De gouden poort
1
De operatie moest met chirurgische, militaire precisie worden uitgevoerd en even nauwgezet en zorgvuldig worden voorbereid als tijdens de oorlog de landingen van de geallieerden in Europa. En dat had men ook gedaan. Die voorbereidingen had men in het diepste geheim moeten treffen. En zo was het gebeurd. De coördinatie moest tot op onderdelen van seconden worden voorbereid. En dat had men gedaan. Alle mannen moesten net zo lang en steeds maar weer repeteren en oefenen, tot ze hun rol perfect en automatisch konden uitvoeren. Zo waren ze ook getraind. Ze moesten met iedere onverwachte afwijking van de geplande campagne rekening kunnen houden. En dat konden ze. En ze moesten alle vertrouwen in eigen kunnen hebben, ook al zou het oorspronkelijke plan volkomen gewijzigd worden. En dat vertrouwen bezaten ze. En vertrouwen was iets wat hun leider, Peter Branson, inboezemde. Branson was achtendertig jaar, bijna één meter negentig lang, stevig gebouwd, met donker haar, een sympathiek gezicht, een mond die bijna altijd lachte en lichtblauwe ogen die het lachen al vele jaren geleden verleerd hadden. Hij was gekleed als politieagent, hoewel hij dat niet was. Ook werkte er niemand bij de politie van de andere elf mannen daar in die oude vrachtwagengarage, vlak bij de oever van Lake Merced, halverwege Daly City in het zuiden en San Francisco in het noorden, hoewel drie van hen hetzelfde uniform droegen als Branson. Het enige voertuig stond daar wat triest en leek misplaatst in wat eigenlijk slechts een open loods was. Het was een bus, maar nauwelijks wat men daar gewoonlijk onder verstaat. Het was een opzichtig, glimmend monster, dat boven schouderhoogte helemaal uit lichtgekleurd glas bestond, op de roestvrij stalen dwarsstijlen na. De zitplaatsen stonden niet netjes achter elkaar. Er stonden ongeveer dertig draaistoelen die vastzaten in de vloer, maar ogenschijnlijk nonchalant verspreid waren neergezet. In elke stoelleuning zat net als in een vliegtuig een uitklapbaar tafeltje. Achterin bevonden zich een toiletruimte en een opmerkelijk welvoorziene bar. Daarachter was een balkon, waarvan de vloer op dit ogenblik open was, zodat de holle bagageruimte zichtbaar was. Deze was bijna helemaal vol, maar niet met bagage. De enorme laadruimte van twee bij twee meter bevatte onder andere twee elektrische generatoren die aangedreven werden met benzine, twee zoeklichten met een doorsnede van vijftig centimeter en een aantal kleinere, twee zeer vreemdsoortige wapens die op projectielen leken met monteerbare statieven, machinegeweren, een grote houten kist waar niets op stond geschreven en vier kleinere, vettige houten kistjes en verder nog enkele andere voorwerpen, waartussen de grote trossen touw opvielen. Bransons mannen waren nog aan het inladen. De bus, één van de zes die er ooit waren gemaakt, had Branson negentigduizend dollar gekost. Hij vond dat niet veel voor het doel waarvoor hij van plan was hem te gebruiken. Hij had de firma in Detroit verteld dat hij de bus kocht voor een miljonair die niet hield van publiciteit, die tevens een zonderling was en hem geelgeverfd wilde hebben. En hij was ook geel toen hij werd afgeleverd. Nu was hij glimmend, doorschijnend wit. Twee van de resterende vijf bussen waren gekocht door echte en extraverte miljonairs en allebei wilden ze de bussen gebruiken voor luxe privé-vakantiereizen. Beide bussen hadden aan de achterkant een verhoging, waarop ze hun mini-autootje konden neerzetten. Maar waarschijnlijk zouden ze allebei zo'n vijftig weken van het jaar in de speciaal gebouwde garages staan. De regering had de drie andere bussen gekocht. Het was nog donker.
