TIENDE HOOFDSTUK
Er zat voor Bas weinig anders op dan dat hij aan
de overduidelijke wenk gevolg gaf. Hij kon immers niet terug; hij
zat in de nauwe zijgang als een rat in de val. De zijgang liep
dood, had hij gezien, en hij kon dus alleen maar recht vooruit,
waar zijn belager op hem stond te wachten. Langzaam begaf Bas zich
dan nu ook maar naar de hoofdgang.
„Een beetje opschieten!” klonk het ongeduldig. Maar Bas haastte
zich niet overmatig. Hij moest tijd zien te winnen — tijd om bij
zichzelf te overleggen wat hem nu te doen stond. Maar hij zag zo
gauw nog geen gat in de onverwachte loop, die heel de geschiedenis
zo ineens had genomen. Het was voor hem allemaal nogal duister, net
zo duister als de nacht daarbuiten. Hij moest toch zien dat hij een
beetje licht kreeg, dacht hij.
Toen hij bij de hoofdgang gekomen was, maakte hij een enigszins
schichtige beweging, net of hij dreigde te vallen. De man
veronderstelde natuurlijk dat het een afleidingsmanoeuvre van Bas
was geweest, die langs hem heen wilde glippen om er vandoor te
gaan. Met een wilde sprong was hij bij Bas. Het was diens bedoeling
helemaal niet geweest om te vluchten. Hij slaagde echter wel in de
werkelijke opzet, die hem voor ogen had gestaan. Bij de sprong van
zijn belager zwaaide diens zaklantaarn wild heen en weer en het
licht ervan schampte langs het gezicht van de man. Bas herkende
inderdaad het gelaat, dat hij toch wel half en half verwacht had te
zien: dat van de chauffeur van de Dauphine.
Mooi, dat wist hij dus weer. Maar meteen werd het hem duidelijk dat
hij vast niet de kans zou krijgen er bij deze man tussenuit te
knijpen. Een gewaarschuwd man telt voor twee en Bas was hem al twee
keer tussen de vingers door geglipt. De man zou er zeker wel voor
zorgen dat hem dit geen derde maal zou overkomen. Hij wist maar al
te goed wie hij voor zich had.
„Hier!” gebood de man kortaf, terwijl hij Bas nog steviger
beetpakte. Het was een greep als van een bankschroef en Bas hield
zich angstvallig koest, want iedere beweging van zijn arm zou
behoorlijk pijn doen. De chauffeur, die weer zijn leren jasje
droeg, richtte nu vol nieuwsgierigheid zijn zaklantaarn in de
zijgang. Het licht was wel zo sterk dat het ruimschoots de metalen
koffer bescheen. „Dat is 'm zeker, hè,” zei de man tegen Bas. Die
gaf niet eens antwoord en wachtte maar af wat er verder zou
gebeuren. De man leek daarover zelf enigszins in het onzekere te
verkeren. Klaarblijkelijk zou hij het liefst meteen de zijgang
binnenstappen om de kist aan een nader onderzoek te onderwerpen.
Maar wat moest hij in die tussentijd met Bas? Hij kon hem moeilijk
mee de gang in nemen, want daarvoor was die te smal. Bas zou achter
hem moeten blijven en dat leek de man iets te riskant.
De chauffeur stond te aarzelen tussen Bas en de koffer. Zijn
nieuwsgierigheid leek het bijna toch nog te winnen, maar tenslotte
kwam hij tot het verbluffende inzicht dat de koffer geen benen had
en dus wel zou blijven staan, in tegenstelling tot Bas, die
ongetwijfeld zou verdwijnen, als hij er ook maar het kleinste
kansje voor zag.
„We gaan naar buiten,” zei de man. „Blijf vlak voor me. Geen gekke
dingen, want ik heb je onder schot.” De chauffeur was al weer net
zo weinig spraakzaam als 's morgens — praten scheen niet tot zijn
geliefkoosde bezigheden te horen. Bas had er allerminst bezwaar
tegen dat ze de buitenlucht weer zouden opzoeken, want het was hier
onder de grond toch wel erg bedompt en benauwd. Hij liep.
vermoedelijk echter niet snel genoeg naar de zin van de ander, die
dus wel grote haast moest hebben. Voortdurend kreeg Bas porren in
zijn rug dat hij moest opschieten. Hij probeerde daaraan zo goed
mogelijk gevolg te geven, want het leek hem wel verstandiger zijn
belager niet te prikkelen. Je wist nooit waartoe dergelijke kort
aangebonden mensen in staat waren, wanneer ze hun geduld verloren.
