10
Ver boven zee waren de eerste flauwe bliksemflitsen te zien en het zwakke gerommel van naderend onweer was te horen. April Wednesday, weer hersteld, maar nog wat bleekjes, stond met Revson op het midden van de brug, keek naar de donkerblauwe lucht en zei: 'Dat wordt me het nachtje wel.' 'Dat gevoel heb ik ook.' Hij nam haar arm. 'Ben je net zo bang voor onweer als voor de rest?' 'Het lijkt me niet bepaald prettig om midden in een onweersbui op deze brug te zitten.' 'Hij staat hier al bijna veertig jaar en zal het vannacht ook nog wel uithouden.' Hij keek omhoog, toen de eerste regendruppels begonnen te vallen. 'Kom mee, ik heb er een hekel aan om nat te worden.' Ze gingen op hun plaats zitten in de voorste bus, zij bij het raam, hij bij het gangpad. In een oogwenk was de bus vol en binnen een halfuur waren de meeste inzittenden ingedommeld of vast in slaap. Elke zitplaats had zijn eigen leeslampje, dat zonder uitzondering óf laaggedraaid, óf helemaal uit was. Er was niets te zien en niets te doen. Het was een lange, vermoeiende, opwindende en in vele opzichten zenuwslopende dag geweest. Slapen was niet alleen het verstandigste, maar ook het onvermijdelijke redmiddel. En het geluid van neerkletterende regen, hetzij op een linnen óf op een metalen dak, heeft een zeldzaam slaapverwekkend effect. Rn dat het nu goot, viel niet te betwisten. Sinds de passagiers de bus waren binnengekomen, was de regen gestadig toegenomen en je kon nu wel zeggen dat het water met bakken uit de hemel viel. De naderende onweersbui, hoewel nog op enkele kilometers afstand, nam eveneens in hevigheid toe. Maar regen, donder noch bliksem schrikten de rondsluipende Kowalski ook maar enigszins af; hij had Branson beloofd dat hij Revson de hele nacht in de gaten zou houden als dat moest, en hij was kennelijk van plan dat te doen ook. Ieder kwartier ging hij, met de regelmaat van een klok, de bus in, tuurde scherp naar Revson, zei wat tegen Bartlett, die in de stoel naast die van de chauffeur op wacht zat en ging dan weer weg. Bartlett was, afgezien van Revson, de enige in de bus die wakker was, en Revson vermoedde dat dit meer een gevolg was van Kowalski's regelmatige bezoeken dan van iets anders. Bij een van die gelegenheden hoorde Revson Bartlett vragen wanneer hij afgelost zou worden en hem werd kortaf meegedeeld dat hij moest blijven waar hij was tot één uur, wat Revson bijzonder goed uitkwam. Om negen uur, toen de regen op zijn hevigst was, legde Kowalski weer een van zijn routine-bezoekjes af. Revson haalde zijn witte pen te voorschijn en hield hem gereed. Kowalski draaide zich om, om weg te gaan. Zijn hiel gleed net langs de rand van de eerste trede, toen het leek of hij struikelde, waarna hij met een hevige smak met zijn gezicht voorover uit de bus viel. Bartlett was de eerste die bij hem was, daarna Revson. Revson zei: 'Wat is er in godsnaam met hem gebeurd?' 'Uitgegleden, voor zover ik kon zien. De deur is de hele avond open geweest en de treden zijn zo glad als spek.' Beide mannen bogen zich over de bewusteloze Kowalski om hem te onderzoeken. Hij bloedde vrij hevig uit een wond aan zijn voorhoofd, waarmee hij waarschijnlijk de grootste klap van zijn val had opgevangen. Revson betastte zijn hoofd voorzichtig met zijn vingers. De naald stak bijna een halve centimeter naar buiten achter Kowalski's linkeroor. Revson trok hem eruit en hield hem in de holte van zijn hand. Revson zei: 'Zal ik de dokter halen?' 'Ja. Het ziet er wel naar uit dat hij die nodig heeft.' Revson rende naar de ambulance. Toen hij naderbij kwam, ging het licht aan in de ambulance. Revson nam de spuitbus aan van O'Hare en stopte hem in zijn zak. De twee mannen, O'Hare met zijn instrumententas, renden terug naar de eerste bus. Tegen die tijd stond een groot aantal verslaggevers uit de bus - ongetwijfeld geactiveerd door de aangeboren nieuwsgierigheid die alle goede journalisten bezitten - rondom de bewusteloze Kowalski. 'Achteruit,' beval O'Hare. De journalisten gingen eerbiedig opzij, maar weken niet ver achteruit. O'Hare opende zijn tas en begon Kowalski's voorhoofd te deppen met een stuk verbandgaas. Zijn geopende tas stond een heel eind van hem vandaan, en in het vage licht, de stromende regen en mede door het feit dat alle aanwezigen hun aandacht volledig op de gewonde man hadden geconcentreerd, was het geen kunst voor Revson om een in oliedoek gewikkeld pakje uit de tas te halen en het onder de bus door te slingeren. Hij, maar dan ook alleen hij, hoorde het zachte plofje toen het de rand van het trottoir aan de andere kant raakte. Toen ging hij tussen de nieuwsgierige toeschouwers staan. O'Hare richtte zich op. 'Graag een paar vrijwilligers om me te helpen hem naar de ambulance te dragen.' Aan vrijwilligers was geen gebrek. Ze wilden hem net optillen, toen Branson aan kwam rennen. 'Uw man heeft een lelijke val gemaakt. Ik wil hem in de ambulance hebben voor een behoorlijk onderzoek.' 'Is hij gevallen of werd hij geduwd?' 'Wel verdomme, hoe moet ik dat weten. Je verknoeit misschien kostbare tijd, Branson.' Bartlett zei: 'Hij is gewoon gevallen, meneer Branson. Hij gleed uit op de bovenste tree en kon zich niet meer vastgrijpen.' 'Weet je dat zeker?' 'Natuurlijk weet ik dat zeker.' Bartlett was terecht verontwaardigd. Hij zei nóg iets, maar een krakende donderslag maakte zijn woorden onverstaanbaar. Hij herhaalde: 'Ik was nog geen halve meter van hem vandaan toen het gebeurde - maar ik kon hem niet meer grijpen.' O'Hare schonk geen aandacht meer aan hem. Met hulp van twee anderen droeg hij Kowalski naar de ambulance. Branson keek naar de groep journalisten die nog steeds op dezelfde plek stonden, en zijn oog viel op Revson. 'Waar was Revson op dat ogenblik?' 'Een heel eind bij hem uit de buurt. Hij zat op zijn plaats, vijfde stoel van achteren. Iedereen zat op zijn plaats. Christus, meneer Branson, ik zeg het u toch, het was gewoon een ongeluk.' 'Dat zal wel.' Branson, alleen gekleed in een al totaal doorweekt overhemd en broek, huiverde. 'Jezus, wat een nacht!' Hij haastte zich naar de ambulance en toen hij daar aankwam, kwamen de beide mannen die O'Hare geholpen hadden om Kowalski te dragen, juist het trapje af. Branson ging naar binnen. O'Hare had Kowalski's leren jasje al uitgetrokken, zijn rechtermouw opgerold tot boven de elleboog en maakte een injectiespuitje gereed. Branson zei: 'Waar dient dat voor?' O'Hare keerde zich geïrriteerd om. 