***
De drie andere bussen stonden in een garage in het centrum van San Francisco. De grote schuifdeuren waren dicht en vergrendeld. Op een klapstoel in een hoek zat een man in burgerkleren. Op zijn schoot hield hij losjes een revolver waarvan de loop was afgezaagd. Hij sliep vredig. Hij zat al te dutten bij de komst van de indringers en hij wist niet dat hij nu nog heerlijker en dieper sliep, omdat hij ongemerkt een straal uit een gaspistool had ingeademd. Over een uur zou hij weer wakker worden zonder te weten wat er was gebeurd en het was hoogst onwaarschijnlijk dat hij tegenover zijn superieuren zou toegeven dat hij ook maar net iets minder waakzaam was geweest dan anders. De drie bussen leken precies op die van Branson, tenminste aan de buitenkant, hoewel de middelste in twee opzichten duidelijk van de andere twee verschilde. Eén verschil was zichtbaar, het andere niet. Hij was meer dan twee ton zwaarder dan de twee andere bussen, want kogelvrij glas is nu eenmaal heel wat zwaarder dan gewoon spiegelglas en er zit heel wat glas aan zo'n bus met grote ramen. En het interieur was in één woord een droom, wat men ook kon verwachten van het privé-vervoer van 's lands hoogste functionaris. In de presidentiële bus stonden twee enorme sofa's tegenover elkaar, waar men zo diep in wegzakte en die zo lekker zaten dat een corpulente figuur met een beetje verstand zich wel twee keer zou bedenken voor hij zich behaaglijk in één van de twee nestelde, want om weer overeind te komen zou hij moeten beschikken over een bovennatuurlijke wilskracht of een hijskraan. Verder stonden er vier gemakkelijke stoelen die net zo lekker zaten en even verraderlijk waren als de sofa's. Dit wat het zitcomfort betrof. Er waren listig verborgen kraantjes voor ijswater, hier en daar stonden koperen koffietafeltjes en glimmend vergulde vazen wachtten om gevuld te worden met hun dagelijkse verse bloemen. Achter dit gedeelte waren de toiletruimte en de bar, een bar waarvan de grote ijskasten in dit speciale en ongewone geval gevuld waren met vruchtensap en frisdrank uit achting voor de gewoontes van de eregasten van de president: Arabieren en moslems. Daar weer achter, in een glazen ruimte over de hele breedte van de bus, was het communicatiecentrum, een netwerk van minuscule apparaatjes, waar voortdurend iemand aanwezig was als de president in de bus zat. Men zei dat deze installatie heel wat duurder was geweest dan de bus zelf. Behalve een radiotelefoonsysteem, waarmee elke plek op de wereld bereikt kon worden, was er een rijtje verschillend gekleurde knoppen in een glazen kastje, dat alleen geopend kon worden met een speciale sleutel. Er waren vijf knoppen. Door een druk op de eerste kwam een directe verbinding tot stand met het Witte Huis in Washington. De tweede was voor het Pentagon, de derde voor het Strategische Lucht Commando, de vierde voor Moskou en de vijfde voor Londen. Behalve dat het noodzakelijk was om te allen tijde in verbinding te staan met het leger, leed de president aan acute telefonitus, zo erg zelfs dat er een interne telefoonverbinding was tussen de plaats in de bus waar hij gewoonlijk zat en het communicatiecentrum achterin. Maar de indringers waren niet in deze bus geïnteresseerd, maar in de bus links ervan. Ze