Maar Bas kon toch ook weer niet zó snel uit de voeten als de man
wel scheen te wensen, want daarvoor was de gang te nauw en te
donker. Nu en dan struikelde Bas bijna over de stenen, die hier en
daar op de grond lagen, en prompt volgde er dan weer een
ongeduldige por. Het viel te begrijpen dat Bas wat blij was, toen
ze eindelijk bij de trap waren, die toegang gaf tot de
buitenwereld. Hij zag de opening van het luik tegen de nachtelijke
lucht afgetekend en hoe donker het ook was, hij meende toch even
iets boven het luik te zien bewegen. Was het een mens geweest?
Ineens maakte zich een vaag gevoel van hoop meester van Bas.
Misschien was Molenaar er wel weer. De man was immers al twee keer
heel onverwacht komen opduiken, wanneer de chauffeur van de
oranjekleurige Dauphine in de buurt was. Waarom zou dat nu weer
niet gebeuren? Bas vertrouwde die Molenaar ook niet zo heel erg,
maar alles goed beschouwd had de man hem nog geen strobreed in de
weg gelegd, integendeel... Het was dat Bas die bewuste koffer op
zijn boot had gezien, anders zou hij zelfs geen greintje argwaan
hebben gekoesterd jegens hem. En hoe dan ook: hij had liever met
Molenaar te doen dan met de chauffeur. Van die man had hij weinig
goeds te wachten. Dat kon je alleen al merken aan de manier, waarop
de man hem voor zich uit dreef.
Voorzichtig, om zijn hoofd niet te stoten, beklom Bas de trap. De
chauffeur hield hem daarbij stevig vast. Het kostte Bas daarom
danig moeite niets te laten merken van de verrassing die hem
overrompelde, toen hij met zijn hoofd boven de grond verscheen en
daar een man zag wachten in wie hij na enig turen inderdaad
Molenaar herkende. Dus toch weer . . . Molenaar stond daar rustig
toe te kijken. Bas bleef krampachtig hopen dat de chauffeur toch
maar niets zou merken. Molenaar kwam enkele stappen dichterbij. En
toen kreeg Bas een schok, zoals hij die nog maar weinig in zijn
leven had meegemaakt. Terwijl hij gespannen afwachtte wat Molenaar
nu wel zou doen, zag hij hoe deze zich langs hem heen boog en tegen
de chauffeur, die nu ook boven de grond kwam, zei:
„Zo, is het voor elkaar?”
„Ja, de kist is terecht,” deelde de chauffeur mee.
„Dat hebben we dus klaargespeeld,” zei Molenaar en niet zonder
trots voegde hij eraan toe: „Je ziet het: geduld wordt altijd
beloond. Die ruwe methodes zijn de beste niet. Met een beetje
honing bereik je meer.”
Bas was te perplex om te reageren. Zijn benen waren eenvoudig als
verlamd. Ongelovig keek hij van de chauffeur naar Molenaar en van
Molenaar naar de chauffeur. Hij kon werkelijk niet geloven dat die
twee onder één hoedje speelden.
„U wilt toch niet zeggen ...” begon hij, maar hij kon niet uit zijn
woorden komen.
„Wat dacht je?” lachte Molenaar. „Dacht je nou heus dat ik uit pure
menslievendheid steeds bij jou in de buurt ben gebleven. Je wilt me
toch niet zeggen dat jij in de veronderstelling was dat het maar
toeval was, wanneer ik bij jou opdook?”
„Ja maar...” Het dreigde Bas even te machtig te worden. Dat iemand
je zo kon misleiden ... dat iemand zo gemeen kon zijn, dat wilde er
bij hem eenvoudig niet in. Vertwijfeld keek hij Molenaar aan. Maar
er was geen twijfel mogelijk: die twee waren handlangers. Ze
overlegden nu even met elkaar en de chauffeur ging weer de
onderaardse gang in.
