11

 

Het enige waar Revson aan dacht was hoe prettig het zou zijn om een paar uur heerlijk te kunnen slapen. Hij had de alweer bewegende Johnson uit zijn verkrampte houding uit de chauffeursstoel gesleept en hem rechtop op de tweede tree van de bus gezet, zijn hoofd en schouders leunden vrij comfortabel tegen de leuning. Nog een paar minuten, dacht Revson en hij zou bijkomen. Zelfs Bartlett begon rusteloos te bewegen in zijn bedwelmde slaap. Er was meestal een groot verschil in de tijd die verschillende mensen nodig hadden om bij te komen van het effect van de verdovende naalden. Johnson en Bartlett leken vrijwel even lang nodig te hebben. Revson liep zachtjes het gangpad door. April Wednesday was klaarwakker. Ze draaide haar benen opzij om hem op de stoel bij het raam te laten zitten en ging toen weer recht zitten. Voordat hij zijn doorweekte jas uitdeed en hem op de grond legde, gaf hij haar de spuitbus. Ze bukte zich en stopte hem onder in haar weekendtas. Ze fluisterde: 'Ik had niet gedacht dat ik je nog terug zou zien. Hoe ging het?' 'Goed genoeg.' 'Wat is er gebeurd?' 'Wil je dat echt weten?' Ze dacht na en schudde haar hoofd. Ze had nog steeds visioenen van duimschroeven. In plaats daarvan zei ze zacht: 'Wat heb je om je hals?' 'Goeie God!' Revson was plotseling weer klaarwakker. De kleine zendontvanger hing nog steeds om zijn hals. Wat een vondst voor de speurder Branson. Hij haalde de zendontvanger van zijn hals, gespte de riempjes los, pakte zijn camera en stopte de radio in de bodem. Ze vroeg: 'Wat is dat?' 'Een piepkleine zakcamera.' 'Nee, het is een radio.' 'Zoals je wilt.' 'Waar heb je die vandaan? Ik bedoel, deze bus - alles - is van boven tot onder onderzocht.' 'Van een vriend die ik tegenkwam. Ik heb overal vrienden. Je hebt net misschien mijn leven wel gered. Daar zou ik je voor kunnen kussen.' 'Nou?' Toen ze elkaar kusten was ze helemaal niet zo zwakjes als ze eruitzag. Revson zei: 'Dat was het prettigste van de hele avond. Van de hele dag. Van een heleboel dagen. Op een dag, op een keer, als we van deze verdomde brug af zijn, moeten we het nog eens proberen.' 'Waarom nu niet?' 'Jij bent een brutale -' Hij greep haar bij de arm en maakte een hoofdbeweging. Ergens voorin de bus bewoog zich iemand. Het was Johnson. Hij stond op, verrassend vlug, en keek naar beide kanten de brug af. Revson kon zich precies voorstellen wat er in zijn hoofd omging. Zijn laatste herinnering waren de treden van de voorste bus, die hij gezien had en hij zou vanzelfsprekend veronderstellen dat hij net was gaan zitten om even uit te rusten. Eén ding was zeker, hij zou nooit tegenover Branson toegeven dat hij ook maar een seconde geslapen had. Hij stapte in de bus en porde Bartlett met de loop van zijn machinepistool. Bartlett schrok wakker en staarde hem aan. 'Was je in slaap gevallen?' vroeg Johnson. 'Ik? In slaap gevallen?' Bartlett was verbaasd, zelfs verontwaardigd. 'Kan iemand niet even zijn ogen wat rust gunnen zonder dat hem zo'n beschuldiging naar het hoofd wordt geslingerd?' 'Pas maar op dat je ze niet een beetje te lang rust gunt.' Johnsons stem klonk koel en zelfvoldaan. Hij daalde het trapje af en liep verder. Revson mompelde tegen April: 'Ik had slaap, maar nu niet meer. Maar ik wil niet alleen de schijn wekken dat ik slaap, ik wil ook wérkelijk slapen als er in de zeer nabije toekomst deining ontstaat, en ik heb een sterk vermoeden dat dat het geval zal zijn. Heb je toevallig niet een slaaptabletje bij je?' 'Waarom zou ik in vredesnaam? Het was de bedoeling dat dit een dagtochtje zou worden, weet je nog?' 'Ik weet het.' Hij zuchtte. 'Nou, er zit niets anders op. Geef me de spuitbus.' 'Waarom?' 'Omdat ik een heel klein vleugje wil inademen. Dan moet je de bus uit mijn hand nemen en hem wegstoppen.' Ze aarzelde. 'Denk aan dat etentje - al die etentjes - die we samen zullen hebben zodra we aan land komen.' 'Daar herinner ik me niets van.' 'Nou, dan weet je het nu. Maar ik kan je moeilijk mee uit eten nemen, als ik op de bodem van de Gouden Poort lig, wel?' Ze huiverde en stak haar hand met tegenzin in haar reistas.

