Trudy, december 1996

18

Trudy zit te wachten tot de Duitsers naar haar toe komen. Terwijl de rest van Minneapolis zich in een pre-Kerstmisgekte verdrong in de winkelcentra en samendromde in de supermarkten, en terwijl Trudy’s collega’s mopperden over hoe ze hun feestdagverplichtingen in godsnaam moesten combineren met het beoordelen van de laatste examens, heeft Trudy beraadslaagd met Ruth om te proberen haar Duitse Project van de grond te krijgen. Het is waar dat het hoofd van het Holocaust Onderzoek over haar aanvankelijke weerzin heen gezet moest worden; alleen vermoedt Trudy dat die weerzin meer voortvloeide uit het feit dat Ruth haar zuurverdiende fonds zou moeten delen dan dat ze bezwaar had tegen het feit dat de daders van het naziregime even veel aandacht zouden krijgen als hun joodse slachtoffers. Maar Trudy heeft volgehouden, vleiend en zalvend en aftroggelend. ‘Zet de behoeften van de afdeling Geschiedenis boven die van jezelf,’ had ze gesmeekt. En uiteindelijk heeft ze Ruth bakzeil zien halen.

‘Ik denk dat je gelijk hebt,’ zei Ruth bedachtzaam op een druilerige decembermiddag, toen ze uitgeput van het gekibbel in de universiteitskantine in mistroostige broodjes zaten te prikken. ‘Er is inderdaad nooit echt uitgebreid onderzoek gedaan naar de reacties van Duitse burgers... Geen op tape vastgelegde getuigenissen...’

Haar sputterende enthousiasme begon te vonken en vatte toen vlam: ze wapperde haar kleine sproeterige handen alle kanten op en de kruimels vlogen in het rond. ‘Yale kan het schudden, dit tweeledige project gaat ons internationaal op de kaart zetten! Oké, Trudy, ga je gang. Ik stel je mijn cameramensen en apparatuur ter beschikking en een deel van het geld – op voorwaarde dat jíj om meer gaat vragen als we dat nodig hebben. Waarom zou ik al het werk moeten doen? Deal?’

‘Deal,’ zei Trudy, terwijl ze met een servet haar lippen depte om de glimlach van zegevierende opluchting te verbergen.

Maar nu, nu ze vlak voor Kerstmis in haar kantoor zit en bidt dat haar toekomstige respondenten zullen bellen, denkt Trudy dat haar ­triomf wellicht ietwat prematuur is geweest. Ze heeft alles gedaan wat ze kon om de Duitsers uit hun tent te lokken. Ze is naar hun restaurants geweest, de Black Forest Inn op Nicollet Avenue en het Gasthof zur gemütlichkeit in het noorden van Minneapolis, waar pils uit levensgrote glazen laarzen wordt gedronken en mannen in lederhosen tussen de tafels door kuieren en uit hun zwoegende accordeons nostalgische volkswijsjes persen, die dagenlang in Trudy’s hoofd blijven zitten. Ich hab mein Herz in Heidelberg verloren... Ze heeft zich gewaagd in de lokale afdeling van de Duits-Amerikaanse Gemeenschap, waar een door motten aangevreten paardenhoofd boven de deur hangt en polkafeestjes worden aangekondigd op het mededelingenbord, waar kerels met bierbuiken haar schuine blikken toewierpen voor ze zich weer op hun kaarten richtten. Ze heeft Die Bäckerei op Lyndale bezocht, waar ze alert heeft staan wachten op een déjà vu dat nooit gekomen is; de lampen en de apparatuur waren te modern, de vitrine vol muffins en koekjes in de vorm van rendieren, in plaats van de lebkuchen en stollen die Trudy had verwacht. En op al die plekken heeft Trudy flyers neergelegd, waarop staat:

Gezocht: Duitsers van geboorte om deel te nemen aan een onderzoek uitgevoerd door hoogleraar Geschiedenis aan de universiteit van Minnesota. Ik ben op zoek naar alle herinneringen die u hebt aan de oorlog in Duitsland. Interviews worden opgenomen met een camera, maar alleen voor universitair onderzoek gebruikt. Vrouwelijke participanten genieten bijzondere belangstelling, maar mannen worden eveneens aangemoedigd zich aan te melden. U ontvangt een vergoeding voor de tijd die u eraan kwijt bent.

Dit is uw kans om uw verhaal te vertellen, iets wat de hedendaagse geschiedenis lange tijd heeft genegeerd. Neemt u, indien u belangstelling hebt, contact op met dr. Trudy Swenson, afdeling Geschiedenis, Universiteit van Minnesota, doorkiesnummer...

Trudy heeft ook advertenties gezet in Duitse kranten, de Minneapolis Star Tribune en de St. Paul Pioneer Press – na ampele overweging zowel in de rubriek zakelijk als particulier. Vanwege de drukte van de feestdagen verwacht Trudy niet veel reacties voor de jaarwisseling, maar ze had niet gedacht er niet één te krijgen. Ze verschuilt zich in haar kantoor in de bijgelovige overtuiging dat als ze bij de telefoon blijft haar potentiële respondenten zullen bellen, net zoals het neerzetten van melk en koekjes een bezoek van de Kerstman garandeert. Ze beoordeelt papers, leest kranten en maakt lesplannen voor het volgende semester, terwijl ze ondertussen probeert zich niet bewust te zijn van de zwijgende telefoon bij haar elleboog, alsof ze helemaal nergens op zit te wachten.

De twintigste december, een dag waarop de verblindende zon en knalblauwe lucht de illusie van warmte geven, terwijl die er in feite op wijzen dat het te koud is om te sneeuwen. De campus is angstaanjagend stil, de studenten zijn allang naar huis gevlucht en de hoogleraren hebben, na het registreren van de laatste cijfers, hun voorbeeld gevolgd. Trudy heeft niets te doen. Ze zit achterover geleund in haar bureaustoel door de ramen naar de lege paden op de binnenplaats te staren en registreert onbewust het scherpe contrast tussen het licht en de langer wordende schaduwen. In haar ene hand heeft ze het kleine gouden doosje waar de bezwarende foto in zit. Ze strijkt met haar duim over het hakenkruis en het art-decopatroon.

Kom op, denkt Trudy. Kom op, Duitsers. Ik weet dat jullie er zijn.

Het enige antwoord is een zachte plof van sneeuw die van de overhangende dakrand valt. Trudy zucht en staat op. Ze zegt tegen zichzelf dat haar respondenten nu wel wat anders aan hun hoofd hebben: ­cadeaus kopen en inpakken, kerstmaaltijden bereiden, arriverende kleinkinderen verwennen. Het enige wat Trudy moet doen is geduldig zijn. Maar als ze haar jas aantrekt, verzucht ze dat de hele onderneming gedoemd is te mislukken, een verspilling is van geld, energie en hoop. Anna heeft nooit gepraat. Waarom zouden haar landgenoten anders zijn?

Trudy staat met de sleutelbos in de gang te zoeken naar de sleutel waarmee ze de deur kan afsluiten als haar telefoon gaat. Ze loopt haar kantoor weer in en staart naar het knipperende rode lichtje op het apparaat. Waarschijnlijk is het gewoon Ruth, zegt Trudy tegen zichzelf, die wil weten of er al iets is gebeurd – of om op haar meest subtiele manier op te scheppen over het aantal joodse getuigenissen dat ze al heeft opgenomen.

‘Professor Swenson,’ zegt Trudy als ze de hoorn opneemt.

‘Hallo?’

Het is een vrouwenstem. Niet die van Ruth. Met het vibrato van een ouder iemand.

Hallo, ist da jemand? Met wie spreek ik? Is dit de afdeling Geschiedenis?’

Trudy’s hart maakt een sprongetje en klopt in haar keel. Het accent van de vrouw is meer Beiers dan dat van Anna, maar er zijn een paar overeenkomsten: het rekken van de klinkers, de afgeknepen medeklinkers. ‘Ja, mevrouw, dit is de afdeling Geschiedenis,’ zegt Trudy. ‘Belt u over de advertentie? Het Duitse Project?’

Ze hoort een bons, alsof de beller de hoorn heeft laten vallen, en wat geschuifel op de achtergrond. Trudy zet zich schrap voor de toon van een verbroken verbinding, maar dan hoort ze de vrouw ademen. ‘Wat is uw naam, mevrouw?’ vraagt Trudy. ‘Bent u er nog?’

‘Kluge. Frau Kluge. Voornaam Petra.’

Trudy pakt een pen. ‘Danke, frau Kluge,’ zegt ze. ‘Welnu, ik neem aan dat u zich aanmeldt als vrijwilliger voor...’

‘U wilde iets weten over de oorlog,’ zegt de vrouw.

‘Ja, dat klopt.’

‘Waarom?’

‘Nou,’ zegt Trudy, ‘zoals ik ook in de advertentie heb gezet, ik doe onderzoek...’

‘Wat voor soort onderzoek? U gaat me toch niet slecht afschilderen?’

Oe kaat me tok niecht slekt absjielderen?

‘Natuurlijk niet,’ zegt Trudy. ‘Ik probeer gewoon een paar verhalen te verzamelen...’

Gut,’ zegt de vrouw. ‘Want ik heb u wel een en ander te vertellen... Maar! U zei vrijwillig?’

‘Hoe bedoelt u?’ vraagt Trudy.

‘Vrijwillig, dat zei u net. Maar in uw advertentie staat dat ik er geld voor krijg. Hoeveel precies?’

‘Ehm,’ zegt Trudy, boos op zichzelf omdat ze is vergeten Ruth te vragen hoeveel zij haar respondenten aanbiedt. ‘Vijf... eh, honderd dollar?’

Gut. Dat is akkoord.’

‘Fijn,’ zegt Trudy. ‘Wanneer zou u...’

‘Ik woon op nummer 1043 in North Thirtieth Street, appartement B. U komt morgen.’

