flits besefte hij hoe slim ze waren; dat het beroepslui waren die het op hem gemunt hadden. Tegelijkertijd besefte hij dat hij niet over de tijd en de mogelijkheden beschikte om de situatie naar zijn hand te zetten. Hij was James Bond niet en dit was geen film. Dus deed hij wat binnen zijn vermogen lag: hij concentreerde zich op overleven.

Voorafgaand aan het moment waarop ze een nieuwe poging zouden wagen opende hij het autoportier op een kier en klikte zijn veiligheidsgordel los. Hij dacht er niet langer over na hoe ze het de tweede keer zouden proberen en wanneer ze het zouden doen. Hij was er slechts van doordrongen dat hij snel moest handelen, wilde hij een kans maken. Toen de tweede klap kwam was het alsof een enorm prehistorisch dier naar de auto hapte. De achterkant schoot naar links en het stuur vloog uit zijn handen. Hij liet het gaan. De middelpuntvliedende kracht drukte hem verder naar links. De alomtegenwoordige duisternis bezorgde hem een gevoel van desoriëntatie. Zijn handen duwden tegen het halfgeopende portier en hij moest zich enorm inspannen om zich niet door het krijsen van het metaal en het piepen van de banden in paniek te laten brengen. De wetenschap dat hij, hoe dan ook, in de berm zou belanden was allesbehalve geruststellend.

Als hij uit de auto sprong vóór die van de weg gedrukt zou worden zou zijn inspanning zinloos zijn. Ze zouden hem zien springen en hem overrijden. Twee seconden later drukte hij zijn handen tegen het dashboard, boog zijn ellebogen een klein beetje naar buiten om te voorkomen dat ze tijdens de volgende rampoging zijn armen zouden breken en berekende zijn sprong.

Het volgende ogenblik schoot de neus van de auto naar voren. De vering van de stoelzitting drukte hem omhoog en naar voren. De regen die naar binnen sloeg doorweekte hem binnen enkele seconden, verblindde hem en was de oorzaak van de opkomende paniek. Heel even wist hij vrijwel zeker dat zijn achtervolgers in hun opzet zouden slagen.

De auto schoot naar voren alsof iemand een schop tegen de achterbumper gaf. De voorwielen kwamen los van de grond en zochten naar houvast dat er niet was. Hij had zijn voeten inmiddels teruggetrokken van het gas-en rempedaal. De versnellingspook stond in de tweede stand; het zou beter zijn geweest als hij de auto in de vrijstand had laten rammen, maar hij wilde geen enkel spoor achterlaten. Het onderzoek, dat na het 'ongeluk' zou worden ingesteld, zou uitwijzen dat hij van de weg was gereden, maar over de vraag of zijn achtervolgers succes hadden gehad moest hij de nodige twijfel laten bestaan.

Hij wilde dat ze tot de conclusie zouden komen dat hij dood was. Aan het eind van de bocht liet hij zich langzaam opzij vallen. Hij hoorde vettige kluiten tegen het chassis slaan en voelde de auto onder hem wegglijden, zodat zijn schouder tegen het portier werd gedrukt en het er in het licht van de koplampen allemaal heel natuurlijk uitzag. Hoe zou het aflopen? Zou hij zijn nek breken en zouden de daders enkele ogenblikken later tevreden neerkijken op zijn nietsziende ogen?

Dat moest voorkomen worden. Hij trok zijn benen op zodat zijn voeten nergens achter zouden blijven haken. Hij bevond zich nu in een nachtelijke tunnel, in een stalen doodkist. Het volgende ogenblik dook hij naar voren, maar beheerst. En daar ging hij. In gespannen afwachting berekende hij razend snel wanneer de klap zou komen, wanneer zijn schouder de grond zou raken. Heel even beleefde hij de val alsof hij een toeschouwer was en niet het lijdend voorwerp. Toen de auto van de lage klip af in het niets verdween, zweefde hij parallel aan het voertuig naar beneden. Hij kwam echter niet op drassige grond terecht, maar in water. De duisternis had de kleine baai voor hem aan het oog onttrokken, ging het in een flits door hem heen. De auto raakte met een klap het wateroppervlak en even later volgde hij zelf. Borrelend begon de auto, met de neus naar voren, te zinken.

Bristol had zich zwemmend van het wrak verwijderd. Later had hij nauweljks aan de gebeurtenis teruggedacht, maar wel aan de daders. Aanvankelijk was hij ervan overtuigd geweest dat Frank de daad op zijn geweten had, maar Raphael Tomkins sterke man was de enige kandidaat geweest. Nu waren er twee: de monsters. Nu was hij er niet meer zo zeker van dat het Frank geweest was. Hij was naar Key West vertrokken om op zoek te gaan naar Alix Logan. Zodra hij tot de ontdekking gekomen was dat ze in de gaten gehouden werd had hij zichzelf de nodige vragen gesteld. Wie waren ze, deze monsters die haar geen ogenblik uit het oog verloren?

Werkten ze voor Tomkin? Waren zij degenen die ervoor gezorgd hadden dat Tomkins moord op Angela Didion nooit aan het licht gekomen was, dat wil zeggen: nooit bewezen was. De enige manier om erachter te komen was een praatje te maken met Alix Logan. In New York had Matty de Kwek zijn tipgever, haar naam genoemd. Bristol wist nu dat er een getuige van de moord rondliep en als hij Tomkin te grazen wilde nemen moest hij eerst haar vinden. Haar naam loskrijgen, en die van de plek waar ze zich bevond, hadden hem een behoorlijke smak geld gekost, maar de tip was de moeite waard geweest. Bristol wist nu dat hij iets op het spoor was, zonder echter te weten wat er gaande was. Tegen Matty de Kwek had hij gezegd dat deze maar een poosje de stad uit moest gaan. Zoveel was hij zijn tipgever wel verschuldigd.

Eenmaal in Key West aangekomen - nadat hij officieel dood was verklaard - had hij zich in de kleine gemeenschap ingewerkt. Wachten, kijken, afwachten, daarmee had hij zich al die maanden beziggehouden. Zijn dagindeling bestond uit schaduwen, eten, schaduwen, slapen, schaduwen, dag in dag uit. Hij dacht alleen maar aan Alix Logan. Zij was de enige voor wie hij belangstelling had. Alix Logan. De naam was al zo vaak door zijn hoofd gegaan dat hij niet meer wist of hij medelijden met haar moest hebben of haar moest haten.

Als hij naar haar keek herinnerde ze hem vaak aan Gelda, maar aan haar denken was, vanzelfsprekend, zinloos. Hij kon op geen enkele wijze contact met haar opnemen. Hij moest dood blijven om Alix Logan ongemerkt te kunnen blijven schaduwen. Iemand schaduwen was al moeilijk genoeg, maar het werd nog moeilijker nu hij iemand schaduwde die op haar beurt in het oog gehouden werd. Bristol. Hoe vaak had hij tijdens de lange uren die hij er inmiddels op had zitten de naam door zijn gedachten laten gaan? Zijn echte naam was vervaagd, de herinnering eraan was die aan een verbleekte foto in een oud familiealbum. Hij was Tex Bristol geworden en alleen op die naam reageerde hij. Het was de naam waarmee iedereen in zijn nabije omgeving hem aansprak. Er was slechts één persoon die wist dat hij die nacht niet bij het fatale ongeluk omgekomen was en zij zou onder geen enkele omstandigheid haar mond opendoen. .

Hij had net voldoende geld gehad om naar San Antonio te gaan. Hij kende Marie al vanuit New York. Toen waren ze aan verschil-lende kanten van de wettelijke streep actief geweest. Nu was hij er niet meer zeker van aan welke kant hij stond.

Maar ze was bijdehand en gehard, en ze kende iedereen. Ze had hem de papieren geleverd die hij voor zijn nieuwe identiteit nodig had: geboortebewijs, paspoort, zieken fondskaart en rijbewijs. Het paspoort was behoorlijk versleten en de stempels toonden aan dat hij verschillende keren in Azië en Europa was geweest. Dat stond hem wel aan, hoewel hij zich niet kon voorstellen hoe het daar was. Ze had hem ook dertigduizend dollar geleend.

Marie had geen vragen gesteld en hij had niets over zijn plannen verteld. Ze had andere bezigheden, wat echter niet wegnam dat ze het best leuk vond hem weer eens te zien. In New York had ze hem ooit geholpen een Mexicaanse pooier te grazen te nemen en sinds die tijd konden ze het uitstekend met elkaar vinden. Die wederzijdse genegenheid was altijd gebleven.

Toen hij vertrok was Bristol haar meer verschuldigd dan hij haar ooit zou kunnen betalen.

'Meneer?'

De blik van de doordringende ivoorwitte ogen richtte zich in het halfduister op de spreker.

'Wat is er?' De stem klonk kortaf, snauwend zelfs. De klank ervan was minzaam, een grauw die de jonge luitenant, die het vertrek betreden had, het gevoel gaf zich in het gezelschap te bevinden van een wezen dat in elk opzicht superieur aan hem was. De klank van die stem was door de jaren bijgeschaafd om precies dat doel te bewerkstelligen. De klank ervan maakte de tegenpartij duidelijk dat de eigenaar van de stem de wereld zou kunnen regeren, mocht de spreker dat ooit verkiezen. In de woning waar ze zich op dat ogenblik bevonden was alleen het laten klinken van de stem al voldoende om alles op rolletjes te laten lopen.

De spreker had ervaren dat een vage dreiging voldoende was om zijn ondergeschikten ontzag in te boezemen - of het nu de jonge luitenant betrof of de lijfwacht die hem thuis gezelschap hield iedereen raakte ervan onder de indruk.

'De laatste uitdraaien van Sakhov IV, meneer,' zei de jonge luitenant en reikte hem de stapel papier aan die even tevoren uit de printer was gerold.

'En hoeveel zaken van belang betreft het deze keer, luitenant?'

vroeg Viktor Protorov, hoofd van het Negende Directoraat van de KGB.

'Een half dozijn, meneer.'

'Hmm.' Protorovs blik gleed over de tekst. Tegelijkertijd was hij zich ervan bewust dat de ander zich enigszins ontspande. 'Zit er nog iets van speciaal belang bij, luitenant?'

*Ik weet het niet, meneer.'

'Ach toe.. .'Protorov keek op. Zijn lange vingernagel tikte op het bovenste vel. 'Een uitdraai van Sakhov IV, onze beste verkenningssatelliet, bevat altijd iets dat de moeite waard is. De satelliet brengt uitgebreid verslag uit van alles wat zich tussen de Koerilen en Hokkaido afspeelt.'

'Ik heb niet naar de inhoud gekeken, meneer.'

'Hoeveel maanden zijn we nu al bezig?'

'Sinds we uit Itoeroep vertrokken? Bijna zeven maanden, meneer.'

'Kijk eens naar deze uitdraai.'

De luitenant gehoorzaamde.

'Zie je iets bijzonders?' vroeg Protorov.

'Eh...'

'Goed kijken.'

De dringende woorden brachten het angstzweet op het voorhoofd van de jongeman. Hij knipperde met zijn ogen en begon te lezen. 'U plaatst me in een onmogelijke positie, meneer. Als ik ja zeg betekent dat het eind van mijn carrière bij het Negende Directoraat. Als ik nee zeg betekent het dat ik tegen mijn meerdere lieg.'

'Ach, luitenant, als er ooit een dag komt dat je door de vijand gevangen wordt genomen en in kapitalistische handen valt, dan kun je ervan overtuigd zijn dat ze je evengoed in een netelige positie zullen brengen.'

Tot dusver was het gesprek in het Engels gevoerd. Nu gingen ze over op Russisch.

'Beantwoord mijn vraag,' beval Protorov met een grom. Meteen na die opdracht begon hij in de stapel papieren te bladeren. Bij de gedachte dat de Amerikanen nu over een superieur machtsmiddel beschikten kroop er een rilling langs zijn ruggegraat omhoog. De luitenant beefde.

'Geef antwoord,' zei Protorov. 'Je tijd is om. De Amerikanen zullen je nooit zo lang de tijd geven om op hun vragen antwoord te geven.'

'Tussen die gegevens zult u niet de informatie aantreffen waar u op zit te wachten,' zei de luitenant.

'Dus je hebt stiekem toch gekeken.' Protorovs verontwaardigde blik gaf de luitenant het gevoel in adamskostuum voor zijn meerdere te staan.

'Meneer, volgens de voorschriften moet alle topgeheime informatie via mijn bureau naar het uwe. Ik kon niet anders.'

'Maar nergens staat dat je de informatie eerst zelf van A tot Z

moet doornemen.' Protorov glimlachte. 'Afijn, ik hoop dat de Amerikanen je in de toekomst net zo vriendelijk zullen behandelen als ik.'

'Ik ben banger van u dan van de Amerikanen, meneer.'

'Zorg dan maar dat je ze binnen afzienbare tijd iets hoger aanslaat, luitenant.' Protorov schonk hem een strakke blik. 'Want ze zijn van plan alles stuk te maken waar jij en ik waarde aan hechten.' Maar het antwoord van de jongeman beviel hem wel; hij had zich handig uit de valstrik gekletst die Protorov voor hem opgezet had.

Toen de jongeman het vertrek verlaten had haalde hij de satellietfoto's onder de stapel vellen vandaan. Toen hij ze voor de tweede keer doornam moest hij toegeven opnieuw voor een raadsel te staan. Verslagen. Verdomme. Hij had alleen een naam, een omschrijving om op af te gaan. TentsjL Het was het Japanse woord voor 'hemel en aarde'.

Wie of wat is Tentsji Macht hij toen hij machteloos naar de foto's staarde. Wat steekt erachter? Ging er achter die codenaam wel iets schuil dat de moeite van dit uitgebreide onderzoek waard was?

De zaak Tentsji was hem voor het eerst onder ogen gekomen toen hij op kantoor in Moskou een rapport in handen kreeg. De naam was eruit gesprongen en fascineerde hem hoewel hij niet wist waarom. De rapporten die volgden hadden een verzameling feiten, geruchten en speculaties opgeleverd. Het geheel had niet meer duidelijk gemaakt. Hij moest en zou echter uitvinden wat er achter dat codewoord schuilging, welke vlag de lading dekte. Het vermoeden dat inmiddels de kop had opgestoken, had hem op het idee gebracht dat ontrafeling van de actie hem wel eens de hefboom zou kunnen opleveren voor de coup die hij in Moskou in gedachten had. Het was echter niet zo leuk geweest tot de ontdekking te komen dat Fedorin - een lid van de KGB - geen haar beter was dan de andere op carrière beluste diplomaten die hem in het Kremlin waren voorgegaan. Fedorin had gekletst.

Protorov en enkele geestverwanten waren al jaren van plan de Sovjetunie te bevrijden van die mensen die de uiteindelijke wereldzege voor de staat in de weg zouden staan. Ze waren van plan stappen te ondernemen die hen ervan zouden verzekeren dat de ware aard van het Sovjetbeest met succes weer tot leven gewekt werd. En dat hield in: erkenning van het feit dat Rusland niet één land was, maar een verzameling Ruslanden die door te veel mensen bestuurd werd. Protorov en zijn geestverwanten waren van mening dat een harde hand te lang had ontbroken. Want wat gaf een Oezbek om een Kirgiez. Of: wat gaven beiden om hetgeen er in Moskou gebeurde, besproken werd en besloten werd? Wist een Azerbeidzjani hoeveel raketten Amerika op Rusland had gericht ? De kernvraag was: wat kon hen binden?