'Wat komt u hier nou weer doen? Dit is mijn werk. Eruit!' Op deze uitnodiging werd geen acht geslagen. Branson pakte het buisje op waaruit O'Hare zijn spuitje had gevuld. 'Anti-tetanus? De man heeft een hoofdwond.' O'Hare trok de naald terug en bedekte het speldenprikje met een antiseptisch gaasje. 'Ik dacht dat zelfs de meest onervaren leek wist dat wanneer iemand buiten gewond raakt, het eerste wat hij krijgt een anti-tetanusinjectie is. Blijkbaar hebt u nooit een geval van tetanus gezien.' Hij beluisterde Kowalski met zijn stethoscoop, voelde zijn pols en nam toen zijn temperatuur op. 'Laat een ambulance uit het ziekenhuis komen.' O'Hare duwde Kowalski's mouw verder omhoog en begon de band om de bloeddruk te meten eromheen te wikkelen. Branson zei: 'Nee.' O'Hare gaf pas antwoord nadat hij de bloeddruk opgenomen had. Toen herhaalde hij: 'Laat een ambulance komen.' 'Ik vertrouw u en uw vervloekte ambulances niet.' O'Hare gaf geen antwoord. Hij sprong de treden van het trapje af en liep met grote stappen door de regen die nu anderhalve decimeter van de weg omhoogspatte. Hij kwam direct terug met de twee mannen die hem geholpen hadden om Kowalski te dragen. O'Hare zei: 'Meneer Grafton. Meneer Ferrers. Twee zeer gerespecteerde en eminente journalisten. Hun artikelen leggen veel gewicht in de schaal. En ook hun woord.' 'En wat moet dat betekenen?' Voor het eerst sinds zijn komst op de brug was heel vaag iets van vrees bij Branson te bespeuren. O'Hare negeerde hem en wendde zich tot de beide journalisten: 'Kowalski hier heeft een zware hersenschudding, misschien zelfs een schedelfractuur. Dat laatste is zonder röntgenfoto niet met zekerheid te zeggen. Hij heeft een oppervlakkige, snelle ademhaling, een zwakke en onregelmatige pols, verhoging en een abnormaal lage bloeddruk. Dit zou op een paar dingen kunnen wijzen. Eén daarvan is een hersenbloeding. Ik wil dat u, heren, getuigenis aflegt van het feit dat Branson weigert toe te staan dat er een ambulance voor hem komt. Ik wil dat u getuigenis aflegt van het feit dat als Kowalski sterft, Branson, en Branson alleen volledig verantwoordelijk is voor zijn dood. Ik wil dat u getuigenis aflegt van het feit dat Branson heel goed weet dat als Kowalski sterft, hij schuldig is aan hetzelfde feit waar hij kortgeleden een aantal mensen van beschuldigd heeft - moord. Maar ik denk dat het in zijn geval een aanklacht van moord met voorbedachten rade zal zijn.' Grafton zei: 'Daarvan zal ik plechtig getuigenis afleggen.' Ferrers zei: 'Ik eveneens.' O'Hare keek vol verachting naar Branson. 'En u bent degene die tegen me gezegd heeft dat u nog nooit in uw leven verantwoordelijk bent geweest voor iemands dood.' Branson zei: 'Hoe kan ik weten dat ze hem niet zullen vasthouden als hij eenmaal aan land is?' 'Je raakt je greep op de dingen kwijt, Branson.' Er klonk nog steeds verachting in O'Hares stem; hij en Revson hadden lang genoeg besproken op welke manier ze Branson psychologisch het best konden aanpakken. 'Zolang jij een president, een koning en een prins hebt, wie zal dan een gewone misdadiger vasthouden als een soort tegenwicht?' Branson nam een besluit. Het was moeilijk te zeggen of hij hiertoe gebracht werd door dreigementen of uit oprechte bezorgdheid voor Kowalski's leven. 'Een van die twee moet tegen Chrysler gaan zeggen dat hij de ambulance moet oproepen. Ik verlies u niet uit het oog tot ik zie dat Kowalski goed en wel naar de andere ambulance is overgebracht.' 'Ga je gang,' zei O'Hare onverschillig. 'Heren?' 'Het zal ons een genoegen zijn.' De beide journalisten verlieten de ambulance. O'Hare begon Kowalski met dekens toe te dekken. Branson zei argwanend: 'Waar doet u dat voor?' 'De hemel beware me voor onwetende leken. Uw vriend hier bevindt zich in een shocktoestand. Regel nummer één voor slachtoffers van een shock - houd ze warm.' Net toen hij uitgesproken was, klonk er een geweldige donderslag precies boven hen, zo dichtbij, zo luid, dat het beslist pijn deed aan de oren. Het duurde verscheidene seconden voor de nagalm wegstierf. O'Hare keek peinzend naar Branson en zei: 'Zal ik je eens iets zeggen, Branson? Dat klonk precies als het Laatste Oordeel.' Hij schonk wat whisky in een glas en voegde er wat gedistilleerd water aan toe. Branson zei: 'Geef mij daar ook wat van.' 'Bedien jezelf,' zei O'Hare op aangename toon.
***
Vanuit het betrekkelijke comfort van de voorste bus - betrekkelijk, want zijn kleren waren even doorweekt alsof hij in de Gouden Poort was gevallen - keek Revson toe hoe een andere ambulance Kowalski's op een brancard uitgestrekte lichaam meenam. Op dit moment voelde Revson zich zo tevreden als maar mogelijk was voor iemand in zijn langzaam verkillende toestand. Het voornaamste doel van deze actie was geweest om het koord, de koker, de lamp en de spuitbus in handen te krijgen. En dat was allemaal gelukt. De eerste drie lagen nog onder de bus bij de rand van het trottoir, nummer vier zat netjes in zijn zak. Dat dit alles gebeurd was ten koste van Kowalski, de meest meedogenloze bewaker van al Bransons wachten en verreweg de meest argwanende, was alleen een pluspunt extra. Hij dacht aan de spuitbus. Hij gaf April Wednesday een zacht duwtje, en omdat iedereen nog in diverse graden van geanimeerdheid over het jongste incident aan het praten was, vond hij het niet noodzakelijk zijn stem onnodig te dempen. 'Luister goed en herhaal mijn woorden niet, ook al lijkt mijn vraag je misschien erg onnozel. Zeg me eens, zou een eh, fijngevoelige jongedame een klein spuitbusje met luchtverfrisser bij zich hebben?' Behalve dat ze even met haar groene ogen knipperde, toonde ze geen reactie. 'In bepaalde omstandigheden, ja, dat denk ik wel.' Hij zette de bus tussen hen in. 'Stop dit dan alsjeblieft in je reistas. Sandelhout, maar ik zou maar niet proberen er aan te ruiken.' 'Ik weet heel goed wat erin zit.' De bus verdween. 'Ik neem aan dat het er niet veel toe doet als ze mij daarmee pakken? Als ze die duimschroeven te voorschijn halen -' 'Dat doen ze niet. Ze hebben je reistas al doorzocht en het is wel bijna zeker dat degene die dat gedaan heeft, zich de inhoud van één van de twaalf tassen die hij doorzocht heeft, niet zal herinneren. Niemand houdt jou in de gaten; ik sta boven aan de lijst als Hoofdverdachte.'