stapten bij de voordeur in en verschoven meteen een metalen plaatje naast de bestuurdersplaats. Een van de mannen scheen met een lantaarn naar beneden en bleek bijna meteen te vinden waar hij naar zocht. Hij stak zijn hand uit en zijn metgezel overhandigde hem iets, dat leek op een plastic zak met stopverf, waaraan een metalen cilinder was bevestigd van slechts zeveneneenhalve centimeter lang en met een doorsnee van tweeëneenhalve centimeter. Dit bevestigde hij zorgvuldig met plakband aan een metalen stang. Hij scheen precies te weten wat hij deed en dat klopte ook, want de magere en bleke Reston was een vooraanstaand deskundige op het gebied van explosieven. Ze liepen naar achteren, achter de bar. Reston klom op een kruk, schoof de deur van een kastje boven zijn hoofd open en wierp een blik op de drankvoorraad. Eén ding stond vast, het gevolg van de president in de bussen zou beslist geen dorst lijden. Er stonden twee rijen flessen verticaal boven elkaar. De eerste tien aan de linkerkant, vijf in elke rij, bevatten bourbon en Schotse whisky. Reston boog zijn hoofd om de omgekeerde etiketten van de flessen onder de kast te bekijken en zag dat het dezelfde flessen waren en allemaal vol. Het zag er niet naar uit dat er iemand de eerstkomende tijd geïnteresseerd zou zijn in de inhoud van het kastje. Reston haalde de tien flessen uit de ronde gaten in de kast waar ze in zaten en gaf ze aan zijn metgezel die er vijf op de bar zette en de andere vijf in de linnen tas deed die hij kennelijk voor dit doel had meegebracht. Toen gaf hij Reston een nogal vreemdsoortig apparaatje, dat uit drie delen bestond: net zo'n cilinder als zoeven vóór in de bus was aangebracht, een ding in de vorm van een bijenkorfje, slechts vijf centimeter lang en met dezelfde doorsnede, en een apparaatje dat erg veel leek op een brandblusser, behalve dan dat het een plastic kop had. Dit en het bijenkorfje waren met draden aan de cilinder bevestigd. Onder aan het 'bijenkorfje' zat een rubberen zuignap, maar Reston scheen niet zoveel vertrouwen te hebben in zuignapjes, want hij haalde een tube met sneldrogende lijm te voorschijn en besmeerde de onderkant van het 'bijenkorfje' rijkelijk met lijm. Toen hij daarmee klaar was, drukte hij het stevig tegen de voorkant van het kastje aan, plakte het zorgvuldig aan de grote en de kleine cilinder vast en bevestigde toen de drie delen met plakband aan de binnenste rij ronde gaten van de flessen. Hij zette de vijf voorste flessen weer op hun plaats. Het apparaatje was niet meer te zien. Hij schoof het deurtje weer dicht, zette de kruk weer op zijn plaats en verliet met zijn metgezel de bus. De wacht zat nog steeds vredig te slapen. De twee mannen gingen naar buiten via de zijdeur waardoor ze ook waren binnengekomen en sloten die achter zich. Reston haalde een walkie-talkie te voorschijn. Hij zei: 'P1?' De stem kwam duidelijk en versterkt over door de luidspreker op het instrumentenbord in de bus in de garage ten noorden van Daly City. Branson draaide aan een knop. 'Ja?' 'O.K.' 'Goed.' Bransons stem klonk niet triomfantelijk en waarom ook. Met zes weken van intensieve voorbereidingen achter de rug zou het hem hebben verbaasd als er iets misgegaan was. 'Jij en Mack gaan terug naar de flat. Wacht daar.'