En Protorov kende het antwoord op die vraag: niets. Als Rusland een vuist wilde maken moest er eerst eenheid heersen, moesten de mensen op èën lijn staan en langs één lijn denken. Fedorin had de kans gehad een nieuwe revolutie te starten, maar zoals alle bureaucraten die het land regeerden ontbrak het hem aan de visie om die ene grote sprong te maken, om in onbekende wateren een gokje te wagen. En door zijn gebrek aan visie had hij de reus die Rusland heette gewoon verder laten slapen.

Protorov wist maar al te goed hoe lang het in Rusland duurde voor er een nieuw staatshoofd gekozen werd als het vorige, om welke reden ook, niet langer in staat was zijn werk te doen. Hij was niet van plan een kans af te wachten; misschien ook omdat hij besefte dat die kans zich niet zo maar zou voordoen. Daarom had hij plannen gemaakt, maar de uitvoering ervan was iets dat niet zo maar kon plaatsvinden.

Nu, na lang zoeken naar een geschikte hefboom, was hij ervan overtuigd dat Tenrs/i mogelijk het middel zou kunnen zijn waarmee hij zijn plannen zou kunnen verwezenlijken. Het middel waarmee hij voldoende KGB-en legerofficieren zou kunnen overhalen hem te steunen.

Het wachten was alleen op het geschikte ogenblik om de lont waarmee hij zijn plannen zou ontsteken vlam te laten vatten. Een voordeel was dat hij degene was die de afgelopen jaren de KGB en de GRU, de twee als vanouds wedijverende veiligheidsdiensten, nader tot elkaar had gebracht. Om het zover te krijgen had hij zes jaar lang een jonge generaal van de GRU bewerkt om hem voor zijn plannen rijp te maken. Ivgeni Mironenko was machtig en ambitieus, en hij zou over niet al te lange tijd een functie bekleden die hem in staat zou stellen definitief een brug tussen de twee diensten te slaan.

Want alleen met behulp van deze twee pantservuisten kon Protorov van succes verzekerd zijn. Zonder hen was hij verloren en was zijn plan gedoemd te mislukken. En zonder hem was Rusland verloren. Slechts één machtsmiddel zou hem op de verlangde troon van de Russische vorsten kunnen brengen. En dat middel was: Tentsji.

De intercom op zijn bureau zoemde als een nijdig insekt en Protorovs aandacht werd heel even afgeleid.

'Ja?'

'De betreffende persoon is zover.'

'Mooi. Breng hem binnen.' Hij stak een hand uit naar de lichtknop en hulde het vertrek in volslagen duisternis. Het vertrek had geen ramen en slechts één toegang, een dikke plaatstalen deur. Protorov leunde achterover op zijn stoel en onderdrukte de neiging een sigaret op te steken. Hij maakte een eind aan het rusteloze bewegen van zijn vingers door ze ineen te strengelen. Het volgende ogenblik werd de deur geopend, gevolgd door het geschuifel van voeten die de kamer betraden. De zware hydraulisch bediende deur liet drie mannen binnen. Heel even stroomde het ganglicht over de dikke vloerbedekking van nopjesrubber. Het ogenblik daarop zwaaide de deur dicht.

Zonder hen te hebben gezien wist Protorov wie het vertrek betreden hadden: de jonge luitenant, de arts en de 'betreffende persoon'. De Amerikaan was een koppige kerel en hij was de afgelopen drie dagen door de dokter bewerkt. De man had karakter, dat moest Protorov hem nageven; hij bood nog steeds weerstand, iets wat de Rus na drie dagen doktersbehandeling niet verwacht had.

Protorov voelde zelfs iets van medelijden voor de Amerikaan. Hij brabbelde voortdurend onsamenhangende woorden, een gevolg van de middelen die de arts hem had ingespoten. Dit was voor een held niet bepaald de ideale manier om aan zijn eind te komen: gevangengenomen door de vijand, geïnjecteerd en zodanig uit zijn geestelijk evenwicht gebracht dat de minuten weken leken, en andersom. Volgens de laatste theorie zouden de stimulerende middelen hem in een toestand brengen die vergelijkbaar was met die van een trauma.

Protorov geloofde er niets van. De andere kant beschikte ongetwijfeld over voldoende middelen om een spion zodanig geprepareerd het veld in te sturen dat hij in geval van gevangenneming niet zou praten als hij dat zelf niet wilde. Hypnose, langs elektronische weg ingebrachte blokkades en, als al het andere faalde, zelfmoord. Protorov voelde zich zelfs een beetje bedroefd toen de half menselijke, half dierlijke geluiden tot hem doordrongen. Niemand verdiende het om op deze manier aan zijn eind te komen. Een gevecht van man tegen man was eervoller.

Protorov dacht terug aan de tijd toen hij voor het eerst 'de kou voelde' - een KG B-uitdrukking die omschreef hoe iemand in actieve dienst zich voelde als hij een tegenstander voorgoed onschadelijk moest maken. Overigens, sinds wanneer had deze uitdrukking de plaats ingenomen van de juiste omschrijving 'iemand uit de weg ruimen'. Het was, vond Protorov, opnieuw een teken dat het bergafwaarts ging met zijn vaderland. Maar dat was bekend. Toen Protorov zijn eerste slachtoffer te pakken nam was hij luitenant, een in het opleidingscentrum in Sebastopol getrainde vechtmachine. In die tijd dacht hij de hele wereld aan te kunnen. Hij had het mis. Hij had niet vermoed wat actieve velddienst zelfs de meest geharde geest aandeed.

Ze hadden hem naar Siberië gestuurd. Een topgeheim laboratorium op een van de toendra's, waar een reeks experimenten van start zou gaan, was door de Amerikanen geïnfiltreerd.

In Verhojansk, de koudste plek ter wereld, had hij de infiltrant uitgerookt: via een ingewikkeld plan had hij de ander gedwongen zijn identiteit prijs te geven. Het gevolg was een urenlange achtervolging over de toendra geweest. Protorov herinnerde zich de barre tocht als de dag van gisteren. Het was een wedren geworden van twee mannen die alles voor hun land overhadden. Twee mannen die allebei uit het oog verloren hadden dat op de toendra slechts één wet gold: die van de snijdend koude wind. De mens was er slechts een stofje, een speelbal van wind en ijs en sneeuw. De sneeuw. De sneeuw, afschuwelijk in haar witte pracht, alomtegenwoordig, verblindend, verkillend, verdovend. De witte dood. Maar Protorov had alleen maar aan de opdracht gedacht. Het waarom ervan was hem tijdens de dolle wedren over het ijs ontgaan. Alleen was hij ten slotte op zijn tegenstander afgegaan. Glijdend en vallend waren ze op het ijs beland, en wolken stuifsneeuw hadden de plek aangegeven waar ze hun gevecht leverden. Protorov was zo stom geweest op een pistool met geluiddemper te rekenen, maar de elementen hadden de zorgvuldig geoliede onderdelen van het mechanisme tot een harde klomp aaneen gesmeed. Tot overmaat van ramp was zijn mes vastgevroren in de schede. Allebei waren ze uitsluitend op handen en voeten aangewezen. Ruim een halfuur hadden ze in sneeuw en op ijs geworsteld. Hun dikke kleding had hun bewegingen bemoeilijkt. De vorst zoog alle energie uit hun lichamen en achteraf had Protorov begrepen dat hij het uitsluitend aan zijn jeugdige geestdrift te danken had dat hij als winnaar uit de strijd gekomen was. Hij was niet slimmer, sneller of sterker geweest dan zijn tegenstander. Hij had het alleen langer volgehouden dan de Amerikaan.

Na vervulling van de opdracht was de Siberische sneeuw rood gekleurd en moest Protorov erkennen dat van een overwinning in de klassieke betekenis van het woord geen sprake was. Hij leefde hijgend, met bonzende hartslag, droge mond en een keelgat vol speeksel - maar van vreugde was geen sprake.

Toen hij ten slotte neerkeek op het halfbevroren ding dat, net als hij, ooit een mens geweest was, had hij nog net zijn braaksel binnen kunnen houden. Het ding was ooit mens geweest, een vijand van de staat, hadden ze tegen hem gezegd. Ja, had hij toen gedacht, een vijand, een vijand, een vijand...

'... meer tijd is er niet.'

Zonder dat iemand het merkte wekten de woorden Protorov uit zijn overpeinzingen. 'Wat zei je?' Zijn stem klonk scherp en liet er geen twijfel over bestaan dat het de schuld van de arts was dat de woorden hem ontgaan waren.

'Meer tijd hebben we niet, kameraad.'

'Heeft het verhoor iets opgeleverd?' vroeg Protorov.

'We hebben alles op de band staan,' zei de arts en Protorov dacht: Ik weet je nummer uit mijn hoofd, kameraad.

'We kunnen één positief feit melden.'

Protorov, die iets van zijn vroegere ik in de jonge luitenant herkende, richtte zich tot zijn ondergeschikte. 'En dat is?'

'We weten nu dat de Amerikanen net zo ver met Tentsji zijn als wij. Ik durf zelfs te veronderstellen dat wij meer brokstukjes van de puzzel bijeen vergaard hebben.'

Protorov dacht erover na. De luitenant had natuurlijk gelijk. Maar Protorov bedacht dat de ander niettemin iets over het hoofd gezien had, een tweede positief feit. Of, om precies te zijn, de wetenschap voor wie de Amerikaan werkte.

'Oké,' zei Protorov op een toon die verried dat het onderwerp wat hem betrof was afgedaan, 'verpak het lijk en lever het af bij de Amerikaanse legerbasis in Honshoe. Ik wil dat de Amerikanen weten dat ze geen vergissingen moeten begaan.'

Toen hij alleen in het raamloze vertrek achterbleef liet hij de luchtverversing de ruimte ontdoen van de geur van medicamenten en de dood. Toen pas stak hij een sigaret op.

Na gretig te hebben geïnhaleerd boog hij zich opnieuw - nu met het licht aan - over de foto's van Sakhov IV. Hij was nu dichter bij de kern van Tentsjidan hij ooit geweest was. Dat voelde hij gewoon. Zijn blik gleed zoekend over de glanzende oppervlakken. Was hetgeen hij zocht er al? En zo ja, waarom kon hij het dan niet vinden?

Met een afkeurend gegrom veegde hij de hele stapel van zijn bureau in de prullenmand ernaast. De papierversnipperaar zou wel weg weten met de nutteloze foto's.

Ondanks alles waartoe Sakhov IV in staat was, was het hoogst verfijnde apparaat in deze zaak van weinig nut. Maar per slot van rekening was het maar een machine; de satelliet kon niet meer dan waartoe hij geprogrammeerd was. Niets meer. Een andere mogelijkheid was dat ergens in het miljoenenapparaat een circuit niet naar behoren functioneerde.

Het deed er niet toe. Protorov had zijn eigen menselijke satelliet, en die functioneerde nog steeds optimaal.

'Nu,' zei Akoetagawa-san vanuit de nevel die hen omhulde, 'zullen we beginnen.'

In gedachten beleefde Nicholas dit alles opnieuw.

'Maar hoe?' had hij gevraagd. 'Ik zie niets.'

'Heb je in de rioe ooit met de blinddoek geoefend?'

'Natuurlijk, maar dat was binnen de ommuring van de dojo. De ruimte waarin we oefenden was me bekend en er waren geen takken, kiezels en andere obstakels.'

'Deze sluier, deze nevel,' zei Akoetagawa-san, alsof hij Nicholas niet verstaan had, 'is een kunstmatige duisternis, die echter volledig is. Onder normale omstandigheden kan een reukspoor je tot gids dienen, een straaltje maanlicht, een vaag lichtschijnsel, misschien zelfs het schitteren van de sterren, maar met deze blinddoek voor je ogen ben je uitsluitend op je gevoel aangewezen.'

'Ik kan ü zelfs niet zien.'

'Maar je kunt me horen.'

'Ja, behoorlijk goed. U klinkt... ik denk dat u links van me staat, hoewel ik nog niet aan de akoestiek gewend ben.'

'De akoestiek doet er niet toe,' zei Akoetagawa-san, 'als je bewust gaat luisteren ben je al te laat. Probeer op je intuïtie af te gaan, op een intuïtie die door ervaring gevormd is. Lukt datje, dan beschik je over een nieuw wapen in je arsenaal.'

Nicholas zei niets. In plaats daarvan probeerde hij zich te concentreren op de omstandigheden in de vallei van Josjino. Ten slotte kwam hij tot de conclusie dat hij zich zonder de vertrouwenwekkende aanwezigheid van de jonin volkomen verloren zou hebben gevoeld.

'Je hebt misschien al eens gehoord dat Koeji-kiri haar kracht ontleent aanjaho, aan magie. Vertel me eens, Nicholas, geloof je in magie?'

'Ik geloof wat ik zie en kan bevatten, sensei, of liever gezegd, wat ik beleef en begrijp.'

Een poosje bleef het stil. 'Voor een jongeman is dat een behoorlijk verstandig antwoord. Nu wil ik datje goed naar me luistert. In alle mensen gaat een soort middenlaag schuil, een gevoelstoestand die zich tussen het bewuste en het onderbewuste bevindt. Het is het terrein van de verbeelding. Het is ook de plek waar fantasie ontstaat, waar angsten snel tot buitenmaatse proporties worden opgeblazen, waar bezorgdheid ontstaat. Dit zijn geestestoestanden die niets met het bovennatuurlijke te

-maken hebben. Die middenlaag zou je echter als een extra zintuig kunnen beschouwen. De oorsprong ervan is heel primitief. Onze vroege voorvaderen benutten de mogelijkheden van die laag om te overleven, om hun waarnemingen te scherpen en zodoende meer alert te reageren op naderend gevaar wilde dieren, plunderende stammen of primitieven die het op hun vrouwen hadden voorzien. Dat was in de tijd dat de mens voornamelijk in grotten leefde. Grotten. Stel je een grot voor, een stenen gat. De tijd: miljoenen jaren geleden. Je bent alleen in een grot en moet op de tast je weg vinden. Om je heen is het aardedonker; er is niets datje behulpzaam kan zijn. Je bent een primitieve mens die wil overleven. Voel je het?

Het bewustzijn, de scherpte waarmee je waarneemt? Begrijp je nu ook dat bij de komst van de goedverlichte woningen het gebruik van dit extra zintuig op de achtergrond raakte? Toen alle huizen afgesloten en vergrendeld konden worden was er voor dit bijzondere zintuig niet langer een duidelijke functie aanwezig. En toch bleef dit zintuig sluimerend bestaan. In plaats van de mens te waarschuwen, werd het echter aangever van kleine angsten: faalangst, de angst ontslagen te worden, de angst door een vrouw te worden afgewezen, jaloezie ten opzichte van anderen. Maar heel vroeger deed dit zintuig alleen dienst om te waarschuwen. In de moderne samenleving zijn heel andere kwaliteiten vereist om overeind te blijven. Nogmaals, Nicholas-san, van mystiek is geen sprake. Gebruikmaken van deze middenlaag is beslist geen vorm van meditatie. We hebben het nu niet over het vermogen van een heilige, want dat zijn we geen .van beiden. We zijn allebei mensen van deze wereld en voelen er geen van beiden iets voor ons de pretjes, die een heilige moet opgeven om zijn geestestoestand te handhaven, te ontzeggen. Getsoemei no mitsji, het maanverlichte pad is nu ook voor jou toegankelijk. Je moet proberen de opgang te vinden en er leren lopen. Ik kan je hierbij niet méér helpen dan met het verstrekken van enkele richtlijnen en je te wijzen op je mogelijkheden. Maar wellicht helpt dagdromen en is het zinvol je dagdroom je naar huis te laten leiden.'