Bas zag de man verdwijnen. Alles was nu verloren, het spel was uit
en hij had aan het kortste eind getrokken. Hij hoefde er zich niet
voor te schamen. Nooit had hij immers kunnen denken dat Molenaar
zich zo zou verlagen. Het was wel erg jammer voor meneer Green,
maar de schat was voor hem verloren. Bas betreurde dat heel erg,
maar hij mocht met recht en rede zeggen dat hij gedaan had wat
mogelijk was.
Terwijl Bas daar zo neerslachtig stond te kijken, zag hij ineens
iets dat hem zijn ogen deed opensperren van verbazing. Wie kwamen
daar in het donker naderbij? Jawel, dat waren tante Anna en tante
Hanna, beiden gewapend met een paraplu, naar het scheen.
Het tweetal kwam heel voorzichtig naderbij. Als de situatie niet zo
uiterst gespannen was geweest, zou Bas vast in lachen zijn
uitgebarsten. Het was me nogal geen gezicht. Maar ten koste van
alles moest hij zich nu ernstig houden, zodat Molenaar niets zou
merken. Bas zag nog wel niet wat de beide tantes zouden kunnen
ondernemen tegen deze man en zijn handlanger, maar alle hulp was op
dit moment welkom.
„Het is wel een verrassing voor je, hè?” grijnsde Molenaar. De man
was plotseling onuitstaanbaar geworden voor Bas. Hij zou hem wel
van alles willen doen — maar dat kon nu niet. Hij moest zich juist
poeslief houden, om de tantes in de gelegenheid te stellen hun plan
ten uitvoer te brengen, wat dat dan ook mocht zijn. Het was jammer
dat het niet meer regende. Het gedruis zou het geluid van hun
naderende voetstappen hebben weggevaagd. Overigens moest Bas
toegeven dat ze zich tot nog toe onhoorbaar voortbewogen.
„Ik moet zeggen dat u me op een enorme manier om de tuin hebt
geleid,” zei Bas maar.
„Ik herhaal nog eens: je moet geduld hebben,” zei Molenaar heel
zelfvoldaan. „Het plan was bijzonder handig uitgedacht, moet ik
zeggen. Een van ons zou je steeds het vuur aan de schenen leggen en
de ander zou je iedere keer weer zogenaamd te hulp komen. Vanmorgen
leek het even mis te gaan, omdat we moeilijk hadden kunnen rekenen
op het voorval met die slagersknecht. Maar we hebben het netjes
opgelost.”
„Ik begrijp van heel de geschiedenis nog geen snars,” vertelde Bas
en dat was de waarheid. Intussen keek hij maar weer eens naar de
tantetjes. Vlug waren ze niet, dat was waar, maar ze maakten geen
enkel geluid. Hoewel zijn oren erop gespitst waren, ving hij niets
op dat op hun tegenwoordigheid wees. Dat gaf hem hoop voor het
verdere verloop van het avontuur. Wie weet hoe het nog zou gaan ...
Als hij die Molenaar maar aan de praat kon houden en als die
chauffeur maar niet te vroeg boven water zou komen.
„Ik kan me voorstellen dat je er niets van snapt,” beaamde
Molenaar. „Ik zal proberen het je zo kort mogelijk uit te leggen.
Weet je wie je koffer in Londen heeft gestolen?”
„U misschien of die ander daar?” Bas wees naar de onderaardse gang,
waar de chauffeur zich ophield.
„Ik ben het geweest. En nu moet jij eens raden in wiens opdracht
dat is gebeurd.”
„Ik heb er geen idee van.”
„Je zou het ook nooit kunnen raden,” grijnsde Molenaar. Bas keek
voorzichtig weer eens over de schouder van de man. Mensenkinderen,
wat werd het spannend. De beide tantetjes waren misschien nog een
dertig meter van hem verwijderd.
Ze moesten nu een open stuk over. Ze kwamen werkelijk maar voetje
voor voetje vooruit. Het ging wel verschrikkelijk langzaam . .