‘O,’ zegt Trudy, die als een gek zit te schrijven. ‘Nou, dank u wel, frau Kluge, maar weet u zeker dat u het al zo snel wilt? We hebben niet veel tijd om ons voor...’

‘Drie uur,’ zegt de vrouw.

‘O, nou, prima,’ zegt Trudy. ‘Luister, er zijn nog wat andere dingen die u moet weten, frau Kluge. Ik neem een cameraman mee om het interview op te nemen en...’

Maar frau Kluge heeft al opgehangen.

Trudy haalt de hoorn tussen haar schouder en oor vandaan en kijkt er even naar. Dan schuift ze hem weer terug en bladert door haar projectpapieren op zoek naar het nummer van Ruths cameraman. Het zou wel heel veel gevraagd zijn als hij zo vlak voor de kerst beschikbaar is. Maar mocht dat niet zo zijn, dan is Trudy bereid te smeken.

Haar mazzel houdt aan, althans tot de volgende middag, dan lijkt die opeens op te zijn: de cameraman, die aan de telefoon nog opgewekt meegaand was, is te laat. Trudy zit in de straat van frau Kluge in haar ­auto op hem te wachten met het gevoel dat ze een inbreker is. Dat zou niets nieuws zijn in deze buurt, denkt ze, de inwoners hier zijn waarschijnlijk continu op hun hoede voor dieven. Frau Kluge woont in een bakstenen gebouw van twee verdiepingen in een rijtje van vijf identieke huizen, die allemaal omringd worden door gazen hekken waar vuilnis tussen blijft hangen. Op de parkeerplaats staan een paar oude auto’s met hun neuzen tegen vieze hoopjes sneeuw. Op de een of andere manier verrast dit Trudy. Ze weet niet wat ze dan verwacht had, maar in ieder geval niet dat ze haar respondent in zo’n buurt zou aantreffen.

Ze probeert haar aandacht te richten op de vragen die ze de hele avond heeft voorbereid als er een witte truck de hoek om komt, langzaam de straat door rijdt en een paar meter verder bij de stoeprand parkeert. Een man in een legerjasje springt van de bestuurdersstoel en loopt op een drafje naar de achterklep, die hij met veel geratel opent. Godzijdank, denkt Trudy. Ze pakt de doos koekjes die ze voor frau Kluge bij de banketbakker heeft gekocht en stapt uit om hem te begroeten. Haar laarzen knerpen op de zanderige sneeuw.

‘Hallo, daarbinnen,’ roept ze, want de man is in zijn truck verdwenen, waar nu als een ijzeren tong een laadklep uit komt schuiven. ‘Ben jij mijn cameraman?’

De man steekt zijn hoofd naar buiten en Trudy ziet dat zijn ogen zo licht zijn, dat er nauwelijks kleur in zit. Haar hart schiet in haar keel, ze heeft zich nooit op haar gemak gevoeld bij mannen met lichte ogen. Ze strekt zich uit om zijn uitgestoken hand te drukken. ‘Trudy Swenson,’ zegt ze.

‘Thomas Kroger,’ antwoordt de man. ‘Sorry dat ik zo laat ben, die verdomde achterklep zat dichtgevroren... Eén minuutje nog.’

Opnieuw verdwijnt hij uit het zicht en dan begint er een karretje beladen met logge apparatuur gehuld in gewatteerde dekens de laadklep af te dalen. De man komt erachteraan, zich vastklampend aan het handvat. Naarmate er meer van hem tevoorschijn komt, wordt het duidelijk dat hij erg lang is, misschien wel bijna twee meter. Als hij eenmaal vaste grond onder de voeten heeft, kijkt hij lachend neer op Trudy. Hij is ongeveer even oud als zij, maar lijkt te zijn blijven steken in het hippietijdperk. Zijn gezicht is zo rond, dat het rimpelloos is, behalve rond zijn ogen. Over zijn ruige grijzende haar heeft hij een rode bandana geknoopt.

Anna zou zo’n ding verafschuwen, denkt Trudy. Kon ze hem maar vragen hem af te doen. In plaats daarvan kijkt ze weifelend naar zijn karretje. ‘Ik had niet verwacht dat je zo veel mee zou nemen,’ zegt ze. ‘Het project is een relatief bescheiden operatie...’

Thomas lacht. ‘U wilde toch dat dit interview gefilmd werd?’ zegt hij. ‘Ik ben een professional, doctor Swenson, geen toerist. Ik werk niet met een handcameraatje.’

‘O, dat zal dan wel,’ zegt Trudy, hoewel ze na al Ruths verhalen over het zeer beperkte budget enigszins uit het veld geslagen is door de uitstekende statieven en microfoons. ‘Sorry, ik wilde je niet beledigen. En noem me alsjeblieft Trudy.’

Thomas doet de achterklep dicht en sluit die af met een hangslot. ‘Geeft niets,’ zegt hij. ‘Oké, Trudy, ik ben er klaar voor. Ga maar voor.’

Dat doet Trudy. Thomas en zijn karretje volgen haar door de gazen omheining naar het juiste gebouw. De buitendeur is van zwaar staal en zit onder de graffiti, daarnaast zit een intercom. Trudy drukt op de B en wacht. Er gebeurt niets. Thomas steekt zijn arm langs haar heen en duwt de deur open. ‘Hij is kapot,’ zegt hij.

Trudy betreedt een hal die zo slecht verlicht is dat ze even moet stoppen om haar ogen aan de duisternis te laten wennen. Het ruikt naar schimmel en urine en chemische vloerreiniger. Trudy loopt naar het dichtstbijzijnde appartement en knijpt haar ogen samen om het nummer te kunnen lezen. Ze springt achteruit als er binnen woest geblaft en gegromd wordt. ‘Godallemachtig,’ zegt ze, terwijl ze haar hand op haar galopperende hart slaat.

Thomas grijnst opnieuw. ‘Iemand met een rottweiler,’ zegt hij. ‘Maar niet degene die we zoeken, gelukkig. Hier, Trudy.’

Ze volgt zijn stem een paar treden af naar een souterrainwoning bij een trappenhuis en klopt op de deur. Geen reactie. Trudy probeert het opnieuw, iets nadrukkelijker deze keer.

Ja, ja,’ roept een ietwat chagrijnige stem binnen. Trudy hoort een ketting die weggeschoven wordt en het geslof van pantoffels, maar de deur gaat niet open. Ze lacht pijnlijk naar Thomas. ‘Sorry, hoor,’ zegt ze. ‘Ik had geen idee...’

‘Ik heb wel op ergere plekken gewerkt,’ zegt Thomas.

‘Nou, ik stel het erg op prijs. Vooral omdat je dit zo vlak voor Kerstmis wilde doen.’

Thomas haalt zo goed en zo kwaad als hij kan zijn schouders op. Hij staat voorover gebukt in de driehoekige ruimte onder het trappenhuis om te voorkomen dat hij zijn hoofd stoot aan de onderkant van de traptreden. ‘Kerstmis zegt me niet zoveel,’ zegt hij. ‘Ik ben joods.’

Trudy strekt haar nek om zijn gezichtsuitdrukking te zien, maar dat is onmogelijk in de vervormende duisternis van de hal. ‘Heeft Ruth je niet verteld dat ik Duitsers ga interviewen?’ vraagt ze.

‘Natuurlijk wel,’ zegt Thomas. ‘Daarom ben ik hier. Ik wil ontzettend graag weten hoe deze mensen in godsnaam kunnen rechtvaardigen wat ze gedaan hebben.’

Nu krijgt Trudy helemaal de zenuwen. Ze had kunnen weten dat Ruths cameraman joods zou zijn. Maar dit is wel het laatste waar Trudy op zit te wachten: een cameraman die niet onpartijdig is. Stel dat hij het interview verpest door verontwaardigde vragen te gaan stellen of vol ongeloof te snuiven? Ze heeft echter geen tijd om stil te staan bij hoe ze dat aan moet pakken, want na het geluid van een reeks verschuivende grendels opent frau Kluge de deur. Nou ja, een centimeter.

‘Wat wilt u?’ vraagt ze.

Trudy doet een stap opzij, zodat frau Kluge haar kan zien. Ze doet haar best een innemende glimlach op haar gezicht te toveren. ‘Frau Kluge?’ zegt ze. ‘Ik ben Trudy Swenson...’

‘Aan de deur wordt niet gekocht,’ zegt de vrouw.

‘Nee, nee, ik ben van de universiteit. We hebben elkaar gisteren aan de telefoon gesproken, weet u nog? Over het Duitse Project. U hebt toegestemd in een interview? Over de oorlog?’

Er valt een stilte en dan zegt de vrouw: ‘Ach ja. Dat was me ontschoten.’ De deur gaat half open.

Trudy recht haar schouders en stapt de woning van frau Kluge binnen: een kleine ruimte die ruikt naar mottenballen en tomatensoep. De rolgordijnen zijn half naar beneden getrokken en door het raam daaronder ziet Trudy de bumper van een auto. Frau Kluge laat zich met enige moeite zakken op een stoel aan een formica tafel: met uitzondering van een tweede stoel en een doorzakkende slaapbank de enige zitplaats.

‘Wat een eh... gezellig huis hebt u,’ zegt Trudy.

Frau Kluge maakt een wegwerpgebaar met een door jicht gezwollen hand. ‘Het is een krot,’ zegt ze.

Trudy kijkt enigszins wanhopig naar Thomas, die met samengeknepen ogen van de concentratie de kamer staat te inspecteren. ‘Vindt u het goed als ik mijn spullen hier neerzet?’ vraagt hij, terwijl hij naar de slaapbank wijst.

‘Ja,’ antwoordt frau Kluge schouderophalend.

Trudy ververst haar glimlach en zet de doos koekjes op tafel.

‘Wat is dat?’ vraagt frau Kluge.

‘Koekjes.’