***
Johnson en Bradley leken bijzonder veel op elkaar. Ze waren knap, begin dertig, bijna even groot en allebei hadden ze blond haar. Ook leken ze qua lichaamsbouw en huidkleur opvallend veel op de twee mannen die net wakker waren geworden en rechtop in bed op hun hotelkamer zaten. Ze staarden naar hen met een begrijpelijke mengeling van verbazing en woede. Een van hen zei: 'Wie zijn jullie voor de donder en wat voeren jullie hier verdomme uit?' 'Wilt u zo vriendelijk zijn wat zachter te spreken en let een beetje op uw woorden,' zei Johnson. 'Dat betaamt een marine-luchtvaart-officier niet. Wie we zijn doet er niet toe. We zijn hier, omdat we andere kleren nodig hebben.' Hij keek naar de Biretti in zijn hand en raakte met zijn linker wijsvinger de geluiddemper aan. 'Ik hoef jullie toch niet te vertellen wat dit is?' Dat was niet nodig. Johnson en Bradley hadden een koele, beroepsmatige kalmte over zich, die verlammend werkte. Terwijl Johnson daar zo stond en schijnbaar nonchalant met zijn pistool langs zijn heup zwaaide, opende Bradley de tas die ze hadden meegebracht, haalde er een dun eind touw uit en bond de beide mannen zo snel en handig vast dat het duidelijk was dat hij dit al vaker had gedaan. Toen hij klaar was, opende Johnson een kast, haalde er twee pakken uit, gaf er één aan Bradley en zei: 'Probeer es even of het past.' Niet alleen pasten de pakken bijna volmaakt, maar ook de hoofddeksels. Het zou Johnson hebben verbaasd als dat niet zo was geweest: Branson bereidde altijd alles zo zorgvuldig voor dat hij bijna nooit een fout maakte. Bradley bekeek zichzelf in de grote spiegel en zei bedroefd: 'Ik had aan de andere kant van de wet moeten blijven. Het uniform van een Amerikaanse luitenant ter zee staat me eigenlijk erg goed. En jij ziet er ook niet gek uit.' Een van de vastgebonden mannen zei: 'Waarvoor hebben jullie die uniformen nodig?' 'Ik dacht dat een helikopterpiloot van de Marine intelligenter was.' De man staarde hem aan. 'Jezus! Je wilt me toch niet vertellen -' 'Jazeker. En wij hebben waarschijnlijk heel wat vaker met Sikorsky's gevlogen dan jullie.' 'Maar die uniformen? Waarom stelen jullie onze uniformen? Die kun je gemakkelijk laten maken. Waarom hebben jullie -' 'We zijn zuinig. Natuurlijk hadden we die kunnen laten maken. Maar al jullie papieren kunnen we niet laten maken, zoals legitimatiebewijzen, vergunningen, de hele troep.' Hij voelde in de zakken van zijn uniform. 'Ze zitten er niet in. Waar?' De andere gebonden man zei: 'Loop naar de bliksem.' Hij zag eruit of hij het meende ook. Johnson bleef vriendelijk. 'Helden zijn uit de tijd. Waar?' De andere man zei: 'Hier niet. De Marine beschouwt ze als vertrouwelijke papieren. Ze moeten in de directiekluis worden gedeponeerd.' Johnson zuchtte. 'Och, hemel. Waarom doe je toch zo moeilijk? Gisteravond zat er een jongedame, die voor ons werkt, vlak naast de receptie. Rood haar. Knap. Misschien herinner je je haar.' De twee gebonden mannen wisselden heel even een snelle blik. Het was volkomen duidelijk dat ze zich haar herinnerden. 'Ze kan voor de rechtbank onder ede verklaren dat jullie allebei niets hebben afgegeven.' Hij glimlachte koeltjes. 'Waarschijnlijk voelt ze er niets voor om in een getuigenbank plaats te nemen, maar als zij zegt dat er niets ter bewaring is afgegeven, is dat zo. Laten we er niet omheendraaien. Er zijn drie dingen die jullie kunnen doen. Zeg het maar. We plakken je mond dicht en na enige overreding vertel je het ons. Of, als dat niet helpt, gaan we gewoon zoeken. Jullie kijken toe. Tenminste, als jullie bij bewustzijn zijn.' 'Zijn jullie van plan ons te doden?' 'Waarom in 's hemelsnaam?' Bradley was oprecht verbaasd. 