.
„Het is meneer Green,” deelde Molenaar mee. Bas keek de man
ongelovig aan. Nou moest hij niet proberen hem wat wijs te maken.
„Ja, daar kijk je van op, hè?” zei Molenaar.
„Toch is het zo. Green heeft die paperassen op een eerlijke manier
in handen gekregen van een relatie en hij had ze meegenomen om in
Nederland eens een onderzoek in te stellen. Toen kwam die overval
in Frankfort en dat bracht hem aan het denken. Iemand had zijn mond
voorbij gepraat en bepaalde lieden hadden dat gehoord en hun
conclusies getrokken. Zouden die kerels misschien niet een tweede
poging wagen, nu de eerste was mislukt? Maar waarom zou hij dat
zelf niet doen, vroeg Green zich af. Waarom zou hij niet een
diefstal op touw zetten en daarbij zorgen dat de papieren zogenaamd
verdwenen, maar in werkelijkheid in zijn handen kwamen? Hij zou dan
zelf op zoek kunnen gaan naar de schat en die voor zichzelf
behouden ...” Uit de onderaardse gang klonken nu allerlei geluiden.
Het leek erop of de man daar bezig was de kist open te breken. Bas
was blij toe met dat lawaai. Mochten de tantes toch nog een of
ander verraderlijk geluid veroorzaken, dan zou dat zeker worden
overstemd door al die herrie uit de diepte. Intussen vervolgde
Molenaar zijn verhaal.
„Green verzocht jou dus de koffer met de paperassen, die in de
voering daarvan verborgen waren, naar Londen over te brengen. Hij
had met opzet jou gekozen, omdat jij de man, die die overval in het
Hofhotel op zijn kerfstok had, onschadelijk had gemaakt. Hij zou
dus kunnen zeggen, dat hij de betrouwbaarste koerier had genomen
die er maar was. Intussen nam hij contact op met mij en verzocht
mij met een soortgelijke koffer naar Londen te vliegen en te zorgen
dat ik er eerder was dan jij, zodat ik beide koffers kon
verwisselen. Dat lukte voortreffelijk. De man die de koffer later
naar de KLM terugbracht, had niets met de hele geschiedenis te
maken. Het was een bediende, die dit karweitje tegen een flinke
beloning voor me heeft opgeknapt. Ik had de paperassen uit de
voering gelicht, maar ik was zo onverstandig geweest ze niet secuur
te controleren. Ik had er, eerlijk gezegd, ook niet op gerekend dat
jij een van de belangrijkste documenten, dat met de gegevens over
de schuilplaats, zou achterhouden. Ik ontdekte dat pas, toen de
koffer al weer terug was. Daarom ben ik 's avonds in je hotelkamer
binnengedrongen.”
Bas luisterde naar het verhaal, maar tevens hield hij de beide
tantetjes in het oog. Met onregelmatige tussenpozen klonk beneden
het gehamer. Voor de afwisseling begon het nu ook weer eens te
regenen. De beide dames keken naar de lucht in een houding of ze
van die storing nou helemaal niet gediend waren. Bas zou niet eens
gek hebben opgekeken, als ze allebei de paraplu hadden opgestoken,
maar nee, die bleven ze voor zich uithouden als een gevaarlijke
degen.
„Je stoorde me,” ging Molenaar verder, „en ik ben er maar vandoor
gegaan. De volgende ochtend ben ik naar Nederland gevlogen en
doorgereisd naar Horstenberg. Ik rekende er stellig op dat jij daar
vandaag of morgen wel zou verschijnen om die schat te zoeken. Ik
nam hem daar,” hij wees weer naar de diepte, waar nog altijd
verwoed gehamerd werd, „in de arm. Hij zou je zogenaamd proberen te
ontvoeren, terwijl ik je dan te hulp zou komen. We rekenden erop
dat je mij dan in vertrouwen zou nemen of dat je zo verzekerd zou
zijn van mijn hulp, dat je het erop zou wagen naar de schat te
zoeken. We hielden je daarom voortdurend in het oog en we hebben je
steeds gevolgd. Met de roeiboot dreigde het vanmorgen even mis te
gaan.”