***
Tegen tien uur waren stilte en slaap in de bus teruggekeerd. De regen was verminderd tot niet meer dan een flinke bui, maar nog steeds flikkerde de bliksem en dreunde de donder met onverminderd enthousiasme. Revson wierp een blik over zijn schouder naar het zuidwesten. Er waren geen tekenen van enige ongebruikelijke activiteit in de richting van Lincoln Park. Hij vroeg zich af of de lui aan wal zijn boodschap verkeerd begrepen of opzettelijk genegeerd hadden. Beide mogelijkheden schenen hem onwaarschijnlijk; het was waarschijnlijker dat ze door de zware regen moeite hadden om het vuur aan te steken. Om zeven minuten over tien verscheen een rode gloed in het zuidwesten. Revson was welhaast zeker de eerste op de brug die het opmerkte, maar hij achtte het niet raadzaam de aandacht op dit feit te vestigen. Binnen een halve minuut laaiden de donkere olieachtige vlammen op z'n minst vijftien meter hoog op. Bartlett was de eerste die de aandacht vestigde op het verschijnsel, en hij deed dat op een zeer nadrukkelijke manier. Hij stond in de geopende deur achter de chauffeursplaats en riep: 'Jezus, kijk daar eens!' Bijna iedereen schrok wakker en keek. Ze konden niet veel zien. De regen sloeg nog steeds tegen de buitenkant van de ramen en de binnenkant was vrij sterk beslagen. Als een troep lemmings, met roekeloze vastbeslotenheid op weg naar een waterige zelfmoord, stroomden ze door de deur naar buiten. Het schouwspel was daar zeer zeker veel beter te zien en beslist de moeite waard. De vlammen, nu al dertig meter hoog met steeds groter wordende wolken olieachtige rook erboven werden met de seconde heviger. Nog steeds bezeten van dezelfde lemmingachtige gedachte en de regen totaal vergetend, renden ze dwars over de brug om hét beter te kunnen zien. De inzittenden van de presidentiële bus en de achterste bus deden precies hetzelfde. Niets boeit mensen meer dan het vooruitzicht van een uitstekend verlopende ramp. Revson, hoewel hij een van de eersten was die de bus uitgingen, deed geen poging om zich bij hen te voegen. Hij liep zonder enige haast om de voorkant van de bus heen, liep een paar passen terug, bukte zich en raapte het in oliedoek gewikkelde pakje op. Niemand schonk enige aandacht aan hem, zelfs niet al zou hij onder de bus door te zien zijn geweest, omdat ze allemaal in de tegenovergestelde richting renden en ook die kant op keken. Hij haalde de lamp uit het pakje, richtte hem vijfenveertig graden naar rechts en gaf zijn SOS-signaal, één keer maar; toen stak hij de lantaarn weer in zijn zak en stak op zijn gemak over naar de andere kant van de brug, waarbij hij nu en dan een blik over zijn linkerschouder wierp. Toen hij halverwege was, zag hij een vuurpijl, een niet bijzonder spectaculair exemplaar, die zich naar het zuidoosten boog. Hij kwam bij de vangrail aan de andere kant en voegde zich bij O'Hare die op enige afstand van de anderen stond. O'Hare zei: 'U zou een goede brandstichter zijn.' 'Dat is alleen nog maar het begin. Wacht maar tot u de volgende brand ziet. Om nog maar niet te spreken van het vuurwerk. Pure pyromanie, dat is het. Laten we eens naar het voorstuk van de achterste bus kijken.' Ze keken. Een volle minuut ging voorbij en er gebeurde niets. O'Hare zei: 'Hm. Zorgwekkend?' 'Nee. Alleen een beetje achter op het tijdschema, zou ik denken. Knipper zelfs niet met uw ogen.' Dat deed O'Hare niet en dus zag hij het - een miniem kleine, intense blauwig-witte vonk die misschien maar een duizendste seconde duurde. O'Hare zei: 'Zag u dat ook?' 'Ja. Heel wat minder dan ik dacht dat het zou zijn.' 'Het einde van de radiopeiler?' 'Zonder twijfel.' 'Zou iemand in de bus het hebben gehoord?' 'Dat is een retorische vraag. Er zit niemand in de achterste bus. Ze zijn allemaal aan deze kant. Maar er zijn enige tekenen van activiteit aan de achterkant van de presidentiële bus. Wedden dat Branson een paar vragen stelt?'
***
Branson stelde inderdaad een paar vragen. Met Chrysler aan zijn zijde sprak hij heftig in een telefoon. 'Zie dan dat je erachter komt, en meteen.' 'Ik doe mijn best.' Het was Hendrix en zijn stem klonk vermoeid. 'Ik kan voor een hoop dingen aansprakelijk gesteld worden, maar ik ben niet verantwoordelijk voor de natuurkrachten. Realiseer je je niet dat dit het ergste onweer is dat de stad in jaren gehad heeft? Er zijn tientallen kleine branden uitgebroken en de brandweercommandant heeft me gezegd dat al zijn materiaal ingezet is.' 'Ik wacht, Hendrix.' 'Ik ook. En God alleen weet hoe je je voorstelt dat deze brand in Lincoln Park op jullie van invloed kan zijn. Zeker, er komen wolken olierook af, maar de wind komt uit het westen en de rook komt niet bij jullie in de buurt. Je ziet spoken, Branson. Wacht. Een bericht.' Er was een korte stilte, toen ging Hendrix verder: 'Drie geparkeerde olietankwagens. Een ervan had zijn laadslang gedeeltelijk op de grond, dus die was geaard. Getuigen hebben gezien dat deze tankwagen door de bliksem getroffen werd. Er zijn twee brandweerwagens en het vuur is onder controle. Tevreden?' Branson hing op zonder antwoord te geven. Het vuur was inderdaad onder controle. Brandweerlieden, die er de tijd voor namen die nodig was om het overtuigend te maken, waren bezig de vaten brandende olie te blussen met schuimblussers. Vijftien minuten nadat de brand was uitgebroken - of opgemerkt was - was hij geblust. Bijna met tegenzin - ze waren nu zo nat, dat ze met geen mogelijkheid natter konden worden - draaiden de toeschouwers bij de westelijke leuning zich om en liepen terug naar de bussen. Maar het feest was nog maar net begonnen. Een tweede brand ontwikkelde zich in het noorden. Het vuur verspreidde zich en nam met een nog grotere snelheid dan de eerste keer in omvang toe; het werd zo helder en intens dat zelfs de lichten in de betonnen torens of in de benedenstad van San Francisco daarbij vergeleken flets leken. Branson, die teruggegaan was naar zijn eigen bus, rende nu terug naar de presidentiële bus. Er ging een bel in de communicatie-afdeling achterin. Branson greep de telefoon. Het was Hendrix. Hendrix zei: 'Aardig om je eens een keertje voor te zijn. Nee, voor deze brand zijn wij evenmin verantwoordelijk. Waarom zouden we in godsnaam iets in brand steken, als alle rook van jullie af naar het oosten over de baai drijft? De metereologische dienst zegt dat er iedere drie of vier seconden een bliksemflits is. En niet van wolk tot wolk, maar voornamelijk van wolk naar aarde. Volgens de wet