  *** 

In de achterste bus legde Chrysler zijn hand op Bransons schouder en schudde hem zachtjes. Ondanks dat hij uitgeput geweest moest zijn, was Branson onmiddellijk klaarwakker, onmiddellijk op zijn hoede. 'Moeilijkheden?' 'Ik weet het niet. Ik maak me bezorgd, meneer Branson. Van Effen is hier weggegaan voor, zoals hij zei, een routinecontrole, maar hij is niet teruggekomen.' 'Hoe lang geleden was dat?' 'Een halfuur, meneer.' 'M'n God, Chrysler, waarom heb je me niet eerder wakker gemaakt?' 'Om twee redenen. Ik wist dat u slaap nodig had en we zijn allemaal van u afhankelijk. En als ik ooit een man gekend heb die wel op zichzelf kon passen, is het Van Effen.' 'Had hij zijn machinepistool bij zich?' 'Hebt u hem ooit zonder gezien sinds we hier op deze brug zijn?' Branson stond op van zijn stoel, raapte zijn eigen pistool op en zei: 'Ga met me mee. Heb je gezien welke kant hij opgegaan is?' 'In noordelijke richting.' Ze liepen naar de presidentiële bus. Peters, de wacht, zat half omgedraaid in de chauffeursstoel te roken. Hij draaide zich vlug om toen er zacht op de deur geklopt werd, haalde een sleutel uit zijn binnenzak en draaide die om in het slot. Branson opende de deur aan de buitenkant en zei zacht: 'Heb je Van Effen gezien?' Hij had zijn stem in feite best een paar decibel kunnen verheffen, want dat zou geen verschil gemaakt hebben; wanneer het gaat om snurken, verschillen presidenten, vorstelijke personen, generaals, burgemeesters en diverse ministers niet van de gewone menselijke soort. 'Ja, meneer Branson. Dat moet een halfuur geleden geweest zijn. Ik heb hem naar het dichtstbijzijnde toilet daar zien gaan.' 'Heb je hem weer naar buiten zien komen?' 'Nee. Eerlijk gezegd heb ik niet naar buiten gekeken. Het is mijn werk om te zorgen dat geen van die heren naar de communicatieconsole gaat of me overvalt en mijn pistool en mijn sleutel afpakt. Ik voel er niet veel voor om mijn eigen pistool op mijn hoofd gericht te krijgen. Ik let op wat er binnen in de bus gebeurt en niet op wat er buiten aan de hand is.' 'En daar heb je gelijk in. Jij kunt er niets aan doen, Peters.' Branson sloot de deur, hij hoorde hoe de sleutel in het slot omgedraaid werd. Ze liepen naar het dichtstbijzijnde toilet. Een zeer kort onderzoek bewees dat dat leeg was en ook het andere toilet was leeg. Ze begaven zich naar de ambulance. Branson opende de achterdeur, maakte gebruik van een kleine zaklantaarn om een schakelaar te vinden en overspoelde de ambulance met licht. O'Hare, in een shirt met korte mouwen, lag vast te slapen op het bed tegen de zijwand, met slechts een enkele deken toegedekt. Branson schudde hem wakker. Hij moest flink schudden. O'Hare deed z'n ogen een beetje open, knipperde tegen het felle licht boven zijn hoofd, keek naar de beide mannen en toen op zijn horloge. 'Kwart voor één! Wat wilt u nou op dit uur van de nacht weer van me?' 'Van Effen wordt vermist. Hebt u hem gezien?' 'Nee, ik heb hem niet gezien.' O'Hare toonde een vaag begin van wat beroepsinteresse had kunnen zijn. 'Was hij ziek of zo?' 'Nee.' 'Waarom valt u mij dan lastig? Misschien', zei O'Hare hoopvol, 'is hij over de rand van de brug gevallen.' Branson bekeek de dokter even nadenkend. O'Hares ogen waren lichtelijk opgezet, maar Branson was ervaren genoeg om zich te realiseren dat ze opgezet waren door de slaap en niet door gebrek aan slaap. Hij gebaarde naar Chrysler om te vertrekken, volgde hem, draaide het licht uit en sloot de deur achter zich. Johnson, met zijn machinepistool over zijn schouder, kwam op hen toe. Toen hij hen genaderd was, bleef hij staan en zei: 'Goedenavond, meneer Branson. Of eigenlijk goedemorgen.' 'Heb je Van Effen gezien?' 'Van Effen? Wanneer?' 'In het laatste halfuur.' Johnson schudde ontkennend zijn hoofd. 'Nee, absoluut niet.' 'Maar hij was op de brug. Jij was ook op de brug. Dus je moet hem gezien hebben.' ' 't Spijt me, nee. Het is mogelijk dat hij er was en dat ik hem niet gezien heb. Ik loop aldoor heen en weer, dat is de beste manier om wakker te blijven. En ik kijk niet aldoor achterom.' Johnson dacht of scheen na te denken. 'Misschien is hij wel hier geweest, maar is hij weer weggegaan. Ik bedoel dat hij misschien een reden heeft gehad - en die weet hijzelf het best - om aan de andere kant van de bussen te gaan lopen.' 'Waarom zou hij dat doen?' 'Hoe moet ik dat weten? Misschien wilde hij zich schuilhouden. Alles is mogelijk. Hoe moet ik weten wat Van Effen denkt?' 'Daar heb je gelijk in.' Branson had geen bijzondere reden om Johnson in het harnas te jagen, die, behalve een voormalig marine-officier, een zeer ervaren helikopterpiloot was en een essentieel onderdeel van zijn ontsnappingsplannen vormde. Hij zei vriendelijk: 'Ik stel alleen voor dat je hier midden op de brug blijft staan en van tijd tot tijd om je heen kijkt. Je zult staande niet gauw in slaap vallen, neem ik aan - je wordt over een kwartier afgelost.' Hij en Chrysler liepen nu naar de voorste bus. Voorin brandde een half gedimd licht en ze konden het gloeiende puntje van Bartletts sigaar zien. Branson zei: 'Nou, in ieder geval schijnen alle wachten waakzaam te zijn - wat het des te moeilijker maakt om Van Effens verdwijning te verklaren.' Bartlett zei opgewekt: 'Morgen, meneer Branson. Doet u de ronde? Alles is in orde hier.' 'Heb je Van Effen gezien? In het laatste halfuur?' 'Nee. Kunt u hem niet vinden?' 'Laten we maar zeggen dat hij vermist wordt.' Bartlett dacht na. 'Ik wil geen stomme vragen stellen zoals "Hoe kan hij vermist worden?" Wie heeft hem het laatst gezien?' 'Peters. Niet dat het iets helpt. Heeft iemand deze bus verlaten in het laatste halfuur?' 'Niemand heeft deze bus verlaten sinds we binnengekomen zijn na de brand.' Branson liep naar achteren naar Revsons zitplaats. April Wednesday was klaarwakker. Revson, zijn ogen gesloten, ademde diep en zwaar. Branson scheen met de zaklantaarn in zijn ogen. Er kwam geen reactie. Hij lichtte een ooglid op. Er was geen onwillekeurige spiertrekking in het ooglid, wat onvermijdelijk is wanneer het ooglid van iemand die bij bewustzijn is, wordt opgelicht. Een nogal glazig oog keek zonder iets te zien, zonder te knipperen. Branson liet het ooglid weer zakken. Branson zei: 'Volkomen uitgevloerd. Dat is zeker.' Als er teleurstelling in zijn stem was, verborg hij dat goed. 'Hoe lang bent u al wakker, juffrouw Wednesday?' 'Ik heb nog niet geslapen. Misschien had ik beter niet terug kunnen komen naar de brug.' Een bevend glimlachje. 'Ik ben gewoon een slappeling, meneer Branson. Ik ben doodsbenauwd voor onweer.' 'Ik zal u geen pijn doen, juffrouw Wednesday.' Hij stak zijn hand uit en liet zijn vinger zachtjes langs haar lippen glijden, terwijl zij hem perplex aanstaarde. Haar lippen waren kurkdroog. Branson herinnerde zich dat O'Hare over haar emotionele en nerveuze stabiliteit, of beter de afwezigheid daarvan had gesproken. 'Wat bent u bang.' Hij glimlachte en klopte haar op de schouder. 'Wees maar niet bezorgd. Het onweer is bijna voorbij.' Hij ging weg. Ze was bang, maar niet om de reden die ze genoemd had. Ze was doodsbang geweest dat Branson zou proberen Revson wakker te schudden, of hem met een klap zou proberen te wekken, en dan zou ontdekken dat het onmogelijk was om hem wakker te krijgen.