'We kunnen jullie identificeren.' 'Jullie zullen ons nooit meer zien.' 'We kunnen het meisje identificeren.' 'Onmogelijk, als ze haar rode pruik afzet.' Hij deed een greep in de tas en haalde er een buigtang uit. Hij had iets kalms en berus-tends over zich. 'We verdoen onze tijd. Plak hun mond dicht.' De twee geknevelde mannen keken elkaar aan. De één schudde zijn hoofd, de andere zuchtte. De één glimlachte een beetje droevig: 'Het ziet ernaar uit dat het geen zin heeft om ons te verzetten - en ik wil mijn knappe uiterlijk niet bederven. Onder de matrassen. Aan het voeteneinde.' En inderdaad, daar lagen de papieren. Johnson en Bradley bladerden de twee portefeuilles door, keken elkaar aan, knikten, haalden het niet geringe aantal dollarbiljetten eruit en legden die op de nachtkastjes naast de bedden. Een van de mannen zei: 'Jullie zijn wel een stel idiote schurken.' Johnson zei: 'Jullie hebben het geld misschien binnenkort harder nodig dan wij.' Hij haalde wat geld uit zijn kostuum, dat hij net had uitgetrokken en stopte het in zijn uniform, terwijl Bradley hetzelfde deed. 'Jullie mogen onze kleren hebben. Het zou te gek zijn als een paar Amerikaanse officieren in hun gestreepte onderbroek door de stad zouden rondrennen. En ik vrees nu dat ik je mond moet dichtplakken.' Hij deed een greep in de tas. De ene man, in wiens ogen zowel achterdocht als vrees stond te lezen, probeerde tevergeefs overeind te gaan zitten in bed. 'Ik dacht dat je zei -' 'Luister nou es, als we jullie hadden willen doden, zou zelfs iemand buiten op de gang het geluid door die geluiddemper niet kunnen horen. Maar denk je dat we willen dat jullie moord en brand gaan schreeuwen zodra wij een voet buiten die deur hebben gezet? Bovendien zouden de buren schrikken.' Nadat hun monden waren dichtgeplakt zei Johnson: 'En natuurlijk willen we niet dat jullie gaan rondspringen en spartelen en op de vloer en tegen de muren gaan bonzen. Ik vrees dat we de eerstkomende uren beslist geen gebons kunnen hebben, 't Spijt me.' Hij bukte, haalde een soort spuitbus uit de tas en spoot de twee geknevelde mannen even in het gezicht. Ze verlieten de kamer en hingen het bordje niet storen aan de buitenkant van de deur. Johnson draaide de deur twee keer op slot, haalde zijn buigtang te voorschijn, verboog de sleutel, zodat de kop in het slot bleef steken. Beneden liepen ze naar de receptionist, een opgewekte jongeman, die vrolijk goedemorgen wenste. Johnson zei: 'U had gisteravond geen dienst?' 'Nee, meneer. De directie zou het niet geloven, maar zelfs een receptionist heeft af en toe wat slaap nodig.' Hij keek hen belangstellend aan. 'Neemt u me niet kwalijk, maar bent u niet de twee heren die vanmorgen een oogje houden op de president?' Johnson glimlachte. 'Ik ben er niet zo zeker van of de president dat zo zou willen stellen maar zo is het wel. Het is geen geheim. Gisteravond heben we gebeld om gewekt te worden. Ashbridge en Martinez. Werd dat genoteerd?' 'Ja, meneer.' De receptionist streepte met zijn pen de namen door. 'Nou hebben we op onze kamer een paar - eh - marinespulletjes achtergelaten, die er eigenlijk niet horen. Wilt u ervoor zorgen dat er beslist niemand op onze kamer komt voor wij terug zijn. Over ongeveer drie uur.' 'Daar kunt u van op aan, meneer.' De receptionist maakte een aantekening. 'Het bordje niet storen -' 'Dat hebben we al opgehangen.' Ze verlieten het hotel en stopten bij de eerste telefooncel op straat. Johnson ging de cel in, rommelde wat in zijn tas en haalde er een walkie-talkie uit. Hij had meteen verbinding met Branson, die geduldig in de vervallen garage ten noorden van Daly City zat te wachten. Hij zei: 'P1?' 'Ja?' 'O.K.' 'Goed. Ga eropaf.'
