TIENDE HOOFDSTUK

 

 

Er zat voor Bas weinig anders op dan dat hij aan de overduidelijke wenk gevolg gaf. Hij kon immers niet terug; hij zat in de nauwe zijgang als een rat in de val. De zijgang liep dood, had hij gezien, en hij kon dus alleen maar recht vooruit, waar zijn belager op hem stond te wachten. Langzaam begaf Bas zich dan nu ook maar naar de hoofdgang.
„Een beetje opschieten!” klonk het ongeduldig. Maar Bas haastte zich niet overmatig. Hij moest tijd zien te winnen — tijd om bij zichzelf te overleggen wat hem nu te doen stond. Maar hij zag zo gauw nog geen gat in de onverwachte loop, die heel de geschiedenis zo ineens had genomen. Het was voor hem allemaal nogal duister, net zo duister als de nacht daarbuiten. Hij moest toch zien dat hij een beetje licht kreeg, dacht hij.
Toen hij bij de hoofdgang gekomen was, maakte hij een enigszins schichtige beweging, net of hij dreigde te vallen. De man veronderstelde natuurlijk dat het een afleidingsmanoeuvre van Bas was geweest, die langs hem heen wilde glippen om er vandoor te gaan. Met een wilde sprong was hij bij Bas. Het was diens bedoeling helemaal niet geweest om te vluchten. Hij slaagde echter wel in de werkelijke opzet, die hem voor ogen had gestaan. Bij de sprong van zijn belager zwaaide diens zaklantaarn wild heen en weer en het licht ervan schampte langs het gezicht van de man. Bas herkende inderdaad het gelaat, dat hij toch wel half en half verwacht had te zien: dat van de chauffeur van de Dauphine.
Mooi, dat wist hij dus weer. Maar meteen werd het hem duidelijk dat hij vast niet de kans zou krijgen er bij deze man tussenuit te knijpen. Een gewaarschuwd man telt voor twee en Bas was hem al twee keer tussen de vingers door geglipt. De man zou er zeker wel voor zorgen dat hem dit geen derde maal zou overkomen. Hij wist maar al te goed wie hij voor zich had.
„Hier!” gebood de man kortaf, terwijl hij Bas nog steviger beetpakte. Het was een greep als van een bankschroef en Bas hield zich angstvallig koest, want iedere beweging van zijn arm zou behoorlijk pijn doen. De chauffeur, die weer zijn leren jasje droeg, richtte nu vol nieuwsgierigheid zijn zaklantaarn in de zijgang. Het licht was wel zo sterk dat het ruimschoots de metalen koffer bescheen. „Dat is 'm zeker, hè,” zei de man tegen Bas. Die gaf niet eens antwoord en wachtte maar af wat er verder zou gebeuren. De man leek daarover zelf enigszins in het onzekere te verkeren. Klaarblijkelijk zou hij het liefst meteen de zijgang binnenstappen om de kist aan een nader onderzoek te onderwerpen. Maar wat moest hij in die tussentijd met Bas? Hij kon hem moeilijk mee de gang in nemen, want daarvoor was die te smal. Bas zou achter hem moeten blijven en dat leek de man iets te riskant.
De chauffeur stond te aarzelen tussen Bas en de koffer. Zijn nieuwsgierigheid leek het bijna toch nog te winnen, maar tenslotte kwam hij tot het verbluffende inzicht dat de koffer geen benen had en dus wel zou blijven staan, in tegenstelling tot Bas, die ongetwijfeld zou verdwijnen, als hij er ook maar het kleinste kansje voor zag.