'Hoe zal ik het gevoel herkennen als het daar is?'

'Door twee dingen. Je zult al je gevoelens als gewichten ervaren. Resonerende gewichten.'

'Bedoelt u dat ik beter zal kunnen horen?'

'Ja, maar in beperkt opzicht. Gewicht ervaren is iets anders dan beter horen. Je zult namelijk niet béter horen, maaranders horen. Het tweede herkenningspunt is licht. Je zult de aanwezigheid van licht ervaren, zelfs al is er in je nabije omgeving geen lichtbron te bekennen.'

'Vergeef me, sensei, maar dat begrijp ik niet.'

'Het is niet moeilijk te begrijpen, Nicholas. Al watje voorlopig moet doen, is mijn woorden onthouden.'

Bij het uitspreken van die laatste zinnen was het alsof de stem van Akoetagawa-san zachter werd, alsof de woorden opgingen in ijle lucht. Heel even was Nicholas bang dat hij alleen op de heuvelhelling achtergelaten werd. Hij bevond zich op flinke afstand van de rioeen de aanwezigheid van de nevel maakte het hem onmogelijk op geluiden af te gaan.

De eerste paniekgevoelens welden in zijn borst op en wilden zich naar buiten persen in een schreeuw. Hij onderdrukte de aandrang en hield zijn mond dicht.

Ondanks zijn bonkende hart herinnerde hij zich Akoetagawasans advies: misschien is het zinvol je dagdroom je naar huis te laten leiden. Hij nam in lotushouding op de vochtige grond plaats en sloot zijn ogen. Hij deed zijn uiterste best om zijn ademhaling te beheersen. Het bloed klopte in zijn aderen. Zijn handen rustten, met de palmen naar boven gekeerd, op zijn knieën.

Hij ontsloot zijn geest voor het eerste beeld dat bij hem opkwam. Dat van Joekio. Instinctmatig klampte hij zich aan het beeld vast en dacht meteen: nee, de herinnering is nog te pijnlijk. Ik wil niet aan haar denken. Ik moet iets anders oproepen.

Maar afgezien van zijn verloren geliefde bleven de beelden weg. Joekio was degene over wie hij wilde dagdromen en met grote wilsinspanning dwong hij zichzelf ertoe zich door haar te laten leiden.

Een massa gitzwart haar, glanzend, een zwoele oogopslag vol seksuele beloften. Hun eerste ontmoeting, hun eerste dans. Haar dijbeen, stevig tegen hem aangedrukt en vervolgens, verbazingwekkend genoeg, het erotische gevoel van haar vrouwelijkheid die tegen zijn kruis wreef.

Hij herinnerde zich na afloop van hun eerste vrijage te hebben gedoucht, herinnerde zich haar weelderige vormen achter het shoji -scherm. Een borst. Een tepel. Het volgende ogenblik stond ze naast hem. Hj herinnerde zich zijn verraste reactie toen ze zich tegen hem aan geduwd had, de waterdruppels die langs haar huid gleden, de zoete smaak van haar mond, haar tong, warm en soepel. Het ogenblik waarop ze waren samengekomen.

Licht!

Zijn kin kwam omhoog van zijn borst en hij opende zijn ogen, en meteen zag hij Akoetagawa-san naast zich staan, zwijgend, een toeschouwer. Nicholas ervoer een vreemd zwaar gevoel in zijn borst, een vreemd seksueel gevoel. Hij had het gevoel te zijn opgestegen naar een punt vanwaar hij de wereld kon overzien. Hij was zich van veel meer bewust, hoewel hij in werkelijkheid minder 'zag' in de zin van direct waarnemen.

Hij bewoog zijn hoofd. Voelde hij Akoetagawa-san? Voelde hij de ander? Of? Hij stelde de vraag.

'Het antwoord daarop moet ik je schuldig blijven, Nicholas. Eén ding dient echter gezegd: het doet er niet toe. Getsoemei no mitsji bestaat en wij maken er gebruik van. Maar ik zal je wat één belangrijk aspect ervan betreft waarschuwen. Het is eerder een lichamelijk dan een geestelijk gevoel. Jouw niet-oosterse helft van je geest zoekt echter voor alles naar een rationele verklaring. De oosterse kant ervan maakt het je mogelijk dat je je deze staat van

"zijn" kunt eigen maken, iets waartoe een westerling niet in staat is omdat hij te bang is. Hij is te bang om zich te kunnen laten gaan; voor hem staat dat gelijk aan sterven. Westerlingen proberen de dood te begrijpen omdat ze er bang voor zijn. Ze kunnen het niet accepteren zoals wij dat kunnen; ze hebben geen gevoel voor karma en evenmin kunnen ze bevatten wat voor ons zo belangrijk is: dat de dood deel uitmaakt van het leven.'

Akoetagawa-san kwam in beweging en toen hij dat deed kreeg Nicholas heel even de indruk dat de ander niet liep, maar dat zijn voeten zich boven de grond bevonden.'Nu je het maanverlichte pad gevonden hebt is het nuttig om je energie te gebruiken om de eerste fase van Koeji-kiri kunstmatig op te wekken. Het zal maanden duren voor je je deze staat van "zijn" hebt eigen gemaakt en het zal niet gemakkelijk zijn, want het zal soms noodzakelijk zijn pure angstgevoelens op te roepen. Als die manifestaties zich spontaan voordoen moet je je eraan overgeven. Je zult tijdens je slaap, maar ook als je wakker bent, door nachtmerries worden geplaagd en het is niet ondenkbaar dat je op een zeker ogenblik seppoekoe zult willen plegen.'

'U maakt me niet bang, sensei.'

Akoetagawa-sans grimmige gezicht viel geen ogenblik uit de plooi. 'Dat is heel goed. Blijf dat volhouden als we aan onze eerste afdaling in de maalstroom van de hel beginnen.'

Het krieken van een sombere, regenachtige maandagochtend bracht de werkelijkheid terug. Een smogalarm was ingegaan en zodra Nicholas vanuit het hotel op de stoep stapte zag hij waarom. De lucht in de straten was bruinachtig en grijs en alle verdiepingen boven de twaalfde van de wolkenkrabbers werden aan het zicht onttrokken. Het was niet waarschijnlijk dat ze die dag vanuit Sato's kantoor de top van de Foeji-jama zouden kunnen zien. Tomkin, die vlak achter hem liep, leek er iets beter aan toe dan tijdens de vorige dagen, hoewel hij er nog steeds bleek en mager uitzag. Bovendien bezorgde de smog hem een barstende hoofdpijn. Toen ze voor het hoofdkantoor van Sato Petrochemicals uit de bedrijfslimousine stapten greep Tomkin Nicholas bij de arm en zei op gedempte, maar niettemin vastbesloten toon: 'Denk eraan wat ik gezegd heb, Nick. Het einde van deze week loopt onze deadline af. Jij moet ervoor zorgen dat we op tijd met de zaak rondkomen.' Zijn ogen glommen nog steeds een beetje van de koorts. De onaangename reuk die uit zijn mond kwam was onveranderd gebleven. Mevrouw Josjida kwam hen bij de lift tegemoet en ging hen voor naar Sato's ruime kantoor. Vandaar hadden ze uitzicht op de smerige bruine smoglaag. In de meeste aangrenzende vertrekken brandde licht.

Toen ze allemaal hun plaats aan de tafel hadden ingenomen behalve Isjii, die als een wachter tegen een wand leunde - nam Sato het woord: 'Voor we de onderhandelingen voortzetten zal ik uitleggen waarom ik u verzocht heb vandaag zonder juridische adviseurs aanwezig te zijn. Met alle respect voor Greydon-san, maar Nangi en ik vonden het beter dit gedeelte van de onderhandelingen onder vier ogen af te doen.'

Toen Nangi omzichtig een sigaret opstak schraapte hij zijn keel en Sato vervolgde met: 'De vergadering van morgenmiddag zal worden opgeschort. Onze plicht vereist dat we de begrafenis van onze collega en vriend Kagami-san bijwonen.' Hij zweeg een ogenblik, alsof hij niet goed wist hoe hij verder moest gaan. 'Mogelijk zal het volgende verzoek u wat ruw op de maag vallen, maar wij hebben nadrukkelijk het gevoel dat enkele zaken om opheldering vragen.'

Hij boog enigszins naar voren en keek Tomkin en Nicholas een voor een aan.

'Linnear-san, ik moetje zeggen dat de dood van Kagami-san ons voor een volslagen raadsel stelt. Van Woe-Sjing weten we niets af, en evenmin kunnen we een reden bedenken waarom de moord gepleegd werd.

Gezien het feit dat jullie aanwezig waren toen het gebeurde, verzoek ik jullie ons in vertrouwen mee te delen wat jullie weten van de dood van onze gewaardeerde collega en vriend.'

Het kwam er allemaal tactvol uit, maar de bezorgde ondertoon was Nicholas niet ontgaan. Toch had hij nauwelijks over de moord nagedacht. Sinds hij tijdens de bruiloft met Akiko had kennisgemaakt, had hij voortdurend haar gezicht voor ogen gehad en zich keer op keer de vraag gesteld: is zij Joekio?

Nu schaamde hij zich een beetje dat hij vrijwel het hele weekend alleen aan haar gedacht had. Een dergelijke gang van zaken druiste in tegen zijn aard en verontrustte hem een beetje. Nu werd hij genoodzaakt om in gedachten terug te gaan naar de met bloed bespatte badruimte.

Hij strengelde zijn vingers ineen en tikte met de toppen van zijn duimen tegen elkaar. 'Afgezien van de Woe-S/ing-tatoeage op de wang van Kagami-san waren er nog enkele dingen die een gewone moordenaar uitsluiten.'

'De moord werd welbewust gepleegd,' viel Isjii hem in de rede.

'Probeer je ons dat duidelijk te maken?'

'Jazeker,' zei Nicholas, 'om te beginnen liet de moordenaar geen voetafdrukken achter, hoewel de tegelvloer rondom het slachtoffer rijkelijk met bloed besmeurd was.'

Sato gromde ongerust en keek vluchtig naar Nangi. Toen de ander niet op zijn blik reageerde stond Sato op en begaf zich naar de bar. Hoewel het pas enkele minuten over tien was schonk hij zichzelf een straffe borrel in. Het feit dat hij verder niemand iets aanbood toonde aan dat hij zich behoorlijk zorgen over het gebeurde maakte. Hij nam een grote slok en staarde in de spiegel achter de bar naar zijn evenbeeld. 'Linnear-san, u zei dat er nóg enkele dingen waren die een gewone moordenaar uitsluiten.'

'Waarom hebt u de politie niet ingelicht?'

Een westerling zou, vanzelfsprekend, antwoord gegeven hebben. Sato staarde alleen maar naar Nicholas. En met zijn ogen gaf hij het antwoord: Jij zit hier in plaats van de politie. Jij mag mijn vragen beantwoorden.

Nicholas had de vraag gesteld omdat hij zeker wilde zijn van deze mensen. Waarom ze de politie er niet bij wilden betrekken interesseerde hem niet; waarom ze hém de vragen wilden laten beantwoorden interesseerde hem in hoge mate.

'Ik vrees dat Kagami-san vermoord werd,' zei hij.

'Pardon!' zei Isjii scherp.

'Hij werd een aantal keren geslagen met een vlijmscherp wapen,'

zei Nicholas.

'Met wat voor wapen?' vroeg Sato.

'Ik weet het niet zeker,' zei Nicholas voorzichtig, 'maar ik vermoed met een sjoeriken.'

Sato had zijn borrel inmiddels voor de helft naar binnen gewerkt. Afgezien daarvan gaf hij op geen enkele wijze blijk van zijn onge-rustheid. 'Linnear-san,' zei hij, 'toen u voor het eerst het woord Woe-Sjing de mond nam had u het over een aantal straffen, vijf in totaal, als ik het goed onthouden heb. Woe is immers Chinees voor vijf.'

Nicholas voelde zich niet op zijn gemak. 'Ja, dat klopt. Mo is de eerste en daarom de lichtste van de straffen.'

'Welk misdrijf is kwalijker dan moord?' vroeg Nangi een beetje nijdig.

'Ik had het over de straf.' Nicholas keek hem aan. 'Een tatoeage op het gezicht, daar had het bij moeten blijven.'

Nangi's wandelstok tikte tegen de houten wand die de vergaderruimte scheidde van Sato's kantoor. 'Dan is de moord op het slachtoffer hoogst ongewoon.' Hij vatte meteen de kern van de zaak aan.

'Hoogst ongewoon,' zei Nicholas. Hij zat er heel stil bij, met zijn handen tussen zijn knieën geklemd. Hij dwong zijn gezicht in een kalme uitdrukking en liet elk aspect van zijn wezen de gemoedstoestand van zijn uiterlijk aannemen. Het laatste wat hij wilde was dat de anderen zouden vermoeden wat er in hem omging. Het duizelde hem nog steeds bij de gedachte dat iemand van zijn eigen rioe, iemand van de eeuwenoude discipline die aki-i-ninjoetsoe heette, een dergelijke daad kon begaan. Het was volslagen ondenkbaar. En toch was het gebeurd. Hij had het griezelige bewijs ervan met eigen ogen gezien en hij wist dat er geen twijfel over kon bestaan. Hij hoopte maar dat niemand hem de vraag zou stellen die de hele situatie tot een uitbarsting zou brengen.

'Ik begrijp iets niet,' zei Tomkin en Nicholas bereidde zich erop voor om het onbeantwoordbare te beantwoorden. 'Dit Woe-Sjing-gedoe, of hoe je het ook uitspreekt, is volgens jou van Chinese oorsprong. Maar hier zijn we in Japan. Ik dacht dat China en Japan twee culturen vormen die weinig of niets met elkaar te maken hebben.'

De hierop volgende stilte werd verstoord door het rinkelen van de telefoon. Isjii trok zich terug om op te nemen. Toen hij zacht tegen het mondstuk mompelde wachtten ze in stilte af. Hij beval degene die aan de telefoon was ervoor te zorgen dat ze niet werden gestoord. Hij drukte een toets in en haakte af. 'Een telefoontje voor jou, Nangi-san,' zei hij. Wat ging er schuil achter die sombere blik? vroeg Nicholas zich af. 'Blijkbaar kan het niet wachten.'

Nangi knikte. 'Ik neem het gesprek in het aangrenzende vertrek aan.' Hij begaf zich met zijn tikkende wandelstok naar Sato's kantoor en verdween in de tokonama waar Nicholas hem voor het eerst gezien had.