  *** 

Twintig minuten later stonden Branson en Chrysler bij de deur van de achterste bus. Chrysler zei: 'Hij kan onmogelijk op de brug zijn, meneer Branson.' 'Daar ben ik het mee eens. Laat me je maar eens hardop horen denken, Chrysler.' Chrysler maakte een afwerend gebaar. 'Ik ben een volgeling, geen leider.' 'Doe het toch maar.' 'Ik zal het proberen. Kan ik vrijuit spreken?' Branson knikte. 'Allereerst, Van Effen is niet van de brug af gesprongen. Niet alleen is hij de laatste die ik ooit in verband zou brengen met zelfmoord, maar hij was maar een paar dagen verwijderd van een fortuin van zeven cijfers. Hij is niet overgelopen. U hebt gezegd dat ik vrijuit kon spreken. Opnieuw: dan zou hij een fortuin verliezen, hij was absoluut loyaal en om over te lopen zou hij een afstand van zeshonderd meter hebben moeten afleggen naar een van beide torens en dat had Johnson niet kunnen ontgaan. Dus heeft hij een ongeluk gehad. Bent u er zeker van dat het de dokter niet geweest kan zijn?' 'Absoluut.' 'En het was Revson ook niet. De enige die ik zou kunnen bedenken, is generaal Cartland. Hij zou gevaarlijk kunnen zijn. Maar Peters schakelt dat uit en Peters is uiterst waakzaam. Na Kowalski -' Chrysler brak zijn zin af en dacht na. 'Weet u, meneer Branson, ik geloof niet dat dit gebeurd zou zijn als Kowalski vannacht op zijn ronde was geweest.' Hij zweeg even. 'Ik begin me af te vragen of Kowalski's ongeluk wel een ongeluk was.' 'Dat heb ik me ook afgevraagd. En wat is je conclusie, Chrysler?' 'Ergens in dit vat moet nog een rotte appel zitten. Het zou een van ons kunnen zijn.' 'Een verontrustende gedachte, maar één die overwogen moet worden. Hoewel, waarom iemand een fortuin weg zou smijten -' 'Misschien heeft de regering iemand op de een of andere manier beloofd zijn aandeel te verdubbelen als -' 'Dit is alleen maar nutteloos speculeren.' Bransons samengetrokken wenkbrauwen logenstraften zijn woorden. 'Iedereen om je heen verdenken leidt alleen maar tot hysterie, en dat is iets dat we ons niet kunnen veroorloven. En je uiteindelijke conclusie over Van Effen?' 'Dezelfde als die van u. Hij ligt op de bodem van de Gouden Poort.' In werkelijkheid zat Van Effen aan wal in de communicatiewagen. Hagenbach en Hendrix zaten tegenover hem aan tafel. Twee politieagenten met getrokken revolvers stonden bij de deur. Van Effen was niet helemaal op zijn gebruikelijke uitdrukkingloze manier zichzelf. Hij zag er enigszins versuft uit; of dit van de schok kwam doordat hij zich in deze hachelijke positie bevond of omdat hij nog steeds leed aan de nawerking van het gas, was moeilijk te zeggen. Van Effen zei: 'Dus ik heb Revson onderschat?' 'Wanneer je in San Quentin komt, zul je daar een flink aantal anderen aantreffen die die mening zullen onderschrijven.' Hagenbach keek naar Van Effen. 'Nu we het over San Quentin hebben, je weet toch dat je op minstens tien jaar moet rekenen, zonder hoop op vermindering van straf.' 'Iedere baan heeft zo zijn risico's.' 'Die hoeven er niet te zijn.' 'Ik begrijp u niet.' 'We kunnen een afspraak maken.' 'Geen afspraken.' 'Je hebt niets te verliezen en heel wat te winnen. Tien jaar van je leven, om precies te zijn.' 'Geen afspraken.' Hagenbach zuchtte. 'Ik dacht wel dat dat je houding zou zijn. Bewonderenswaardig, maar misplaatst.' Hij keek naar Hendrix. 'Vind je ook niet?' Hendrix zei tegen de politieagent: 'Boei hem en neem hem mee naar de afdeling met maximumbeveiliging van het militaire hospitaal. Zeg tegen de dokters dat meneer Hagenbach over een paar minuten langskomt. Zorg dat de opnameapparatuur klaarstaat.' Van Effen zei: 'Hospitaal? Opnameapparatuur? U bedoelt drugs?' 'Als je niet wilt meewerken, moeten we wel genoegen nemen met onvrijwillige medewerking. Onbewuste medewerking, zo je wilt.' Van Effen vertrok zijn vollemaansgezicht tot een bijna verachtelijke glimlach. 'U weet dat geen enkele rechtbank een onder dwang verkregen bekentenis zal accepteren.' 'We hebben geen bekentenis van je nodig. We hebben al genoeg bewijsmateriaal tegen je om je zolang als we dat willen, achter de tralies te stoppen. We willen alleen wat nuttige informatie van je. Een uitgebalanceerd mengsel van natriumthiopental en een paar andere uitgelezen kruiden zal je tong wel losmaken.' 'Dat kan best zijn.' Op Van Effens gezicht stond nog steeds verachting te lezen. 'Zelfs u moet de wetten van het land gehoorzamen. Mensen van de wet die met illegale middelen informatie verkrijgen, stellen zich automatisch bloot aan strafvervolging en gevangenschap.' Hagenbach was bijna joviaal. 'Kom, kom. Ik dacht dat zelfs jij, Van Effen, gehoord zou hebben van een presidentiële gratie. Of ben je vergeten dat je een President gekidnapt hebt?'