„We gaan naar buiten,” zei de man. „Blijf vlak voor me. Geen gekke dingen, want ik heb je onder schot.” De chauffeur was al weer net zo weinig spraakzaam als 's morgens — praten scheen niet tot zijn geliefkoosde bezigheden te horen. Bas had er allerminst bezwaar tegen dat ze de buitenlucht weer zouden opzoeken, want het was hier onder de grond toch wel erg bedompt en benauwd. Hij liep. vermoedelijk echter niet snel genoeg naar de zin van de ander, die dus wel grote haast moest hebben. Voortdurend kreeg Bas porren in zijn rug dat hij moest opschieten. Hij probeerde daaraan zo goed mogelijk gevolg te geven, want het leek hem wel verstandiger zijn belager niet te prikkelen. Je wist nooit waartoe dergelijke kort aangebonden mensen in staat waren, wanneer ze hun geduld verloren. Maar Bas kon toch ook weer niet zó snel uit de voeten als de man wel scheen te wensen, want daarvoor was de gang te nauw en te donker. Nu en dan struikelde Bas bijna over de stenen, die hier en daar op de grond lagen, en prompt volgde er dan weer een ongeduldige por. Het viel te begrijpen dat Bas wat blij was, toen ze eindelijk bij de trap waren, die toegang gaf tot de buitenwereld. Hij zag de opening van het luik tegen de nachtelijke lucht afgetekend en hoe donker het ook was, hij meende toch even iets boven het luik te zien bewegen. Was het een mens geweest? Ineens maakte zich een vaag gevoel van hoop meester van Bas. Misschien was Molenaar er wel weer. De man was immers al twee keer heel onverwacht komen opduiken, wanneer de chauffeur van de oranjekleurige Dauphine in de buurt was. Waarom zou dat nu weer niet gebeuren? Bas vertrouwde die Molenaar ook niet zo heel erg, maar alles goed beschouwd had de man hem nog geen strobreed in de weg gelegd, integendeel... Het was dat Bas die bewuste koffer op zijn boot had gezien, anders zou hij zelfs geen greintje argwaan hebben gekoesterd jegens hem. En hoe dan ook: hij had liever met Molenaar te doen dan met de chauffeur. Van die man had hij weinig goeds te wachten. Dat kon je alleen al merken aan de manier, waarop de man hem voor zich uit dreef.
Voorzichtig, om zijn hoofd niet te stoten, beklom Bas de trap. De chauffeur hield hem daarbij stevig vast. Het kostte Bas daarom danig moeite niets te laten merken van de verrassing die hem overrompelde, toen hij met zijn hoofd boven de grond verscheen en daar een man zag wachten in wie hij na enig turen inderdaad Molenaar herkende. Dus toch weer . . . Molenaar stond daar rustig toe te kijken. Bas bleef krampachtig hopen dat de chauffeur toch maar niets zou merken. Molenaar kwam enkele stappen dichterbij. En toen kreeg Bas een schok, zoals hij die nog maar weinig in zijn leven had meegemaakt. Terwijl hij gespannen afwachtte wat Molenaar nu wel zou doen, zag hij hoe deze zich langs hem heen boog en tegen de chauffeur, die nu ook boven de grond kwam, zei:
„Zo, is het voor elkaar?”
„Ja, de kist is terecht,” deelde de chauffeur mee.
„Dat hebben we dus klaargespeeld,” zei Molenaar en niet zonder trots voegde hij eraan toe: „Je ziet het: geduld wordt altijd beloond. Die ruwe methodes zijn de beste niet. Met een beetje honing bereik je meer.”
Bas was te perplex om te reageren. Zijn benen waren eenvoudig als verlamd. Ongelovig keek hij van de chauffeur naar Molenaar en van Molenaar naar de chauffeur. Hij kon werkelijk niet geloven dat die twee onder één hoedje speelden.
„U wilt toch niet zeggen ...” begon hij, maar hij kon niet uit zijn woorden komen.
„Wat dacht je?” lachte Molenaar. „Dacht je nou heus dat ik uit pure menslievendheid steeds bij jou in de buurt ben gebleven. Je wilt me toch niet zeggen dat jij in de veronderstelling was dat het maar toeval was, wanneer ik bij jou opdook?”
„Ja maar...” Het dreigde Bas even te machtig te worden. Dat iemand je zo kon misleiden ... dat iemand zo gemeen kon zijn, dat wilde er bij hem eenvoudig niet in. Vertwijfeld keek hij Molenaar aan. Maar er was geen twijfel mogelijk: die twee waren handlangers. Ze overlegden nu even met elkaar en de chauffeur ging weer de onderaardse gang in.