De spanning in het vertrek was nu geladen en Nicholas zocht naar een manier om via zijn training enige verlichting in de sombere sfeer te brengen. Tegelijkertijd wilde hij proberen het verloop van het gesprek zodanig te beïnvloeden dat lastige vragen hem bespaard zouden blijven. 'De vraag waarom een eeuwenoude Chinese straf door een lid van een Japanse rioe wordt toegepast,' begon hij, 'kan ik misschien beantwoorden. Er wordt beweerd - en niet met al te veel trots - dat ninjoetsoeop het Aziatische continent ontstond, om precies te zijn in het noordoosten van China. Maar ongetwijfeld bestond de kunst al toen van China nog geen sprake was, en lang vóór Japan beschaafd werd.

Maar wat voor ninjoetsoe geldt, geldt voor vele eerbare en minder eerbare disciplines in Japan. Ze werden geïmporteerd.' Hij kwam overeind en ijsbeerde als een gekooide panter door het vertrek. Hij bewoog zich zoals sommige balletdansers deden als ze niet op het toneel stonden, dacht Tomkin, alsof de houten vloer in plaats van uit hardhout uit een verende laag bestond.

Na een korte rondgang door het vertrek nam Nicholas tegenover Isjii, Tomkin en Sato plaats. 'Als ik eerlijk moet zijn, dan zal ik moeten beamen dat China en Japan nauwere banden kennen dan beide landen zullen willen toegeven,' vervolgde hij. 'Die vijandige sfeer dateert echter al vanaf het eerste contact. Neem de taal, bij voorbeeld, Chinees en Japans zijn vrijwel uitwisselbaar.'

Hij zweeg een ogenblik om na te gaan of de Japanners zouden protesteren. 'Tot en met de vijfde eeuw was er niet eens sprake van een geschreven Japanse taal. De mensen vertrouwden liever op kataribe, mensen die vanaf hun geboorte werden getraind om te onthouden en zodoende te bouwen aan een orale geschiedenis van het vroege Japan. Maar dat is, zoals we vandaag de dag weten, een kenmerk van een primitieve beschaving. Chinese karakters werden in de vijfde eeuw in Japan geïntroduceerd, maar de gewoonte de geschiedenis door kataribe te laten onthouden was zo diep geworteld dat men er nauwelijks toe geneigd was om deze mensen hun beroep af te nemen. Het duurde nog ruim driehonderd jaar voor er geschiedenis in schrijftaal werd vastgelegd.'

'Maar de twee talen kennen aanmerkelijke verschillen,' zei Sato behulpzaam. Hij maakte een verslagen indruk. Isjii leek zich met niets bijzonders bezig te houden. Hij zat er stil bij en keek naar de vloer.

'O ja,' zei Nicholas, 'natuurlijk zijn er verschillen. Ook in het verleden bleven de Japanners hun ware aard trouw. Hoewel de Japanner geen echte uitvinder is, is hij erg goed in het ontwikkelen van ontwerpen en ideeën van anderen.

Het probleem met het Chinees was dat het zo ontzettend langdradig was. De taal kent duizenden karakters en daar het geschreven woord vrijwel uitsluitend werd gebruikt om keizerlijke besluiten en officiële zaken vast te leggen, was de schrijftaal niet voor alledaags gebruik geschikt.

De Japanners begonnen dus aan een vereenvoudiging van het Chinese schrift die we vandaag de dag kennen als hiragana, een karakterstelsel dat veel eenvoudiger is dan het Chinese kanji. Toen de negende eeuw op z'n eind liep was de schrijftaal klaar. Overigens, dit was omstreeks dezelfde tijd dat de Europeanen het cyrillische schrift ontwikkelden.

Later werd er een nieuwe schrijftaal geïntroduceerd - katakana - waarin voornamelijk buitenlandse woorden werden opgenomen. Met de Chinese taal werden ook enkele Chinese gewoonten overgenomen, zoals het curieuze verschijnsel dat geen enkele Chinese vrouw zich ooit van het kanji bediende. Daarom werd het als ongepast beschouwd als Japanse vrouwen het wel deden. Dus waren zij aangewezen op het hiragana en katakana en naarmate ze zich die dialecten eigen maakten kwamen de eerste literaire werken tot stand. Het Kussenboek van Seisjonagon en de klassieker Genji Monogatari, die allebei in het begin van de elfde eeuw geschreven werden.

Achter een wand van de vergaderruimte zat Nangi achter een bureau waarvan het blad volkomen leeg was. Het cederhout glom als een spiegel. Toen Nangi zich voorover boog zag hij tamelijk scherp de contouren van zijn gezicht in het blad weerspiegeld.

'Ja,' zei hij tegen het mondstuk.

'Nangi-san' - de stem klonk iel en vreemd, alsof het elektronische medium de spraak van de man niet helemaal juist weergaf - 'je spreekt met Anthony Tsjin.'

Tsjin was de directeur van de All-Asia Bank uit Hongkong, een bank die Nangi zeven jaar geleden had opgekocht toen de instelling, door een combinatie van fiscale blunders en een reeks ongelukkige marktfluctuaties in de kroonkolonie, op het punt stond failliet te gaan.

Nangi was naar Hongkong gevlogen en had een voorstel gedaan dat zijn keiretsoeeen maximum aan contanten en een minimum aan risico opleverde. Maar in het voorjaar van was er een ware hausse in de onroerend goed-sector ontstaan.

Anthony Tsjin had de hausse zien aankomen en had met toestemming van Nangi het grootste gedeelte van All-Asia's kapitaal in onroerend goed geïnvesteerd. Toen de prijzen als raketten omhoogschoten hadden zowel hij als de keiretsoede maximumwinst binnen kunnen halen. Eind was de winst van de bank vervierdubbeld.

'De markt gaat instorten,' had Tsjin echter een jaar geleden meegedeeld. 'Er is geen ruimte over in de kroonkolonie. De buit is verdeeld. Weliswaar bestaan er plannen om het eiland Sja Tin voor de middenklasse bewoonbaar te maken, maar voorlopig is daar nog geen sprake van. Ik heb plannen gezien met betrekking tot de bouw van zestien torenflats in de nabije omgeving van de racebaan. Als we er nu instappen betekent dat dat we binnen enkele jaren een verdubbeling van ons kapitaal tegemoet kunnen zien.'

Maar Nangi had tot voorzichtigheid gemaand. Per slot van rekening, had hij heel rationeel geredeneerd, zou Engelands negenennegentigjarige pacht van de kroonkolonie binnenkort aflopen. Aan de andere kant, communistisch China had geld nodig - de buitenlandse valuta - dat via Hongkong binnenkwam. Voor de Chinezen waren de kroonkolonie en Macau geldsluizen die ze in geen geval zouden dichtdraaien, dat zou tegen hun eigen belangen indruisen.

Maar Nangi deed veel en lucratief zaken met de Chinezen en hij wist hoe de Chinese geest werkte. En, dacht hij, tegen het eind van de jaren tachtig zou er iets voorhanden zijn dat ze nog liever zouden hebben dan geld.

Hij had met succes-de val van Mao voorspeld en, kort daarop, die van de Bende van Vier. Dat was niet zo moeilijk geweest omdat hij in het moderne China precies dezelfde verschijnselen signaleerde die driehonderd jaar geleden in Japan tot de val van de shogun Tokoegawa hadden geleid en de periode van de Meiji-dynastie hadden ingeluid. Om te kunnen overleven moesten de Chinezen pijnlijk maar waar - hun deuren voor het Westen openzetten. En na deze conclusie waren ze langzaam begonnen zich uit het isolement te werken dat Mao hun had opgelegd. In een aantal vijfjarenplannen werd vastgelegd hoe industrie, cultuur en handel op gelijke voet met die in het Westen moesten komen.

Naar aanleiding hiervan had Nangi meteen ingezien dat er twee dingen waren die China meer dan nodig had om deze plannen te verwezenlijken. En beide wensen gaven hem niet bepaald een geruststellend gevoel. China had een zware industrie nodig, en kernenergie. Voor beide had China echter onvoldoende geld. Het land kon slechts één pad bewandelen, dat van de ruilhandel. De kroonkolonie vormde een probleem apart. Als de Chinezen de Britten met uitzetting zouden dreigen, zou dat betekenen dat alles, wat de Engelsen in Hongkong tot stand gebracht hadden, zou worden afgebroken. En als de Chinezen duidelijk konden maken dat die mogelijkheid niet uitgesloten was, zouden ze vrijwel alles kunnen krijgen wat Engeland hun te bieden had. En in Engeland was alles voorhanden waaraan China behoefte had.

Binnen afzienbare tijd, vermoedde Nangi, zou China haar eerste zet doen. Ongetwijfeld zou dit gebeuren in de vorm van een officiële verklaring waarin ze duidelijk zou maken dat de pachtsom van de kroonkolonie wat hun betrof was vastgelegd in een document waaraan van hun kant geen waarde werd gehecht.

Dergelijke verklaringen, besefte Nangi, zouden abrupt een eind maken aan de hausse in onroerend goed. Welke investeerder zou zijn geld willen investeren in een plek die op politiek drijfzand was gefundeerd ? Het uiteindelijke resultaat zou zijn dat de aandelen-en onroerend goed-markt fors zouden kelderen. En van een dergelijke teloorgang wilde Nangi niet het slachtoffer worden. Dus boorde hij Anthony Tsjins plannen met twee zinnen de grond in: 'Laat anderen maar investeren. Wij blijven op ons geld zitten.'

Vervolgens werd het tijd voor een vriendelijk woord. 'Hoe staat het met de zaken in China's voortuin?' Het was zijn standaard kapitalistische grapje, maar deze keer reageerde Tsjin niet.

'Ik vrees dat ik slecht nieuws heb, Nangi-san.'

'Als je een nieuwe stormloop op de banken verwacht, maak je geen zorgen,' zei Nangi-san. 'We kunnen tegen een stootje. Je weet zelf hoeveel kapitaal we hebben.'

'Daarin schuilt juist het probleem,' zei Tsjin. 'Het is veel minder dan je denkt.'

Nangi liet zijn hartslag bewust een paar slagen per minuut vertragen. Hij spande zich tot het uiterste in om zijn kalmte te bewaren, en slaagde erin. Een veelheid aan vragen welde automatisch in hem op, maar voor hij zijn mond opende en de eerste vragen stelde rangschikte hij ze in volgorde van belangrijkheid. De kernvragen eerst.

'Waar is het geld gebleven?'

'Geïnvesteerd in zes van de Sja Tin-projecten,' zei Anthony Tsjin op schuldige toon. 'Ik weet datje verbood te investeren, maar toen het voorstel concreet gedaan werd, was je er niet en moest ik besluiten. Ik heb het verloop van de situatie van dag tot dag bijgehouden. Ik zag opeens mogelijkheden, hoeveel we konden verdienen. Maar momenteel is iedereen doodsbang voor de communisten. Alle tai-pans, alle -'

'Je bent ontslagen,' zei Nangi kortaf. 'Je krijgt tien minuten om ervoor te zorgen dat je met je spullen op straat staat. Daarna zal je door de bewakingsdienst worden gearresteerd als je ook maar één voet binnen het gebouw zet. Voorts ontzeg ik je met ingang van nu de toegang tot het archief.'

Hij haakte af, belde haastig opnieuw de bank en vroeg naar Allan Soe, Asia's adjunct-directeur. 'Meneer Soe, u spreekt met Tanzan Nangi. Stelt u alstublieft geen vragen. Vanaf dit ogenblik bent u directeur van All-Asia. Anthony Tsjin werkt niet langer voor de bank. Geef uw bewakers opdracht hem de toegang tot het gebouw te ontzeggen. Zorg ervoor dat hij geen papieren of ander bewijsmateriaal meeneemt. Vervolgens...'

Hij zou er een onschadelijk moeten maken, Rood of Blauw, wie van de twee zou het worden? Op zee, met onder zich de zware deining van het water, besloot Bristol dat Blauw het slachtoffer zou worden. Hij zat achterovergeleund op een canvas regiestoeltje dat betere tijden gekend had en hield de top van zijn hengel in het oog. Ongeveer honderd meter verderop lag het plezierjacht van Alix Logan aangemeerd, met aan boord een half dozijn van haar vrienden én het Rode Monster, dat zijn uiterste best deed om een zo opgewekt mogelijke indruk te maken. Hij had zelfs zijn overhemd uitgetrokken, wat Bristol als een ernstige fout beschouwde. Want nu was voor iedereen zichtbaar hoe bleek zijn borst en armen waren, bijna melkwit. Gespierd was hij echter wel en ook dat ontging Bristol niet. Hij vroeg zich af hoe Alix hem aan haar vrienden had voorgesteld.

De lijn spande zich. Bristol zag dat de top van zijn hengel in een boog werd getrokken eh hij begon de lijn binnen te halen. Als hij had kunnen kiezen had hij waarschijnlijk voor het Rode Monster gekozen, want het Rode was groter dan Bristol, die na de lange maanden van nietsdoen bijna niet kon wachten om zijn krachten met de tegenpartij te meten.

Maar van een eerlijk gevecht zou geen sprake zijn. Tijdens de maanden die achter hem lagen had hij een gezonde haat tegen het Blauwe Monster ontwikkeld. Ten tweede bekeek hij Alix Logan nu met meer dan beroepsmatige interesse. Op de een of andere wijze was Bristol haar min of meer als zijn eigendom gaan beschouwen. Voor het Rode Monster was ze eenvoudig het zoveelste grietje, het onderwerp van een opdracht zoals hij er al zoveel had afgewerkt en zou afwerken. Isoleren en beschermen, zo luidde de opdracht waaraan hij zich hield. Hij had van zijn opdrachtgever een waslijst met namen van mensen gekregen met wie ze mocht omgaan. De rest moest worden geweerd.

Blauw, haar nachtelijke begeleider, mocht echter graag naar haar kijken. Hij mocht zelfs haar huis binnengaan. Vanzelfsprekend mocht hij er de nacht niet doorbrengen, maar hij had toestemming er lang genoeg te vertoeven om bij haar thuiskomst de woning grondig te doorzoeken. Na afloop sloeg hij met een klap de deur achter zich dicht, liet zich op de betonnen geveltrap zakken en peuterde met een lucifer tussen zijn tanden. Zodra hij zich begon te vervelen schoof hij de lucifer van zijn linker-naar zijn rechtermondhoek. Af en toe stak hij de straat over om bij de snackbar een gebraden kip aan te wijzen. Met de kip en een bakje vette frites nam hij vervolgens plaats op de oranje plastic stoel naast de geveltrap en at tot zijn lippen en de huid eromheen glommen in het licht dat via de ramen naar buiten viel. Met regelmatige tussenpozen, vooral als Alix Logan zich uitkleedde, draaide hij zich om en keek vluchtig over zijn schouder naar binnen. De vettige grijns die dan om zijn lippen verscheen had volgens Bristol niets met de frites te maken. De hengel werd hem bijna uit handen gerukt en hij zette zich schrap. Hij drukte zijn schoenzolen tegen de ronding van de kiel en leunde ver achterover. De volgende ruk trok hem bijna voorover in het water. Het zeedier dat in het aas had gehapt bood heftig tegenstand. Wat had hij in vredesnaam aan de haak geslagen? Zijn schouderspieren zwollen. Honderd meter verderop hadden Alix en haar vrienden zich in zwemkleding gestoken en doken vanaf het dek in de diamanten schittering van de zee. Hun gebruinde lichamen glommen van de zonnebrandolie. Degenen die aan dek achterbleven deden zich tegoed aan ijskoude blikjes bier. Hun gelach klaterde over het water.