van het gemiddelde, zegt hij, moet er één op de twintig keer iets vlam vatten. Ik houd je op de hoogte.' Voor de eerste keer hing Hendrix het eerst de hoorn op de haak. Branson legde langzaam zijn eigen hoorn op de haak. Voor de eerste keer begonnen zich gespannen lijnen rond zijn mondhoeken te vormen. De blauwgeaderde vlammen torenden nu omhoog tot een hoogte van honderdtachtig tot tweehonderd meter, even hoog als het hoogste gebouw van de stad. De rook die ontwikkeld werd, was dicht en bijtend scherp, wat gewoonlijk het geval is wanneer er verscheidene honderden gebruikte banden worden toegevoegd aan een vuur op oliebasis. Maar een zestal enorme brandweerauto's en evenveel mobiele schuimwagens hielden het vuur scherp in de gaten. Op de brug hielden de meer nerveuze krante- en cameramensen zich bezig met speculaties of het vuur zich al dan niet zou uitbreiden tot de stad zelf, een vrij zinloze speculatie, daar de wind volkomen in de verkeerde richting zat. Burgemeester Avieto stond bij de vangrail aan de oostzijde, met gebalde vuisten, terwijl de tranen over zijn gezicht stroomden, en hij vloekte met een vloeiende non-stop monotonie. O'Hare zei tegen Revson: 'Ik vraag me af of de Koning en de Prins de ironie van dit alles inzien. Het is ten slotte waarschijnlijk hun eigen olie die ze hier in vlammen zien opgaan.' Revson gaf geen antwoord en O'Hare raakte zijn arm aan. 'Weet je zeker dat je de dingen deze keer niet een beetje overdreven hebt, ouwe jongen?' In ogenblikken van spanning was zijn Engelse opvoeding merkbaar. 'Ik heb het niet aangestoken.' Revson glimlachte. 'Maak je geen zorgen, ze weten wat ze doen. Ik verheug me nu al op het vuurwerk.'
***
In het presidentiële communicatiecentrum ging de telefoon weer. Branson had hem binnen een seconde opgenomen. 'Hendrix. Het is een olievoorraadtank in Fort Mason.' Er was geen olievoorraadtank in Fort Mason, maar Branson kwam niet uit Californië, laat staan uit San Francisco, en het was hoogst onwaarschijnlijk dat hij dat wist. 'Ik heb juist over de radio met de brandweercommandant gesproken. Hij zegt dat het erger lijkt dan het is en dat er geen gevaar is.' 'En wat is dat dan verdomme?' Branson schreeuwde bijna, zijn normale onverstoorbare kalmte was althans tijdelijk verdwenen. 'Wat is wat?' Hendrix' kalmte diende alleen om Bransons onrust te versterken. 'Vuurpijlen! Tientallen! Vuurwerk! Heb je geen ogen in je hoofd?' 'Van waar ik zit, kan ik het niet zien. Wacht even.' Hendrix ging naar de achterdeur van de communicatiewagen. Branson had niet overdreven. De lucht was inderdaad vol vuurpijlen, van iedere denkbare kleur en vorm, en althans de helft ervan explodeerde in glinsterende vallende sterren. Als Branson zijn gewone kalmte en oplettendheid nog had bezeten, overwoog Hendrix, zou hij misschien hebben opgemerkt dat de vuurpijlen bijna allemaal met een gemiddelde baan, afgevuurd werden naar het noordoosten, wat de kortste afstand was tussen de plek waar ze vandaan kwamen en het dichtstbijzijnde water. Al het vuurwerk zou, zonder uitzondering, uitdoven in het water van de baai van San Francisco. Hendrix keerde terug naar de telefoon. 'Het schijnt uit Chinatown te komen, en ik weet wel verdraaid zeker dat ze niet het Chinese Nieuwjaar vieren. Ik bel wel terug.'
***
Revson zei tegen O'Hare: 'Doe uw witte jas uit. Die is te opvallend of wordt te opvallend wanneer het donker wordt.' Hij gaf O'Hare zijn witte viltstift. 'U weet hoe u die moet gebruiken?' 'De klem lostrekken en op het knopje drukken.' 'Ja. Als iemand te dicht in de buurt komt - wel, mik dan op het gezicht. U moet de naald er weer uittrekken.' 'Juist ik met mijn medische ethiek.'
***
Branson nam de telefoon op. 'Ja?' 'Het was Chinatown. Een vuurwerkfabriek daar is geraakt. Dat vervloekte onweer schijnt maar niet op te houden. God mag weten hoeveel uitslaande branden we vannacht nog zullen hebben.' Branson verliet de bus en voegde zich bij Van Effen die bij de oostelijke leuning stond. Van Effen draaide zich om. 'Je ziet niet vaak een dergelijk schouwspel, meneer Branson.' 'Ik ben helaas niet in de stemming om ervan te genieten.' 'Waarom niet?' 'Ik heb zo 't gevoel dat dit te onzer ere gearrangeerd is.' 'Maar hoe kunnen wij er nadeel van hebben? Voor zover het ons betreft, is er niets veranderd. Laten we onze gegijzelde President en onze koninklijke gijzelaars niet vergeten.' 'Zelfs dan -' 'Zelfs dan trillen uw antennes?' 'Trillen? Ze staan op springen. Ik weet niet wat er hierna weer gaat gebeuren, maar ik heb het gevoel dat het me niet bepaald zal amuseren.' Op dat ogenblik gingen de lichten op de brug en in het hele noordelijke gedeelte van San Francisco uit. Gedurende enkele seconden hing er een volkomen stilte op de brug. Het was niet volledig donker, maar het kwam er toch dichtbij. De enige verlichting was afkomstig van het vage schijnsel uit de bussen - om de accu's te sparen, waren de meeste leeslampjes uit, de andere waren laag gedraaid - en de oranjerode gloed van de oliebrand in de verte. Van Effen zei zachtjes: 'Uw antennes, meneer Branson. U zou een fortuin kunnen verdienen als u ze verhuurde.' 'Start de generator. We zetten de zoeklichten op de noordelijke en zuidelijke toren. Zorg dat het gemotoriseerde geschut klaarstaat, geladen, met de manschappen erbij. Drie man met machinepistolen bij ieder geschut. Ik ga naar de zuidkant, jij naar de noordzijde, om ze op de hoogte te brengen. Daarna heb jij over beide de leiding. Ik zal er bij die schoft van een Hendrix achter zien te komen wat dit allemaal te betekenen heeft.' 'U verwacht toch niet echt een frontale aanval meneer Branson?' 'Ik weet waarachtig niet wat ik moet verwachten. Wat ik wel weet, is dat we geen risico's nemen. Schiet maar op!' Branson rende in zuidelijke richting. Toen hij de achterste bus passeerde, riep hij: 'Chrysler!' 'De generator. Vlug, in godsnaam.' De generator draaide al voordat Branson en Van Effen de respectieve verdedigingsposten bereikten. De machtige zoeklichten verlichtten beide torens; het omgekeerde effect was dat het centrale gedeelte van de brug in een zelfs nog diepere duisternis dan tevoren gedompeld werd. De kanonnen werden gericht, de mannen met de machinepistolen stonden er dichtbij gereed. Van Effen bleef waar hij was. Branson rende terug naar de middelste bus. Maar zowel Branson als Van Effen concentreerde zijn activiteiten op de verkeerde dingen en in de verkeerde richting. Ze hadden moeten zijn waar Revson zich bevond.