  *** 

Om tien minuten voor drie die ochtend draaide op de zuidelijke kust een luitenant van de luchtmacht aan twee knoppen van een hoogst ingewikkeld instrument, tot de lijnen op zijn ultraviolette telescopische vizier precies in het midden van Bransons naar het zuiden gerichte zoeklicht kruisten. Hij duwde op een knop, één keer maar. Om vijf voor drie klommen drie mannen in een vreemdgevormd, lang, laag op de weg liggend voertuig, dat verborgen was achter de communicatiewagen en vanaf de brug niet zichtbaar. Een vrij onopvallend individu in een grijze jas klom achter het stuur, terwijl de twee anderen achterin gingen zitten. Ze waren gekleed in grijze overalls en leken merkwaardig veel op elkaar. Hun namen waren Carmody en Rogers. Ze waren beiden midden dertig en zagen er sterk en competent uit, op een gentlemanachtige manier. Of ze gentlemen waren of niet, was niet bekend: dat ze sterk en competent waren, was buiten kijf. Ze zagen er niet uit als springstofexperts, maar dat waren ze wel. Ze droegen allebei een pistool en ze hadden ook allebei geluiddempers voor deze pistolen. Carmody droeg een linnen tas, waarin een gereedschapskist, twee spuitbussen met gas, een kluwen zwaar touw, plakband en een zaklantaarn. Rogers had een soortgelijke tas met een walkie-talkie, een thermosfles en sandwiches. Zij waren klaarblijkelijk goed uitgerust voor wat voor taak hun ook wachtte en voorbereid op een verblijf van wat langere duur. Om drie uur gingen alle lichten op de Gouden Poort-brug en in de aangrenzende stadsgedeelten uit. De man in de grijze jas startte de lage wagen en het elektrische voertuig zoemde bijna geluidloos naar de zuidelijke toren. De dienstdoende politieman pakte de telefoon op in de communicatiewagen. Het was Branson en hij was in een niet al te beste stemming. 'Hendrix?' 'De chef is er niet.' 'Ga hem dan halen.' 'Als u me zou kunnen zeggen wat er aan de hand is -' 'De lichten van de brug zijn weer uitgegaan. Haal hem.' De politieman legde zijn telefoon neer en liep naar het achterste gedeelte van de wagen. Hendrix zat op een krukje bij de open deur, een walkie-talkie in zijn ene hand, in de andere een kop koffie. De walkie-talkie kraakte. 'Met Carmody, chef. We zijn in de toren en Hopkins is al halverwege op de terugweg met de elektrische wagen.' 'Dank je.' Hendrix legde de walkie-talkie neer. 'Branson? Maakt hij zich een beetje ongerust?' Hendrix dronk op zijn gemak zijn kop koffie leeg, liep de wagen door, pakte de telefoon op en geeuwde. 'Ik sliep. Je hoeft het me niet te vertellen. De lichten zijn weer uit. We hebben door de hele stad vannacht telkens van die verduisteringen.

  *** 

Even geduld.' In de presidentiële bus wachtte Branson. Chrysler kwam door het gangpad aanrennen. De President keek hem met opgezette ogen aan. De oliebaronnen snurkten gestadig door. Branson, de telefoon nog in zijn hand, keek om. Chrysler zei snel: 'Het zuidelijke zoeklicht werkt niet meer.' 'Dat is niet mogelijk.' Bransons gezicht begon diepere lijnen van spanning te vertonen. 'Wat is er aan de hand?' 'Dat mag God weten. Alles is uit. De generator lijkt in orde.' 'Ga dan naar het zoeklicht aan de noordkant en draai het rond. Nee. Wacht.' Hendrix was aan de telefoon. 'Eén minuut, zeg je?' Hij wendde zich tot Chrysler. Laat maar zitten. De lichten gaan zo weer aan.' Branson sprak weer in de telefoon. 'Denk er aan dat ik Quarry om precies zeven uur aan deze telefoon wil hebben.' Branson legde de hoorn neer en liep het gangpad door. De President hield hem staande. 'Wanneer komt er een einde aan deze nachtmerrie?' 'Dat hangt van uw regering af.' 'Ik twijfel er niet aan dat de regering op je eisen zal ingaan. Je boeit me, Branson, je boeit ons allemaal hier. Vanwaar die bittere wrok tegen de maatschappij?' Branson glimlachte zijn lege glimlach. 'De maatschappij laat me onverschillig.' 'Waarom dan die wrok tegen mij? Waarom die publieke vernedering? Je bent tegen alle anderen uiterst voorkomend geweest. Is het niet genoeg dat je de natie geld afperst zonder mij ook nog voor gek te zetten?' Branson gaf geen antwoord. 'Je bent misschien niet gesteld op mijn politiek?' 'Politiek interesseert me niet.' 'Ik heb vandaag met Hendrix gesproken. Hij heeft me verteld dat je vader een zeer gefortuneerd bankier is ergens in het oosten. Een multimiljonair. Misschien ben je jaloers op een man die het zo ver gebracht heeft. Je kon niet wachten tot je zijn bank en zijn miljoenen erfde, dus volgde je de enige weg die je openstond. Misdaad. En het is je niet gelukt. Je bent niet op je juiste waarde geschat - behalve dan door een paar politiemensen aan de top. Dus ben je een mislukkeling. Dus koester je een wrok. Dus neem je, symbolisch, wraak op Amerika's eerste burger.' Branson zei vermoeid: 'U, meneer de President, bent een beroerd slecht psychiater. O.K., O.K., weer beledigingen, maar dit is privé. U hoeft mijn striemende tong niet meer te vrezen. En dan te bedenken dat uw beslissingen van invloed kunnen zijn voor meer dan tweehonderd miljoen Amerikanen.' 'Wat bedoel je?' 'Ik bedoel, hoe ver u ernaast zit. Branson senior, dat voorbeeld van integriteit en fatsoen, is een doorgewinterde schoft. Hij was ook - en dat is-ie nog steeds - een doorgewinterde oplichter. Een goed bekend staand beleggingsbankier, begrijp dat goed, maar die goede naam heeft zijn beleggers niet veel goed gedaan. Het waren voornamelijk mensen met bescheiden middelen. Ik beroof tenminste rijke instellingen. Ik ben erachter gekomen toen ik bij zijn bank werkte. Ik zou nog geen dollar van hem willen aannemen. Ik heb hem zelfs niet het plezier gegund om mij te onterven. Ik heb hem precies gezegd wat ik van hem en zijn smerige bank dacht en ik ben weggegaan. En wat erkenning betreft - waar is dat voor nodig?' 'Je hebt in ieder geval meer bekendheid gekregen in de laatste achttien uur dan je vader in zijn hele leven.' Het was begrijpelijk dat de stem van de President bitter klonk. 'U bedoelt beruchtheid. En wie verlangt daarnaar? En wat geld betreft - ik ben al multimiljonair.' 'En je wilt nog steeds meer hebben?' 'Mijn motieven zijn mijn zaak. 't Spijt me dat ik u in uw slaap gestoord heb, meneer.' Branson ging weg. Muir, in de stoel ernaast, zei: 'Nou, dat was heel vreemd.' 'Dus je sliep niet.' 'Ik onderbreek iemand niet graag. De Branson in de stille uren van de nacht is niet de Branson van overdag. Openhartig, zou je bijna zeggen. Beleefd. Bijna alsof hij zoekt naar een soort rechtvaardiging voor zijn daden. Maar kennelijk ontzettend verbitterd over iets.' 'Als hij geen erkenning wil en het geld niet nodig heeft, waarom zitten we dan vast op die vervloekte brug?' 'Sst. Burgemeester Avieto zou u kunnen horen. Ik weet het niet. Als u het goedvindt, meneer de President, ga ik nog een beetje slapen.'