Bas zag de man verdwijnen. Alles was nu verloren, het spel was uit en hij had aan het kortste eind getrokken. Hij hoefde er zich niet voor te schamen. Nooit had hij immers kunnen denken dat Molenaar zich zo zou verlagen. Het was wel erg jammer voor meneer Green, maar de schat was voor hem verloren. Bas betreurde dat heel erg, maar hij mocht met recht en rede zeggen dat hij gedaan had wat mogelijk was.
Terwijl Bas daar zo neerslachtig stond te kijken, zag hij ineens iets dat hem zijn ogen deed opensperren van verbazing. Wie kwamen daar in het donker naderbij? Jawel, dat waren tante Anna en tante Hanna, beiden gewapend met een paraplu, naar het scheen.
Het tweetal kwam heel voorzichtig naderbij. Als de situatie niet zo uiterst gespannen was geweest, zou Bas vast in lachen zijn uitgebarsten. Het was me nogal geen gezicht. Maar ten koste van alles moest hij zich nu ernstig houden, zodat Molenaar niets zou merken. Bas zag nog wel niet wat de beide tantes zouden kunnen ondernemen tegen deze man en zijn handlanger, maar alle hulp was op dit moment welkom.
„Het is wel een verrassing voor je, hè?” grijnsde Molenaar. De man was plotseling onuitstaanbaar geworden voor Bas. Hij zou hem wel van alles willen doen — maar dat kon nu niet. Hij moest zich juist poeslief houden, om de tantes in de gelegenheid te stellen hun plan ten uitvoer te brengen, wat dat dan ook mocht zijn. Het was jammer dat het niet meer regende. Het gedruis zou het geluid van hun naderende voetstappen hebben weggevaagd. Overigens moest Bas toegeven dat ze zich tot nog toe onhoorbaar voortbewogen.
„Ik moet zeggen dat u me op een enorme manier om de tuin hebt geleid,” zei Bas maar.
„Ik herhaal nog eens: je moet geduld hebben,” zei Molenaar heel zelfvoldaan. „Het plan was bijzonder handig uitgedacht, moet ik zeggen. Een van ons zou je steeds het vuur aan de schenen leggen en de ander zou je iedere keer weer zogenaamd te hulp komen. Vanmorgen leek het even mis te gaan, omdat we moeilijk hadden kunnen rekenen op het voorval met die slagersknecht. Maar we hebben het netjes opgelost.”
„Ik begrijp van heel de geschiedenis nog geen snars,” vertelde Bas en dat was de waarheid. Intussen keek hij maar weer eens naar de tantetjes. Vlug waren ze niet, dat was waar, maar ze maakten geen enkel geluid. Hoewel zijn oren erop gespitst waren, ving hij niets op dat op hun tegenwoordigheid wees. Dat gaf hem hoop voor het verdere verloop van het avontuur. Wie weet hoe het nog zou gaan ... Als hij die Molenaar maar aan de praat kon houden en als die chauffeur maar niet te vroeg boven water zou komen.
„Ik kan me voorstellen dat je er niets van snapt,” beaamde Molenaar. „Ik zal proberen het je zo kort mogelijk uit te leggen. Weet je wie je koffer in Londen heeft gestolen?”
„U misschien of die ander daar?” Bas wees naar de onderaardse gang, waar de chauffeur zich ophield.
„Ik ben het geweest. En nu moet jij eens raden in wiens opdracht dat is gebeurd.”
„Ik heb er geen idee van.”
„Je zou het ook nooit kunnen raden,” grijnsde Molenaar. Bas keek voorzichtig weer eens over de schouder van de man. Mensenkinderen, wat werd het spannend. De beide tantetjes waren misschien nog een dertig meter van hem verwijderd.
Ze moesten nu een open stuk over. Ze kwamen werkelijk maar voetje voor voetje vooruit. Het ging wel verschrikkelijk langzaam . . .
