Deel 8

Donder in de hemel

— 1 —

Het kan niet waar zijn!' De woorden scheurden zich los uit Cha-kwena's keel. De heilige steen in zijn rechterhand leek dwars door de palm van zijn hand heen te branden.

'Het is waar!' hield Dakan-eh vol. 'Denk je dat ik anders naar dit dorp was teruggekeerd? Ik zeg je dat ze dood zijn! Alle hutten zijn afgebrand, ik schat een tijdje voor de laatste sneeuw van afgelopen winter. Het enige dat er nog over is zijn verschroeide deurstijlen, menselijke botten, een paar gebroken voorschachten en één hele speer, dwars door een dode man!' Naast hem schudde een verwilderd uitziende en mat kijkende Ban-ya haar hoofd om het leeg te maken van pijnlijke herinneringen, terwijl ze herhaalde: 'Overal botten... Een en al botten...' Het gezicht van Tlana-quah stond strak van afschuw en ongeloof. 'En de hoofdman van het dorp, wat had die erover te melden?'

Dakan-eh liet zijn adem tussen zijn tanden ontsnappen. 'Je luistert niet naar me, Tlana-quah. Ze waren dood - allemaal dood, onherkenbaar. Hun botten lagen overal in het rond, afgekloven door vleeseters. Maar de oude Shi-wana was goed te herkennen. Zijn lichaam lag een eind van de andere vandaan. Ik zou zijn veren hoofdtooi er overal uitgehaald hebben, ook al was hij gebroken en half opgevreten door knaagdieren. En hoewel hij bijna geen hoofdhuid meer overhad, waren de schamele restjes nog altijd blauw van de verf, en de ruimten tussen zijn tanden zeiden me luid en duidelijk dat hij het was. De speer die we vonden stak door zijn buik en had een dodelijke voorschacht zoals de handelaren die gebruikten. Hij was gemaakt van bewerkt en beschilderd mammoetbeen in de kleuren van de man met de verminkte mond, Maliwal.'

Het Volk keek Dakan-eh en Ban-ya met grote ogen en open monden aan en probeerde de betekenis van dit nieuws te vatten. Ze stonden bijeen in de gemeenschappelijke hut. De winterbedekking van antilopehuiden was van de schuine rieten wanden verwijderd, en in de plotselinge stilte was het gezang van vogels en het geklots van water tegen de met riet begroeide oevers van het meer duidelijk te horen. In de verte trompetterde een mammoet.

Cha-kwena huiverde. Het duizelde hem en hij voelde zich misselijk, in de war. Hoewel hij Sjamaan was, was hij niet in staat om de afschuwelijke beelden te bevatten die Dakan-eh opgeroepen had. Hij bleef naar Ban-ya's mantel van prairiewolfhuid staren. De zachte vacht had de kleur van zomergras; de slappe, dunne voorpoten lagen in een lus over haar schouders; de tere voorpoten bengelden gekruist over haar kolossale boezem - de mantel was alles wat over was van Kleine Gele Wolf, van Broeder Prairiewolf, die in zijn dromen verschenen was en hem in de doorwaakte uren van lang vervlogen nachten was komen waarschuwen... en die zelfs in de dood daarvoor nog een manier had gevonden.

'Mensen jagen niet op andere mensen!' Tlana-quah bleef erbij. 'De handelaren uit het noorden brachten geschenken voor ons mee. Ze noemden ons broeders en zusters. Ze aten ons voedsel, gingen met ons op jacht en droegen vlees aan voor onze feestmalen. Het was Masau die de heilige steen vond toen Cha-kwena hem als verloren beschouwde. Het was Masau die zich tussen mij en een leeuw wierp. Dat ik nog leef is te danken aan die man. Ik denk dat je niet begrepen hebt wat je gezien hebt, Stoutmoedige Man. Misschien heeft er een brand in het dorp gewoed. Misschien zijn er leeuwen gekomen, of een grote beer. Misschien probeerden de mannen uit het noorden de vleeseters te verdrijven en werd Shi-wana per ongeluk door een speer getroffen. Misschien...'

'Waarom hebben zij ons daar dan niets over verteld?' wierp Dakan-eh tegen. 'Ze maakten er geen geheim van dat ze voor ze ons bereikten handel dreven met de verschillende stammen in de noordelijke helft van de Rode Wereld. Toch zeiden ze niets over het lot van het Volk van de Blauwe Mesas. En dat terwijl we volop sporen van de noordelingen aantroffen tussen de verbrande resten van de hutten en tussen de botten en schedels van dode mannen, vrouwen en kinderen.'