Frau Kluge peutert aan het gestreepte touwtje. Trudy steekt haar hand uit om te helpen, maar frau Kluge schuift de doos opzij en staat op om een mes uit het dressoir te halen. Ze snijdt het deksel open en tuurt naar binnen. ‘Ach, makronen,’ zegt ze. ‘Mijn lievelingskoekjes.’ Ze vist er een bitterkoekje uit en begint dat op te eten. Er vallen kruimels op haar vest.

Trudy maakt gebruik van de gesprekspauze door te gaan zitten en haar aantekeningen te raadplegen, terwijl ze af en toe een heimelijke blik op frau Kluge werpt. Ze is ongeveer net zo oud als Anna, vermoedt Trudy, eind zeventig, maar daar houdt de overeenkomst dan ook op. Frau Kluge is een kleine gedrongen vrouw met een slap, rimpelig gezicht. Haar ogen zitten verborgen achter een grote vierkante ziekenfondsbril. Haar haar heeft de vorm van een champignon en is zo eentonig grijs dat het wel een pruik moet zijn. Een echte haar, lang en wit, groeit op haar kin.

Frau Kluge rommelt in de doos op zoek naar nog meer bitterkoekjes, maar ze heeft die blijkbaar allemaal opgegeten, want ze schuift de doos in de richting van Trudy.

‘Nee, dank u,’ zegt Trudy. ‘Ik ben blij dat u ze lekker vindt.’

‘Ze waren oudbakken,’ zegt frau Kluge.

Trudy haalt diep adem en kijkt omlaag naar haar portfolio. ‘Frau Kluge, het lijkt mij goed om het even over het interview...’

‘Waar is het geld?’

‘Pardon?’

‘De honderd dollar. Waar zijn die?’

Uit haar handtas haalt Trudy een cheque met het stempel van de universiteit en schuift die over de tafel. Frau Kluge pakt hem op en houdt hem vlak voor haar ogen. Dan vouwt ze hem op en laat hem in haar zak verdwijnen. ‘Ja,’ zegt ze. ‘Gut.’ Ze staat op om het touwtje van de doos koekjes in een la te stoppen. Dan haalt ze iets van de koelkastdeur en schuifelt ermee terug naar de tafel. ‘Mijn kleinkinderen,’ zegt ze, terwijl ze haar hand uitsteekt.

Trudy pakt het van haar aan en kijkt gehoorzaam naar twee kinderen die gevat zijn in gemagnetiseerd perspex. Tegen de gemarmerde suède achtergrond die zo geliefd is bij schoolfotografen kijken ze Trudy grijnzend aan. Het haar van het meisje is zo strak vastgezet met haarspeldjes, dat haar ogen in een pijnlijk loensende stand zijn getrokken. De mond van de jongen glimt van de beugel. In Trudy’s ogen zijn het zeer ordinaire kinderen. Ze draait de foto om en leest door het vergeelde plastic: andi und teddy, 1989. Zeven jaar geleden. Ze kijkt met hernieuwde belangstelling op naar frau Kluge. ‘Uw kleinzoon moet nu al een flinke jongeman zijn,’ zegt ze.

Frau Kluge mompelt iets en trekt aan een lus van haar vest.

Trudy aarzelt, maar maakt dan van de gelegenheid gebruik: ‘Ziet u hen deze kerst?’ vraagt ze.

Frau Kluge grist de foto uit haar handen. ‘Ja, natuurlijk,’ snauwt ze. ‘Waarom niet? Hebt u kleinkinderen?’

‘Nee, ik...’

‘Kinderen?’

‘Nee...’

‘Hebt u dan ten minste een man?’

‘Ik ben getrouwd geweest, maar...’

Frau Kluge knikt voldaan. ‘Hij is dood,’ zegt ze.

Trudy lacht. ‘Nee, hij is springlevend. Sterker nog, hij heeft een ­uiterst succesvol Frans restaurant. Le P’tit Lapin, misschien hebt u er wel eens van gehoord? Het...’

‘Ik eet geen Frans voedsel,’ meldt frau Kluge. ‘Vette saus bederft de darmen.’ Ze kijkt Trudy triomfantelijk aan.

Er valt een kleine stilte, waarin Trudy water hoort druppelen in de gootsteen van de vrouw. Dan ontdooit frau Kluge een beetje, wellicht als gevolg van haar overwinning, want ze zegt tegen Trudy: ‘U doet me een beetje denken aan mijn dochter. Uiteraard bent u een paar jaar ­ouder. Maar u hebt iets van haar, híér.’ Ze tikt tegen haar wangen.

Trudy knikt.

‘Bent u Duitse?’ vraagt frau Kluge.

‘Ja.’

‘Een echte Duitse? Geen mischling?’

In gedachten noteert Trudy frau Kluges gebruik van de naziterm voor ‘halfbloed’, maar ze is niet van plan deze uitgestoken hand van de vrouw af te wijzen. Ze besluit een stap verder te gaan. ‘Nein,’ antwoordt Trudy. ‘Ich bin keine Mischling, Frau Kluge. Ich bin Deutsche.’

Van achter haar brillenglazen, die door een straal zwak licht veranderd zijn in melkwitte vierkanten, kijkt frau Kluge Trudy onderzoekend aan. Dan laat ze haar bril langzaam zakken en werpt Trudy een samenzweerderige glimlach toe. ‘So,’ zegt ze. ‘Sehr gut. Ik had kunnen weten dat u raszuiver was. Door uw mooie blonde haar.’

Onwillekeurig gaat Trudy’s hand omhoog naar haar pony.

‘Sorry,’ roept Thomas.

Trudy draait zich angstig naar hem om, vooruitlopend op wat hij zal gaan zeggen, maar hij kijkt vriendelijk. Achter hem is het gebied rond frau Kluges slaapbank veranderd in een filmset: lichtschermen en grote lampen, een camera op een statief en een microfoon in de vorm van een gigantische pinda, die midden in de lucht bungelt. Thomas houdt twee microfoons omhoog, de snoeren daarvan lopen uit in een knoop op het versleten tapijt. ‘De dames kunnen afgetapt worden,’ zegt hij. ‘Breng die stoelen hiernaartoe, dan kunnen we beginnen.’

19

het duitse project

Interview 1

geïnterviewde: Mevrouw Petra Kluge (meisjesnaam: Rauschning)

datum/locatie: 21 december 1996, Noord-Minneapolis, MN

V: Laten we beginnen met een paar simpele vragen, frau Kluge. Waar en wanneer bent u geboren?

A: Ik ben geboren op 14 augustus 1919 in München, Duitsland.

V: Bent u uw hele jeugd in München gebleven?

A: Ja, ik heb daar gewoond tot ik naar dit land ben gegaan.

V: Dus u was in München aan het begin van de oorlog, in september 1939?

A: Waar zou ik anders moeten zijn?

V: U was toen, hoe oud... twintig? Nee, sorry, eenentwintig.

A: Ja, net geworden.

V: Dus u was een jonge vrouw toen Hitler Polen binnenviel. Wat vond u daarvan?

A: [geïnterviewde haalt schouders op] De Führer moest doen wat hij niet laten kon.

V: Dus u keurde het goed.

A: Goedkeuren, afkeuren, het maakte niets uit. Wie was ik om die dingen in twijfel te trekken?

V: Was u bang?

A: Er was geen reden voor angst. Iedereen wist dat de Polen geen partij voor ons waren. En de Führer heroverde gewoon wat van Duitsland was. Hij dacht aan zijn volk, aan lebensraum...

V: Hij viel Polen binnen voor meer leefruimte.

A: Ja, voor de ariërs, dat klopt.

V: Dus in principe was u het met de oorlog eens.

A: Ja, dat zei ik al. Natürlich, als ik geweten had wat er daarna zou gebeuren, was ik dat misschien niet geweest... Maar ik was nog jong.

V: Wat vond u van de andere theorieën van Hit... de Führer?

A: Hoe bedoelt u?

V: Over de joden. Dat Duitsland eh... gezuiverd moest worden van joden.

A: Judenrein.

V: Ja.

A: Ik had het veel te druk om daar op te letten. Het ging mij niets aan.

V: Wat er met de joden gebeurde ging u niets aan?

A: Ja, voor mij persoonlijk betekende het niets. Ik kende geen joden.

V: Niet één?

A: Ja, nou misschien op het gymnasium, daar waren... Maar zij moesten al snel naar hun eigen scholen. Ze waren nogal op zichzelf. U weet wel, in hun tempels en hun... Hun wat al niet.

V: Maar in uw dagelijkse leven moet u toch joden tegen zijn gekomen. In het openbaar vervoer, in cafés, op straat...

A: Nein, nein. Heel weinig. Heel weinig. Misschien dat ik er in het begin een paar heb ontmoet zonder het te weten. Maar toen ze de ster moesten gaan dragen, nein, toen waren ze niet langer in de parken en treinen en zo.

V: En wat vond u daarvan?

A: Ik vond er niets van. Zoals ik al zei, ik had er geen last van. Misschien dat sommige dingen er makkelijker door werden...

V: Welke dingen? In welk opzicht?

A: [haalt schouders op] Ach, u weet wel. Niet zo druk meer. In de winkels, meer ruimte, meer voedsel voor ons Duitsers toen ze eenmaal naar hun eigen winkels moesten waar ze thuishoorden.

V: Ja, ja. Vond u dat eerlijk?

A: Eerlijk, oneerlijk, het maakte alles wat makkelijker. Je wist wie bij wie hoorde.

V: U vond het niet erg dat joden niet langer dingen in arische winkels mochten kopen, arische artsen mochten bezoeken, naar het theater konden gaan...

A: Nein. En ze vonden het zelf ook niet erg. Ze zijn graag bij hun eigen soort. En ze leden er ook niet onder, geloof mij maar. Ze konden nog steeds kopen wat ze wilden.

V: Hoe bedoelt u?

A: Ze hadden zo hun manieren. Ze hadden altijd hun manieren.