  *** 

Toen Carmody en Rogers de top van de zuidelijke toren bereikten en de lift uitstapten, stak Carmody zijn arm weer naar binnen, drukte op een knop en trok zijn arm terug toen de deur dichtschoof. Beide mannen stapten naar buiten en keken zwijgend neer op de verduisterde en nauwelijks zichtbare brug zo'n honderdvijftig meter beneden hen. Na een minuut haalde Carmody de walkie-talkie uit zijn linnen tas, trok de antenne uit en zei: 'U kunt de elektriciteit nu uitschakelen. De lift is al dertig seconden beneden.' Hij deed de walkie-talkie weer in de tas en trok zijn overall uit. Over zijn met opzet gekozen donkere overhemd droeg hij een leren harnas met een zware stalen gesp op de rug. Een nylonkoord, verbonden met de gesp, was verscheidene keren om zijn middel gewonden. Hij was bezig dit af te winden, toen de lichten op de brug en de vliegtuigwaarschuwingslichten boven aan de toren weer aangingen. Carmody zei: 'Denk je dat ze ons kunnen zien?' 'Denk je aan die vliegtuiglichten?' Carmody knikte. 'Geen schijn van kans. Niet vanuit hun gezichtshoek. En ik heb begrepen dat hun zuidelijke zoeklicht het niet al te best doet.' Carmody wond de rest van het touw los en gaf het einde aan Rogers. 'Een paar windingen, als je wilt, Charles, en hou het dan goed vast.' 'Reken maar. Als je een duik neemt, zal ik het vervloekte ding zelf onklaar moeten maken - zonder iemand om mij vast te houden.' 'We zouden hier gevarengeld voor moeten krijgen.' 'Je bent een schandvlek voor de bomopruimingsdienst van het leger.' Carmody zuchtte, klom op de reuzenkabel en begon de detonators van de explosieven te verwijderen. Het was halfzeven in de ochtend toen Revson zich bewoog en wakker werd. Hij keek naar April en zag dat haar groene ogen op hem gevestigd waren. Er waren zware kringen onder haar ogen en haar gewoonlijk bleke huid was nu nog onnatuurlijker bleek. Hij zei: 'Je ziet er niet uit alsof je goed uitgerust bent.' 'Ik heb de hele nacht niet geslapen.' 'Wat? Met mij naast je om op je te passen?' 'Ik zat niet over mezelf in, maar over jou.' Hij zei niets. 'Voel je je katterig? Na je - je slaappil?' 'Nee. Ik denk dat ik toch in een natuurlijke slaap gevallen ben. Is dat alles waar je over inzat?' 'Nee. Even voor enen was Branson hier. Hij heeft je ogen bekeken met een zaklantaarn om te zien of je wel sliep.' 'Die man heeft geen gevoel voor privacy. Je zou zo denken -' 'Ik denk dat hij je weer de rol van hoofdverdachte toebedeeld heeft.' 'Verdacht waarvan?' 'Van Effen wordt vermist.' 'O ja?' 'Het lijkt je niet veel te kunnen schelen.' 'Wat kan Van Effen mij nou schelen? Is er verder niets alarmerends gebeurd vannacht?' 'Om drie uur zijn de lichten van de brug weer uitgegaan.' 'Juist ja!' 'Jij vindt niet veel vreemd, hè?' 'Waarom zou ik het vreemd vinden dat de lichten uitgaan? Er kunnen wel een dozijn redenen voor zijn.' 'Ik denk dat de reden hier vlak bij me zit.' 'Ik sliep.' 'Je sliep niet toen je daar buiten op de brug was om middernacht. Ik wed dat je nieuwe kleine - eh - camera ook niet op non-actief geweest is.' Ze leunde naar hem over, terwijl haar ogen zijn gezicht aftastten. 'Je hebt Van Effen toch niet toevallig vermoord vannacht?' 'Wat denk je wel dat ik ben? Een gehuurde moordenaar?' 'Ik weet niet wat ik denken moet. Je bent toch niet vergeten dat ik de inhoud van de boodschap heb gehoord die je verstuurd hebt toen ik naar het ziekenhuis werd gebracht? Ik herinner me het nog precies. "Alleen Branson en Van Effen zijn natuurlijke leiders. Die twee zou ik kunnen doden."' 'Dat heb ik gezegd, maar ik heb Van Effen vannacht niet gedood. Daar sta ik met mijn leven borg voor. Van Effen is volgens mij levend en wel, al is hij misschien niet een toonbeeld van levendigheid.' 'Dat is niet wat Branson denkt.' 'Hoe weet jij dat?' 'Toen Bartlett wegging - afgelost werd -' 'Bartlett heeft toch niet tegen Branson gezegd dat hij misschien een ogenblikje ingedut is?' 'Wat denk je?' 'O.K., dus hij was waakzaam en op zijn hoede als de hel. En toen?' 