Met geheven handen legde Tlana-quah Stoutmoedige Man het zwijgen op. Hij fixeerde hem met een bezorgde blik. 'Dakan-eh... wil jij zeggen dat de mannen uit het noorden dit op hun geweten hebben - dat de sjamaan van het Volk van de Blauwe Mesas door hen is gedood’ De stilte was tastbaar.

'De oude Hoyeh-tay vertrouwde hen niet,' bracht Dakan-eh in herinnering. 'Hij waarschuwde ons voor hen. Hij dacht dat zij de Hemelbroeders waren.'

'Geloof jij dat ook?' hield de hoofdman aan.

'Jazeker!' antwoordde Dakan-eh heftig.

'Waarom ben je dan hier? Waarom ben je dan niet achter mijn Ta-maya aan gegaan? Waarom ben je hier met mij komen praten, terwijl zij ver weg is en in gevaar verkeert?' 'Juist omdat ze ver weg is. Mijn eerste gedachte was om haar achterna te gaan, maar ik had geen idee waar ik haar moest zoeken. En ik was bang dat jij, dat het hele dorp, in gevaar kon zijn!'

Ban-ya keek met een frons naar hem op. Duidelijk van de wijs gebracht negeerde Stoutmoedige Man haar blik en snauwde tegen Tlana-quah: 'Ik kan je alleen vertellen wat ik gezien heb!' Zijn mond werd een smalle witte streep van frustratie en verontwaardiging terwijl hij zijn lippen opeenperste en zijn blik op Cha-kwena richtte. Zijn mondhoeken trokken nijdig omlaag. 'Het schijnt dat mijn woord niets waard is in deze stam! Stel je vragen maar aan Cha-kwena als je antwoorden wilt. Hij is Sjamaan. Hij weet alles - tenminste, dat zegt hij. Maar als mijn ogen mij niet hebben bedrogen, dan is hij hier medeschuldig aan, want hij was het die goedkeurde dat jouw dochter - en de vrouw van mijn keuze - introuwde in een stam van vreemdelingen die onze broeders en zusters hebben vermoord en hun dorp tot de grond toe hebben afgebrand.' Ban-ya liet haar hoofd hangen.

Ha -xa zwaaide kreunend heen en weer en fluisterde smekend Ta-maya's naam.

Gezeten tussen haar moeder en U-wa drukte een radeloze Mah-ree een van de hondjes tegen zich aan die Masau bij de stam had achtergelaten. 'Het kan niet waar zijn!' riep ze uit. 'Dakan-eh, je moet het mis hebben! Masau is goed! Zijn mannen zijn goed! We zullen Ta-maya en hen op de Grote Bijeenkomst ontmoeten. Je zult het zien!'

'Misschien moeten we daar maar liever niet op wachten,' stelde Kosar-eh grimmig voor. 'Toen de mannen uit het noorden dit dorp verlieten, waren ze op weg naar de Witte Heuvels. Laten we daar mannen naartoe sturen. Laten we beraadslagen met Hia-shi, de hoofdman van dat dorp, en met Naquah-neh, de sjamaan van die stam. Laten we horen wat zij over het Volk van de Wakende Ster te zeggen hebben. En laten we op z'n minst vaststellen of Ta-maya die plek veilig en wel heeft bereikt.'

Niet belemmerd door zware vrachten vertrokken ze in een sombere stemming uit het dorp: Tlana-quah, Dakan-eh, Cha-kwena en een aantal van de beste jagers. Ze hielden hun speren alsof ze verwachtten dat ze door beren of leeuwen werden aangevallen. En bij elke stap die hen dichter bij de Witte Heuvels bracht, bleef Cha-kwena de stem van de oude Hoyeh-tay horen: Wees op je hoede, Cha-kwena! Je moet het Volk waarschuwen voor het te laat is. De leeuwen komen eraan. Deze vreemdelingen hebben boosaardige ogen - ogen van wolven, leeuwen, adelaars. Het zijn de Hemelbroeders die van de stefi* ren zijn neergedaald om het Volk te vernietigen. Hij was er niet zeker van wanneer Kosar-eh zich bij het sombere, in zichzelf gekeerde groepje voegde - nu zonder zijn clowneske beschildering en veren. Hij had zijn reisbepakking op zijn schouder, een dolk in de schede aan zijn heupriem en drie speren in zijn goede hand.