V: Ze hadden geld, bedoelt u?

A: Ja, ja, precies. Voor de oorlog, toen de Duitsers honger leden, toen we uren in de rij moesten staan voor een brood... Toen er geplunderd werd, ruiten werden ingegooid, mensen werden vermoord om een paar pfennigs... Zij konden gewoon binnen komen walsen en kopen wat ze wilden. Hun zakken zaten vol geld. Hun jassen waren afgezet met bont.

V: En tijdens de oorlog?

A: Ach, dat maakte voor hen geen verschil. Ze hadden nog steeds geld. Ze verstopten het. Begroeven het in hun kelders, in hun huizen, onder hun vloeren. U weet hoe ze zijn.

V: Hoe ze...

A: Achterbaks. De joden waren achterbaks. Ze wapperden niet meer met hun bankbiljetten onder onze neuzen, maar ze hadden ze wel. Ze hadden diamanten in de voering van hun jassen genaaid.

V: Maar, frau Kluge... Niet dat ik u tegen wil spreken, maar u zei dat u geen contact had met joden. Hoe wist u dan dat ze geld verstopten?

A: Dat wist iedereen.

V: Iedereen?

A: Ja, iedereen.

V: Maar, hoe wist iedereen dat dan?

A: Dat was gewoon zo. Het was een voldongen feit.

V: Ik neem aan dat u met iedereen arische Duitsers bedoelt?

A: Ja, Duitsers.

V: Hebben de Duitsers... Wist u wat er met de joden gebeurde als ze werden gedeporteerd?

A: Nein, nein. Ons werd niets verteld. Dat waren regeringszaken.

V: Dus u wist niets van de kampen?

A: Kampen?

V: De concentratiekampen. Waar de joden naartoe werden gedeporteerd.

A: Dat is allemaal propaganda.

V: Propaganda?!

A: Inderdaad, propaganda. Ach, er zullen vast wel een paar joden zijn gestorven. Maar door de oorlog. Door bommen en de kou en ziekte en honger. Net als de Duitsers.

V: Maar... Frau Kluge, de foto’s dan, de...?

A: Propaganda. Zoals ik al zei. Leugens die na de oorlog door de ge-allieerden zijn verspreid.

V: Ja, ja... Oké, eh... Frau Kluge, misschien kunt u me iets meer vertellen over hoe uw leven er tijdens de oorlog uitzag. Wat staat u het meeste bij?

A: De rantsoenen. In het begin. En toen dat er helemaal geen voedsel meer was. We hadden honger. De kou. De luchtaanvallen. Afschuwelijk.

V: Wat deed u tijdens de oorlog? Had u een baan? Familie?

A: Nein, geen familie. Mijn moeder stierf in 1936 aan tuberculose. Toen iedereen behalve de joden doodging van de honger. Zij had geen medicijnen, terwijl zij in bontjassen liepen te paraderen.

V: En uw vader?

A: [haalt schouders op] Die heb ik nooit gekend. Hij is in de eerste oorlog gestorven.

V: U had geen eigen gezin? Geen man, geen...

A: Nein. Ja, er was wel een man. We zouden ons gaan verloven. Maar hij zat bij de Wehrmacht en is in Rusland gesneuveld. Bij de Wolga.

V: Dus u was alleen tijdens de oorlog.

A: Ja, ja, ik moest helemaal voor mezelf zorgen. Op mijn eigen benen staan tijdens die periode, het was erg moeilijk.

V: Wat deed u? Wat voor soort werk?

A: Ik werkte als telefoniste bij een centrale.

V: En verdiende u daarmee genoeg om rond te komen?

A: Nein, nein. Ik had amper genoeg om in leven te blijven. En met die rantsoenen... Ach, het was zo erg. De dingen die ik heb moeten doen om het hoofd boven water te houden.

V: Wat voor dingen?

A: Niets. Niets. Gewoon... Om het te kunnen redden. Dat is alles.

V: Hoe heeft u het dan kunnen redden?

A: Ik... Wat denkt u? In de rij staan wachten tussen alle anderen. Soms iets gestolen. Als er niets is om je maag mee te vullen...

V: U moet er wanhopig van zijn geworden.

A: Ja, ja, wanhopig, dat is het, nu begrijpt u me. Wat ik deed, moest ik doen.

V: En dat was?

A: Dat heb ik u al verteld. Niets. Maar. Anderen. Een stel andere mensen...

V: Welke andere mensen?

A: Het was een afschuwelijke tijd.

V: Wanhopig.

A: Ja, wanhopig. En die vrouw die ik kende...

V: Zij was een vriendin van u?

A: Nein, nein. Geen vriendin. Een kennis. Iemand die ik kende van mijn werk. Niet erg goed. Soms lunchten we samen. Niet erg vaak. Begrijpt u?

V: Ja. Hoe heette ze?

A: Dat ben ik vergeten. Dat ben ik vergeten.

V: Geeft niet, frau Kluge. Maar u zei net... Zij was ook wanhopig?

A: Ja. En zij, zij moest dus iets doen...

V: Wat was dat? Wat heeft ze gedaan?

A: Zij... Die vrouw, ze bedoelde het niet slecht. Maar ze was wanhopig, zoals u al zei, nicht? En ze had zo’n honger, terwijl de joden, zij hadden nog steeds geld. En zij, die vrouw, zij dacht, wat is er nou zo erg aan, begrijpt u? Zij wist dat er nog steeds een paar waren. Zich verstopten. Net zoals ze hun geld verstopten. Ze...

V: Neem me niet kwalijk dat ik u onderbreek, frau Kluge, maar waar was dit? Waar verborgen de joden zich?

A: Overal. De stad zat er vol mee. En die vrouw, zij wist dat er een paar in het gebouw naast dat van haar zaten. In de kelder. Dus ze...

V: Was dat in München?

A: Ja. Vlak bij waar ik woonde. In de, de buitenste ring, de...

V: De buitenwijk?

A: Ja, dat is correct, de buitenwijk. In de buitenste ring zaten er nog steeds een paar verborgen. Dus zij, die vrouw, zij ging naar hen toe.

V: Naar de joden?

A: Ja, ja, naar de joden. Ik was gewoon... U weet wel, zíj, zij zei tegen me, Petra, ik weet er een paar te zitten. In een kelder. Onder een trap, in een ruimte voor de opslag van aardappels, en zij hadden ooit een schoenenzaak, een heel grote schoenenzaak, veel winkels in de buurt van München dus ze moeten nog geld hebben en er was ook een beloning...

V: Een beloning voor het aangeven van joden?

A: Ja, ja, dat klopt, bij de Gestapo. Een grote som geld. Dus die wanhopige vrouw, die ging naar die kelder en ze zei tegen hen, joden, ik wil jullie niet aangeven. Ik heb niets tegen joden. Dus jullie geven me hetzelfde bedrag als de beloning en dan zal ik niets zeggen.

V: En hebben ze haar het geld gegeven?

A: Ja. Ze hadden diamanten. Kleintjes. Niet zo heel goed van kwaliteit. Het was een beetje teleurstellend. Maar ook een paar ringen. En oorbellen. Genaaid in de zomen van hun jassen.

V: Dus ze heeft hun diamanten meegenomen.

A: Ja, natürlich. Ze was wanhopig.

V: Ja, ik begrijp het. En ze heeft hen niet aangegeven?

A: Nein. Ze heeft die joden niet aangegeven. Ze zei tegen me, Petra, weet je, nu heb ik een beetje, in ieder geval voldoende om te eten. Nu kan ik voor mezelf zorgen. Ze had geen familie, niemand om voor haar te zorgen...

V: Dus ze nam de diamanten mee en heeft hen niet aangegeven.

A: Ja. Nein. Niet meteen.

V: Niet meteen.

A: Dat is correct. Niet onmiddellijk. Maar weet u, geld raakt op een gegeven moment op en al snel, al snel hadden ze niets meer om haar te geven, dat zeiden ze tenminste, hoewel ze natuurlijk wel meer hadden. Dus toen moest ze hen aangeven.

V: Voor de beloning.

A: Ja, precies. Ze is naar de Gestapo gegaan en ze heeft die beloning gekregen. En weet u wat hij zei?

V: Wie?

A: Die man van de Gestapo. Een kleine, dikke man zonder haar op zijn hoofd... Dat heeft zij me verteld.

V: Juist. En wat zei hij?

A: Hij zei, fräulein zus-en-zo, ik weet haar naam niet meer, fräulein, zei hij, het is heel goed wat u hebt gedaan. Voor uw land. Voor uw Führer en vaterland. Het doet me zeer veel deugd u dit geld te geven. En als u nog meer joden kent, zal ik u graag weer op deze manier belonen. Als u hen bij mij onder de aandacht brengt.

V: En... Heeft ze dat gedaan?

A: Wat gedaan?

V: Kende ze nog meer joden?

A: Nou, ja, ze zaten overal. In alle hoeken en gaten, dat zei ik al. Als luizen. Als, hoe noem je dat ook alweer, termieten.

V: Heeft ze hen ook aangegeven?

A: Ik... Ik... Ach, nou ja. Wie weet. Ik wilde dat soort dingen niet weten. Zoals ik al zei, ik had er niets mee te maken, nicht? En ik kende haar niet, weet u nog? Ik kende haar helemaal niet goed.

V: Maar wat denkt u? Denkt u dat ze andere joden heeft aangegeven?

A: Ik heb niet... Nou, ja. Ja. Wel. Ik bedoel, wat ik wil zeggen is dat ik denk dat ze dat gedaan heeft. Ja.

V: Voor het geld.

A: Ja, dat is correct. Ze... Misschien had ze wel medelijden met hen. Een beetje. Maar ze moest het toch doen.

V: Ach.

A: Ze was wanhopig.

V: Ja, dat zei u al... Frau Kluge, wat vindt u nu van wat zij gedaan heeft?

A: Ik? Waarom zou ik daar iets van moeten vinden? Ik vind niets. Ik heb niets gedaan om me voor te schamen!