„Was u daarbij betrokken?” vroeg Bas.
„Ja, we rekenden erop dat je vandaag wel naar Petershof zou gaan en
we hebben je dus in de gaten gehouden. Toen jij overgezet was,
hebben we Koos naar de overkant gelokt en voor een tijdje buiten
gevecht gesteld .. .” Toen Bas een verontwaardigd gebaar maakte,
deelde Molenaar haastig mee: „Maak je geen zorgen, het was helemaal
niet ernstig. We hebben hem een paar glaasjes te veel laten
drinken. Vanmiddag is hij al weer aan de slag gegaan. Maar om op
mijn verhaal terug te komen: toen de Beer buiten gevecht was,
hebben we vlak bij de aanlegplaats van zijn overzetboot een andere
roeiboot klaargelegd. Daar was op bijzonder vernuftige wijze een
gat in geboord. Dat gat was weer gevuld met een of ander spul, dat
— na een bepaalde tijd in het water te zijn geweest — gaat
oplossen. Je zult dus nu wel begrijpen waarom je roeiboot zo
plotseling lek was. We hadden echter niet op die knecht gerekend,
moet ik zeggen. Maar dat is allemaal toch wel weer goed
afgelopen.”
Molenaar zweeg even. Hij scheen heel gespannen te luisteren. Bas
verstarde even van schrik: zou de man iets hebben gemerkt van de
beide tantes, die nog altijd heel behoedzaam stapje voor stapje
dichterbij kwamen? Nee, daar ging het hem niet om. Het was nu stil
in de onderaardse gang en Molenaar leek te willen afluisteren wat
de chauffeur aan het doen was. Hij moest de man aan de praat zien
te houden, bedacht Bas, dan was zijn aandacht afgeleid en zou hij
de tantes nog niet opmerken.
„Maar waar was het gedoe met die roeiboot goed voor?” vroeg hij.
Molenaar lachte.
„Het was allemaal een beetje omslachtig moet ik zeggen, maar ik
wilde je vertrouwen winnen door je weer een keer te hulp te komen.
Bovendien hoopte ik dat jij het document met de aantekeningen over
de bergplaats van de schat in je jasje zou hebben en dat ik dat in
handen zou krijgen.”
„Het ligt op de bodem van de rivier,” vertelde Bas.
„Ik heb er gedregd,” deelde Molenaar mee, „en ik had het jasje gauw
te pakken, maar de aantekeningen waren er niet.”
„Dat klopt,” zei Bas, „die waren veilig opgeborgen.”
„Hindert niets,” vond Molenaar, „we weten nu toch waar de schat
ligt, nietwaar?” Er gleed een trek van tevredenheid over zijn
gelaat. „Ik heb het idee dat de kist wel open is,” zei hij dan.
„Het is daar beneden zo stil.”
„Kijk maar uit dat die man er niet vandoor gaat,” waarschuwde Bas
hem spottend.
„Dat doet hij niet,” zei Molenaar kortaf. Toch boog hij zich voor
alle zekerheid naar het gat of hij misschien iets horen kon. Bas
hield zijn adem in. De tantetjes waren nu misschien nog een meter
of vijf, zes van Molenaar verwijderd. Wat ging er nu gebeuren?
Bas hoefde niet lang te wachten, want daar schoot tante Anna snel
naar voren en prikte Molenaar venijnig met de punt van haar paraplu
in zijn rug.
„Handen omhoog, meneer,” zei ze vinnig. Meteen kwam tante Hanna
haastig naderbij.
„Dat is niet eerlijk, Anna,” beklaagde ze zich. „We zouden het
tegelijk doen.”
Lieve hemel, dacht Bas, nou loopt het toch nog weer mis. Molenaar
was een ogenblik zo verbijsterd geweest van schrik dat hij helemaal
niet reageerde, maar als verlamd bleef staan. Toen hij de stem van
tante Hanna hoorde, draaide hij zich om. Een ogenblik scheen hij
niet te kunnen geloven wat hij zag, dan wilde hij beide dames te
lijf gaan.