***
Revson zat gehurkt in het neusstuk van de voorste helikopter, het licht dat uit de afgeschermde seinlamp in zijn hand kwam, was niet meer dan een speldenprik. Hij had geen moeite gehad om het ontstekingsmechanisme te lokaliseren; het bevond zich tussen de stoel van de piloot en die aan de andere kant. Met de schroevendraaier van zijn zakmes had Revson de vier schroeven van de bovenste plaat en de plaat zelf al verwijderd. Het instrument was op zichzelf eenvoudig genoeg. Aan de buitenkant van het instrument was een verticale hefboom vastgezet in de hoogste positie. Wanneer die omlaag werd geduwd, kwam er een koperen arm naar beneden tussen twee binnenste koperen armen met een veerbelasting waardoor het circuit gesloten werd. Even lange stukjes elektrisch snoer leidden van deze beide binnenste koperen armen naar twee krokodilklemmen, eveneens met een veerbelasting, elk bevestigd aan de polen van twee nikkel-cadmium Nife-cellen, die in serie geschakeld waren. Hierdoor zou in totaal slechts drie volt geproduceerd worden, wat niet erg veel was, zo zou men denken, om de radio-ontsteker te activeren; maar dat Branson het allemaal tevoren zeer zorgvuldig berekend had, daaraan twijfelde Revson geen moment. Hij nam niet de moeite om iets uit elkaar te halen of los te maken. Hij verwijderde alleen de krokodilklemmen van de polen, haalde de Nife-cellen eruit, verbrak de verbinding tussen de cellen en stopte er één in iedere jaszak. Had hij iets uit elkaar gehaald of losgemaakt, dan zou Branson misschien zijn toevlucht kunnen nemen tot een noodoplossing; maar Revson zou er veel onder durven verwedden, dat Branson geen reserve Nife-cellen bij zich had. Er was geen enkele denkbare reden waarom hij die wel zou hebben. Revson schroefde de dekplaat weer vast.
***
Hendrix' stem klonk woedend, als van een man wiens zelfbeheersing het begeeft. 'Wat denk je eigenlijk dat ik ben, Branson? Een tovenaar? Dat ik hier zit en met mijn vingers knip en dat floep! alle lichten in het noordelijke deel van de stad uit gaan. Ik heb je al gezegd en ik zeg het je nog eens, dat twee van de hoofdtransformatoren het hebben begeven. Hóé weet ik nog niet, maar je hoeft geen genie te zijn om te weten dat onze ouwe vriend daarboven in de lucht weer eens aan het werk is geweest. Wat had je eigenlijk verwacht dat we zouden doen - een tankeenheid tegen je inzetten? Terwijl we weten dat je dat zware geschut hebt en zoeklichten - en je kostbare gijzelaars? Denk je dat we zwakzinnig zijn? Ik ga langzamerhand denken dat jij dat bent. Ik bel nog wel.' Hendrix hing de hoorn op. Branson deed hetzelfde, waarbij hij de rest van het toestel bijna verbrijzelde. Het was de tweede keer in een zeer kort tijdsbestek dat de suggestie werd geopperd dat hij zijn greep op de dingen kwijtraakte. Zijn lippen waren vast op elkaar geklemd. Het was een suggestie die hem niet bepaald aanstond, nog minder wilde hij die in overweging nemen. Hij bleef zitten waar hij neergevallen was. Revson sloot voorzichtig de deur van de helikopter en sprong zachtjes op de grond. Op een paar passen afstand zag hij O'Hares gestalte afgetekend tegen de nog steeds hoog oplaaiende, maar langzaam zwakker wordende vlammen. Hij riep zachtjes zijn naam en O'Hare kwam naderbij. 'Laten we naar de westzijde lopen,' zei Revson. 'Geen schietoefening gehad?' 'Niemand heeft ook maar naar die plek gekeken, laat staan dat ze er in de buurt geweest zijn. Zelfs als ze hadden gekeken, betwijfel ik of ze iets gezien zouden hebben. Als je zo lang naar die brand en dat vuurwerk hebt gekeken, is het alsof je in complete duisternis staart, wanneer je omkijkt naar het midden van de brug. Je bent tijdelijk nachtblind.' Hij overhandigde Revson de witte pen. 'Hier is uw aardige speelgoed terug. Ethisch is alles nog in orde.' 'En hier is uw lamp terug.' Revson gaf hem de lamp. 'Ik stel voor dat u hem terugbrengt naar uw ambulance. Tegelijkertijd stel ik voor dat we het pistool te voorschijn halen en het aan generaal Cartland geven. En ik stel eveneens voor dat ü het hem geeft. Ik wil liever niet dat iemand ziet dat ik al te vertrouwelijk ben met de generaal. Zeg tegen hem dat hij het niet moet gebruiken voordat hij een seintje krijgt. Hebt u zo'n ding ooit eerder gezien?' Hij haalde een Nife-cel uit zijn zak en overhandigde hem aan O'Hare, die er in het halve duister naar tuurde.' 'Een soort batterij?' 'Ja. Er waren er twee en ik heb de andere ook. De bedoeling is dat ze worden gebruikt om het ontstekingsmechanisme voor de explosieven onder stroom te zetten.' 'En hebt u geen enkel spoor achtergelaten?' 'Geen enkel.' 'Laten we dan maar naar de zijkant van de brug gaan.' Ze gooiden de cellen in de Gouden Poort en liepen naar de ambulance. O'Hare liet Revson eerst naar binnen gaan, daarna volgde hij en sloot de deur achter zich. Hij zei: 'Ik denk dat wc de lamp maar moeten gebruiken. Als er plotseling helder licht uit de ramen naar buiten schijnt, kan dat ongewenste aandacht trekken. Ten slotte wordt verondersteld dat we buiten van het schouwspel genieten.' O'Hare had niet meer dan twee minuten nodig om de verzegeling van het hartactiveringsapparaat te verbreken, er het een en ander uit te halen, na een reeks ingewikkelde manipulaties een geheim vak in de bodem van de kist te openen, het cyaankalipistool eruit te pakken, de dingen weer op hun plaats terug te leggen, de kist te sluiten en het deksel opnieuw te verzegelen. O'Hare stopte het pistool in een binnenzak van zijn jas en zei op klagende toon: 'Ik val weer helemaal terug in mijn ethische denkwijze.'