'En toen kwam die - die gorilla hier de wacht houden.' Revson keek naar de nieuwe wacht. Behaard, met ongelooflijk zware wenkbrauwen, een te verwaarlozen stukje voorhoofd tussen wenkbrauwen en haarinplant; Aprils beschrijving was op geen enkele manier flatterend voor gorilla's. 'Yonnie,' zei Revson. 'Bransons mobiele denktank.' 'Chrysler kwam langs, een paar keer. Ik hoorde hem zeggen tegen die man dat hij en Branson ervan overtuigd waren dat Van Effen op de bodem van de Gouden Poort lag.' 'Ik verheug me er al op zijn gezicht te zien wanneer hij erachter komt, misschien voor de eerste keer in zijn leven, hoe hij zich kan vergissen.' 'Wil je het me niet vertellen?' 'Nee. En dat wil jij ook niet.' 'Je lijkt erg zeker van jezelf.' 'Daarover wel, ja.' 'Kun je aan die hele toestand hier een eind maken?' 'Dat is helaas een andere kwestie.' Hij dacht na en glimlachte. 'Als ik erg mijn best doe, mag ik je dan vanavond mee uit eten nemen?' 'Vanavond?' 'Je hoort wat ik zeg.' 'Je kunt me meenemen naar Timboektoe, als je dat wilt.' 'Ondeugden haal je er altijd uit.' De telefoonoproeper in het communicatiecentrum in de presidentiële bus zoemde precies om zeven uur. Branson pakte hem op. 'Ja.' 'Met Quarry. We stemmen toe in je belachelijke eisen en hebben de nodige schikkingen getroffen. We wachten op bericht van je contact in New York.' 'Wachten op bericht - jullie moeten twee uur geleden al bericht gehad hebben.' Quarry zei mat: 'We wachten tot we opnieuw iets van hem horen.' 'Wanneer heeft hij gebeld?' 'Zoals je zei, twee uur geleden. Hij treft wat schikkingen met wat hij "Europese vrienden" noemt.' 'Hij had een wachtwoord moeten geven.' 'Dat heeft hij gedaan. Bepaald niet origineel, vond ik. "Peter Branson".' Op Bransons gezicht verscheen een brede glimlach en hij legde de hoorn neer. Hij glimlachte nog steeds toen hij naar buiten stapte in het vroege ochtendzonlicht. Daar stond Chrysler maar die glimlachte volstrekt niet. Chrysler was doodmoe, hij had tijdelijk zowel de rollen van Van Effen als van Kowalski overgenomen. Maar de reden van zijn bezorgdheid lag elders. Branson zei: 'De financiële zijde is in orde.' 'Dat is prachtig, meneer Branson.' Bransons glimlach verdween. 'Je schijnt niet bepaald over te lopen van vreugde.' 'Er zijn een paar dingen die ik u graag wil laten zien.' Chrysler nam hem mee naar het naar het zuiden gerichte zoeklicht. 'U weet waarschijnlijk wel dat een zoeklicht niet op een gewone lantaarn of een zwaailicht lijkt. Ik bedoel, er zijn geen lampen voor nodig. Het licht komt van een elektrische boog die zich tussen twee elektroden beweegt. Zo iets als de bougie in een mito, behalve dan dat daar de vonk steeds onderbroken wordt. Bij de lichtboog is dat niet zo. Kijkt u eens naar de elektrode aan de linkerkant.' Branson keek. 'Hij ziet eruit alsof hij gesmolten is of verbogen of iets dergelijks. En je kunt wel aannemen dat die elektroden ontworpen zijn om de enorme hitte te verdragen die door de boog opgewekt wordt.' 'Precies. En er is nog iets dat u niet gezien hebt. Dit kleine gaatje hier in het glas.' 'Wat probeer je me te vertellen, Chrysler?' 'Er is nog iets anders.' Chrysler wees, langzaam teruglopend met Branson, naar het dak van de achterste bus. 'De radiopeiler. Hij is kapot, buiten werking gesteld. Daar we gecontroleerd en nog eens gecontroleerd hebben dat er geen zendontvangers zijn - behalve de onze - op de brug, hebben we niet de moeite genomen hem te gebruiken. Ik ontdekte het heel toevallig vanmorgen. Ik ben op de bus geklommen en heb het zaakje eens bekeken. Er zit een schroeiplek aan de onderkant van de draaistang.' 'Kan dat misschien veroorzaakt zijn door de bliksem? In beide gevallen? Het is afgelopen nacht flink raak geweest.' 'Ik zou erop willen wijzen, meneer Branson, dat noch de radiopeiler, noch het zoeklicht geaard is; ze staan allebei op rubberbanden.' 'De peiler -' Chrysler zei geduldig: 'De rubberbanden van de bus.' 'Wat is het dan?' 'Ik denk dat ze een laserstraal op ons gericht hebben.'