Nu greep Bas in. Hij sprong de man op de rug, die nog kans zag een
waarschuwingskreet te slaken voor hij tegen de grond ging. Er
ontstond een hoogst merkwaardig gevecht. Bas voelde al gauw dat
Molenaar sterker was dan hij, maar de man werd belaagd door de
beide tantes, die hem met hun paraplu's prikten waar ze hem maar
raken konden. Intussen slaakten ze allerlei waarschuwingskreten
naar Bas.
,Kijk uit, Bas, hij wil je slaan.”
„Voorzichtig, Bas, zorg dat je je niet bezeert.”
„Geef hem van katoen, Bas,” riep tante Anna.
„Kun je het volhouden, Bas?” vroeg tante Hanna bezorgd, terwijl ze
Molenaar een fikse stoot gaf met haar paraplu. De beide dames keken
zo naar het gevecht, dat Bas toch wel dreigde te verliezen, dat ze
geen van beiden de chauffeur zagen, die uit de onderaardse gang
geklommen kwam. Misschien ook was hij klaar met zijn onderzoek —
hoe dan ook, toen hij zag dat zijn handlanger aan het vechten was
met Bas, stortte hij zich op het tweetal.
Het pleit zou nu snel beslecht zijn. Gelukkig begon er echter
verwoed een hond te blaffen, die wakker geworden was van al dit
lawaai. Het was de waakhond van de boerderij, waartoe Petershof
behoorde en die een meter of tweehonderd verderop lag. Enkele
ogenblikken later flitste daar licht aan. De twee mannen hoorden
het geblaf; ze zagen ook tussen de bomen door het vierkant van het
verlichte raam en meteen Wil de strijd ten einde. Ze begrepen dat
ze zich alleen nog maar door de vlucht konden redden.
Bas probeerde Molenaar nog te pakken te krijgen toen die er vandoor
ging, maar dat lukte hem niet meer. Tante Anna gooide de man haar
paraplu voor de benen. Het leek of hij erover zou struikelen, maar
hij wist staande te blijven. Samen met de chauffeur verdween hij in
de duisternis.
Enkele minuten later klonk het gegrom van twee motoren; die van de
Dauphine en die van Molenaars boot.
„Nu zijn ze er nog tussenuit,” zei Bas spijtig.
„Welnee,” lachten de beide tantetjes, die zich meteen op hun
geliefde neef stortten om te zien of hij geen beschadigingen in het
gevecht had opgelopen.
„Nee, ik mankeer niets,” weerde hij hen af, ook al voelde hij over
heel zijn lichaam pijn. „We moeten meteen de politie waarschuwen,”
zei hij dan.
„Dat is al gebeurd, “ stelde tante Anna hem gerust. „Ze staan die
twee mannen eenvoudig op te wachten,” voegde tante Hanna eraan
toe.
„Hoe kan dat dan?” wilde Bas weten.
„We zijn met de roeiboot van Koos de Beer overgekomen,” vertelde
tante Hanna. „Sliep hij dan niet?”
„Jawel, maar als je hard genoeg belt, hoort hij het wel. Hij heeft
telefoon en we hebben dus bij hem opgebeld naar de politie. We
hadden namelijk die motorboot langs horen komen en we zagen ook die
auto. Nou hebben we maar een paar agenten in Horstenberg en daarom
hebben ze een krijgslist bedacht. Ze zullen de ophaalbrug half open
zetten zodat de boot er niet onderdoor kan en de auto er niet
overheen. De politie wacht hen daar op.”
Bas keek zijn beide tantes aan of hij het in Keulen hoorde
donderen. Wie zou dat nu achter die twee oude dametjes hebben
gezocht?
„Maar hoe kwam u op het idee dat er iets niet in orde was?” vroeg
hij.
„Je denkt toch niet dat we van gisteren zijn?” zei tante Anna.
„We zijn wel wat mans,” voegde tante Hanna eraan toe.
„Daar ben ik nu wel van overtuigd,” bevestigde Bas vol ontzag.
„Maar waarom vertrouwde u het niet?”
„Het begon al gisteren met die expresbrief,” vertelde tante
Hanna.