'Ga terug,' zei Tlana-quah kalm tegen de man. 'Je bent vele jaren geen jager geweest. De vrouwen en de kinderen hebben hun Grappige Man nodig om hen op te vrolijken.' 'Ik zou niet weten hoe ik ook maar iemand op zou moeten vrolijken voor ik weet dat Ta-maya in veiligheid is,' antwoordde hij.

Dakan-eh keek met onverholen weerzin naar Kosar-ehs littekens en zijn verminkte arm. 'Wij zullen gauw genoeg nieuws uit de Witte Heuvels meebrengen. Ga terug naar het dorp. Daar hoor je, Grappige Man. We hebben geen behoefte aan een clown die ons tijdens onze reis ophoudt.'

Kosar-eh was gewend aan Dakan-ehs krenkende taal; niettemin nam hij de man nu met minstens zoveel weerzin op als Stoutmoedige Man zojuist jegens hem had betoond. 'Ik zal jullie niet ophouden. Met mijn ene arm kan ik niet veel, maar ik heb er nog een! Ooit was ik een even stoutmoedig man als jij, Dakan-eh. Ik ben alleen maar clown omdat ik meer pech had. Als het nodig is, ben ik nog steeds stoutmoedig. En man ben ik altijd gebleven. Als Ta-maya in gevaar is, moet ik dat weten. Als zij aan mij beloofd was, zou ik haar nooit met vreemdelingen het dorp uit hebben laten gaan.'

'Je had haar niet tegen kunnen houden,' zei Tlana-quah mistroostig.

Kosar-eh negeerde de hoofdman en bleef Dakan-eh met een kille blik van afkeuring aankijken. 'Als ze aan mij beloofd was, was het niet in haar opgekomen om weg te gaan.' Dakan-eh hinnikte. 'Ha! Ik zei toch dat we op deze reis geen behoefte aan clowns hebben!'

'Jij bent hier de clown, Dakan-eh,' antwoordde Kosar-eh. 'Heb je dan geen greintje zelfkennis? Jij verwijt Cha-kwena dat hij de vreemdelingen niet in het hart heeft kunnen kijken, maar zelf heb je niet één blik in Ta-maya's hart geworpen. Iedereen in deze stam weet dat ze door jouw hoogmoed, door jouw zelfzucht en door jouw aanmatigende manier van doen in de armen van een ander gedreven is.'

Stoutmoedige Man bleef abrupt staan. 'Ze bezat de beste man van de Rode Wereld of van welke andere wereld dan ook toen ze mij koos!'

Nu bleef Tlana-quah met een woedende blik stilstaan. 'Verliefd Op Zichzelf... zo had je moeten heten, want, bij de geesten van de voorouders, nu begrijp ik dat het mijn walging voor jou was waardoor ik toestond dat mijn meisje een vreemdeling huwde! Iedere andere man in deze stam - zelfs Kosar-eh - zou een betere man voor haar geweest zijn dan zo'n onuitstaanbare vent als jij!'

Dakan-eh verstijfde. 'Ik heb al die kilometers niet afgelegd om dergelijke beledigingen aan te horen!'

'Ga dan weg! Verdwijn en neem gelijk je woorden mee terug die een schaduw over de levens van je volk hebben geworpen!' Dakan-eh geloofde zijn oren niet. 'Je gelooft me nog steeds niet?'

'Mijn ogen zullen me vertellen wat ik moet geloven. De woorden van Naquah-neh, van Hia-shi, de sjamaan en hoofdman van het Volk van de Witte Heuvels, zullen een waarheid spreken waarop ik vertrouw.'

De ogen van Dakan-eh puilden uit van woede. 'Ga dan zonder mij naar de Witte Heuvels! Ga op zoek naar nieuws over Ta-maya en de vreemdelingen, maar dan wel zonder mij. En mochten de mannen van het noorden daar toevallig nog zijn en jou aandoen wat ze de mensen van de Blauwe Mesas aandeden, dan zal ik de geesten van de voorouders op mijn blote knieën danken dat ik niet bij je ben om mijn leven voor jou op het spel te zetten!' Hij draaide zich om en beende met zijn kin in de lucht richting dorp.

De mannen keken elkaar aan en gingen rusteloos van de ene voet op de andere staan.