Bristol had zijn handen vol aan de vis, maar hij hield zijn blik op het dek gericht. Zijn hersens hielden zich bezig met de vraag hoe hij het Blauwe Monster moest aanpakken.

Zijn armspieren werden nu dik als sleepkabels en hij voelde de adrenaline door zijn bloed pompen. Verdomme, dit was het echte leven. Op dat ogenblik voelde hij zich in staat de hele wereld aan te kunnen, met inbegrip van Tomkin. Heel even ging hij in gedachten echter terug naar de gedenkwaardige nacht waarin ze hadden geprobeerd hem van de weg te rijden. Uiteindelijk waren ze erin geslaagd, maar zonder het gewenste effect te bereiken. Hij leefde nog, en hoe!

Met een grijns om zijn lippen begon Bristol de lijn in te halen. Onder zich voelde hij de boot deinen op de trage golfslag en voelde hij de hitte van de zon op zijn armen en schouders branden. De kleuren van het water schitterden in zijn blikveld, blauw, doorschoten met groen en geelgevlekt door zonneflitsen. Maar het ding dat aan zijn haak spartelde eiste al zijn aandacht op. Het gevecht, de strategie die voor het succesvol binnenhalen van de vangst vereist was, eiste al zijn aandacht op.

Tijdens de lange winters in New York had hij van ogenblikken als deze gedroomd. Nu beleefde hij ze.

Zijn vangst bevond zich nu dicht onder de kiel. Af en toe rimpelde een vin het wateroppervlak en spatte het schuim in zijn gezicht. Het volgende ogenblik liet hij de lijn vieren en gaf de vis de ruimte om zich in de diepte terug te trekken. De molen van zijn hengel gierde toen zijn prooi ervandoor ging. Al doende zou de vis de haak steviger in zijn bek trekken.

Bristol zette zich opnieuw schrap en wachtte het ogenblik af waarop de lijn met een ruk strak zou staan. Toen de klap kwam viel de schok mee. De vis leek het op te geven. Bristol keek om zich heen. Behalve de mensen op het plezierjacht waren er geen anderen in de buurt op wie hij eventueel een beroep zou kunnen doen. Met een half oog hield hij de toekijkende mensen op het plezierjacht in de gaten. Bij een dergelijk schouwspel was het onmogelijk om niet gefascineerd toe te kijken.

De grote vis begon moe te worden en Bristol begon de lijn sneller in te halen toen hij Alix Logan met lenige bewegingen aan boord van het jacht zag klauteren. Blootsvoets bewoog ze zich" met veel gratie over het dek en leunde met gestrekte armen op de reling. Haar lange vingers klemden zich rond het blikkerende metaal. Zonder zich te verroeren tuurde ze lange tijd in de richting van de horizon. Vervolgens verlegde ze haar blik naar het water dat tegen de romp klotste. Nu staarde ze. Ze leek gehypnotiseerd, alsof ze iets in de diepte van het blauwe water ontwaarde.

In een laatste uitbarsting van energie dook de vis die Bristol aan de lijn had naar de diepte en heel even was hij er voor honderd procent op geconcentreerd de vis niet te verliezen. Toen hij weer opkeek was Alix Logan van het dek verdwenen. Bristol keek verbaasd naar alle kanten. Was ze in het vooronder verdwenen? Was de zon haar te veel geworden?

Bristol kreeg een wee gevoel in zijn maag. Die gehypnotiseerde blik in haar ogen, dat staren. Ooit had hij Gelda op die manier zien kijken. Het volgende ogenblik werd zijn blik getrokken door een beweging in het water naast de romp. Hij zag honingblond haar, een gebruinde schouder. Zwom ze of verdronk ze?

Het Rode Monster boog zich over de reling maar zag haar niet. Hij zette zijn bierblikje aan zijn voeten op het dek. Zijn mond ging open en hij zei iets tegen de kapitein. De man schudde ontkennend zijn hoofd en wees naar bakboord.

Het Rode Monster sprong naar voren en Bristol dacht: ik hoop dat hij op tijd komt, want Alix dreef op dat moment weg van de boot en nu leek er geen twijfel over haar situatie te bestaan. Ze deed geen enkele moeite in de buurt van het jacht te blijven en gelet op de sterke stroming stond dat gelijk aan de mededeling: ik stop ermee, ik heb er genoeg van, ik hou het voor gezien.

Het Rode Monster, dat op dat moment over het dek rende, kreeg haar in het oog en sprong met een fraaie duik overboord. Met krachtige slagen wist hij haar binnen een halve minuut te bereiken. Aan boord van het jacht was de kapitein inmiddels druk doende met de tewaterlating van een rubberboot. Een aantal van de gebruinde gasten hielp hem. De spanning nam toe. De aanwezige vrouwen liepen druk en opgewonden heen en weer.

De kapitein liet de rubberboot zakken en het Rode Monster, met een hand onder Alix' kin, zwom er vol zelfvertrouwen heen. Toen Bristols vangst boven het wateroppervlak uitsprong tilden ze Alix aan boord van het jacht.

Bristol had een grote tonijn aan de haak, groot genoeg om hem overboord te trekken ware het niet dat hij de afgelopen maanden voldoende ervaring had opgedaan.

Ze vlijden Alix Logans bewusteloze lichaam op het dek en strekten haar armen. Ze bewoog niet. Haar haar, donker gekleurd door het zeewater, kleefde in een natte streng tegen haar schouder. Enkele ogenblikken later, nadat het Rode Monster haar met mond-op-mondbeademing weer tot leven had gewekt, rolde ze op haar zij. Een golf van zeewater kwam uit haar mond. Iemand deed een stap naar voren en zette haar een rugby-petje op het hoofd om haar schedel tegen het felle zonlicht te beschermen. De kapitein drapeerde een handdoek om haar schouders en het Rode Monster droeg haar vervolgens naar het vooronder.

Bristol keek neer op de grote glinsterende ogen van de tonijn. De s t aart vin spatte schuim in zijn gezicht. Het zout beet in zijn netvlies en deed hem met zijn ogen knipperen.

De vis was nu bijna binnen handbereik en Bristol boog zich naar voren om de lijn met zijn handen vast te pakken. Op dat ogenblik zag hij het dier in een ander licht: als een levend wezen, niet als een prooi, niet als een trofee die opgezet een plaatsje boven de haard zou krijgen.

Hij dacht aan de brandende auto, het gevecht dat hij had moeten aangaan om zijn leven te redden. En op dat moment zag hij in dat er weinig verschil bestond tussen hem en de tonijn. Allebei hadden ze gevochten en dit wezen verdiende dezelfde beloning die Bristol had weten te behalen.

Hij wierp een tweede blik op het ronde oog, vreemd, maar niettemin vol leven. Hij kon dit wezen het leven niet ontnemen. Hij liet zich op zijn knieën vallen en zocht in zijn broekzakken naar zijn mes. Vlak boven de haak sneed hij de lijn door.

Heel even bleef de tonijn vlak naast de boot liggen, wiegend op de deining. Toen, met een klap van de machtige staart, verdween het dier in een warreling van schuim naar de diepte. Een fractie van een seconde weerspiegelde het zonlicht de zilveren schubben, het volgende ogenblik werd het water weer rustig op de plek waar het dier was ondergedoken.

Tengoe was de naam die zijn sensei hem traditiegetrouw had gegeven. Hij was een van de agenten die voor Victor Protorov binnen de Tensjin Sjoden Katori-rioe actief was. Die taak bracht met zich mee dat hij dagelijks het scherp van de snede bewandelde en zelfs in zijn slaap was hij onbewust voorbereid op onaangename confrontaties. Niemand zou hem verrassen, zoals Tsoetsoemoe was overkomen.

Hij was zich er voortdurend van bewust dat hij zich in een bijenkorf vol zoemende nijdige bijen bevond. De woede die van de bijen uitging had slechts één hint nodig om zich op hem te richten. De dood van Masasjigi Koesoenoki had een opwinding veroorzaakt die hij niet voor mogelijk had gehouden. De dood van de leider van een ninja-rioe was niet zo maar iets.

Tengoe was afkomstig van het platteland, uit een boerenfamilie die sinds mensenheugenis in de omgeving van Kioesjoe woonde. Tengoe kon zich de dag waarop zijn vader was gestorven nog levendig herinneren. De familie was in stille bedroefdheid bijeengekomen, bijna als een eenheid die handelde als vormden de familieleden één organisme. Maar zelfs die uiting van eenheid viel niet te vergelijken met het gevoel van eenheid dat momenteel in de rioe heerste. Jonin, leidinggevende senseien tsjoenin, de leiders van de verschillende klassen, waren allemaal op bijna beangstigende wijze van de dood van hun leidsman onder de indruk.

Er gebeurde iets binnen de dojo waar Tengoe met zijn verstand niet bij kon. Het was alsof een spirituele wervelwind, een orkaan van emoties, tot een roerloze bal was samengeklonterd. Hij probeerde zich bij dit gevoel aan te sluiten, maar in zijn binnenste wist hij dat het zinloos was. Hij werd buitengesloten en kon niet verklaren waarin de oorzaak school. Was hij in staat geweest buiten zichzelf te treden om van enige afstand gade te slaan wat er gebeurde, dan zou hij hebben begrepen dat het hem eenvoudig aan toewijding ontbrak. Hij miste het vermogen zijn energie zodanig te concentreren dat hij zich aan kon sluiten en deel uitmaken kon van het geheel. Hij was niet in staat zich onder te dompelen in de rouw die na de dood van Koesoenoki de stemming bepaalde. Tijdens deze dagen ontwikkelde Tengoe veel grote en kleine angsten. Hij verbruikte een enorme hoeveelheid psychische energie om zijn ware gevoelens verborgen te houden. Maar geen van de angsten die in deze periode de kop opstak was zo overheersend als de angst die hij voor Phoenix ontwikkelde.

Na Koesoenoki was Phoenix de machtigste van dejonin geweest. Wat Tengoe betrof vormde Phoenix zelfs een grotere bedreiging dan Koesoenoki ooit had vertegenwoordigd. Phoenix was jonger en veel energieker en hij durfde paden te betreden waarop Koesoenoki zich nooit had durven wagen. Dom genoeg. Bovendien had Phoenix meer tijd doorgebracht in gezelschap van de lagere genin dan Koesoenoki zich ooit had verwaardigd, zeker tijdens Tengoes verblijf in de dojo. De oude sensei had steeds meer tijd in stille meditatie doorgebracht en had het leidinggeven aan zijn favoriete leerlingen overgelaten.

Tengoe werd door angst bevangen. Hij leefde voortdurend met de vrees dat Phoenix de ware reden van zijn aanwezigheid zou achterhalen. De gedachte aan de confrontatie die daarna onvermij-delijk zou zijn werd hem bijna te veel. Het was verreweg te verkiezen om in dat geval zelfmoord te plegen dan te sterven door de hand van iemand die van moord een kunstvorm had weten te maken. Voor Tengoe, die te midden van bijgeloof en rituelen op het platteland was opgevoed, stond een dergelijke confrontatie gelijk aan het aanbinden van de strijd met een kami.

Phoenix was als een schaduw, iets dat Tengoe niet kon vatten. Als hij de ander onder ogen kreeg en naar de tatoeage van de tijger op de linkerschouder keek werd Tengoe onveranderlijk aangegrepen door een gevoel van verlamming dat geenszins uitsluitend in zijn verbeelding bestond.

Toen Nangi zich weer bij de anderen voegde hield hij zijn gezichtsuitdrukking strak in de plooi. Voorlopig had hij gedaan wat binnen zijn vermogen lag. Allan Soe en zijn staf moesten de kwartaaladministratie maar doornemen en proberen zoveel mogelijk fouten ongedaan temaken. Daarna moest worden bepaald of All-Asia nog als een winstgevend bedrijf kon worden beschouwd. Soe had gesmeekt de affaire binnenshuis te houden tot alle feiten bekend waren, maar Nangi wist maar al te goed dat geruchten in de kolonie een eigen leven leidden. Voorlopig had hij echter besloten de bank open te houden en in samenspraak met Soe had hij een persverklaring opgesteld waarmee de Engelse en Chinese kranten het voorlopig zouden moeten doen. Hij ervoer geen enkele gewetenswroeging nu hij de man had ontslagen die de bank op de grens van een bankroet had gebracht.

'We moeten het water zo troebel mogelijk houden,' had Nangi tegen Soe gezegd. 'We moeten doen wat binnen ons vermogen ligt om tijd te winnen. Voorts voel ik er niets voor te investeren in een zaak die niet levensvatbaar is. Onthoud dit goed, meneer Soe, uw baan en die van uw personeelsleden hangt van nu af aan af van uw beleid. Maak geen fouten.'

Nu hij het in gedachten allemaal doornam was hij ervan overtuigd op alle problemen die zich mogelijk zouden voordoen een antwoord te hebben. De hele zaak was nu in handen van de goden. Zij moesten nu beslissen over het lot van All-Asia. Eén detail had hij echter achtergehouden. De keiretsoewas momenteel niet bij machte geld in de bank te investeren en wel om de eenvoudige reden dat het er niet was. Het zou elders vandaan moeten komen, maar waarvandaan? Dat was de grote vraag. Voorlopig was hij echter tevredengesteld en hij richtte zijn aandacht weer op de zaken die in Sato's kantoor besproken werden. Hij herinnerde zich nog maar al te goed wat hij Linnear wilde vragen toen het telefoontje binnenkwam.

Nu bleef hij staan achter de bank waarop Nicholas, Sato en Isjii op dat ogenblik zaten. Tomkin hing onderuitgezakt in een grote fauteuil tegenover hen.

'Linnear-san,' begon hij terwijl hij een sigaret uit een pakje trok en zijn aansteker pakte. 'Toen ik daarnet werd weggeroepen wilde ik een vraag stellen die me bijzonder intrigeert.'

Nicholas, wiens gezicht bleek werd, zei niets. Nangi, die hem scherp in het oog hield, vroeg zich af of hij per ongeluk een punt had beroerd dat hem macht over de gaijin zou opleveren.

'Ik vroeg me af,' vervolgde Nangi, terwijl blauwe rook uit zijn neusgaten kringelde, 'of u me zou kunnen uitleggen wat de straf, die als Woe-Sjing bekend staat, beoogt.'

Nu stond Nicholas voor de keus gezichtsverlies te lijden of paniek te veroorzaken die de onderhandelingen, die volgens Tomkin voor het eind van de week afgerond moesten zijn, in gevaar kon brengen. Afgelopen vrijdagavond had hij Tomkin een gedeelte van de waarheid verteld, en nu had hij iedereen iets meer verteld. Maar alleen hij, Nicholas, kende de hele waarheid, en waartoe die zou leiden. Nu kwam de scherpzinnige Nangi met de vraag die hij had willen vermijden. Zou hij met het antwoord de vele jaren van voorbereiding die aan Tomkins project vooraf waren gegaan teniet doen?