„Het is meneer Green,” deelde Molenaar mee. Bas keek de man ongelovig aan. Nou moest hij niet proberen hem wat wijs te maken. „Ja, daar kijk je van op, hè?” zei Molenaar.
„Toch is het zo. Green heeft die paperassen op een eerlijke manier in handen gekregen van een relatie en hij had ze meegenomen om in Nederland eens een onderzoek in te stellen. Toen kwam die overval in Frankfort en dat bracht hem aan het denken. Iemand had zijn mond voorbij gepraat en bepaalde lieden hadden dat gehoord en hun conclusies getrokken. Zouden die kerels misschien niet een tweede poging wagen, nu de eerste was mislukt? Maar waarom zou hij dat zelf niet doen, vroeg Green zich af. Waarom zou hij niet een diefstal op touw zetten en daarbij zorgen dat de papieren zogenaamd verdwenen, maar in werkelijkheid in zijn handen kwamen? Hij zou dan zelf op zoek kunnen gaan naar de schat en die voor zichzelf behouden ...” Uit de onderaardse gang klonken nu allerlei geluiden. Het leek erop of de man daar bezig was de kist open te breken. Bas was blij toe met dat lawaai. Mochten de tantes toch nog een of ander verraderlijk geluid veroorzaken, dan zou dat zeker worden overstemd door al die herrie uit de diepte. Intussen vervolgde Molenaar zijn verhaal.
„Green verzocht jou dus de koffer met de paperassen, die in de voering daarvan verborgen waren, naar Londen over te brengen. Hij had met opzet jou gekozen, omdat jij de man, die die overval in het Hofhotel op zijn kerfstok had, onschadelijk had gemaakt. Hij zou dus kunnen zeggen, dat hij de betrouwbaarste koerier had genomen die er maar was. Intussen nam hij contact op met mij en verzocht mij met een soortgelijke koffer naar Londen te vliegen en te zorgen dat ik er eerder was dan jij, zodat ik beide koffers kon verwisselen. Dat lukte voortreffelijk. De man die de koffer later naar de KLM terugbracht, had niets met de hele geschiedenis te maken. Het was een bediende, die dit karweitje tegen een flinke beloning voor me heeft opgeknapt. Ik had de paperassen uit de voering gelicht, maar ik was zo onverstandig geweest ze niet secuur te controleren. Ik had er, eerlijk gezegd, ook niet op gerekend dat jij een van de belangrijkste documenten, dat met de gegevens over de schuilplaats, zou achterhouden. Ik ontdekte dat pas, toen de koffer al weer terug was. Daarom ben ik 's avonds in je hotelkamer binnengedrongen.”
Bas luisterde naar het verhaal, maar tevens hield hij de beide tantetjes in het oog. Met onregelmatige tussenpozen klonk beneden het gehamer. Voor de afwisseling begon het nu ook weer eens te regenen. De beide dames keken naar de lucht in een houding of ze van die storing nou helemaal niet gediend waren. Bas zou niet eens gek hebben opgekeken, als ze allebei de paraplu hadden opgestoken, maar nee, die bleven ze voor zich uithouden als een gevaarlijke degen.
„Je stoorde me,” ging Molenaar verder, „en ik ben er maar vandoor gegaan. De volgende ochtend ben ik naar Nederland gevlogen en doorgereisd naar Horstenberg. Ik rekende er stellig op dat jij daar vandaag of morgen wel zou verschijnen om die schat te zoeken. Ik nam hem daar,” hij wees weer naar de diepte, waar nog altijd verwoed gehamerd werd, „in de arm. Hij zou je zogenaamd proberen te ontvoeren, terwijl ik je dan te hulp zou komen. We rekenden erop dat je mij dan in vertrouwen zou nemen of dat je zo verzekerd zou zijn van mijn hulp, dat je het erop zou wagen naar de schat te zoeken. We hielden je daarom voortdurend in het oog en we hebben je steeds gevolgd. Met de roeiboot dreigde het vanmorgen even mis te gaan.”