***
Hendrix zei over de telefoon: 'Het waren toch de transformatoren niet. Er zijn vannacht zoveel storingen in de elektrische installatie van de stad geweest, dat de overbelastingsklossen van de generators er gewoon de brui aan gegeven hebben.' 'Hoe lang?' vroeg Branson. 'Een paar minuten. Meer niet.' Zoals zijn gewoonte was, stond generaal Cartland alleen bij de oostelijke leuning. Hij draaide zich om en zag O'Hare, die rustig zei: 'Ik wil u even spreken, meneer.' Vijf minuten later gingen de lichten van San Francisco en van de Gouden Poort-brug weer aan. Branson verliet de presidentiële bus en ging naar Van Effen toe. Hij zei: 'Denk je nog steeds dat ik een fortuin kan verdienen als ik mijn antennes verhuur?' Hij glimlachte. Van Effen glimlachte niet. Hij zei: 'Doet u me een plezier en houd ze nog een tijdje in ere.' 'Je wilt me toch niet zeggen dat jouw antennes ook druk in de weer zijn?' 'Zo niet, dan hebben ze wel goeie vervangers.' De laatste vuurpijlen waren aan het uitdoven, van de oliebrand in Fort Mason bleef alleen een naargeestige dieprode gloed over, het weerlicht en de donder verminderden enigszins, maar met de regen was dat niet het geval; als er die nacht brand was uitgebroken in San Francisco, dan zou die zeker door de regen geblust zijn. Nu het nachtelijk vermaak kennelijk voorbij was, werd iedereen zich ervan bewust dat de regen een zeer verkillende uitwerking had. Iedereen haastte zich bijna als één man terug naar de bussen. Revson zat op de plaats bij het raam tegen de tijd dat April Wednesday binnenkwam. Ze aarzelde, ging toen naast hem zitten. Ze zei: 'En waarom wil je mijn plaats hebben? Ik dacht dat het gewoonte was om een dame aan de binnenkant te laten zitten.' 'Om te voorkomen dat ze 's nachts in het gangpad valt? Weet je dan niet dat dit de gouden eeuw van de vrouwenemancipatie is? Maar dat is niet de echte reden. Kan ik in het gangpad komen zonder je daarbij te storen?' 'Dat is een rare vraag.' 'O ja? Ik bedoel alleen of het mógelijk is.' 'Je ziet zelf wel dat dat niet kan.' 'Zou je bereid zijn te zweren - dat wil zeggen, als er geen duimschroeven aan te pas komen - dat ik je in de loop van de nacht niet één keer gestoord heb?' 'Ben je dan van plan dat te doen?' 'Ja. Wil je dat zweren?' Ze glimlachte. 'Ik geloof dat ik al getoond heb dat ik kan liegen als de beste.' 'Je bent niet alleen mooi, maar je bent ook goed.' 'Dank je. Waar had je gedacht heen te gaan?' 'Wil je dat echt weten? Ik geloof dat je het beter niet kunt weten. Denk eens aan de duimschroeven, aan de pijnbank, waar je botten op gebroken worden -' 'Maar het hoofd van de politie, Hendrix, heeft gezegd dat Branson nooit geweld tegen vrouwen gebruikt.' 'Dat was de Branson van weleer. Maar hij is nu een tikje nerveus geworden, meer dan een beetje van streek. Het is mogelijk dat hij zover gedreven wordt, dat hij zich gedwongen ziet zijn scrupules eraan te geven.' Het was niet de totaal doorweekte zijden jurk die ze droeg, waardoor ze huiverde. 'Ik geloof dat ik het maar liever niet wil weten. Wanneer ga je?' 'Even voor middernacht.' 'Dan doe ik voor die tijd geen oog dicht.' 'Uitstekend. Geef me even een duwtje om vijf voor twaalf.' Revson sloot zijn ogen en leek behaaglijk in zijn stoel onderuit te zakken.
***
Tegen vijf minuten voor middernacht scheen iedereen in de bus in slaap te zijn; ondanks de kou en het ongemak sliepen ze al bijna allemaal meer dan een uur. Zelfs April Wednesday sliep, haar hoofd rustend op Revsons schouder, dicht tegen hem aangekropen om warm te worden. Ze was zich hiervan absoluut niet bewust. Zelfs de wacht, Bartlett, was dichter bij een slapende dan bij een wakende toestand, vrijwel zeker omdat Kowalski niet meer rondsloop om hem op zijn qui vive te houden; zijn hoofd knikte op zijn borst en slechts nu en dan, met steeds grotere tussenpozen, schoot zijn hoofd overeind. Alleen Revson, met zijn ogen gesloten, was klaarwakker en waakzaam als een kat op een middernachtelijke sluiptocht. Hij stootte April zachtjes aan en fluisterde in haar oor. Ze werd wakker en keek hem niet begrijpend aan. 'Tijd om te gaan,' zei hij zacht. Het was bijna donker binnen in de bus, de enige verlichting kwam van het gedimde licht boven de zitplaats van de chauffeur en van de lichten van de brug zelf. 'Geef me de spuitbus.' 'De wat?' Ze was plotseling klaarwakker, het wit van de donker glinsterende ogen - de kleur van de pupillen was niet te onderscheiden - leek groot in het halve duister. 'Natuurlijk.' Ze stak haar hand onder haar stoel en haalde de spuitbus te voorschijn. Revson stopte hem in zijn linkerbinnenzak. Ze zei: 'Hoe lang blijf je weg?' 'Als 't meezit, twintig minuten. Misschien een halfuur.' Ze kuste hem licht op de wang. 'Wees alsjeblieft voorzichtig.' Revson had geen commentaar op deze hoogst overbodige raad. 'Ga in het gangpad. Zo zacht als je kunt.' Hij passeerde haar en liep zachtjes naar voren, met zijn witte pen in de hand. Bartletts hoofd hing op zijn borst. Revson drukte op het knopje op een afstand van nog geen halve meter en de naald stak al achter Bartletts linkeroor. Revson trok hem zachtjes achterover tot zijn hoofd over de rugleuning bengelde. Afgezien van het veroorzaken van bewusteloosheid, had het middel een tijdelijk verstarrend effect, zodat er niet veel kans bestond dat Bartlett van zijn stoel af zou glijden. April keek naar dit alles zonder enige uitdrukking op haar gezicht; de enige aanwijzing van haar gevoelens was de punt van haar tong waarmee ze haar droge lippen probeerde te bevochtigen. Er moest een wacht zijn die patrouille liep, wist Revson - hij had hem verscheidene keren gezien - en die moest hij eerst uitschakelen. Hij tuurde voorzichtig door het geopende portier bij de zitplaats van de chauffeur. Er naderde inderdaad een wacht, die uit zuidelijke richting kwam en ongeveer op een halve meter afstand langs de bussen liep, met een karabijn over zijn schouder. Revson meende Johnson te herkennen, een van de helikopterpiloten, maar hij was er niet zeker van. Revson draaide Bartletts gedimde licht uit en bleef waar hij was. Hij had de spuitbus in zijn hand, maar op het laatste