V: Maar ik zei... Neem me niet kwalijk. Laat me het anders vragen: wat denkt u dat zíj vindt?

A: [haalt schouders op] Hoe moet ik dat weten? Ze is waarschijnlijk dood.

V: Maar als ze nog zou leven en u kon het haar vragen, wat denkt u dan dat ze zou zeggen? Denkt u dat ze zich schuldig zou voelen?

A: Nein. Nein. Niet schuldig. Waarom zou ze zich schuldig voelen? Waarom zou zij moeten verhongeren, terwijl de joden nog steeds geld hadden? Ze moest het hoofd boven water houden.

V: Ja, maar...

A: Ze had niemand. Niemand om voor haar te zorgen. Niemand om op haar te letten. Zij hadden elkaar. Zij hadden het geld. Terwijl zij een vrouw alleen was. Het is afschuwelijk om een vrouw alleen te zijn.

V: Ja, maar...

A: U zou dat toch moeten weten. U begrijpt wat ik bedoel.

V: Nou, tot op een bepaalde hoogte wel, maar...

A: En in die tijd. Zo’n afschuwelijke tijd. Dat kunt u zich niet voorstellen. U hebt geen idee hoe het is om het koud te hebben. Om honger te hebben. Ziek van de honger te zijn. Dat begrijpt u niet.

V: Dat is waar, maar...

A: Und so. Das ist alles. Dat is alles wat ik te zeggen heb.

V: Nog één ding, frau Kluge, als ik zo vrij mag zijn... U hebt me verteld hoe uw, eh... kennis er misschien over gedacht heeft. Maar vindt u, u persoonlijk, het erg wat er met de joden is gebeurd?

A: Ik? Ik kende hen niet eens. Ik kende geen joden. En ik vind het ook niet erg dat ik alleen maar gedaan heb wat ik moest doen. Want een vrouw alleen moet nou eenmaal goed op zichzelf letten op deze wereld.

20

Zodra het interview met frau Kluge afgelopen is, vluchten Trudy en Thomas zo snel als het ontmantelen van Thomas’ apparatuur dat toestaat haar appartement uit. Feitelijk hebben ze er zo’n haast mee dat Trudy, die kijkt hoe Thomas met een snelheid die bijna komisch is kabels oprolt en statieven inklapt, bang is dat het frau Kluge opvalt en dat ze er aanstoot aan zal nemen. Niet dat Trudy zich bijzonder druk maakt over frau Kluges gevoelens, maar als de vrouw merkt hoe ze over haar denken, zou ze wel eens zo beledigd kunnen zijn dat ze haar getuigenis intrekt. Maar Trudy blijkt zich voor niets zorgen gemaakt te hebben, want frau Kluge lijkt hen net zo graag weg te willen hebben als zij willen gaan. Als ze vertrekken, zit de vrouw nog steeds op haar stoel. Ze kijkt naar een spelletjesprogramma op een kleine zwart-wittelevisie en negeert hen volkomen.

Trudy blijft bij de truck staan als Thomas de inhoud van zijn karretje daarin laadt, ogenschijnlijk om een oogje in het zeil te houden, maar feitelijk om haar verontschuldigingen aan hem, over wat ze zojuist gehoord hebben, te oefenen. Maar als hij klaar is en ze tegenover elkaar op de stoep staan, is het enige wat Trudy kan zeggen: ‘Wauw.’

‘Ja,’ zegt Thomas. ‘Wauw.’

Ze staan nogal onbeholpen in de kou en puffen als renpaarden wazige ademwolkjes, terwijl Trudy met één voet een beetje tegen een brok vieze sneeuw schopt. Terwijl zij met frau Kluge bezig waren, is het buiten avond geworden – iets wat Trudy altijd verbaast, hoe goed ze ook probeert zich daar op voor te bereiden. Ze werpt een blik op Thomas, probeert in het kwijnende oranje licht van de straatlantaarns zijn uitdrukking te peilen, maar hij staart over haar hoofd naar frau Kluges appartement. Zijn gezicht met dubbele kin staat grimmig, afwezig.

‘Het spijt me, Thomas,’ zegt Trudy. ‘Het was heftig.’

‘Geeft niets,’ zegt hij. ‘Ik had wel zoiets verwacht.’

Trudy kijkt fronsend omlaag naar haar laarzen. Maar we zijn niet allemaal zo, wil ze tegen hem zeggen. Echt niet. Er zijn ook goede Duitsers. In plaats daarvan geeft ze een flinke trap tegen de brok sneeuw, waardoor die over straat schiet. ‘Ik kan wel een stevige borrel gebruiken,’ zegt ze.

Thomas lacht. ‘Ik ook.’

Trudy kijkt hem hoopvol aan. ‘Zullen we er eentje gaan drinken? Ik ken hier vlakbij een tentje, Dinkytown, waar ze geweldige margarita’s hebben...’

‘Lijkt me leuk,’ zegt Thomas, ‘maar ik heb al andere plannen. Sorry.’

‘O. Oké. Misschien de volgende keer.’

‘Tuurlijk,’ zegt hij. ‘De volgende keer.’

Trudy blijft nog even treuzelen, wil iets zeggen om te bevestigen dát er een volgende keer zal zijn, dat Thomas haar nog een kans zal geven, dat hem laat weten dat ze het echt heel erg vindt. Maar ze weet niet hoe ze het onder woorden moet brengen, dus wappert ze uiteindelijk maar wat met haar hand in de lucht naast zijn elleboog: een soort kruising tussen een aanraking en een zwaai. ‘Nogmaals bedankt,’ zegt ze. ‘Ik bel je snel.’

‘Dag,’ zegt Thomas.

Trudy zit in haar auto te wachten tot haar motor warm genoeg is en kijkt hoe Thomas in zijn truck klimt en ervandoor gaat. Hij toetert als hij de hoek omslaat: tè-tè-tè-rè-tè, tè-tè. Misschien moet hij echt ergens anders naartoe. Aan de andere kant, misschien wil hij gewoon zo snel mogelijk weg van Trudy en haar Duitse Project. Trudy kan het hem niet kwalijk nemen. Ze zucht en zet de auto in de eerste versnelling.

Ze heeft echt behoefte aan een borrel, niet zozeer vanwege de alcohol, maar om de slechte smaak over haar hielenlikken bij frau Kluge weg te spoelen, om terug te keren naar de normale wereld. Ze heeft geen zin om naar huis te gaan en in haar eentje een glas cognac te drinken. Ze verlangt naar gezelschap, maar is niet van plan om naar een kroeg te gaan om dat te zoeken. Er is op de wereld maar weinig minder sneu dan een vrouw van middelbare leeftijd die alleen op een barkruk zit. Ze neemt in gedachten de lijst van mogelijke borrelkandidaten door. Ten eerste is daar Ruth. Maar aangezien dit haar halve dag op de universiteit is, is zij waarschijnlijk al thuis met haar man aan het koken. Er zijn een paar collega’s die Trudy zou kunnen bellen, maar dat zijn meer kennissen dan vrienden, en gesprekken met hen – ongetwijfeld over de laatste roddels op de campus – lijken momenteel zowel irrelevant als te veel gedoe. En los daarvan is er... Trudy knaagt op haar lip en neemt impulsief een beslissing. Misschien omdat haar schermutseling met frau Kluge voorafgaande aan het interview Trudy voor het eerst sinds lange tijd aan hem heeft doen denken. Maar wat ook de reden mag zijn: ze zal haar ex-man Roger een bezoekje gaan brengen.

Ze rijdt naar nummer 394 op Fifth Street, waar Rogers restaurant Le P’tit Lapin nog steeds gevestigd is, ondanks de omringende enorme steunpilaren van de verhoogde snelweg. Een droom die al in het hoofd van een of ander raadslid zat toen Trudy en Roger het restaurant kochten en die dat nu in permanente duisternis hult. Trudy moet een beetje glimlachen als ze de auto parkeert en over de gladde stoep naar de deur loopt. Gezien het succes van het restaurant kan Roger het zich ongetwijfeld veroorloven het te verplaatsen naar een betere buurt, maar dat hij dat niet gedaan heeft is typisch iets voor hem. Een dergelijke daad zou rieken naar pretentie en daar heeft Roger, zoals hij zelf zegt, een afschuwelijke hekel aan. Hij heeft altijd zijn neus opgehaald voor trends; terwijl de nieuwere eetgelegenheden in de stad prat gaan op geïmporteerde wandverlichting en gemarmerde muren die doen denken aan Italiaanse villa’s, is Le P’tit nog net zo eenvoudig als in het begin. Het is een piepkleine ruimte – er passen hooguit veertig mensen in – en boven de ramen wapperen met roet bedekte driekleurige zonneschermen. De bakstenen muren binnen zijn witgeverfd en de verlichting is behoorlijk fel, zodat je kunt zien wat je eet. Van boven komt zachte Vivaldi-muziek van een strijkkwartet. Als Roger een gekke bui heeft wil hij wel eens een cd van Edith Piaf in de geluidsinstallatie stoppen, maar normaal gesproken is de muziek even ingehouden als het decor. Niets dat af kan leiden van la cuisine.

Het eetgedeelte is leeg op dit tijdstip, maar Trudy weet dat de chef-kok en de souschefs in de keuken staan te zweten en vloeken bij de voorbereidingen van het diner. Ze ziet een spichtige ober servetten in wijnglazen steken en vraagt hem Roger te laten weten dat ze er is. Dan blijft ze wachten bij de standaard met het afsprakenboek en kijkt een beetje treurig om zich heen. Niet te geloven dat ze hier tien jaar van haar volwassen leven als Rogers hulpje heeft doorgebracht! Trudy ziet bijna een doorschijnende versie van haar jongere ik voor zich: haar haar in een middenscheiding en naar achteren gebonden met een stukje touw, terwijl ze theelichtjes op de tafels zet. Het valt haar nu op dat die vervangen zijn door dikke glitterkaarsen. Rond de voet ervan is glinsterfolie gevouwen. Een kerstboom versierd met gekleurde strikken troont in de erker. Trudy verbaast zich over het vertoon van decemberkitsch, dat – absoluut niet Rogers idee – het werk moet zijn van Rogers huidige echtgenote Kimberly. Die op dit moment door de klapdeuren van de keuken snel in Trudy’s richting komt klikklakken.