„Was u daarbij betrokken?” vroeg Bas.
„Ja, we rekenden erop dat je vandaag wel naar Petershof zou gaan en we hebben je dus in de gaten gehouden. Toen jij overgezet was, hebben we Koos naar de overkant gelokt en voor een tijdje buiten gevecht gesteld .. .” Toen Bas een verontwaardigd gebaar maakte, deelde Molenaar haastig mee: „Maak je geen zorgen, het was helemaal niet ernstig. We hebben hem een paar glaasjes te veel laten drinken. Vanmiddag is hij al weer aan de slag gegaan. Maar om op mijn verhaal terug te komen: toen de Beer buiten gevecht was, hebben we vlak bij de aanlegplaats van zijn overzetboot een andere roeiboot klaargelegd. Daar was op bijzonder vernuftige wijze een gat in geboord. Dat gat was weer gevuld met een of ander spul, dat — na een bepaalde tijd in het water te zijn geweest — gaat oplossen. Je zult dus nu wel begrijpen waarom je roeiboot zo plotseling lek was. We hadden echter niet op die knecht gerekend, moet ik zeggen. Maar dat is allemaal toch wel weer goed afgelopen.”
Molenaar zweeg even. Hij scheen heel gespannen te luisteren. Bas verstarde even van schrik: zou de man iets hebben gemerkt van de beide tantes, die nog altijd heel behoedzaam stapje voor stapje dichterbij kwamen? Nee, daar ging het hem niet om. Het was nu stil in de onderaardse gang en Molenaar leek te willen afluisteren wat de chauffeur aan het doen was. Hij moest de man aan de praat zien te houden, bedacht Bas, dan was zijn aandacht afgeleid en zou hij de tantes nog niet opmerken.
„Maar waar was het gedoe met die roeiboot goed voor?” vroeg hij. Molenaar lachte.
„Het was allemaal een beetje omslachtig moet ik zeggen, maar ik wilde je vertrouwen winnen door je weer een keer te hulp te komen. Bovendien hoopte ik dat jij het document met de aantekeningen over de bergplaats van de schat in je jasje zou hebben en dat ik dat in handen zou krijgen.”
„Het ligt op de bodem van de rivier,” vertelde Bas.
„Ik heb er gedregd,” deelde Molenaar mee, „en ik had het jasje gauw te pakken, maar de aantekeningen waren er niet.”
„Dat klopt,” zei Bas, „die waren veilig opgeborgen.”
„Hindert niets,” vond Molenaar, „we weten nu toch waar de schat ligt, nietwaar?” Er gleed een trek van tevredenheid over zijn gelaat. „Ik heb het idee dat de kist wel open is,” zei hij dan. „Het is daar beneden zo stil.”
„Kijk maar uit dat die man er niet vandoor gaat,” waarschuwde Bas hem spottend.
„Dat doet hij niet,” zei Molenaar kortaf. Toch boog hij zich voor alle zekerheid naar het gat of hij misschien iets horen kon. Bas hield zijn adem in. De tantetjes waren nu misschien nog een meter of vijf, zes van Molenaar verwijderd. Wat ging er nu gebeuren?
Bas hoefde niet lang te wachten, want daar schoot tante Anna snel naar voren en prikte Molenaar venijnig met de punt van haar paraplu in zijn rug.
„Handen omhoog, meneer,” zei ze vinnig. Meteen kwam tante Hanna haastig naderbij.
„Dat is niet eerlijk, Anna,” beklaagde ze zich. „We zouden het tegelijk doen.”
Lieve hemel, dacht Bas, nou loopt het toch nog weer mis. Molenaar was een ogenblik zo verbijsterd geweest van schrik dat hij helemaal niet reageerde, maar als verlamd bleef staan. Toen hij de stem van tante Hanna hoorde, draaide hij zich om. Een ogenblik scheen hij niet te kunnen geloven wat hij zag, dan wilde hij beide dames te lijf gaan.