Zijn hersens werkten op volle toeren. Haragei, zijn zesde zintuig, waarschuwde hem ... waartegen? Wat was er mis? Nicholas deed echter zijn zet voor hij de gedachtenstroom kon afmaken. Hij wist wat er mis was.

Raphael Tomkins bruine ogen, die gewoonlijk geslepen en emotieloos de wereld in keken, stonden nu voorzichtig en onzeker. Hij leek er de grootste moeite mee te hebben de anderen in beeld te houden.

Nicholas stak een hand naar hem uit en pakte zijn pols vast.

'Snel,' zei hij, 'bel een arts.'

'Er is een arts in het gebouw,' zei Sato en.hij gebaarde naar Isjii dat deze de noodzakelijke handelingen moest verrichten om hen van medische hulp te verzekeren. 'Onze bedrijfsarts is heel bekwaam.'

Tomkin probeerde zijn mond te openen, maar er kwam geen woord over zijn lippen. Met zijn handen greep hij de revers van Nicholas' jasje vast en kreukte de stof. Een klamme vochtlaag verscheen op zijn voorhoofd. Zijn ogen weerspiegelden nu angst voor het onbekende.

'Alles komt goed,' zei Nicholas. 'Er is een dokter onderweg.' Iets drong zich in zijn bewustzijn naar de voorgrond, een half vergeten herinnering, onbetekenend, leek het, of... Wat was het?

Tomkins gezicht bevond zich nu zo dicht bij dat van Nicholas dat deze 's mans hart bijna kon horen bonzen. Hij drukte een wijsvinger tegen de binnenkant van de pols van zijn werkgever. Na een ogenblik wachten verplaatste hij de vinger en hij kon nauwelijks geloven wat er in Tomkins lichaam gebeurde. Van een hartslag was geen sprake, geen spoor, niets!

Tomkin bewoog zijn lippen en trok Nicholas in een wanhopige handeling naar zich toe. Nicholas bracht zijn oor vlak bij de prevelende lippen en luisterde met gespitste oren. Tomkins ademhaling klonk als een kapotte blaasbalg en voerde de reuk van verrotting met zich mee. De half vergeten herinnering nam vaste vorm aan, maar net toen hij ernaar reikte hijgde Tomkin: 'Greydon. In vredesnaam. Haal Greydon. Nu.'

Roze licht weerspiegelde op de kanzasji in het haar van mevrouw Josjida toen ze zich tot in hurkzit door haar knieën liet zakken om de kiezels op de bodem van de kleine vijver van dichtbij te bekijken. Ze zat naast defoesama op de vijftiende verdieping van het Sjinjoekoe Suirioe-gebouw, het hoofdkantoor van Sato Petrochemicals. Eerst had een beroemde binnenhuisarchitect zich met het interieur beziggehouden en na hem had een sensei-lmnier er een heiligdom van gemaakt waar het goed mediteren was, in scherpe tegenstelling tot de chaos van de binnenstad van Tokio. Ergens boven mevrouw Josjida's gebogen hoofd ontstond een zuchtje wind. Ze keek half over haar schouder naar het bosje bamboescheuten rechts van haar. Het bamboe had de naam een vermoeide geest van nieuwe energie te voorzien.

Mevrouw Josjida, gekleed in een modieus donkerrood mantelpak, bleef roerloos zitten. Hoewel ze Sato's privé-secretaresse was, dicteerde de traditie dat ze bekend stond als de 'kantoorjuffrouw'. Het was een etiket dat ze vergeefs geprobeerd had de afgelopen jaren van zich af te schudden. Ze zuchtte. Als haar leven zich langs andere lijnen zou hebben ontwikkeld zou ze nu uitsluitend vrouwelijke plichten vervullen, huisvrouw en moeder zijn en haar woning keurig op orde houden.

Maar zes jaar geleden was haar man door een dronken vrachtwagenchauffeur doodgereden toen hij van zijn werk op weg naar huis een straat overstak. De klap had hem te midden van het drukke verkeer op een kruispunt geworpen. Zijn schedel was tijdens de botsing ingedrukt. Na zijn dood had mevrouw Josjida helemaal alleen voor hun zoon moeten zorgen. Kozo, die toentertijd net naar de middelbare school ging - de alom gewaardeerde Todai-school was een jaar lang volkomen van streek geweest. Mevrouw Josjida en haar man hadden altijd hard geploeterd om hun zoon naar de beroemde school te kunnen sturen. Ze had zich zelfs tot Sato gewend en hem gesmeekt zijn invloed aan te wenden om hun zoon op de school geplaatst te krijgen. De ondankbaarheid waarmee de jongen hun inspanning had beloond, was een slag in haar gezicht geweest; deze grote stap naar een veelbelovende toekomst leek hem nauwelijks te beroeren, behalve in negatief opzicht. Door deze en andere gedachten in beslag genomen, slaakte mevrouw Josjida opnieuw een diepe zucht. Haar schouders zakten als onder het gewicht van haar sombere gedachten.

Eerst had ze overwogen het aanbod van haar schoonmoeder aan te nemen en bij haar in te trekken. Ze had het zelfs geprobeerd, maar dat verblijf was slechts van korte duur geweest want mevrouw Josjida was tot de ontdekking gekomen dat ze van de ene hel in de andere was beland. Door haar intrek in de woning van de oudere vrouw te nemen plaatste ze zich automatisch onder het gezag van de ander. Haar schoonmoeder was echter een hera-motsjivan de oude stempel en duldde geen tegenspraak. Zij bepaalde hoe het geld werd uitgegeven en ze stond erop de toekomst van haar kleinkind te bepalen. De gedienstigheid waarmee mevrouw Josjida werd geacht te reageren was haar ten slotte te veel geworden.

Met Kozo was ze de bedilzucht van de oudere vrouw ontvlucht en ze was teruggekeerd naar dat deel van de stad waar ze was opgegroeid. Daar had ze een kleine flat gehuurd. En omdat Kozo de enige was die haar restte was ze een werkende moeder geworden. In de avonduren was ze voortdurend met hem in de weer om ervoor te zorgen dat hij hoge cijfers voor zijn examens haalde zodat hij zou worden toegelaten tot de hoogste joekoe, die universiteit die de beste perspectieven voor een geslaagde toekomst gaf. Dank zij haar inspanningen en Kozo's intelligentie waren ze erin geslaagd de jongen binnen de muren van de beste joekoe van Tokio onder te brengen.

Mevrouw Josjida dacht over het algemeen met plezier terug aan haar eigen studietijd. De faculteit die zij bezocht had kende uitsluitend vrouwelijke studenten. Behalve de fijne kneepjes van het vak economie werd haar ook bijgebracht hoe ze zich in de maatschappij moest gedragen, op welke wijze ze haar schoonmoeder moest benaderen, aanspreken en behandelen en hoe ze zich op een huwelijksleven diende voor te bereiden. Dat laatste had haar niet bijster aangestaan en ze had zich voorgenomen dat ze, mocht ze ooit een dochter baren, het meisje een volslagen andere opvoeding zou geven.

Maar haar karma had een andere bestemming voor haar in petto. Toen de huisarts haar verteld had dat het bij een kind zou blijven berustte ze erin en hield zich voor dat ze haar zoon in ieder geval het beste zou geven wat de Japanse samenleving te bieden had. Sindsdien was ze er maar wat op gespitst geweest hem uiteindelijk het internationale bedrijfsleven binnen te loodsen.

Ze had geen oor gehad voor Kozo's argumenten. Hij beweerde dat een gelukkig bestaan niet alleen in het bedrijfsleven moest worden gezocht, maar ook erbuiten. Ook klaagde Kozo soms dat ze wel erg veel van hem verlangde.

'Onzin,' zei ze dan. 'Dat is alleen maar een excuus om niet te hoeven studeren. Heb je enig idee hoeveel geld de universiteit me maandelijks kost?' Ze had het hem nooit verteld, maar het maandelijkse bedrag beliep bijna de helft van haar inkomen. Gelukkig was haar man zo verstandig geweest een levensverzekering af te sluiten die haar de eerste jaren enige armslag gaf.

Twee jaar geleden - was het werkelijk al weer zo lang geleden?

vroeg ze zich af - had Kozo zijn laatste examens gedaan. In die periode was hij behoorlijk afgevallen. Bijna dagelijks studeerde hij van de vroege ochtend tot de late avond en kwam alleen buitenshuis om zich van en naar de bibliotheek te begeven. Sjiken Jigokoe, de examenperiode, was een ware hel voor elke leerling. Ze had haar slaapkamer zelfs afgestaan om Kozo van een goede studeerruimte te voorzien. Het had hem aan niets ontbroken. Maar toen, op zekere ochtend

De schouders van mevrouw Josjida schokten toen ze het zich allemaal weer herinnerde alsof het gisteren was gebeurd. Bijna snikte ze het luidkeels uit.

Nee, riep een stem in haar binnenste. Waarom kwel je jezelf? Wat heeft het voor zin ?

Maar ze wist best waarom. Schuld en boete. Tranen vloeiden over haar ronde wangen en maakten vlekken op haar zijden blouse. O, boeddha, hoe kan ik ooit het ogenblik vergeten waarop ik de kamer binnenging en hem aan het beddelaken aan het plafond zag hangen. De stoel, die hij omver had geschopt, slingerend als een reusachtige metronoom.

O, mijn arme Kozo.

Drie maanden nadat ze hem begraven had in een graf naast dat van zijn vader, had ze een artikel gelezen van de hand van professor Soitsji Watanabe van Tokio's Sophia Universiteit. Hij beklaagde zich over de sociale kwelling waartoe sommige studenten werden gedwongen, 'een straf waaraan geen enkel kind ontsnapt'. En opnieuw was ze in tranen uitgebarsten, vol wroeging over haar gebrek aan inzicht en mededogen.

Vanaf het ogenblik dat hij geboren werd had ze Kozo klaargestoomd voor datgene wat voor hem was voorbestemd, dacht ze. Nu zag ze in dat ze hem nooit als mens, als individu had behandeld. Nee, ze had hem beschouwd als een verlengstuk van haarzelf. Een belangrijk verlengstuk, dat uitsluitend deel van haar uitmaakte. Nu, terwijl ze voorovergebogen zat met haar hoofd in haar handen, viel er een schaduw over haar heen. Een vinger volgde de ronding van haar ruggegraat en streek de plooien van haar jasje glad.

Maar mevrouw Josjida was zich nergens van bewust, alleen van haar gevoelens van pijn, wroeging en schuld, versterkt sinds het ogenblik waarop ze Kagami-san in een poel van zijn eigen bloed in de sauna had aangetroffen. In gedachten zag ze Kozo voor zich, fier en sterk, tot naast hem Tomkin opdook. De westerse zakenman vertegenwoordigde alles wat ze op de westerse beschaving tegen had. De man stonk uit zijn mond, was slechtgemanierd en volgevreten. Maar hij had het gemaakt in de zakenwereld. Haar zoon had gefaald, dank zij haar bemoeienissen.

Het volgende ogenblik voelde ze een zachte hand op haar schouder en sprak een vrouwenstem haar geruststellend toe. Langzaam ontspande ze zich. Ze trok haar schouders op en rechtte haar ruggegraat. Haar hoofd kwam omhoog en ze keek op naar de bron van haar troost.

Ze was nog net in de gelegenheid om een blik te werpen op de veelkleurige kimono, het lange blauwzwarte haar, met de geborduurde Xi, het teken van de geisja. Een hartslag later hoorde ze het vreemd hoge slissende geluid van de goensen, vlak voor het afschuwelijke wapen de huid van haar gezicht, het weefsel en het neusbot openreet.

Mevrouw Josjida schreeuwde het uit toen haar zenuwen de pijn doorgaven aan haar hersens en de pijn door haar heen ging. Bloed gutste uit de wond in haar gezicht en doorweekte haar blouse en jasje. Met haar voeten onder haar billen viel ze achterover. Ze sperde haar ogen wijd open en liet haar oogleden ongelovig knipperen, want op dat ogenblik zag ze het gezicht van de gedaante voor zich. En bij die aanblik balde haar hart zich van angst samen tot een harde klomp.

'Tot mijn spijt moet ik zeggen dat dit verschijnsel me onbekend is,'

zei de arts. Hij was grijs en oud, en op dat ogenblik zag hij er zelfs tien jaar ouder uit dan toen hij het vertrek betreden had. 'Als er nog hoop voor hem is, moet die in het ziekenhuis gezocht worden.' Hij zuchtte diep, schoof de met metaal omrande brilleglazen op zijn voorhoofd en masseerde zijn slapen met zijn duimtoppen. 'Mijn excuses, de voorvallen van de afgelopen dagen bezorgen me een afschuwelijke hoofdpijn.' Hij haalde een doorzichtig plastic flesje te voorschijn en duwde de opening beurtelings in beide neusgaten en inhaleerde. 'Volgens mijn arts moet ik binnen afzienbare tijd de stad uit, voorgoed.' Hij liet het flesje in zijn jaszak verdwijnen.

'Vanwege de luchtvervuiling.'

Het was een Japanner met een kromme rug, de middelbare leeftijd ruimschoots gepasseerd, met magere schouders die als scheermessen tegen zijn jasje drukten. Hij had vriendelijke, intelligente ogen. Hij zuchtte diep. 'Maar ais jullie het mij vragen, zelfs in het ziekenhuis zullen ze hem niet kunnen helpen.' Hij keek om zich heen naar de bezorgde gezichten van Nicholas, Sato en Nangi en naar het ogenschijnlijk levenloze lichaam van Tomkin.

'Het is niet zijn hart,' zei de arts. 'Dat weet ik wél.'

'Zijn hart klopt niet,' zei Nicholas instemmend.

'Precies,' zei de arts. 'En dat is vreemd.' Achter de dikke brilleglazen knipperden zijn ogen als die van een uil. 'Eerlijk gezegd had hij al dood moeten zijn.' Hij keek in de richting van het slachtoffer.

'Linnear-san, weetje of hij onder behandeling was voor het een of ander?'

Nicholas herinnerde zich het medicijnflesje dat hij op Tomkins hotelkamer gezien had. 'Hij gebruikt prednisone.'

De arts wankelde een stap achteruit en onwillekeurig stak N icholas een hand naar hem uit. Het gezicht van de bedrijfsarts was bleek, maar er kwam geen geluid over zijn lippen. 'Prednisone? Weet je heel zeker dat hij prednisone gebruikte?'

'Ja.'

De arts zette zijn bril af. 'In dat geval vrees ik dat het zinloos is een ambulance te laten komen,' zei hij zacht. Omzichtig plaatste hij zijn bril weer op de brug van zijn neus. Zijn gezichtsuitdrukking was abrupt veranderd, als die van een artiest tussen twee optredens in. Nu was hij de vakman, de arts die wist waar hij aan toe was. Zijn gezichtsuitdrukking leek hem van top tot teen te veranderen. Nicholas had die uitdrukking eerder gezien op de gezichten van andere artsen en op die van soldaten die van het front terugkeerden. Het was een soort verdedigingsmechanisme, een uiterlijke verharding die de innerlijke roerselen camoufleerde. Die uitdrukking zei: ik kan niets doen, ik sta machteloos, maar het gevoel machteloos te staan zit me bijzonder hoog.

'Ik vrees dat Tomkin-san het slachtoffer gaat worden van Takajasoe's kwaal, een vrij onbekende, maar in alle gesignaleerde gevallen dodelijke ziekte. De oorzaak van die ziekte is u ongetwijfeld allemaal bekend.'