***
Toen de zon opkwam, kwamen de zes mannen uit hun hut in de heuvels van Sausalito in Marin Country, aan de overkant van de baai ten noorden van San Francisco. Het was een onopvallend en niet bepaald aantrekkelijk stelletje. Vier van de mannen droegen een overall en twee hadden een verschoten regenjas aan, die eruitzag of hij van een argeloze vogelverschrikker was afgehaald. Ze stapten allemaal in de tamelijk aftandse Chevrolet stationwagen en reden in de richting van de stad. Het uitzicht was magnifiek. In het zuiden lag de Golden Gate-brug en het grillige - het leek wel een beetje op Manhattan - silhouet van San Francisco. In het zuidoosten leek het eiland Alcatraz door de eerste stralen van de zon mooier dan het in werkelijkheid was. Alcatraz, met zijn nare geschiedenis, lag ten noorden van Fisherman's Wharf op één lijn met Treasure Island, de Bay Bridge en Oakland aan de overzijde van de baai. In het oosten lag Angel Island, het grootste eiland van de baai, en in het noordoosten lagen Belvedere Island, Tiburon en daar weer achter de brede uitgestrekte Pablo Bay die in het oneindige verdween. Er zullen waarschijnlijk maar weinig panorama's op de wereld zijn die mooier en weidser zijn dan dat van Sausalito. Als je daar niet van onder de indruk raakte, moest je wel een hart van steen hebben. De zes mannen in de stationwagen hadden hun hart, dat was wel duidelijk, uit een behoorlijk grote steengroeve. Ze bereikten de hoofdstraat en reden langs de keurig gelegen rij zeilboten en een allegaartje van boothuizen. Ten slotte sloeg de chauffeur een zijstraat in, parkeerde de auto en zette de motor af. Hij en de man naast hem stapten uit, trokken hun jas uit en bleken toen gekleed te zijn in het uniform van de Politie van de staat Californië. De chauffeur, een sergeant die Giscard heette, was minstens 1,90 meter, een stoere kerel met een rood gezicht, een strakke mond en zelfs tot aan zijn brutale ogen toe was hij het prototype van de door de wol geverfde, harde politieagent. Weliswaar speelde de politie een belangrijke rol in het leven van Giscard, maar hij had zijn veelvoudige contacten met de politie zo beperkt mogelijk gehouden tijdens de talloze keren dat zij hem zonder succes tot nu toe geprobeerd hadden achter de tralies te zetten. De ander, Parker, was lang, mager en had een onguur uiterlijk en alleen als je bijziende was, of hem vanaf een behoorlijke afstand zag, zou hij misschien voor een politieagent kunnen doorgaan. De gewoonlijk vermoeide en bittere uitdrukking op zijn gezicht moest waarschijnlijk worden toegeschreven aan het feit dat hij bij het ontduiken van de lange arm der Wet aanzienlijk minder succesvol was geweest dan de sergeant. Ze sloegen een hoek om en stapten het bureau van de plaatselijke politie binnen. Achter de balie zaten twee agenten. De een was nog erg jong, de ander kon zijn vader zijn. Ze zagen er nogal vermoeid en niet bijster vrolijk uit, wat te begrijpen was van twee mannen die naar wat slaap verlangden. Maar ze waren beleefd en voorkomend. 'Goeiemorgen, goeiemorgen.' Giscard had er geen moeite mee om vrolijk te doen, wat niet vreemd was voor iemand die de halve politiemacht aan de kust het nakijken had gegeven. 'Sergeant Giscard. Agent Parker.' Hij haalde een papier met een lange lijst namen uit zijn zak. 'Zijn jullie Mahoney en Nimitz?' 'Ja, dat klopt.' Mahoney, een argeloze jongeman, zou moeilijk zijn Ierse afkomst kunnen verbergen. 