'We konden hem nog wel eens nodig hebben,' zei Ma-nuk. De anderen mompelden instemmend - behalve Cha-kwena, die Dakan-eh stond na te kijken. De jonge sjamaan was nog daas van de gebeurtenissen van de afgelopen uren en hoorde nog steeds de waarschuwende stem van de geest van de oude Hoyeh-tay, een stem die hij nog steeds niet wilde geloven. Tlana-quah was woedend. Hij rechtte zijn rug, trok zijn schouders naar achteren en sloeg met zijn linkerhand hard op de jaguarhuid die zijn rechterschouder bedekte. 'Waarom zouden de mannen van deze stam Dakan-eh nodig hebben wanneer zij met mij lopen? Ik ben Tlana-quah! Ik ben hoofdman! Ik heb-in mijn eentje tegenover een grote gevlekte kat gestaan! Met mijn eigen hand en mijn eigen bedrevenheid heb ik het beest gedood waarvan ik de huid draag! Hebben jullie geen vertrouwen in jullie hoofdman... en in jezelf?'

Hoog aan de kaak van Kosar-eh klopte een spier. 'Ik ga niet naar het dorp terug, Tlana-quah. Voor de Dag van de Kameel mij in een clown en een man met een gebrek veranderde, was ik de 'stoutmoedige man' van deze stam. Ik ga met jullie de Witte Heuvels in. Als ik ontdek dat Dakan-eh de waarheid heeft gesproken, als Ta-maya kwaad is aangedaan of in gevaar is gebracht door die mannen uit het noorden, zal hij niet de enige in deze stam zijn die de naam Stoutmoedige Man verdient!'

Het was niet moeilijk om de weg terug te vinden die de handelaren van het Volk van de Wakende Ster naar de Witte Heuvels hadden gevolgd; hun sleden hadden diepe groeven in de aarde achtergelaten.

'Ze lopen niet heimelijk,' merkte Tlana-quah op en zag dit als een goed teken. 'Kijk, Ta-maya loopt met haar nieuwe man. Hier zijn haar voetafdrukken. Ze draagt nieuwe sandalen! Ze maakten deel uit van Ha-xa's vele huwelijksgeschenken! Geen vrouw maakt zulke goede sandalen als mijn Ha-xa.' Hij vatte moed en koos een tempo dat ze zonder veel te rusten konden volhouden. Voor de schemering aanbrak, ontdekten ze het eerste verlaten kamp van de handelaren en bleven geschokt staan.

'Mammoetbeenderen? Mwmmoetbeenderen tussen visgraten en de botten van de gaffelantilope?'

Tlana-quahs overbodige vraag bezorgde Cha-kwena koude rillingen. De vreselijke waarheid was onmiskenbaar: er lagen hopen mammoetbeenderen. Geen ander dier bezat botten van een dergelijke omvang. Zoals ze daar lagen, door honden afgeknaagd en door mensen gekraakt en afgekloven, zeiden ze alles al, nog voor de mannen het ravijn ontdekten. 'Ze hebben onze totemdieren gedood en opgegeten!' schreeuwde Tlana-quah wanhopig.

'Het zijn mammoetjagers!' Kosar-eh schudde zuchtend zijn hoofd alsof hij zijn eigen woorden niet geloven kon. Cha-kwena was zo van slag dat zijn maag zich omkeerde. 'Het kan niet waar zijn,' zei hij. Maar het was waar, en hij wist het.

Ze bleven niet lang in het kamp, want het was een onreine plek. Dag en nacht haastten ze zich voort, verontrust door het feit dat de voetafdrukken van Ta-maya nu alleen door hun kleine afmetingen herkenbaar waren: sinds ze de plek van de mammoetslachting had verlaten, droeg ze niet langer Ha-xa's sandalen, maar leren schoeisel. Net als de mannen met wie ze reisde.

— 2 —

Ze naderden de Witte Heuvels op een mooie, heldere dag met felle zon. Een man wachtte hen op; ze voelden zijn waakzame ogen al op zich gericht nog voor hij zich hoog op een gruizige heuvel aan hen vertoonde. Tlana-quah bracht de traditionele groet met geheven armen. De man verroerde zich niet; zijn brede, zware lijf had de houding van iemand die startklaar staat om weg te rennen uit een gevaarlijke situatie. Toen hij niet reageerde, riep Tlana-quah: 'Hela! Jij daar op de heuvel! Tlana-quah, hoofdman van het Volk van het Meer van Vele Zingende Vogels komt praten met Hia-shi, hoofdman van het Volk van de Witte Heuvels!'

De man bleef waar hij was, hoewel hij nu vreemde, grommende klanken uitstootte en naar voren veerde alsof hij energie verzamelde voor een aanloop. Ten slotte kwam hij de heuvel afhobbelen, riep keer op keer 'Kom! Kom!' en verwelkomde hen met uitgestoken armen. Hij bewoog zich vlug ondanks zijn vreemde, ietwat onbeholpen motoriek, die iets weghad van die van een grondluiaard.