‘Hé, hallo,’ roept Kimberly. ‘Wat een verrassing!’

‘Ik hoop dat je het niet erg vindt dat ik zomaar binnen kom vallen...’

‘Doe niet zo gék. Helemáál niet.’ Kimberly buigt voorover om aan weerszijden van Trudy’s gezicht in de lucht te kussen. Ze is een goed gecoiffeerde blondine van halverwege de dertig. Met haar porseleinen gelaatskleur en bijbehorende blauwe ogen lijkt ze zo op een pop, dat Trudy elke keer wanneer Kimberly met haar ogen knippert een klikje denkt te horen. Dat doet ze nu, heel snel: klik klik klik. Maar je moet de hersenen onder dat modebewust warrige haar niet onderschatten. Die zijn, zoals Trudy weet van de boedelscheiding, even meedogenloos en praktisch als een rekenmachine.

‘Roger is in de wijnkelder,’ zegt Kimberly. ‘Er is iets misgegaan met de levering van de Merlot... Maar daar weet jij alles van.’ Ze knipoogt. ‘Dus hou ik je maar even gezelschap tot hij weer boven komt. Kan ik je iets te drinken aanbieden?’

‘Graag,’ zegt Trudy.

Ze lopen naar de bar, een kleine, met donker hout betimmerde ruimte waar de gordijnen de lucht van tientallen jaren sigarenrook uitwasemen. Trudy gaat op een kruk zitten en kijkt in de met lood omlijste spiegel, terwijl de jongere vrouw glazen neerzet. Als er geen leeftijdverschil van twintig jaar tussen hen had gezeten, zou je kunnen denken dat Trudy en Kimberly zussen waren.

‘Rood of wit?’ vraagt Kimberly. ‘O, wat stom van me, je mag natuurlijk ook iets sterkers. Een wodkatonic, of een whiskey...’

‘Rood is prima, dank je,’ zegt Trudy.

Ze proeft de Bordeaux die Kimberly voor haar heeft ingeschonken. Chateau Souverain, een uitstekende wijngaard, een voortreffelijk jaar. In tegenstelling tot de meeste restaurateurs heeft Roger geen sommelier, hij selecteert de wijn liever zelf. Hij heeft er nog steeds kijk op.

Kimberly heeft Trudy’s glas tot een centimeter onder de rand vol geschonken en staat nu haar eigen drankje klaar te maken: een Perrier met limoen. Ze werpt een blik in de spiegel en strijkt met de gelakte nagels van haar duim en wijsvinger over haar mondhoeken om korreltjes opgedroogde lippenstift te verwijderen. Dan loopt ze achter de bar vandaan om zich op de kruk naast Trudy te laten zakken.

‘Zo,’ zegt ze, terwijl ze haar benen over elkaar slaat en eersteklas bovenbenen gehuld in een glitterpanty onthult. ‘Hoe ís het met je?’

Trudy knikt en werpt een steelse blik op de heupen, terwijl ze een ­grote teug van haar wijn neemt. Misschien was het toch niet zo’n goed idee om hiernaartoe te gaan. ‘Prima,’ zegt ze. ‘Druk als altijd. Je kent het wel.’

‘O, absoluut. Deze tijd van het jaar is het altijd een gékkenhuis, hè?’ Kimberly slaakt een diepe zucht en trekt aan de puntjes van haar pony. ‘Weet je, Trudy, ik moest pas nog aan je denken.’

‘Echt?’

‘Echt wel. Over hoe jaloers ik op je ben. Jullie vrijgezelle meiden hebben het maar gemakkelijk. Geen familie om voor te koken – Rogers héle familie komt met Kerstmis, zelfs die stokoude tante, dat geloof je toch niet? En geen gezeur van een oude brompot van een echtgenoot aan je hoofd... Maar vertél, nog nieuwe mannen in je leven?’

‘Niet echt,’ zegt Trudy.

Kimberly tuit haar lippen en buigt zich naar Trudy toe, waardoor ze Trudy een blik gunt in een bewonderenswaardig en sproeterig decolleté, genesteld in het zalmkleurige satijn van haar blouse. ‘O, nee,’ zegt ze. ‘Het is niet áárdig om alle leuke dingen voor jezelf te houden. Er moet toch íémand zijn.’

Ze lacht verwachtingsvol naar Trudy, die nog een slok wijn neemt. ‘Nou...’ zegt ze, denkend aan Thomas.

‘Ik wíst het! Mij hou je niet voor de gek met dat uitgestreken gezicht. Ik zag het meteen!’ Kimberly geeft Trudy een meiden-onder-elkaar plaagstootje. ‘Wie is het?’ vraagt ze.

‘O, het is niets serieus,’ zegt Trudy. ‘We hebben elkaar eigenlijk net ontmoet.’

‘Nou doe je het weer, verdorie. Vooruit, vertél. Vertel me álles over hem.’

‘Nou...’

Trudy wordt gered door het feit dat Roger dit moment uitkiest om zijn entree te maken. Ze schenkt hem een brede glimlach. Sinds hun trouwdag is ze niet meer zo blij geweest om hem te zien.

‘Oeps!’ zegt Kimberly vrolijk en ze ritst haar lippen dicht.

Roger beent naar Trudy en kust haar op beide wangen, het geschuur van zijn snor bezorgt haar de gebruikelijke rilling in haar nek. ‘Ik had kunnen weten dat ik jullie in de bar zou kunnen vinden,’ zegt hij.

Kimberly komt van haar kruk af en Roger schuift erop. ‘Ik wil graag hetzelfde als zij, schat,’ zegt hij tegen zijn vrouw. Bedankt.’ Dan draait hij zich weer naar Trudy en slaat zich op de knieën. ‘Zo!’ zegt hij. ‘Dit is een onverwacht genoegen. Hoe lang is het nou geleden?’

‘Geen idee,’ zegt Trudy. ‘Te lang?’

‘Volgens mij hebben we haar ongeveer acht maanden geleden voor het laatst gezien, schat,’ zegt Kimberly van achter de bar. ‘Weet je nog, we kwamen elkaar tegen bij Lunds?’

‘O ja... Nou, dat is inderdaad te lang.’ Roger lacht naar Trudy. ‘Maar je ziet er geweldig uit.’

‘Jij ook,’ zegt Trudy, hoewel dat ietwat gelogen is. Net als zijn restaurant is Roger Trudy net zo vertrouwd als haar eigen huid. Maar hij is ook op een subtiele, verontrustende manier veranderd. Hij is nog steeds een grote kerel – het vrouwelijke bedienend personeel, waar ooit Kimberly toe behoorde, heeft nooit nagelaten hier opmerkingen over te maken, in zijn armspieren te knijpen en te kirren over zijn gelijkenis met een of ander stuk uit de reclame – maar zijn zwaartepunt is nu van zijn borst verschoven naar de reserveband om zijn middel. Zijn gezicht, vroeger zo gezond roze dat Trudy hem altijd plagend zei dat het leek alsof hij van marsepein was gemaakt, heeft nu de rode kleur die wijst op een hoge bloeddruk. En de onderkin is veel meer dan suggestief. ‘Ik kan zien dat het je goed gaat,’ kan Trudy niet nalaten te zeggen.

Roger kijkt haar aan en neemt een slokje van zijn wijn. ‘Ik mag niet klagen, dank je,’ antwoordt hij. Hij veegt zijn snor af aan de mouw van zijn witte koksbuis. ‘Zo! Hoe gaat het met het lesgeven? Hoe is het, zoals ze dat zeggen, met de jeugd van tegenwoordig?’

‘Even apathisch als drie luiaarden,’ zegt Trudy. ‘Maar je blijft altijd hopen dat er iets van wat je zegt tot ze doordringt.’

‘O, vast... En verder? Nog uitstapjes buiten de wereld van de wetenschap?’

‘Niet echt,’ zegt Trudy. ‘Ik doe een onderzoeksproject uit persoonlijke belangstelling, maar ik krijg daar geld voor van de universiteit, dus ik vermoed dat je dat als wetenschappelijk zou kunnen betitelen.’

‘Tja, dat hangt ervan af. Waar gaat het over?’

Trudy neemt een grotere slok van haar wijn dan de bedoeling was en morst een beetje. Ze likt langs de zijkant van haar hand. ‘Duitsers,’ zegt ze. ‘Ik interview Duitsers van de generatie van mijn moeder. Om erachter te komen hoe ze omgaan met wat ze tijdens de oorlog gedaan hebben.’

‘Echt?’ zegt Roger.

‘Ja, nou, het is allemaal nog erg in de beginfase. Ik kom eigenlijk net van mijn eerste interview. En dat was... lastig. Maar ik dacht dat het interessant zou zijn – ik bedoel noodzakelijk – om iets over de oorlog te weten te komen van levende bronnen. Er is niet veel documentatie over de Duitse reactie, vooral niet uit de eerste hand, en voor het onderzoek naar deze periode zal het van onschatbare waarde zijn om...’

‘Zeg, ik moet jullie nu alleen laten,’ onderbreekt Kimberly. ‘Trudy, súper om je weer te zien. Bel me, dan gaan we een keertje lunchen, oké? Dan kunnen we het hebben over... je weet wel. Waar we het over hadden voor deze grote gozer binnenkwam.’ Ze kust Roger op zijn haar, geeft Trudy nog een laatste knipoog en vertrekt.

Trudy staart naar de antieke spoorwegklok boven de bar. ‘Ik moet jou waarschijnlijk ook niet langer ophouden,’ zegt ze.