Nu greep Bas in. Hij sprong de man op de rug, die nog kans zag een waarschuwingskreet te slaken voor hij tegen de grond ging. Er ontstond een hoogst merkwaardig gevecht. Bas voelde al gauw dat Molenaar sterker was dan hij, maar de man werd belaagd door de beide tantes, die hem met hun paraplu's prikten waar ze hem maar raken konden. Intussen slaakten ze allerlei waarschuwingskreten naar Bas.
,Kijk uit, Bas, hij wil je slaan.”
„Voorzichtig, Bas, zorg dat je je niet bezeert.”
„Geef hem van katoen, Bas,” riep tante Anna.
„Kun je het volhouden, Bas?” vroeg tante Hanna bezorgd, terwijl ze Molenaar een fikse stoot gaf met haar paraplu. De beide dames keken zo naar het gevecht, dat Bas toch wel dreigde te verliezen, dat ze geen van beiden de chauffeur zagen, die uit de onderaardse gang geklommen kwam. Misschien ook was hij klaar met zijn onderzoek — hoe dan ook, toen hij zag dat zijn handlanger aan het vechten was met Bas, stortte hij zich op het tweetal.
Het pleit zou nu snel beslecht zijn. Gelukkig begon er echter verwoed een hond te blaffen, die wakker geworden was van al dit lawaai. Het was de waakhond van de boerderij, waartoe Petershof behoorde en die een meter of tweehonderd verderop lag. Enkele ogenblikken later flitste daar licht aan. De twee mannen hoorden het geblaf; ze zagen ook tussen de bomen door het vierkant van het verlichte raam en meteen Wil de strijd ten einde. Ze begrepen dat ze zich alleen nog maar door de vlucht konden redden.
Bas probeerde Molenaar nog te pakken te krijgen toen die er vandoor ging, maar dat lukte hem niet meer. Tante Anna gooide de man haar paraplu voor de benen. Het leek of hij erover zou struikelen, maar hij wist staande te blijven. Samen met de chauffeur verdween hij in de duisternis.
Enkele minuten later klonk het gegrom van twee motoren; die van de Dauphine en die van Molenaars boot.
„Nu zijn ze er nog tussenuit,” zei Bas spijtig.
„Welnee,” lachten de beide tantetjes, die zich meteen op hun geliefde neef stortten om te zien of hij geen beschadigingen in het gevecht had opgelopen.
„Nee, ik mankeer niets,” weerde hij hen af, ook al voelde hij over heel zijn lichaam pijn. „We moeten meteen de politie waarschuwen,” zei hij dan.
„Dat is al gebeurd, “ stelde tante Anna hem gerust. „Ze staan die twee mannen eenvoudig op te wachten,” voegde tante Hanna eraan toe.
„Hoe kan dat dan?” wilde Bas weten.
„We zijn met de roeiboot van Koos de Beer overgekomen,” vertelde tante Hanna. „Sliep hij dan niet?”
„Jawel, maar als je hard genoeg belt, hoort hij het wel. Hij heeft telefoon en we hebben dus bij hem opgebeld naar de politie. We hadden namelijk die motorboot langs horen komen en we zagen ook die auto. Nou hebben we maar een paar agenten in Horstenberg en daarom hebben ze een krijgslist bedacht. Ze zullen de ophaalbrug half open zetten zodat de boot er niet onderdoor kan en de auto er niet overheen. De politie wacht hen daar op.”
Bas keek zijn beide tantes aan of hij het in Keulen hoorde donderen. Wie zou dat nu achter die twee oude dametjes hebben gezocht?
„Maar hoe kwam u op het idee dat er iets niet in orde was?” vroeg hij.
„Je denkt toch niet dat we van gisteren zijn?” zei tante Anna.
„We zijn wel wat mans,” voegde tante Hanna eraan toe.
„Daar ben ik nu wel van overtuigd,” bevestigde Bas vol ontzag. „Maar waarom vertrouwde u het niet?”
„Het begon al gisteren met die expresbrief,” vertelde tante Hanna.