ogenblik veranderde hij van gedachten en haalde in plaats daarvan de pen te voorschijn. Iemand die herstelt van de uitwerking van de verdovende naalden, wordt altijd wakker zonder enige nadelige nawerking hiervan te ondervinden en veronderstelt gewoonlijk dat hij in slaap gevallen is; maar zoals Revson uit zijn eigen ervaring van die morgen wist, voelt iemand die bijkomt uit een verdoving door gas, zich misselijk en katerachtig en twijfelt er in geen enkel opzicht aan dat hij op een of andere manier verdoofd is. Het leek geen goed idee dat Johnson dit aan Branson zou rapporteren. Revson drukte op de knop en sprong tegelijkertijd omlaag om Johnson op te vangen voordat hij voorover op de weg viel, dit niet zozeer uit humanitaire overwegingen als wel om het metalige geluid te voorkomen van een karabijn die tegen het wegdek slaat. Hij verwijderde de naald uit Johnsons voorhoofd, trok hem zo zachtjes mogelijk de bus in en duwde hem in een zeer ongemakkelijke positie voor de zitplaats van de chauffeur. Johnson bevond zich niet in een toestand om enig ongemak te voelen en Revson wilde niet het risico lopen dat een van de andere passagiers wakker werd - hoewel dat onwaarschijnlijk leek - en dan een bewusteloze onbekende man in het gangpad zou ontdekken. April Wednesday was weer bezig haar lippen te bevochtigen. Revson ging naar buiten door het dichtstbijzijnde voorportier. Bij het heldere licht van de brug had hij evengoed in vol daglicht uit kunnen stappen. Hij twijfelde er niet aan dat zijn activiteiten zowel vanaf de wal aan de noord- als aan de zuidkant door sterke nachtkijkers werden gadegeslagen, maar dat was van geen belang. Wat wel belangrijk was, was dat hij vanuit de beide andere bussen niet gezien kon worden, hoewel hij er ernstig aan twijfelde of er wel iemand was die in een van beide bussen de wacht hield, of dat er zelfs maar iemand wakker was. In werkelijkheid waren Van Effen en Chrysler in de achterste bus zacht met elkaar aan het praten, maar het was onmogelijk voor hen om Revson te zien. Revson klom over de vangrail heen, trok zichzelf op tegen de leuning van de brug en tuurde omlaag. Beneden was alles in totale duisternis gehuld. De onderzeeboot kon er zowel wel als niet zijn; hij kon alleen maar hopen dat hij er was. Hij liet zich zakken en haalde het in oliedoek gewikkelde pakje onder de bus vandaan. Daarin zaten het vissnoer en een verzwaarde laboratorium monsterkoker - verzwaard, omdat de wind nog steeds zeer krachtig was en hij er zeker van moest zijn dat het snoer redelijk verticaal omlaagzakte. Hij sneed haken en aas aan het eind van de vislijn af en maakte de koker eraan vast. Hij liet de koker over de brugleuning zakken en begon de lijn af te winden van het rechthoekige houten raam. Na ongeveer dertig seconden hield hij hiermee op, hield de lijn voorzichtig tussen duim en wijsvinger en wachtte op een bevestigend rukje. Dat kwam niet. Hij liet de lijn nog zo'n drie meter zakken. Nog steeds geen rukje. Misschien was de onderzeeër er niet, misschien was het de kapitein niet mogelijk om positie te houden vanwege de getijden en sterke onderstromen. Daarentegen had admiraal Newson gezegd dat hij precies de man wist die dat kon en het was niet aannemelijk dat iemand van Newsons reputatie een vergissing zou maken. Revson liet de lijn nog eens drie meter zakken en slaakte toen een luide zucht van opluchting toen hij twee scherpe rukjes aan de lijn voelde. Twintig seconden later volgden nog twee scherpe rukjes. Revson liet de lijn zo vlug mogelijk zakken. Toen hij naar schatting nog maar een paar meter lijn overhad, leunde hij ver over de brugleuning heen en haalde de lijn in een veel langzamer tempo weer in. Hij voelde er niets voor de radio, hoe zacht ook, tegen het stalen geraamte van de brug te laten stoten. Ten slotte hield hij hem in zijn handen, een zak van waterdicht materiaal, met de lijn stevig bovenaan dichtgebonden. Hij ging naar de zijkant van de bus om zijn vangst te onderzoeken. Hij sneed de lijn waarmee hij vast zat, los met zijn mes en keek erin. Daar was hij - een heel kleine, glanzende, getransistoriseerde zendontvanger. 'Een vreemd uur om te gaan vissen, Revson,' zei Van Effen achter hem. Een seconde, langer niet, bleef Revson stokstijf staan. Hij hield de zak op borsthoogte en zijn hand gleed terloops in zijn linkerbinnenzak. 'Ik zou graag eens willen zien wat voor soort vis iemand 's nachts vangt in de Gouden Poort. Draai je om, Revson, langzaam. Ik ben een nerveus persoon en je weet hoe dat een vinger aan de trekker van een pistool kan beïnvloeden.' Revson draaide zich om, langzaam, op de manier van iemand die alles weet over nerveuze vingers aan de trekker van een pistool. De spuitbus zat al in de zak. Hij zei op berustende toon: 'Wel, ik veronderstel dat het te mooi was om lang te duren.' 'Dus Branson had ten slotte gelijk.' Van Effen, zijn vollemaansgezicht even uitdrukkingloos als altijd, bevond zich op ongeveer anderhalve meter afstand. Hij hield zijn machinepistool met beide handen vast, losjes, maar met zijn wijsvinger zeer duidelijk aan de trekker; Revson zou dood geweest zijn voordat hij ook maar een stap in zijn richting zou hebben gedaan. Maar Van Effen verwachtte kennelijk geen tegenstand. 'Laten we maar eens kijken wat je daar hebt. Heel rustig.' Heel langzaam, heel rustig, haalde Revson de spuitbus te voorschijn. Het busje was zo klein, dat het bijna in zijn hand verborgen was. Hij wist dat de bus onder een druk stond die drie keer zo groot was als normaal en dat hij een bereik van drie meter had. Dat had O'Hare hem althans verteld en Revson stelde veel vertrouwen in O'Hare. Van Effen schoof het wapen onder zijn rechterarm en richtte de loop rechtstreeks op Revson. 'Laat me dat eens zien.' 'Langzaam en op mijn gemak?' 'Langzaam en op je gemak.' Revson stak zonder enige overhaasting zijn arm uit. Van Effens gezicht was nog geen meter van hem vandaan toen hij de knop indrukte. Hij liet de spuitbus vallen en greep Van Effens machinepistool; weer wilde hij iedere metalige klank voorkomen. Hij keek neer op de in elkaar gezakte gedaante aan zijn voeten. Hij had een zekere achting gekregen voor Van Effen, zowel als man en als professional; maar gevoelens van spijt hoorden niet thuis in Revsons beroep. Hij raapte de spuitbus op, pakte de zendontvanger en drukte een knop in. 