‘Nee, geeft niets,’ antwoordt Roger. ‘Ik heb nog wel even, aangenomen dat er in de keuken geen brandjes geblust hoeven te worden... Enfin. Lastig, zei je. In welk opzicht?’

‘Wat?’

‘Je interview.’

Trudy kijkt Roger fronsend aan. Is hij gewoon beleefd? Maar hij lijkt oprecht geïnteresseerd, dus ze staat op, loopt achter de bar, schenkt na Rogers aanmoedigende geknik nog wat wijn in en keert terug naar haar kruk, waar ze het interview met frau Kluge tot in de details uit de doeken doet.

‘Dat was het,’ zegt Trudy als ze uitverteld is. Door het zwierige gebaar dat ze daarbij maakt, plenst er een plas wijn op de grond. ‘Interview ein. Kaputt.’ Ze zet haar glas voorzichtig op de onderzetter. Ze is een beetje aangeschoten.

‘Dus ze gaf niet toe dat zij degene was die de joden heeft aangegeven,’ zegt Roger.

‘Niet rechtstreeks.’

‘En je hebt haar er niet mee geconfronteerd.’

‘Nou, nee. Maar. Het was duidelijk dat ze het over zichzelf had.’

‘Ja, natuurlijk,’ zegt Roger. ‘Hmmm. Interessant.’ Hij legt een elleboog op de bar en trekt aan zijn snor, terwijl hij Trudy met die bedrieglijk slaperige blik aanstaart waarvan ze weet dat die zijn grootste nieuwsgierigheid maskeert.

‘Wat?’ zegt Trudy.

‘Niets. Er is niets.’

‘Wat “er is niets”. Er is niet niets. Niet als je me op die manier aankijkt. Wat is er?’

‘Ik wil het er niet over hebben, Trudy.’

‘Waarover? Vooruit, Roger. Voor de dag ermee.’

‘Het verbaast me gewoon nog steeds, dat is alles.’

‘Wat verbaast je?’

‘Wat jij allemaal niet doet om niet in therapie te gaan.’

‘Wat?’ zegt Trudy. ‘Waar héb je het over?’

Roger staart naar het plafond alsof hij de hemel om geduld smeekt. ‘Het is mij een raadsel,’ zegt hij, ‘waarom jij zo veel tijd en energie steekt in dat project van je, terwijl je gewoon in therapie kunt gaan om je problemen op een normale manier aan te pakken en verder te gaan.’

‘Ik doe,’ zegt Trudy, elke woord uitspugend, ‘empirisch onderzoek.’

‘Voor wie? Zeg eens eerlijk. Voor de wetenschap? Of voor jezelf?’

‘Wat maakt dat nou uit,’ snauwt Trudy.

Rogers snor wijkt uiteen door een glimlach en Trudy’s haren gaan recht overeind staan. Ze weet precies waar hij nu aan denkt: aan die ene therapiesessie, toen Trudy na afloop in de auto een hysterische giechelbui kreeg over de serieuze, klamme pogingen van de therapeut om contact tot stand te brengen – ‘Goed, Roger, pak Trudy’s handen vast, zo ja, en kijk diep in haar ziel en vertel haar precies hoe je over haar denkt’ – en diens uitpuilende kikkerogen. Ze had geweigerd om nog een keer te gaan.

‘Therapie is niet de oplossing voor alles, Roger,’ zegt ze nu. ‘Alleen omdat jij en Kimberly het doen, in groepjes samenkomen, jullie afzonderen in zweethokjes om je innerlijke dierlijke spirituele drijfveren of god weet wat te ontdekken...’

Rogers glimlach wordt nog breder. ‘O, Trudy,’ zegt hij.

‘Sla niet zo’n medelijdende toon tegen me aan.’

‘Ik heb geen medelijden met je,’ zegt Roger vriendelijk. ‘Ik probeer je te helpen. Begrijp je het dan niet, Trudy? Het heeft allemaal met je moeder te maken. Ik weet nog steeds niet wat je nu precies op haar aan te merken hebt, maar elke eerstejaars psychologie kan je vertellen wat de onderliggende pathologie is: je bent net als zij.’

Trudy is zó razend dat ze geen woord kan uitbrengen. Ze zit een tijdje onsamenhangend te sputteren en slaagt er dan eindelijk in voor de dag te komen met: ‘O, ja?’

‘Absoluut.’

Trudy laat zich van haar kruk af glijden. ‘Nou, dat is ook precies wat ik zou verwachten van een eerstejaars psychologie,’ zegt ze. Ze steekt haar hand uit naar haar glas om dat stoer achterover te slaan, maar haar hand trilt zo hevig, dat ze het weer neer moet zetten. Ze besluit Roger niet de voldoening te schenken om toe te kijken hoe zij haar jas dichtknoopt. ‘Trouwens,’ zegt ze, terwijl ze haar handtas van de grond graait, ‘wat weet jij daar nou van? Je hebt mijn moeder nauwelijks gezien.’

‘Natuurlijk niet,’ zegt Roger poeslief. ‘Dat mocht niet van jou. Maar op grond van de zeldzame keren dat ik haar wél heb gezien, zou ik zeggen dat de gelijkenis duidelijk is. Meer dan duidelijk. Treffend.’

‘Is dat zo.’

‘Ja, dat is zo.’

‘Nou, niet dus. Ik lijk in de verste verte niet op mijn moeder.’

‘Jee, dat is een interessante freudiaanse verspreking,’ zegt Roger. ‘Ze ís ver weg, afstandelijk. En jij ook. Ben je altijd geweest. Afstandelijk. Formeel. Kil. Dwangmatig schoon. Al die goede Duitse eigenschappen. Je weet wel.’

‘Dat weet ik niet,’ zegt Trudy, terwijl ze in de richting van de buitendeur stormt. ‘Ik weet hier helemaal niets van. Het enige wat ik weet is dat jij nog steeds een opgeblazen klootzak bent. Je bent geen steek veranderd.’

‘Jij ook niet,’ zegt Roger, die achter haar aan loopt. ‘Helaas.’

Hij doet met een sardonisch buiginkje de deur voor haar open en ontneemt daarmee Trudy de kans die in zijn gezicht dicht te knallen. ‘Het was me weer een genoegen,’ zegt hij.

‘Loop naar de hel.’ Trudy schiet langs hem heen en beent het trottoir af, de gladheid vervloekend die haar tot voorzichtigheid maant en haar grootse aftocht verijdelt.

En Roger verpest het nog meer, want als Trudy bij haar auto komt, hoort ze hem roepen: ‘En, hé, Trudy, wat betreft dat Duitse Project? Ik weet niet waarom je überhaupt nog de moeite neemt. Natuurlijk zijn al die oude zuurkoolvreters nazi’s! Wat had je dan verwacht?’

21

Tegen de tijd dat Trudy thuiskomt, is het helemaal donker en sneeuwt het een beetje, een paar vlokjes dwarrelen onzeker in het licht van de lamp met bewegingssensor boven haar garage. Op de grote ronde thermometer die is vastgemaakt aan de veranda van de buren is het zesentwintig graden onder nul. Maar Trudy merkt niets van de kou. Met haar nog steeds niet dichtgeknoopte jas stampt ze naar de voordeur en als ze haar sleutels uit haar zak schudt om die open te maken, zegt ze alles wat ze in Le P’tit tegen Roger had moeten zeggen tegen de ongeïnteresseerde voortuin. ‘Net als mijn moeder,’ mompelt ze narrig. ‘Typisch Duits. Zuurkoolvreters! Wat weet hij daar nou van? Rund. Stomme Scandinaviër. Grote... domme... stijfkoppige... Viking!’

Ze zwaait de deur open en stapt naar binnen. Met boze rukjes trekt ze vinger voor vinger haar handschoenen uit. ‘Geen wonder dat ik nooit hertrouwd ben!’ zegt ze. Dan doet ze het licht aan en blijft stilstaan om haar keuken rond te kijken, zoals ze altijd doet als ze thuiskomt om zich ervan te verzekeren dat alles op zijn plaats staat. En dat is zo. Het is nog precies zoals Trudy het heeft achtergelaten; logisch, aangezien zij de laatste, de énige persoon is die hier geweest is. Op de vloer zijn de opschepperig glanzende sporen van een recente poetsbeurt te zien. Het aanrecht blinkt. De fluitketel – die Trudy elke zondag met een sponsje van staalwol polijst – glimt zo hevig, dat ze vanaf de andere kant van de kamer haar gezicht erin kan zien, uitgerekt en verkleind. Normaal gesproken zou dit Trudy deugd doen, haar huis en spullen in zo’n perfecte staat aantreffen.

Zo mooi en schoon.

Zo nett und sauber.

Trudy fronst en slaat haar armen over elkaar. Stampt een paar keer met de hak van haar laars op het linoleum. Dan gooit ze – met opzet – haar sleutels op het aanrecht in plaats van ze aan het haakje bij de deur te hangen. Ze wringt zich uit haar jas en slingert die op een stoel. Haar handschoenen volgen: de ene landt op de tafel, de andere op de grond. Trudy stapt er bevallig overheen en loopt naar het gasfornuis, waar ze water opzet. Wachtend leunt ze tegen de koelkast en kijkt naar de moddersporen die haar laarzen op de tegels hebben achtergelaten. En als het water kookt, maakt ze een slordige mok thee. Ze slingert het gebruikte zakje in de richting van de gootsteen zonder te kijken waar het terechtkomt en negeert zorgvuldig de gemorste suikerkorreltjes. Ze laat het lepeltje op het fornuis liggen met de suikerpot zonder deksel ernaast, zodat de muizen – als die er al zijn – die kunnen plunderen.

Ze doet een stap achteruit en bekijkt de ruimte over de rand van haar mok. ‘Zo dan,’ zegt ze.