'En hoe weet u dat?' 'Omdat ik kan lezen.' Beleefde salongesprekken waren niets voor Giscard. 'Hieruit maak ik op dat jullie baas jullie niet van onze komst op de hoogte heeft gesteld. Nou, het gaat over die verdomde optocht van vanmorgen - en te oordelen naar wat ik vanochtend al allemaal heb ontdekt, verdoe ik mijn tijd misschien niet zo erg met deze laatste controle. Je zou ervan versteld staan hoeveel politieagenten in deze staat analfabeet of stokdoof zijn.' Nimitz bleef beleefd. 'Zouden we misschien mogen weten wat we verkeerd hebben gedaan, sergeant?' 'Jullie hebben niets verkeerd gedaan.' Hij keek op zijn papier. 'Even vier dingen. Wanneer begint de dagploeg? Hoeveel mannen? Waar zijn de patrouillewagens? En de cellen?' 'Is dat alles?' 'Alles. Twee minuten. En schiet op. Vanaf hier tot over de brug naar Richmond moet ik alles nog controleren.' 'Om acht uur. Acht mannen - twee keer zoveel als normaal. De wagens -' 'Laat me die zien.' Nimitz haakte een sleutel van een rek en ging de beide mannen voor om de hoek van het gebouw. Hij opende een paar dubbele deuren. De twee politiewagens glansden als showroommodellen voor deze buitengewone gebeurtenis: een president, een koning en een prins die door hun district zouden reizen. 'Contactsleuteltjes?' 'In het contact.' Weer terug op het bureau knikte Giscard naar de buitendeur. 'Sleutels?' 'Wat zegt u?' Giscard bewaarde met moeite zijn geduld. 'Ik weet dat die normaal nooit op slot is. Maar het zou kunnen dat jullie vanmorgen allemaal overhaast moeten vertrekken. Wil je de zaak dan zo onbewaakt achterlaten?' 'Ik begrijp het.' Nimitz wees naar de sleutels aan het rek. 'De cellen.' Nimitz ging voor met de sleutels. Ze lagen maar een paar passen om de hoek, maar uit het gezicht van de gevoelige burgerman die een enkele keer de voordeur van het bureau binnenkwam. Nimitz ging naar binnen en Giscard haalde zijn pistool uit de holster en duwde dat in zijn rug. 'Aan een dode politieagent,' merkte Giscard op, 'heeft niemand iets.' Parker was binnen tien seconden bij hen, terwijl hij een woedende en stomverbaasde Mahoney voor zich uit duwde. De beide gevangenen werden gekneveld en zittend op de grond achtergelaten met hun rug tegen de tralies, waar hun armen ongemakkelijk doorheen staken, en hun polsen geboeid. Te oordelen naar hun dreigende blikken was het maar goed ook dat ze veilig waren vastgebonden. Giscard stak de sleutel in zijn zak, haakte nog twee paar sleutels van het rek, duwde Parker voor zich uit, deed de buitendeur op slot, stak ook die sleutel in zijn zak en liep toen om naar de garage en opende die. Hij en Parker reden de auto's achteruit naar buiten en terwijl Giscard de deuren op slot draaide - en natuurlijk ook deze sleutels in zijn zak stak -haalde Parker de vier andere mannen op uit de stationwagen. Ze hadden een verrassende metamorfose ondergaan. Het waren geen arbeiders meer in overall, maar ze vormden een schitterende reclame voor de Politie van de staat Californië. Ze reden naar het noorden via de U.S. 101, sloegen af naar het westen naar Staat 1, reden door Muir Woods met de oeroude, reusachtige sequoia's en stopten ten slotte in het Mount Tamalpais State Park. Giscard pakte de walkie-talkie die zo goed bij zijn uniform paste en zei 'P1?' Branson wachtte nog steeds geduldig in de bus in de verlaten garage. 'Ja?' 'O.K.' 'Goed. Blijf daar.'