  *** 

Zelfs op dat vroege uur waren alle zeven de autoriteiten aan land verzameld rond de tafel in de communicatiewagen, toen de telefoon ging. De dienstdoende politieagent pakte hem op. 'Met Branson. Geef me generaal Carter.' 'Hij kan niet ver weg zijn. Een ogenblikje alstublieft.' De politieagent bedekte het mondstuk. 'Branson voor u, generaal.' 'Schakel de luidspreker in, zodat we allemaal kunnen horen wat hij te zeggen heeft. Zeg hem dat ik net binnenkom.' 'De generaal komt juist binnen.' Carter nam de telefoon. 'Branson?' 'Carter, als je die laserstraal nog één keer gebruikt, gooien we, laten we zeggen, Muir over de rand van de brug. Als eerste.' De andere zes aan de tafel keken elkaar bezorgd aan, en misschien ook een beetje opgelucht, met in hun achterhoofd de gedachte dat het Carter was die dit varkentje moest wassen. 'Verklaar jezelf nader.' 'Een van onze zoeklichten en een radiopeiler zijn onklaar gemaakt. Alles wijst op een laserstraal.' 'Je bent gek.' Er was een kort stilzwijgen. Branson was kennelijk even van zijn stuk gebracht. Toen zei hij: 'Dat zal Muir niet denken als hij omlaaggaat de Gouden Poort in.' 'Ik herhaal dat je gek bent en als je kunt luisteren, zal ik je zeggen waarom. In de eerste plaats ben je geen expert en je zou de tekenen van laserschade niet herkennen, al lagen ze op je ontbijtbordje. In de tweede plaats bevinden zulke apparaten zich niet hier in de buurt van de baai - als dat wel het geval was, zou ik de eerste zijn die het wist. In de derde plaats, als we laserstralen hadden, zouden we jullie schurken stuk voor stuk eruit hebben kunnen pikken wanneer jullie over de brug lopen - of weet je niet hoe accuraat en dodelijk een laserstraal is? Met de juiste telescopische lenzen kun je een voetbal doorboren op een afstand van tien kilometer!' 'U schijnt verdacht veel van laserstralen te weten, generaal.' Het was een neutrale opmerking en het was mogelijk dat Branson nadacht of dat hij tijd wilde winnen. 'Dat ontken ik niet. Ik heb er een opleiding voor gehad, ik heb zelfs geholpen bij de ontwikkeling ervan. Iedere generaal heeft zijn eigen branche of specialiteit. Generaal Cartland is een expert wat explosieven betreft. Ik ben een ingenieur op het gebied van de elektronica. Waar was ik gebleven? In de vierde plaats zouden we je helikopters onklaar kunnen maken zonder dat je er iets van merkte, tot je probeerde om ermee te vertrekken. Je brengt me op een idee, Branson. Ten slotte, de waarschijnlijke oorzaak was een elektrische ontlading - bliksem.' 'Zowel het zoeklicht, als de peiler was niet geaard. Ze staan op rubber banden.' Carter gaf zijn stem een geïrriteerde klank. 'Ik zou het maar houden bij het beroven van banken als ik jou was. Je hoeft niet geaard te zijn om door de bliksem getroffen te worden. Het overkomt vliegtuigen honderden keren in een jaar op hoogten tot en met vijfenzeventighonderd meter. Wou je die geaard noemen? Metaal heeft bovendien aantrekkingskracht voor de bliksem.' Hij zweeg even. 'Je hebt natuurlijk een generator voor je zoeklicht, zeer waarschijnlijk een benzinegenerator, en daar je waarschijnlijk niet door koolmonoxide-dampen bedwelmd wilt worden, zul je die niet in een bus hebben. Zeg eens, gebruik je die generator ook om de accu's van je bus weer op te laden? Via een transformator, bedoel ik.' Er was een nauwelijks waarneembare pauze, toen zei Branson: 'Ja.' Carter zuchtte. 'Moet ik al het denkwerk voor je doen, Branson? Daar heb je je groot massief bonk metaal stevig geaard op de weg, in direct contact met zowel zoeklicht als peiler. Wat een prachtig doelwit voor rondschietende bliksemflitsen. Nog iets van je dienst?' 'Ja. Geef door dat ik de televisiecamera's om negen uur vanmorgen opgesteld wil hebben.' Carter hing op. Richards zei waarderend: 'Een hele prestatie vóór het aanbreken van de dag. Er zijn meer dan een paar sterren nodig om generaal te zijn, veronderstel ik. Ik heb zo 't gevoel dat onze Branson zich intussen meer dan een beetje beroerd moet voelen. En wanneer geven wij onze eigen televisie-uitzending?' Hagenbach zei: 'Direct na Branson, zou ik zeggen. Zo omstreeks halftien. Het ogenblik van de maximum psychologische schok en zo voorts.' 'Als onze - eh - regisseur hebt u uw tekst bij de hand?' Hagenbach verwaardigde zich niet te antwoorden. Branson zei: 'Nou, ben je het daarmee eens?' 'Carter is geen dwaas, dat is zeker.' Chrysler was onzeker. 'Maar als het bliksem was, door de generator geleid, waarom is die dan niet van de ene elektrode naar de volgende gesprongen, in plaats dat hij een gat in het glas van het zoeklicht heeft gebrand? Ik bedoel, waar is het heengegaan?' 'Ik vrees dat dat niet mijn terrein is.' 'Ik begin te denken dat het ook mijn terrein niet is. Maar ik ben er verdomd zeker van dat er een luchtje aan zit.' Hij aarzelde. 'Misschien was dat niet zo'n helder idee van me, maar ik heb een ander idee, meneer Branson.' 'Ideeën is precies wat ik nodig heb. Wat mijzelf betreft, ben ik uitverkocht.' Komend van Branson, dacht Chrysler, was dat een zeer opmerkelijke verklaring. 'Ik doe mijn best, maar ik ben niet Van Effen. Bovendien ben ik bijna aan het eind van mijn latijn. Zelfs u kunt niet vierentwintig uur per dag door blijven gaan. U hebt een nieuwe adjudant nodig - om niet te zeggen een uitgeruste - en met alle respect voor mijn collega's, wel -' 'Voor den dag ermee.' 'Nu onze mensen in het bezit zijn van het Mount Tamalpais radarstation, denk ik dat Parker heel goed in staat is om de zaken daar alleen te regelen. Ik stel voor dat u een helikopter stuurt om Giscard hierheen te brengen. U kent hem beter dan ik. Hij is taai, hij is een leider, hij is vindingrijk, hij raakt niet in paniek, en in bepaalde opzichten is hij erg geslepen; daarmee bedoel ik, met alle respect voor u, meneer Branson, dat hij nog nooit de binnenkant van een rechtszaal heeft gezien. Het zou een enorme last van uw schouders nemen.' 'Je hebt natuurlijk volkomen gelijk. Als ik niet hard aan een beetje rust toe was, had ik dat zelf kunnen bedenken. Zie dat je of Johnson, of Bradley te pakken krijgt - nee, Bradley, Johnson heeft wachtdienst. Zeg hem dat hij meteen moet vertrekken. Ik pak de telefoon en breng Giscard op de hoogte. Ik zal ook onze vrienden aan land waarschuwen wat er met ze gebeurt als ze proberen tussenbeide te komen. Dat zou ik ze intussen niet meer hoeven te vertellen.' Branson telefoneerde, schrok bij het ronkende gebrul toen de Sikorsky van de brug recht omhoog ging en in noordelijke richting verdween. Carter had althans in één opzicht de waarheid verteld: de helikopter was niet blootgesteld aan de attenties van een laserstraal.