Dan trekt ze zich met haar thee terug in haar studeerkamer, voordat ze toe kan geven aan haar impuls om alles op te ruimen. Vanuit de gang trekt de rommel aan Trudy, de jas, handschoenen, suikerpot en vieze vloer berispen haar: waar hebben wij dit aan verdiend? Trudy doet de deur van haar studeerkamer dicht en loopt naar haar stereo. Ze zet haar mok op het bureau en gaat op haar hurken zitten om haar stapel cd’s aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Bach, Beethoven, Brahms, Mahler, Wagner. God nog aan toe, heeft ze echt alleen maar Duitse componisten? Uiteindelijk vindt Trudy een Oostenrijker begraven tussen de rest en vervangt een dartel Mozartconcert de symfonie in de cd-speler. Zo, dat is geregeld. Trudy loopt naar haar bank en laat zich erop vallen, met de muizen van haar handen tegen haar ogen gedrukt.

Wat had je dan verwacht? Misschien is het wel een terechte vraag die Roger stelde. Trudy weet het niet. Ze vindt het stom van zichzelf dat ze van tevoren niet stil heeft gestaan bij wat frau Kluge zou kunnen zeggen. Naïef in haar hoop – die ze voor het interview zelfs niet tegen zichzelf heeft uitgesproken – dat de vrouw zou bevestigen dat niet alle Duitsers zo slecht waren als mensen denken. Ze kunnen toch niet allemaal in hun hart een nazi zijn? Het is alsof Trudy haar hand onder een rotsblok heeft gestoken en iets heeft aangeraakt wat bedekt is met slijm. En nu zit ze zelf ook onder, is ze er altijd bedekt mee geweest; het kan er niet af gewassen worden, het komt van binnenuit.

Trudy zegt tegen zichzelf dat ze niet zo kinderachtig moet zijn. Ze gaat op haar rug liggen en staart wazig door het halfduister naar het raam en het huis daarachter. Langs de hele dakgoot is een snoer met gekleurde lichtjes opgehangen, of eigenlijk is het meer een buis waarin piepkleine lampjes in een waanzinnig tempo achter elkaar oplichten, als rennende mieren, om vervolgens te doven en in een geagiteerd ritme te gaan knipperen. Kon Trudy maar liegen tegen haar buren en hun vertellen dat ze epileptisch is en dat hun versieringen aanvallen veroorzaken en weggehaald moeten worden. Waarom moeten mensen toch zo’n circus maken van Kerstmis? Het zijn eigenlijk ellendige feestdagen, die Trudy altijd heeft doorgebracht op de boerderij, kaarsrecht zittend in haar zwarte kleren, terwijl Anna nog meer gevulde gans serveert, veel meer dan de twee vrouwen ooit op zouden kunnen. En dit jaar zal Trudy’s kerst bestaan uit een bezoek aan de Barmhartige Samaritaan in New Heidelburg, waar ze tegenover haar moeders eeuwige zwijgen ­gelatinepudding op zal lepelen.

Trudy doet haar ogen dicht. Misschien moet ze gewoon met dat hele project ophouden. Waarom zou ze nog meer straf over zichzelf afroepen als ze haar handen al vol heeft aan Anna? Misschien is het beter om niet te gaan roeren in deze slangenkuil. Om geen slapende honden wakker te maken.

Het verleden is dood. Het verleden is dood en dat kan maar beter zo blijven.

De lichtjes kloppen in waanzinnige patronen op Trudy’s oogleden. Ze slaat een arm over haar gezicht. Het concert is afgelopen en in de afwezigheid daarvan is het zo stil in huis, dat Trudy een klok in een andere kamer hoort tikken. Het herinnert haar aan het druppelende water in frau Kluges gootsteen.

Na een tijdje staat Trudy op, pakt haar mok van het bureau en loopt vermoeid terug naar de keuken. Ze giet de koude thee in de afvoer. Wast de mok en het lepeltje af en zet die in het afdruiprek. Gooit het theezakje weg, draait het deksel op de suikerpot en zet die in het kastje. Neemt het fornuis en het aanrecht af met een doekje. Hangt haar sleutels en jas op en stopt de handschoenen in de zakken.

Als alles op zijn plaats staat, doet Trudy het licht uit en loopt de trap op naar haar slaapkamer, waar ze haar laarzen uittrekt en met haar handen tussen haar opgetrokken benen op haar zij gaat liggen. Haar laatste bewuste gedachte, opgeroepen door het bleke parallellogram op de muur tegenover haar, is dat ze vergeten is de gordijnen dicht te doen. Maar de gestoorde lichtjes van de buren zijn hier in ieder geval niet te zien.

Trudy doezelt weg in een onrustige slaap. En droomt.

Ze zit in kleermakerszit op de grond in de woonkamer kerstcadeautjes in te pakken. Dat is een bizarre en zinloze onderneming, want afgezien van Ruth en Anna heeft Trudy niemand om cadeautjes aan te geven. Toch is ze omringd door kindercadeautjes: een hobbelpaard, een grote houten pop, een leger tinnen soldaatjes. Er is een eindeloze voorraad en als Trudy ze niet inpakt, blijven ze zich vermenigvuldigen en nemen haar huis over. Ze neemt een paar teugjes schnaps en steekt haar hand uit naar het volgende voorwerp: een geweer dat er zo echt uitziet, dat het Trudy verbaast dat er geen olie op haar handen achterblijft.

Ze zit te worstelen met een stukje plakband dat tussen haar duim en wijsvinger blijft plakken, als ze opeens gealarmeerd overeind schiet. Er klopt iets niet. Haar Brahms, Pianoconcert nr. 2, klinkt krasserig, alsof er een langspeelplaat opstaat in plaats van een cd. In de hoek is een kerstboom versierd met engelenhaar en opzichtige ballen uit de jaren veertig. En onder Trudy ligt niet een aftands oosters kleedje, maar haar moeders hoogpolige tapijt. Trudy laat zich weer zakken en schudt haar hoofd. Hoe kon ze zo dom zijn? Ze is helemaal niet in Minneapolis. Ze is op de boerderij. Maar... Als Jack dood is en Anna in de Barmhartige Samaritaan zit, wie is er dan in de keuken? Want Trudy hoort daar iemand rondlopen. En het gepiep van de koelkastdeur die open wordt gedaan.

Terwijl ze papiersnippers en gekrulde lintjes van haar knieën veegt, loopt Trudy nieuwsgierig naar de keuken. En daar, met zijn rug naar haar toe, ziet ze de Kerstman. Hij staat gebukt voor de oude koelkast tussen de spullen te graven. Wat hem niet aanstaat, gooit hij op de grond en wat hij lekker vindt, verorbert hij met zo veel smaak, dat zijn schouders ervan schudden.

Trudy is verontwaardigd. ‘U hoort hier helemaal niet te zijn,’ zegt ze. ‘De Kerstman hoort ’s nachts te komen, als de mensen slapen, weet u dat niet meer?’

De Kerstman draait zich om. Hij drinkt melk uit de fles, een gewoonte die zowel Trudy als Anna als onhygiënisch beschouwt. Door zijn rode mouw, afgezet met een vrolijk bontrandje, is zijn gezicht aan het oog onttrokken, maar Trudy ziet de adamsappel daaronder op en neer gaan.

Als de fles leeg is, gooit hij die door de keuken in de richting van de gootsteen. Maar hij mist en de fles valt op Anna’s linoleum. Glas en druppels vliegen alle kanten op.

‘Wegwezen,’ zegt Trudy tegen hem met trillende stem. ‘Mijn moeders huis uit.’

De Kerstman lacht vriendelijk. ‘Mijn lieve kind,’ zegt hij, ‘je moeder vindt het niet erg. Zij heeft me namelijk zelf uitgenodigd.’

En dan, op de tonen van de eenzame hoorns van het tweede deel van het concert, begint de Kerstman aan een misplaatste striptease. Langzaam maakt hij de knopen van zijn jasje los. Als dat openspringt, wordt niet het kussen of de gewatteerde vulling die je zou verwachten zichtbaar, maar eten: een ham in een netje, een blikje sardientjes, een paar roggebroden. Met veel ceremonieel zet hij die een voor een op Anna’s formica tafel. Dan maakt hij zijn riem los en begint zijn broekrits naar beneden te trekken.

‘Hou daarmee op,’ roept Trudy.

Maar de Kerstman negeert haar. Terwijl hij mee neuriet met Brahms, die nu op de verkeerde snelheid wordt afgedraaid waardoor de strijkers janken en piepen, duwt hij zijn broek naar beneden en schopt die uit. Daarvoor moet hij een nogal onbeholpen dansje doen, want hij heeft zijn glimmende zwarte laarzen nog aan. Al snel begrijpt Trudy waar-om: onder het Kerstmannenpak draagt hij het grijze uniform van de schutzstaffeln, de ss.

Hij zwaait een stoel onder de tafel vandaan en gaat zitten. Zijn gezicht gaat nu verborgen onder de klep van zijn pet. Het licht weerkaatst van de twee adelaars op zijn onderscheiding.

Hij slaat op zijn knie. ‘Kom maar zitten,’ zegt hij, ‘en vertel me eens: ben je dit jaar een braaf meisje geweest?’

‘Nee,’ zegt Trudy. ‘Nee, nee, nee...’

Hij gooit zijn hoofd achterover. ‘Ja?’ zegt hij, alsof hij haar niet verstaan heeft. ‘Goed. Dan zal ik je iets laten zien.’

Hij staat op en begint de knopen van deze broek ook los te maken.

‘Hou op,’ schreeuwt Trudy. ‘Ik wil het niet zien!’

Hij houdt zijn broek open en gaat in de houding staan. Hij draagt er niets onder en zijn onderbuik en schaamhaar zijn besmeurd met donker bloed. ‘Zie je wel, ik ben de Kerstman niet,’ zegt hij. ‘Ik ben Sint ­Nicolaas en ik kom als ik daar zin in heb.’