Mevrouw Josjida wist zeker dat ze ging sterven. Dat, op zich, vond ze niet zo erg. Het betekende dat er een eind aan haar lijden zou komen en dat zou haar de schande besparen zichzelf met de wakizasji van haar overleden echtgenoot van het leven te beroven. Maar de manier waarop ze zou sterven, dat was een andere zaak. Ze zou sterven als een hond, alleen, geschopt en gekweld, langzaam. Dit was niet de manier waarop de vrouw van een samoerai aan haar eind mocht komen, hield ze zich voor, hoewel haar hersens inmiddels half verdoofd waren door het pijnlijke contact met de vlijmscherpe stalen rand van de waaier.

De aanblik van de gedaante die zich over haar heen boog - het geverfde demonengezicht, hagelwit, versierd met het heldere oranje waarmee de kaboeki-spe\ers hun demonenmaskers vorm gaven - was de oorzaak van de verandering die zich in haar voltrok. Het was alsof ze werd meegevoerd naar een land waar legenden werkelijkheid waren, alsof het moderne Tokio met de horden jakkerende mensen niet langer bestond. Alsof er geen sprake was van luchtvervuiling en alsof de felle neonlichten er eenvoudig niet waren. In plaats daarvan verschenen huizen van bamboe en hout voor haar ogen, de behuizingen van het Japan van weleer, door nevelslierten omgeven, geheimzinnig, vervuld van magie en heldendaden. Dit was de essentie van het beeld dat zich aan haar voordeed terwijl ze de afschuwelijke straf onderging.

Maar ik ben een samoerai, zei een stem in mevrouw Josjida's onderbewustzijn. Als ik moet sterven gun me dan ten minste de eer strijdend ten onder te gaan.

En gesteund door die gedachte stak mevrouw Josjida haar handen naar voren. Haar nagels, en een ogenblik later haar vinger, werden opengehaald door de dodelijke goensen die keer op keer met een fluitend geluid toesloeg. Ze begon zich terug te trekken voor de uithalen, nu met haar armen en ellebogen beschermend opgeheven voor haar gezicht. Dikke bloeddruppels sijpelden langs haar armen en in de holten van haar oksels.

Maar nu waren haar lippen weggetrokken van haar tanden in een kruising tussen een grijns en een glimlach. Adrenaline pompte door haar lichaam, maar haar hart zwol van trots en haar geest ademde de geest van haar voorvaderen, de trotse samoerai uit het grijze verleden. Die geest gaf haar de steun om eervol haar eind tegemoet te gaan.

'De diagnose van de kwaal werd onlangs gesteld. In het voorjaar van . Voor zover ik me kan herinneren gebeurde dat in de Majo-kliniek.'

'Kunt u helemaal niets doen, Taki-san?' vroeg Sato. De arts haalde zijn magere schouders op. 'Ik kan hem verdoven, de pijn wegnemen. Verder sta ik machteloos.'

'Maar het ziekenhuis beschikt toch over faciliteiten die -'

Maar Taki schudde bedroefd zijn hoofd. 'Het is bijna afgelopen, Sato-san. Het zal bijzonder pijnlijk voor hem zijn als we hem nu proberen te vervoeren. En wat het ziekenhuis betreft.. .persoonlijk zou ik er de voorkeur aan geven elders aan mijn eind te komen, vooropgesteld dat ik de keus had.'

Sato knikte, alsof ook hij moest toegeven verslagen te zijn. Nicholas liep van hem vandaan. Ook hij stond machteloos tegen de raadselachtige krachten van de wrede natuur die zijn werkgever opeisten. Hij knielde naast Tomkin en keek naar het van pijn vertrokken, bloedeloze gezicht. Ooit had hij tomeloze kracht in dat gezicht waargenomen, in de groeven die de last van enorme verantwoordelijkheden daar hadden geëtst. Aan karakter en geestelijk overwicht had het Tomkin nooit ontbroken.

Nu bepaalden die groeven zijn uitstraling. Ze waren dieper geworden en hun netwerk overheerste 's mans gelaatstrekken. De tijd leek hem in te halen en hem voorbij te snellen. Jaren werden binnen enkele minuten zichtbaar op het gepijnigde gezicht. Hij zou nooit meer de oude worden. Zijn weerstandsvermogen was door de kwaal te zeer aangetast.

Het kwam Nicholas voor als ironisch dat hij nu naast de man knielde die hij had willen vernietigen. Zonder dat hij er iets toe had bijgedragen was Tomkin stervende. Tomkins karma maakte deel uit van het zijne. Nicholas accepteerde zijn sterven zoals hij alles in zijn leven accepteerde, met een koel hoofd en uiterlijk kalm. Deze eigenschappen van zijn karakter hadden ook voorkomen dat hij een overhaaste beslissing had genomen en Akiko had aangesproken. Toen hij haar voor het eerst sinds jaren weer zag had hij zich net zo ontworteld gevoeld als nu.

Hij had een oosterse geest, hoewel zijn gezicht de kenmerken van dat van zijn moeder droeg. De kolonel, als hij vandaag de dag nog in leven zou zijn, zou in zijn gezicht bijna het evenbeeld van het hare hebben herkend, met die uitzondering dat Nicholas' haar donkerder was dan dat van zijn moeder en dat zijn blik het zonder het directe van de westerling moest stellen.

Maar in het binnenste van deze Nicholas waren op dat ogenblik tegenstrijdige emoties. Hij was zich bewust van de haat jegens Tomkin die hem ertoe had aangezet voor de man te gaan werken, om de zaadjes te planten die hem ten slotte een oogst van wraak zouden opleveren. Hij was zelfs bereid geweest Tomkins vriend te worden om dichter in zijn nabijheid te kunnen verkeren. En toch... de man had over eigenschappen beschikt die op Nicholas van invloed waren geweest. Om te beginnen was hij bijna bovenmenselijk loyaal. Hij was bereid de zon van de hemel te plukken als een van zijn mensen buiten zijn schuld in moeilijkheden was geraakt. Ten tweede was er de onvoorwaardelijke liefde voor zijn dochters, maar in het bijzonder voor Justine. Die liefde was bijna roerend. Helaas lag het in de aard van deze man besloten dat hij nauwelijks uitdrukking aan deze liefde kon geven. Maar zijn begrip voor zijn verwarde dochter en, wat bijna net zo belangrijk was, het erkennen van de ingewikkelde plek die hij zelf in de verhouding innam, was bijna net zo belangrijk.

Hoewel Tomkin vaak luidruchtig en ruw uit de hoek kon komen verborgen deze uiterlijkheden een uiterst gevoelig man. Op ogenblikken waarop hij zich op zijn gemak voelde kon hij uiterst charmant en voorkomend zijn.

Nicholas staarde neer op het grauwe, verslagen gezicht. Nu alle weerstand eruit weggetrokken was had Tomkin het uiterlijk van een te vaak gebruikte kop van een wassen beeld. Hij herinnerde zich hoe bedroefd Tomkin was geweest toen Justine omgang had met Chris, en zijn laatste woedeuitbarsting, die haar redding had betekend, maar die er tevens de oorzaak van was geweest dat vader en dochter elkaar voorgoed de rug toegekeerd hadden.

Nicholas vond dat Justine nu eigenlijk hier moest zijn, aan zijn zijde; alleen hij besefte hoeveel troost Tomkin uit de aanwezigheid van zijn dochter zou putten. Per slot van rekening was zijn gezin Tomkins zwakke plek geweest. Het leek bijzonder wreed dat hij hier, ver van zijn dochter vandaan, aan zijn eind moest komen. In het aangezicht van de dood voelde Nicholas zich onveranderlijk nietig. Vaag besefte hij dat dit een facet van zijn westerse persoonlijkheid was, een erfenis van de genen van de kolonel. Zijn oosterse helft begreep volkomen dat de dood onverbrekelijk met het leven verbonden was; eerlijk gezegd waren die twee uitersten bijna aan elkaar gelijk.

Nicholas zag de oogleden vaneen wijken. Het bruin van de irissen was troebel, bijna grijs. Ademen was voor de ander een ware beproeving. De mond met de droge lippen stond half open.

'Ik heb om Greydon gevraagd,' zei hij. 'Waar is de man? Hij zou in het gebouw blijven en zich beschikbaar houden.'

De blik van Tomkins ogen was wezenloos, alsof ze niets van wat zich in het vertrek bevond opnamen. Buiten kwam een eind aan de dag en de nachtelijke pracht van Tokio openbaarde zich in een explosie van neonlicht dat het duister op een afstand hield. Tomkin draaide zijn hoofd iets om en Nicholas keek in de richting die hij met zijn blik aanduidde. Hij zag er niets, behalve een wand zonder enige versiering. Wat zag Tomkin daar dat zijn aandacht tijdens zijn laatste ogenblikken vasthield? Alleen katten zaten maar en staarden in het niets.

Het volgende ogenblik schoof er een schaduw over de wand. Tomkin huiverde, alsof hij er fysiek mee verbonden was. 'Dokter?'

vroeg Nicholas. Het was een formaliteit. Ze wisten allebei dat Tomkin dood was.

'Meneer Linnear?'

Nicholas stond langzaam op en draaide zich om. Hij keek recht in het bezorgde gezicht van Greydon, Tomkins juridisch adviseur.

'Hoe is het met hem?'

'Laat de dokter het maar vertellen.' Nicholas voelde zich plotseling doodmoe. Taki knielde met zijn stethoscoop in zijn hand naast Tomkin en luisterde aandachtig. Na enkele ogenblikken zette hij het instrument af. 'Hij is niet meer, vrees ik.' Hij stond op en maakte een notitie in zijn aantekenboekje.

Greydon wreef met een linnen zakdoek zijn klamme gezicht droog. 'Het is zo onverwacht,' zei hij. 'Ik had nooit... tja, ik had nooit verwacht dat het zo snel zou gebeuren.'

'Wist je van Tomkins kwaal af?' vroeg Nicholas.

Greydon knikte afwezig. 'Ja, dokter Kidd, zijn privé-arts en ik waren de enigen.' Het volgende ogenblik keek hij Nicholas recht in de ogen. 'Ik heb namelijk zijn testament opgemaakt. Vandaar.' Hij haalde diep adem.

'Je was dus op de hoogte,' stelde Nicholas vast.

'Zou iemand zo goed willen zijn een borrel voor me in te schenken?' vroeg Greydon.

'Mijn verontschuldigingen,' zei Sato. 'De omstandigheden Hij begaf zich haastig naar de huisbar en schonk drie centimeter whisky in een glas. Vervolgens reikte hij Greydon het glas aan. Ook Nangi kreeg een gevuld glas aangereikt. Nangi zag bleek. Greydon nam een forse slok en raakte Nicholas' elleboog aan.

'Heb je een ogenblik?'

'Wat is er?' vroeg Nicholas nadat ze zich in een hoek van het vertrek teruggetrokken hadden.

Greydon liet zijn dure aktentas openklikken. 'Er zijn enkele zaken die we -'

'Niet nu,' zei Nicholas met zijn hand op de arm van Greydon. 'De formaliteiten moeten maar even wachten.'

De advocaat keek vanuit zijn half naar voren gebogen houding naar hem op. 'Het spijt me, meneer Linnear, maar Tomkin heeft me zeer nadrukkelijk van richtlijnen voorzien. Wat zijn overlijden betreft, hij wilde alles tot in de puntjes geregeld zien. Van uitstel mocht geen sprake zijn.' Zijn hand verdween in zijn aktentas en haalde er een dikke envelop uit te voorschijn. Nicholas' naam stond erop geschreven. De flap was met een dikke klodder rode was verzegeld. Hij overhandigde Nicholas de envelop. 'Deze envelop moest ik u meteen na het overlijden van meneer Tomkin overhandigen. Hij verzocht me erop toe te zien dat u meteen van de inhoud kennisnam.'

Half versuft keek Nicholas naar de envelop. 'Wat is het?'

'Een aanhangsel.'

'Een aanhangsel?'

'Een aanvulling op het testament van meneer Tomkin.' Greydon had nu opnieuw een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht. Hij tikte Nicholas op zijn pols. 'U moet het aanhangsel nu lezen, meneer Linnear. Dat heeft meneer Tomkin nadrukkelijk bevolen.' Zijn ogen waren groot en vochtig. 'Alstublieft.'

Nicholas draaide de envelop om en verbrak het zegel. Hij sloeg de flap terug en haalde er verschillende vellen papier uit. De bovenste toonde Tomkins zwierige handschrift. Hij begon te lezen. Nicholas,

Ongetwijfeld zul je danig onder de indruk zijn van de recente gebeurtenissen. Dat is alleen maar natuurlijk. Ik moet bekennen dat ik precies weet welke gevoelens in jou nu overheersen. Ook weet ik dat ik, als ik nu je gezicht zou kunnen zien, niet veel wijzer zou worden. In velerlei opzichten ben je voor mij een nog groter raadsel dan mijn dochters. In zeker opzicht klopt dat ook, omdat jij als een zoon voor mij bent geworden.

Dit laatste is alleen maar passend. Was het niet Oedipus die zijn vader uit de weg wilde ruimen ? O ja, ik ben van je plannen op de hoogte. Ik heb je de afgelopen maanden goed leren kennen en ik heb zelf tijdens mijn leven een heleboel domme dingen gedaan, dingen waarover ik verder niet zal uitweiden. Ik had een onlesbare dorst naar macht en om die dorst te lessen heb ik mensen en complete bedrijven kapotgemaakt, en dat alleen maar om aan mijn eigen wensen en verlangens tegemoet te komen. Mijn ontmoeting met jou veranderde mijn leven, dat kan ik niet ontkennen. O, aanvankelijk niet, daarvoor was ik te vastberaden, maar ik herinner me die lange nacht waarin we allebei op de komst van Saigö wachtten maar al te goed. Je was bij me om me te beschermen en je nam mijn angst en wanhoop weg. Ik bood hem jouw leven in ruil voor het mijne aan.

Pas later besefte ik hoe dom ik gehandeld had. En ik vermoedde ook dat jij van het aanbod op de hoogte was. Ik heb gelijk, nietwaar ? Afijn, het doet er nu allemaal niet meer toe. Ik zal ermee volstaan te verklaren dat ik je na die doorwaakte nacht begon te begrijpen, inzicht kreeg in je motieven, je drijfveren. Hoewel ik moet toegeven datje wat mij betreft nog steeds over karaktereigen- schappen beschikt die me voor een compleet raadsel stellen. Ik ben echter blij datje besloot bij mij in dienst te komen, bijna net zo blij als met de gedachte dat jij met mijn dochter zult trouwen. De verbintenis heeft mijn zegen.

Er zijn, wellicht, ontelbare redenen waarom je mij wilt doden, maar de belangrijkste is waarschijnlijk de dood van je vriend Lew Croaker. Hij dacht dat ik Angela Didion liet vermoorden en jij dacht dat ik hem vermoordde.

Je had het mis, en je had gelijk.