„Eerst zou je wel komen,” vervolgde haar zuster, „toen kwam die
chauffeur vertellen dat je verhinderd was en tenslotte kwam je
toch. Daarna was er de geschiedenis met die roeiboot, die zo
plotseling zonk. Toen jij 's middags lag te slapen, kwam de bakker
langs en die vertelde ons in geuren en kleuren wat er zich
vanmorgen in het dorp had afgespeeld.”
„En dan waren er nog de kleren die jij geleend had van die meneer,”
zei tante Hanna.
„Juist,” zei Anna, „die meneer heette Molenaar, zei jij.”
„En in zijn kleren zat een merkje met de letters A.C.,” deelde
Hanna mee. „Toen was het ons wel duidelijk dat het geen zuivere
koffie was. Anna hoorde jou uit het dakraam klimmen en we zijn je
toen achterna gegaan. Dat is het dus .. .”
„Mag ik misschien eens weten wat hier allemaal aan de hand is?”
mengde zich nu een zware stem in het gesprek. Bas zag wie het was:
de eigenaar van Petershof.
„Ha, dag meneer Brouwer,” piepten de beide dametjes.
„Zeg maar, goedenacht,” bromde de man.
„We hebben goed nieuws voor u,” haastte tante Anna zich hem te
verzekeren.
„Heel goed nieuws,” bevestigde tante Hanna.
„Het zal wat zijn,” bromde de man nog altijd nors.
„Onze neef heeft de schat van Petershof gevonden.”
„Schei nou alsjeblieft uit over die schat,” zei de man boos. „Het
is dat ik u beiden zo goed ken, anders zou ik u op staande voet van
het land zetten.”
„Het is echt waar,” verzekerden de beide dames de man om strijd.
Bas liet zijn zaklantaarn schijnen en richtte de bundel op het luik
en het gapende gat in de grond. Nu werd de man nieuwsgierig.
„Dus toch . . .” Zei hij.
„Gaat u maar kijken,” nodigde Bas hem uit. Enkele minuten later
bekeken ze om beurten de kist, die inderdaad door de chauffeur was
opengebroken. Er bevond zich in de koffer een onvoorstelbare
hoeveelheid kostbaarheden: juwelen, goudstukken, sieraden. Voor
kapitalen was hier aanwezig.
„Daar moeten we onmiddellijk de politie van in kennis stellen,” zei
de eigenaar van Petershof, die zwijgend de schat in ogenschouw had
genomen.
Met hun vieren gingen ze naar de boerderij. Toen ze de politie
belden, kregen ze meteen te horen dat zowel de man van de Dauphine
als de man die zich Molenaar noemde, maar in werkelijkheid
Cornelisse heette, reeds gearresteerd waren. Ze waren inderdaad bij
de half geopende brug in de val gelopen.
De volgende dag vertrok Bas naar de krant met de
reportage, die hij over de schat van Petershof had geschreven. Het
artikel kwam op de eerste pagina te staan, omdat geen enkele andere
krant bijzonderheden over deze geschiedenis had.
Erfgenamen van de vroegere eigenaars van de kostbaarheden lazen
Bas' verhaal en meldden zich. Intussen was meneer Green, die zich
nog in het ziekenhuis van Frankfort bevond, door de politie
gearresteerd. Hij en zijn medeplichtigen zouden hun rechtvaardige
straf niet ontgaan. Maar het allerbelangrijkste vond Bas toch wel,
dat de schat in handen was gekomen van de rechthebbenden en niet
van de ongure „schatgravers”, die alles in het werk hadden gesteld
om de kostbaarheden op te sporen en in de wacht te slepen. Bas was
wat blij dat hij hierbij een handje had mogen meehelpen. Nog vaak
dacht hij aan dit avontuur met de schatgravers terug en altijd weer
schoot hij dan in de lach, wanneer hij zijn beide tantes weer voor
zich zag. Zij waren toch wel de heldinnen van dit verhaal, vond
hij, en het leuke was dat het zulke schattige, innemende heldinnen
waren, die vonden dat ze helemaal niets bijzonders hadden gedaan.
Ze hadden er alleen voor willen zorgen dat hun lieve neef niets
overkwam. En dat was hun inderdaad gelukt!