***
Het voorplein en de straat aan de buitenkant van het luxueuze hotel boven op Nob Hill waren, begrijpelijk op dat uur van de morgen, zo goed als verlaten. Er waren in feite maar zeven mensen te zien. Zes van hen stonden op de stoeptreden van het hotel dat die nacht meer dollars in levenden lijve herbergde dan in zijn lange en illustere carrière ook maar bij benadering het geval was geweest. De zevende, een lange, knappe man met een scherpgesneden gezicht, die er jeugdig uitzag ondanks zijn grijze haar en onberispelijk gekleed was, liep langzaam heen en weer op de rijweg. Te oordelen naar de blikken die de zes mannen wisselden - twee portiers, twee politieagenten en twee mannen in burger wier jassen onder hun linkeroksel slecht schenen te passen -, scheen zijn aanwezigheid reden te zijn voor een groeiende ergernis. Ten slotte daalde een van de mannen in uniform, nadat ze op zachte toon met elkaar overlegd hadden, de stoep af en liep op hem toe. 'Goedemorgen, meneer,' zei hij. 'Neem me niet kwalijk, maar hebt u er bezwaar tegen om door te lopen? We hebben hier werk te doen.' 'En wie zegt dat ik dat niet heb?' 'Toe, meneer, begrijpt u het toch. We hebben een paar erg belangrijke mensen daarbinnen.' 'Weet ik toch. Dat weet ik toch heel goed.' De man zuchtte, stak zijn hand in zijn binnenzak, haalde een portefeuille te voorschijn en opende hem. De politieagent keek ernaar, verstrakte en slikte onmiskenbaar, terwijl zijn gelaatskleur een paar graden roder werd. 'Neemt u me niet kwalijk, meneer Jensen, het spijt me, meneer.' 'Het spijt mij ook. 't Spijt me voor ons allemaal. Wat mij betreft, kunnen ze hun verdomde olie houden. Lieve God, wat een circus.' Hij bleef praten tot de agent zich had hersteld. Toen vervolgde hij zijn slenterende wandeling. De politieagent keerde terug naar het bordes. Een van de rechercheurs keek hem zonder veel enthousiasme aan en zei: 'Nou, je bent een geweldige menigteverspreider.' 'Wil je het zelf eens proberen?' 'Als ik je een demonstratie moet geven,' zei de ander verveeld. Hij stapte drie treden af, bleef staan en keek om. 'Hij liet je toch een kaart zien?' 'Zo iets.' De politieman genoot. 'Wie is het?' 'Herken je je eigen onderdirecteur niet wanneer je hem ziet?' 'Jezus!' De miraculeuze terugkeer van de fbi -man naar de bovenste trede had kunnen worden toegeschreven aan niets anders dan levitatie. 'Laat je hem niet doorlopen?' vroeg de politieagent onschuldig. De rechercheur keek nijdig, maar glimlachte toen. 'Ik denk dat ik dat soort karweitjes van nu af maar aan de geüniformeerde tak overlaat.' Een zeer bejaarde piccolo verscheen boven aan het bordes, aarzelde en daalde toen af naar de straat nadat Jensen aanmoedigend zijn hand had opgestoken. Toen hij naderbij kwam, rimpelde zijn verschrompelde gezicht zich nog meer door louter ongerustheid. Hij zei: 'Neemt u geen verduiveld risico, meneer? Da's een FBI man daar op de stoep.' 'Geen enkel risico,' zei Jensen onverstoorbaar. 'Hij is van de Californische FBI . Ik kom uit Washington. Een hemelsbreed verschil. Ik betwijfel of hij de directeur-generaal zou kennen, al ging die op zijn schoot zitten. Hoe staan de zaken, Willie?' 'Ze hebben allemaal ontbijt op hun kamer. Geen uitslapers, alles precies volgens schema.' 'Laat me iedere tien minuten weten hoe de situatie is.' 'Ja, meneer. Jee, meneer Jensen, neemt u geen allemachtig groot risico? Het krioelt van de smerissen en niet alleen binnen. Die ramen daar - achter een stuk of twaalf zit een geweer en achter ieder geweer zit een man.' 'Ik weet het, Willie. Ik zit in het centrum van de storm. Zo veilig als wat.' 'Als ze u pakken -' 'Dat gebeurt niet. En zelfs als ze me pakken, ga jij vrijuit.' 'Vrijuit? Iedereen ziet me met u praten.' 'Waarom? Omdat ik FBI ben. Dat heb ik je verteld. Je hebt geen reden om eraan te twijfelen. Daar bovenop de stoep staan zes mannen die hetzelfde geloven. Hoe dan ook, Willie, je kunt je altijd beroepen op het Vijfde Amendement.' Willie verdween. In het volle zicht van de zes toeschouwers haalde Jensen zijn walkie-talkie te voorschijn 'P1?' 'Ja?' Branson was even kalm als altijd. 'Volgens schema.' 'Prachtig. P1 is nu op gang. Iedere tien minuten. O.K.?' 'Natuurlijk. Hoe gaat het met mijn tweelingbroer?' Branson keek naar het achtereinde van de bus. De gebonden en geknevelde man in het gangpad vertoonde een griezelige gelijkenis met Jensen. 'Hij haalt het wel.'