  *** 

Revson zei tegen April: 'Ik wil niet ontactisch zijn, maar zou je geen bezoek willen brengen aan - eh - het damestoilet?' Ze staarde hem aan. 'Waarom in vredesnaam? Och, nou ja, je zult er wel een reden voor hebben.' 'Ja. Zeg me dit na.' Ze herhaalde het vier keer en zei toen: 'Is dat alles?' 'Ja.' 'Eén keer was genoeg geweest.' 'Och, je kunt nooit weten wat voor hulp je tegenwoordig krijgt.' 'Waarom kun je het niet zelf doen?' 'Het is dringend en ik wil dat het nu gebeurt. Er zijn vier dames op deze brug en op z'n minst vijftig mannen. Jouw kansen op privacy en afzondering zijn dus naar verhouding heel wat groter.' 'En wat ga jij doen? Volgens mij zie je er vrij smerig uit.' 'Om een oud liedje te parafraseren: ik heb mijn scheermes in San Francisco gelaten. Daarna ontbijt. De wagen komt om halfacht.' 'Ik wou dat ik honger had.' Ze stond op en zei wat tegen Yonnie, die zijn tanden ontblootte in een schrikwekkende grimas, wat hij waarschijnlijk beschouwde als een innemende manier om toestemming te geven.  De transistorradio voor Hagenbach zoemde. Hij trok hem naar zich toe en zette hem harder. De andere zes mannen bogen zich naar voren in gretige afwachting. Dit telefoontje kon maar uit één bron afkomstig zijn. Ze vergisten zich. 'Meneer Hagenbach?' Een vrouwenstem. 'Daar spreekt u mee.' 'Met April Wednesday.' Hagenbach accepteerde dit feit met een opmerkelijke koelbloedigheid. 'Ga door, m'n kind.' 'Meneer Revson wil zo spoedig mogelijk weten of het mogelijk is de laatste mogelijkheid te reduceren tot een niet-dodelijk niveau. Hij wil dat u zoveel mogelijk tijd krijgt om het te proberen. Daarom bel ik nu.' 'Ik zal het proberen, maar ik kan niets garanderen.' 'Hij zegt dat er één minuut tevoren een aantal rookbommen gegooid moeten worden. Hij zegt dat hij het u één minuut tevoren via de radio zal laten weten.' 'En ik moet juist zo dringend met Revson praten. Waarom doet hij dit niet zelf?' 'Omdat ik in het damestoilet ben. Er komt iemand.' De stem zakte weg in gefluister en de zendontvanger verstomde. Hagenbach riep naar de man aan het communicatiepaneel. 'Het wapenmagazijn. Spoedgeval. Generaal Carter, ik heb hierbij uw hulp nodig.' 'Het damestoilet,' zei Quarry op ongelovige toon. 'Schrikt die man van je dan nergens voor terug?' 'Wees redelijk. Je verwachtte toch niet dat hij daar zelf was? Revson kennende, geef ik hem een tien voor fatsoenlijk gedrag.' Vice-President Richards sprak langzaam en nadrukkelijk. 'In het ziekenhuis heb je ons verteld dat je niet wist wat "de laatste mogelijkheid" was.' Hagenbach keek hem koeltjes aan. 'Vice-presidenten zouden beter moeten weten. Niemand is ooit hoofd van de FBI geworden, zonder een meester in dubbelzinnigheid te zijn.'

  *** 

Het ontbijt arriveerde om halfacht op het middengedeelte van de brug. Branson gebruikte niets, wat met het oog op de schok die zijn zenuwgestel wachtte, misschien wel zo goed was. Om kwart voor acht maakte Bradley een volmaakte landing in zijn Sikorsky. Giscard, met een grimmig gezicht en zeker van zichzelf, stapte uit op de brug, en viel, vreemd genoeg, niet eens uit de toon in zijn uniform van wachtmeester van de politie. Waarschijnlijk werden er in de volgende vijf minuten meer foto's van hem genomen dan in zijn hele voorgaande leven, wat niet zo moeilijk was, omdat Giscard, uit zuiver professionele veiligheidsoverwegingen er een gewoonte van had gemaakt om zich nooit te laten fotograferen. Maar zelfs de geduchte Giscard kwam te laat. Om acht uur kreeg een geplaagde Branson - zijn kalme en zelfbewuste gezicht vertoonde nog geen spoor van bezorgdheid - zijn eerste en verre van zwakke tekenen van sterfelijkheid. Branson was diep in gesprek met de niet vermoeide en zelfbewuste Giscard, toen Reston, die wacht had in de presidentiële bus, haastig naar hem toekwam. 'Telefoon, meneer Branson.' Giscard zei: 'Ik neem de zaak wel over hier, meneer Branson. Probeert u maar een beetje te rusten.' Hij gaf hem een licht schouderklopje. 'Er is niets om u zorgen over te maken.' Giscard kon dat niet weten, maar een voorspelling die er verder naast was dan deze, had hij nog nooit gedaan en zou hij waarschijnlijk ook niet meer doen. Hagenbach was aan de telefoon. Hij zei: 'Ik heb slecht nieuws voor je, Branson. Kyronis wil je niet hebben. Nu niet, en nooit.' 'Wie?' Branson zag de witte knokkels op de hand waarmee hij de telefoon vasthield en deed een hevige poging om zich te ontspannen. 'k-y-r-o-n-i-s . De president van dat Caribische eilandparadijs van je. Het spijt me, maar je bent niet welkom.' 'Ik weet niet waar je het over hebt.' 'Ik denk toch van wel. En ik vrees dat je wereldomvattende publiciteitsstunt de arme man de doodschrik op het lijf heeft gejaagd. Wij hebben geen contact gezocht, hij heeft ons gebeld. Hij is nu op de internationale lijn. Zal ik hem doorverbinden?' Branson zei geen ja en geen nee. Een hoge stem met een sterk Caribisch accent klonk in zijn oor. 'Jij idioot, Branson. Jij krankzinnige. Jij opschepper met je grote mond. Jij moest de hele wereld vertellen dat je naar het Caribische gebied ging. Je moest de wereld vertellen dat er een gevangenis voor dwangarbeiders op ons eiland was. Je moest de wereld zo nodig vertellen dat wij geen uitleveringsverdrag met de Verenigde Staten hebben. Jij vervloekte dwaas, hoe lang dacht je dat de Amerikaanse geheime dienst nodig heeft om de stukjes aan elkaar te lijmen? Ik heb ze gebeld, voordat ze mij kwamen opzoeken. Hun vloot is al uitgevaren van de basis Guantanamo op Cuba. Hun C54ers staan opgesteld op de startbaan in Fort Lauderdale met God mag weten hoeveel paratroepen en mariniers in staat van paraatheid. Ze zouden dat eilandje van ons in tien minuten kunnen innemen en jullie Vice-President heeft me verzekerd dat ze dat met genoegen zullen doen.' Kyronis zweeg om, blijkbaar voor het eerst sinds hij aan zijn tirade begon adem te halen. Branson zei niets. 'Grootheidswaanzin, Branson. Grootheidswaanzin. Ik heb je altijd al gewaarschuwd dat dat je de das om zou doen. Pure, verdomde grootheidswaanzin.' Branson hing de telefoon op.