„Eerst zou je wel komen,” vervolgde haar zuster, „toen kwam die chauffeur vertellen dat je verhinderd was en tenslotte kwam je toch. Daarna was er de geschiedenis met die roeiboot, die zo plotseling zonk. Toen jij 's middags lag te slapen, kwam de bakker langs en die vertelde ons in geuren en kleuren wat er zich vanmorgen in het dorp had afgespeeld.”
„En dan waren er nog de kleren die jij geleend had van die meneer,” zei tante Hanna.
„Juist,” zei Anna, „die meneer heette Molenaar, zei jij.”
„En in zijn kleren zat een merkje met de letters A.C.,” deelde Hanna mee. „Toen was het ons wel duidelijk dat het geen zuivere koffie was. Anna hoorde jou uit het dakraam klimmen en we zijn je toen achterna gegaan. Dat is het dus .. .”
„Mag ik misschien eens weten wat hier allemaal aan de hand is?” mengde zich nu een zware stem in het gesprek. Bas zag wie het was: de eigenaar van Petershof.
„Ha, dag meneer Brouwer,” piepten de beide dametjes.
„Zeg maar, goedenacht,” bromde de man.
„We hebben goed nieuws voor u,” haastte tante Anna zich hem te verzekeren.
„Heel goed nieuws,” bevestigde tante Hanna.
„Het zal wat zijn,” bromde de man nog altijd nors.
„Onze neef heeft de schat van Petershof gevonden.”
„Schei nou alsjeblieft uit over die schat,” zei de man boos. „Het is dat ik u beiden zo goed ken, anders zou ik u op staande voet van het land zetten.”
„Het is echt waar,” verzekerden de beide dames de man om strijd. Bas liet zijn zaklantaarn schijnen en richtte de bundel op het luik en het gapende gat in de grond. Nu werd de man nieuwsgierig.
„Dus toch . . .” Zei hij.
„Gaat u maar kijken,” nodigde Bas hem uit. Enkele minuten later bekeken ze om beurten de kist, die inderdaad door de chauffeur was opengebroken. Er bevond zich in de koffer een onvoorstelbare hoeveelheid kostbaarheden: juwelen, goudstukken, sieraden. Voor kapitalen was hier aanwezig.
„Daar moeten we onmiddellijk de politie van in kennis stellen,” zei de eigenaar van Petershof, die zwijgend de schat in ogenschouw had genomen.
Met hun vieren gingen ze naar de boerderij. Toen ze de politie belden, kregen ze meteen te horen dat zowel de man van de Dauphine als de man die zich Molenaar noemde, maar in werkelijkheid Cornelisse heette, reeds gearresteerd waren. Ze waren inderdaad bij de half geopende brug in de val gelopen.

De volgende dag vertrok Bas naar de krant met de reportage, die hij over de schat van Petershof had geschreven. Het artikel kwam op de eerste pagina te staan, omdat geen enkele andere krant bijzonderheden over deze geschiedenis had.
Erfgenamen van de vroegere eigenaars van de kostbaarheden lazen Bas' verhaal en meldden zich. Intussen was meneer Green, die zich nog in het ziekenhuis van Frankfort bevond, door de politie gearresteerd. Hij en zijn medeplichtigen zouden hun rechtvaardige straf niet ontgaan. Maar het allerbelangrijkste vond Bas toch wel, dat de schat in handen was gekomen van de rechthebbenden en niet van de ongure „schatgravers”, die alles in het werk hadden gesteld om de kostbaarheden op te sporen en in de wacht te slepen. Bas was wat blij dat hij hierbij een handje had mogen meehelpen. Nog vaak dacht hij aan dit avontuur met de schatgravers terug en altijd weer schoot hij dan in de lach, wanneer hij zijn beide tantes weer voor zich zag. Zij waren toch wel de heldinnen van dit verhaal, vond hij, en het leuke was dat het zulke schattige, innemende heldinnen waren, die vonden dat ze helemaal niets bijzonders hadden gedaan. Ze hadden er alleen voor willen zorgen dat hun lieve neef niets overkwam. En dat was hun inderdaad gelukt!