Het spijt me werkelijk, maar verder kan ik er niet op ingaan. Ik heb waarschijnlijk al meer gezegd dan ik kwijt wilde. Nu ter zake. Bijgesloten zul je een document aantreffen. Na ondertekening van dat document zul je zestig procent van de aandelen van Tomkin Industries in handen krijgen. Met dat percentage aande- len kun je in de raad van bestuur zitting nemen. Je kunt de raad zelfs wijzigen. Justine en Gelda houden echter twintig procent elk. Jij zult je in een situatie bevinden die niet veel zal verschillen van de mijne. Denk er niet te lang over na, ga op je instincten af. Nu ben je van mijn wensen op de hoogte, Nicky. Dit is wat ik wil, met hart en ziel, als die laatste in mij nog leeft. Jij en Justine zullen spoedig gaan trouwen. Ik ben er ontzettend blij om dat jullie zoveel van elkaarhouden. Niemarid begrijpt beter dan ik hoeveel een goed huwelijk vandaag de dag waard is. Je bent nu een lid van de familie, in elk denkbaar opzicht.

Als je nu tekent zul je me bijzonder gelukkig maken. Ik weet dat mijn maatschappij bij jou in goede handen is. Nu het volgende: er is één ding dat je na mijn overlijden meteen moet doen. Greydon zal je vertellen wat. Ongetwijfeld staat hij op dit ogenblik naast je.

Vaarwel Nicky, en laat mijn meisjes weten dat ik van ze hou. Raphael Tomkin

De brief was mede ondertekend door Greydon. De datum was juni .

Nicholas nam plaats op de armleuning van Sato's stoel. Het duizelde hem en hij probeerde uit alle macht zijn zelfbeheersing te bewaren.

'Meneer Linnear?'

Langzaam hief Nicholas zijn hoofd op en werd er zich van bewust dat Greydon al enige tijd moeite deed om zijn aandacht te trekken.

'Meneer Linnear, tekent u het aanhangsel?'

Er gebeurden te veel dingen tegelijk. Nicholas voelde zich overweldigd. Zijn westerse helft produceerde ongekende emoties, zijn oosterse helft spande zich in om dezelfde emoties meteen te onderdrukken zodra ze de kop opstaken. Hij voelde zich voor het eerst van zijn leven in een positie gemanoeuvreerd waarin hij niet wist wat hem te doen stond. Want zijn wens was een paradoxale: hij wilde zijn emoties de vrije loop laten en tegelijkertijd wilde hij het niet. Sato had het echter bij het rechte eind gehad. In dit land werd alleen in de privé-sfeer uiting gegeven aan bepaalde emoties. De erfenis van de kolonel drong er echter op aan zijn gevoelens te laten gaan. De kolonel zou tegen hem gezegd hebben dat hij er goed aan deed, dat ook mannen mochten huilen, voelen, behoefte konden hebben aan troost op tijdstippen zoals deze; iedereen kende zulke gevoelens.

En toch gaf hij via zijn gezichtsuitdrukking niets van zijn gevoelens prijs. Misschien dat Nangi, de mensenkenner, iets waarnam in de schittering in zijn ogen, maar de anderen konden van zijn gezicht niets aflezen. Maar Nangi zou het niet in zijn hoofd halen op dit pijnlijke ogenblik Nicholas over zijn gevoelens aan te spreken. Sinds Tomkin bewusteloos geraakt was, had de Japanner zijn gezicht volstrekt in de plooi gehouden.

'Meneer Linnear?'

Meteen na deze woorden bracht Nicholas zijn lichaam in de aanvalshouding, zonder zich daadwerkelijk te verroeren. Zijn spieren spanden zich. Daarna liep het uit de hand. Hij veerde overeind, bracht een arm omhoog en trok zijn vuist naar achteren in de aanvalspositie die hem in staat stelde meteen toe te stoten.

'Ja?'

Achter zijn brilleglazen knipperde Greydon razend snel met zijn oogleden en Nicholas dacht automatisch: wat doe ik nu? Hij had zich door zijn emoties laten meeslepen en stond op het punt om op primitieve wijze te reageren. Zijn lichaam had gereageerd op de aki-i-ninjoetsoe-traming, die de overhand op zijn gevoelens had genomen. Het was alsof hij nooit in Amerika geweest was en de Amerikaan als een natuurlijke vijand beschouwde. Hij beefde onderhuids - vibreerde, was juister - zoals hij tijdens spannende ogenblikken bij de training gedaan had. Jaho, de magie van de ninja, sloot alle wetten en beperkingen van de moderne samenleving buiten en had hem als een moordmachine in beweging gezet. Maar nu bevond hij zich niet in de prefectuur Nara, niet binnen de koele stenen muren van de Tensjin Sjoden Katori. Hij was niet langer een leerling, maar een sensei. Hij zou beter moeten weten. Maar hij was niet honderd procent oosters, hoezeer hij zich van het tegendeel probeerde te overtuigen.

En op dat ogenblik, alsof een lawine van emoties langs de gletsjerwand van zijn geest gleed, begreep hij opeens dat hij de kolonel onbewust een diepgewortelde haat toedroeg omdat de man hem op de wereld had gezet met alle westerse genen, reacties en instincten die in de westerse samenleving gewoon waren. Een withete woede welde in hem op en hij wist vrijwel op hetzelfde moment wat hem te doen stond.

Zijn lichaam ontspande zich en hij onderbrak bewust de adrenalinestroom die door hem heen was gegaan toen hij automatisch de aanvalspositie, de kokyoe soeroe, had aangenomen. Toen hij Grey-don de papieren overhandigde zei hij: 'Gun me even de tijd, wil je.'

En vervolgens liep hij door het vertrek langs de wachtende Japanners die niet naar zijn gezicht durfden kijken en op fluistertoon over onbelangrijke zaken spraken.

Hij begaf zich totaal ontspannen naar de bank waarop het lichaam van Tomkin lag. Hij knielde op de voorgeschreven wijze en boog zijn hoofd, een bevestiging van het feit dat hij in deze man het hoofd van de familie erkende. Even later verschilde het lijk van Tomkin niet van de andere lijken die hij tijdens zijn leven onder ogen gehad had. Voor hem lag een stoffelijk omhulsel. De fcami van de overledene vertoefde reeds elders.

De openbaring - het gegeven dat zijn vader, de Barbaar met de Ronde Ogen, zijn leven onbewust had beïnvloed - schonk hem de nodige rust. Hoewel de kolonel met een ontembare passie genegenheid voor het Oosten opgevat had, had hij er nimmer deel van uitgemaakt. Hij was altijd de gai/ïn gebleven, en gedurende zijn hele leven had Nicholas onder dat besef geleden. Het bloed, het bloed!

Ondanks hun goedbedoelde pogingen konden de Japanners die hij ontmoette zich nooit over het feit heen zetten dat hij, hoe dan ook, half westerling was.

Door zijn kennismaking met Raphael Tomkin had Nicholas eindelijk beseft wie hij was en welke plaats hij in het leven moest innemen. Hij zag nu in dat zijn haat jegens Tomkin gedeeltelijk dezelfde haat was die hij zijn overleden vader had toegedragen. Hij was een oosterling, gevangen in een westers lichaam. Karma, lotsbestemming. Maar Nicholas zag nu in dat hij dat nooit had willen accepteren, dat hij zich al die jaren onbewust tegen zijn karma verzet had, net zoals hij zijn diepgewortelde haat genegeerd had. Nu was hij ertoe in staat te accepteren. De dood van Tomkin had hem de weg naar verlichting gewezen en daarvoor zou hij de man eeuwig dankbaar blijven. Hij besefte nu ook dat hij meer dan alleen haatgevoelens jegens Tomkin had gekoesterd. Hij had nooit werkelijk geloofd dat de man het monster was dat zijn dochters in hem zagen. Nicholas werd overspoeld door spijtgevoelens die, ondanks zijn oosterse genen, in hem opwelden.

Hoewel hij ogenschijnlijk de dood van Tomkin betreurde, betreurde hij evengoed de dood van zijn vader. Tranen rolden als kiezels langs zijn wangen; kiezels die afkomstig waren uit zijn geestelijke Zen-tuin.

Na een poosje stond Nicholas op. Zijn gezichtsuitdrukking was kalm, in de plooi, en zijn geest voelde bevrijd aan, bevrijd van de beperkingen die hij een halfuur geleden had ervaren. Hij begaf zich naar de plek waar Greydon geduldig op hem stond te wachten met de documenten en de brief. Hij herlas de brief, opnieuw gefascineerd door Tomkins inzicht in zijn psyche; blijkbaar had hij meer begrepen en geweten dan zijn lelijke Amerikaanse buitenkant had prijsgegeven.

Bij de passage met betrekking tot Angela Didion stopte hij een ogenblik met lezen. Had Croaker gelijk gehad of niet? vroeg hij zich af. Hoe kon hij gelijk gehad hebben en er tegelijkertijd naast gezeten hebben? Schok na schok. Cirkels binnen een cirkel. De toon van de brief was vreemd, ook iets dat te denken gaf. Oosters in inzicht, met al die hinten die duidden op een werkelijkheid die anders was dan zich ogenschijnlijk liet aanzien.

Nicholas staarde naar de brief. Nu las hij niet langer. In zijn ogen school een nietszeggende uitdrukking, maar nu was hij eindelijk in staat tussen de regels door te lezen. In de leegte tussen de regels vond hij gedeeltelijk de antwoorden op de vragen die hem bezighielden. Mediterend op een wijze die alleen de allergrootste krijgers van het Oosten zich eigen hadden gemaakt, begreep hij plotseling een heleboel. Eén ding stond daarbij centraal: deze ogenblikken waren de belangrijkste van zijn leven.

Abrupt keek hij op en had Greydon in beeld. Nicholas' blik was scherp, alert. Omzichtig vouwde hij de brief tweemaal op en stopte die in de binnenzak van zijn jasje. 'Wat gebeurt er als ik niet teken ?'

vroeg hij scherp.

'Dat staat allemaal in het testament,' zei Greydon. 'Over de details kan ik me echter niet uitlaten. Als ik dat zou doen zou ik het vertrouwen dat Tomkin in me stelde beschamen. Ik kan je alleen zeggen dat in geval van een afwijzing van jouw kant de raad van bestuur over de benoeming van een nieuwe directeur zal beslissen.'

'Maar wie zal het worden?' vroeg Nicholas. 'Ken je hem? Is hij goed? Zal hij de onderhandelingen blijven steunen? Zal hij het bedrijf leiden zoals Tomkin dat zou willen?'

Greydon glimlachte zuinigjes. 'Wat moet ik daarop antwoorden, meneer Linnear? Meneer Tomkin wilde dat u zonder die voorkennis een besluit zou nemen.' Hij keek Nicholas een ogenblik recht in de ogen. 'Maar gelet op het feit dat u deze vragen stelt, denk ik dat u al een besluit hebt genomen.' Hij haalde een gouden vulpen te voorschijn en schroefde de dop eraf. De punt glom in het licht als een zwaardpunt.

'Tomkin zei dat ik iets moest doen, als ik teken. Weet je wat dat is?'

Greydon knikte. 'Inderdaad. Als de nieuwe directeur van Tomkin Industries moet u naar Washington gaan en daar met een heel bijzondere man spreken. Hij heet C. Gordon Minck. Ik heb zijn privé-nummer.'

'Wie is dat?'

'Ik heb geen idee.' De vulpen wachtte, zwevend in de lucht. Nicholas pakte het schrijfgerei aan en voelde het gewicht ervan tussen zijn vingers. Hij ontvouwde het document en streek het glad op Sato's bureau. Vervolgens schreef hij zijn naam op de daarvoor bestemde plek.

Greydon knikte. 'Oké.' Hij pakte het document op, wapperde ermee tot de inkt was gedroogd en vouwde het vervolgens op. 'Met het testament ontvangt u een kopie van dit stuk.' Hij stak zijn hand uit. 'Succes, meneer Linnear.' Hij boog zijn hoofd. 'Nu wordt het voor mij tijd om de andere belanghebbenden bij Tomkin Industries op de hoogte te stellen en de begrafenis te regelen.'

'Nee,' zei Nicholas, 'dat doe ik. En nog iets, Greydon, wacht met het plegen van telefoontjes met het hoofdkantoor tot ik zijn dochters gesproken heb.'

'Natuurlijk, meneer Linnear, zoals u wilt.' Hij verliet het vertrek. Nicholas keek om zich heen. De anderen weigerden nog steeds hem aan te kijken.

Hij liep naar hen toe en zei: 'Sato-san, Nangi-san, Isjii-san,'

waarbij hij een formele buiging pleegde, 'ik ben benoemd als de opvolger. Tomkin Industries is nu mijn eigendom.' Hij wachtte hun reactie af, maar die bleef uit. Er was die dag te veel gebeurd om hen met deze mededeling uit hun evenwicht te brengen.

Sato sprak als eerste: 'Gefeliciteerd, Linnear-san. Het spijt me dat dit zich via deze droeve gebeurtenis moest voltrekken.' Het kwam er krom en stijfjes uit.

'Ik dank u voor uw medeleven.'

Isjii gaf op eendere wijze blijk van zijn medeleven. Nangi deed er het zwijgen toe en dat kwam Nicholas uitstekend uit. Hij deed zijn volgende zet. 'Helaas zie ik me nu genoodzaakt meteen naar de Verenigde Staten terug te keren om daar alle regelingen voor de begrafenis te treffen. We zullen voortzetting van ons gesprek moeten uitstellen.'

Iedereen boog.

''Karma,' zei Sato.

'Maar wat betreft de voortzetting van onze samenwerking,' zei Nicholas. 'Ik zou graag zien dat die doorgang zou vinden. Daarom zal ik, zodra ik daartoe in de gelegenheid ben, naar Japan terugkeren. Maar gezien de omstandigheden voel ik me verplicht u iets te vertellen wat ik eigenlijk voor me wilde houden.' Nu had hij hun onverdeelde aandacht. Mooi, dacht hij. Daar gaan we.

'Ik had aanvankelijk besloten er niet over te beginnen omdat ik vond dat ik eerst aanvullende bewijzen voor mijn verhaal moest verzamelen, maar de omstandigheden hebben me van gedachten doen veranderen. Omdat ik nu moet vertrekken wil ik als bewijs van mijn goede trouw de vraag die Nangi-san me stelde beantwoorden. Hij vroeg me of ik wist wat de straf, die als Woe-Sjing bekend staat, beoogde.' En vervolgens vertelde Nicholas hun de legende die hij ook Tomkin verteld had. Naarmate het verhaal vorderde, raakte de lucht geladen met een vreemde spanning.

'Ik denk dat we allemaal eens goed moeten nadenken,' zei Nangi na afloop van Nicholas' relaas.

Geüniformeerd ziekenhuispersoneel arriveerde ter plekke en wikkelde Tomkin voorzichtig in zilvergrijs plastic. Isjii vertrok. Vervolgens trokken Sato-san en de arts zich terug, maar Nangi, met een gezicht zo bleek als het witbepoederde gezicht van een geisja, bleef achter. Aandachtig keek hij naar Nicholas.

'Over drie dagen,' zei Nangi, 'zal de kersebloesem tot leven komen en zich als een mystieke wolk onthullen. Enkele dagen achtereen zullen we een hemel op aarde ervaren. In de bloesem vinden we de bevestiging van ons bestaan. Als de bloesem verwelkt zullen we met de herinnering achterblijven.'

'Zo is het leven.'