'Hier Revson.' 'Hagenbach.' Revson zette hem zachter. 'Is dit een gesloten VHF -lijn? Geen kans dat het onderschept wordt?' 'Geen schijn van kans.' 'Dank u voor de radio. Ik heb hier een probleem. Hoe ik me ergens van moet ontdoen. Van Effen kreeg mij te pakken, maar nu heb ik hem. Gas. Hij heeft me natuurlijk herkend en kan niet op de brug blijven. Ik zou hem in de Gouden Poort kunnen gooien, maar dat wil ik niet. Hij heeft niets gedaan om dat te verdienen. Hij zou zelfs belangrijk bewijsmateriaal kunnen leveren. Ik wil graag met de kapitein van de onderzeeër praten.' Een nieuwe stem kwam door. 'Hier de kapitein. Commandant Pearson.' 'Mijn compliment, kapitein, en dank u voor de radio. Hebt u gehoord wat ik tegen meneer Hagenbach heb gezegd?' 'Jawel.' 'Zou u nog een passagier op willen nemen, ook al is die buiten kennis?' 'Het is ons streven om van dienst te zijn.' 'Hebt u misschien een lijn of een touw aan boord dat ik gemakkelijk op kan halen, maar dat toch sterk genoeg is om het gewicht van een man te dragen? Ik heb ongeveer zo'n honderdvijftig meter nodig.' 'Lieve help, nee. Wacht, ik kijk het even na.' Er was een korte stilte, toen kwam Pearsons stem weer. 'We hebben drie dertigvademrollen. Aan elkaar geknoopt moet dat meer dan genoeg zijn.' 'Prachtig. Ik laat mijn koord weer zakken. Een ogenblikje alstublieft. Ik moet het eerst verzwaren.' Hij hing de zendontvanger om zijn hals om zijn handen vrij te hebben en zijn oog viel bijna meteen op Van Effens machinepistool. Hij maakte het koord stevig vast aan de beugel en begon het onmiddellijk neer te laten. Hij sprak weer in de radio. 'De lijn is op weg naar beneden. Hij is verzwaard met Van Effens machinepistool en het koord zit vast aan de beugel. Ik bedoel, ik zou niet graag willen dat iemand zich per ongeluk doodschoot.' 'De marine is gewend om met wapens om te gaan, meneer Revson.' 'Neem me niet kwalijk, kapitein. Wanneer ik het touw hierboven heb, sla ik het om een reling en maak het vast aan Van Effen. Een dubbele paalsteek over de dijen, een keer om het middel heen en zijn handen vastgebonden op zijn rug, zodat het touw niet over zijn schouders kan glijden.' 'We hebben nog plaats in de dienst voor vindingrijke jongelui zoals u.' 'Ik vrees dat de leeftijdsgrens al ver achter me ligt. Als ik klaar ben, hebt u dan twee of drie man die hem over de reling heen omlaag kunnen laten zakken? Ik ben niet van plan dat zelf te proberen. Zoals ik al zei, het is mijn leeftijd.' 'De marine is tegenwoordig zo gemoderniseerd, het is haast niet te geloven. We gebruiken een lier.' Revson zei verontschuldigend: 'Ik ben maar een landrot.' 'We hebben uw koord en het pistool en niemand heeft iemand doodgeschoten.' Er was een korte pauze. 'Trek maar op.' Revson haalde het touw op. Het leek nauwelijks dikker dan een waslijn, maar Revson twijfelde er niet aan dat Pearson wist wat hij deed. Hij bond Van Effen vast op de manier die hij beschreven had en sleepte hem toen naar de rand. Hij zei in de radio: 'Klaar om hem over te nemen?' 'Klaar.' Revson tilde hem over de rand. Een ogenblik bengelde Van Effen daar, toen verdween hij omlaag in de duisternis. Het touw over de reling werd slap en Pearsons stem klonk weer over de radio. 'We hebben hem.' 'Onbeschadigd?' 'Onbeschadigd. Is dat alles voor vannacht?' 'Ja. Dank u voor uw medewerking.' Revson vroeg zich even af wat Van Effens reactie zou zijn, wanneer hij ontdekte dat hij zich in een onderzeeër bevond; toen sprak hij weer in de radio: 'Meneer Hagenbach?' 'Ja?' 'Hebt u alles gehoord?' 'Ja. Niet slecht gedaan.' Hagenbach toonde nooit veel neiging om zijn ondergeschikten te overladen met vleierige complimentjes. 'Ik heb geluk gehad. Het ontstekingsmechanisme voor de explosieven is gedeactiveerd. Permanent.' 'Goed. Heel goed.' Dit, komend van Hagenbach, was het equivalent van de Romeinse hulde die een hoogst succesvolle generaal ten deel viel nadat hij zijn tweede of derde land in successie veroverd had. 'Burgemeester Avieto zal erg blij zijn als hij dit hoort.' 'Als hij het hoort. Ik stel voor dat u over een paar uur de bruglichten weer dooft en aan de oostzijde van de zuidelijke toren naar binnengaat. Hebt u de mannen, meneer?' 'Persoonlijk uitgezocht.' 'Vergeet u niet ze te vertellen dat ze de detonators van de explosieven moeten verwijderen. Alleen bij wijze van voorzorg, weet u.' 'Ha!' Hagenbachs uitroep was als een sneeuwvlok in de rivier. 'Natuurlijk.' 'En nog iets. Voordat u het licht afsnijdt, zou u misschien met de laserstraal hun naar het zuiden gerichte zoeklicht kunnen uitschakelen.' 'Dat zullen we doen, m'n jongen, dat zullen we.' 'Wilt u alstublieft geen enkel contact met mij opnemen. Het is mogelijk dat ik de radio bij me draag en ik zou me in een bijzonder hachelijke positie kunnen bevinden, bijvoorbeeld net tegen Branson aan het praten zijn, wanneer de oproepzoemer gaat.' 'We zullen permanent naar boodschappen van jou luisteren.'
***
Hagenbach keek in het rond naar zijn collega's. Er brak bijna een glimlach door op zijn gezicht, maar hij slaagde er net in om zijn record intact te houden. Hij keek hen beurtelings aan, waarbij hij trachtte zijn voldoening te verbergen, hoewel met mate; toen richtte hij zijn aandacht op de Vice-President. '"Krankzinnig" was het woord dat u gebruikt hebt, meneer. "Volslagen krankzinnig".' Richards nam het goed op. 'Nou ja, misschien een goddelijk soort waanzin. Dat ontstekingsinstrument deactiveren is op zichzelf een grote stap in de goede richting. Als Avieto het maar kon weten, zoals je zegt.' 'Er schijnen geen grenzen te zijn aan zijn vindingrijkheid,' zei Quarry. 'De juiste man op de juiste plaats, op de juiste tijd, als dat ooit het geval geweest is, dan nu wel. Maar het lost het hoofdprobleem, van de toestand waarin onze gijzelaars zich bevinden, niet op.' 'Ik zou me geen zorgen maken.' Hagenbach leunde behaaglijk achterover in zijn stoel. 'Revson bedenkt wel wat.'