Cha-kwena herkende hem. Het was Sunam-tu. Hij leek te blaken van gezondheid, maar zijn glimlach was star en zijn ogen stonden groot en helder. Veel te helder. Pas toen hij vlak voor hen bleef staan en dicht naar hen overhelde - starend en snuivend als een wolf of een hond die een twijfelachtig lid van zijn meute probeert thuis te brengen - zagen ze de waanzin in hem. 'Heb je mijn zuster gezien?' vroeg hij. Zijn hoofd ging omlaag en hij fixeerde hen van onder halfgesloten oogleden. 'We gaan zo dadelijk naar de Grote Bijeenkomst,' vertrouwde hij hun op samenzweerderige toon toe. 'Ja, ik heb gewacht. Alle stammen gaan. Zij komen ook. O ja, ze komen zeker.'

'Zij? De handelaren van het Volk van de Wakende Ster?' drong Tlana-quah aan. 'Zijn die dan hier geweest?'

'O ja, ze zijn hier geweest.' Sunam-tu's ogen gingen wijd open.

'En met mijn dochter was alles goed?'

Het gezicht van Sunam-tu kreeg een wezenloze uitdrukking. 'Dochter?'

Tlana-quah fronste zijn wenkbrauwen. 'De bruid van de man met de getatoeëerde ogen. Een jonge vrouw, een meisje nog haast, heel mooi.'

'Een jonge vrouw? Heel mooi? Ah, je hebt mijn zuster gezien!' verklaarde Sunam-tu opgelucht.

Tlana-quah schudde zijn hoofd. 'Nee, mijn dochter. Ze heet Ta-maya. Ze was de enige vrouw in het gezelschap van de mannen van het noorden.'

Sunam-tu zuchtte. Er klonk oneindige teleurstelling in door. En toen brak plotseling een lach uit hem los, een geëxalteerde, waanzinnige lach die pas ophield toen hij hem abrupt afbrak en triomfantelijk fluisterde: 'Ze gingen weg. Ze zagen me niet! Maar het is nu in orde. Ik ben er nog steeds en zij zijn weg. Kom, laten we naar mijn dorp gaan. Ik zal jullie voorgaan. Hia-shi zal blij zijn om met een andere hoofdman uit de Rode Wereld te praten.' Hij gluurde naar Cha-kwena. Toen knikte hij opgewonden en wees naar hem alsof het een hele prestatie was dat hij hem nog herkende. 'De jonge Sjamaan...! Heb jij mijn zuster gezien?'

'Niet sinds de Blauwe Mesas,' zei Cha-kwena fronsend. Sunam-tu jammerde, drukte zijn handen tegen zijn gezicht en schudde heftig zijn hoofd. 'Ze is nu bij hen. Ja, ze is bij hen, voor altijd bij hun sjamaan. Ik hoorde het ze zeggen. Maar heb ik dat niet steeds voor haar gewenst? Wanneer een man geen moeder of vader heeft om voor zijn zuster te zorgen, moet hij een goede broer zijn en ervoor zorgen dat ze de juiste man vindt om voor haar te zorgen.' Hij keek tussen zijn vingers door. 'Dat is toch zo?' Zonder hun de gelegenheid te geven om te antwoorden, spreidde hij zijn armen wijd. 'Maar jullie zijn hier immers niet gekomen om over Lah-ri te praten! Kom! Op naar het dorp!' Hij draaide zich om, rende een paar passen, keerde zich toen weer om en gebaarde dat ze hem moesten volgen. 'Waarom komen jullie niet?'

Terwijl de eens zo trotse jager en sjamanenoppasser hen naar het dorp leidde, had hij veel weg van Hoyeh-tay in zijn laatste dagen: hij praatte tegen mensen die er niet waren, begon zonder aanleiding hardop te lachen en hield hele gesprekken waarvan het onderwerp zijn luisteraars ontging. Gauw genoeg begrepen ze waarom. De stank van rottend vlees was zo sterk dat ze met een hand over neus en mond achter Sunam-tu aan liepen - eerst voorbij een aantal kleine, keurig gebouwde hutten en toen naar het middenveld van een nederzetting die veel weg had van hun eigen dorp, afgezien dan van de stilte en de afwezigheid van enig teken van leven. De sfeer van onheil was bijna even overweldigend als de stank. Tlana-quah en de anderen bleven staan. 'Kom! Kom!' drong Sunam-tu aan. 'Hia-shi verwacht jullie in de raadshut. Naquah-neh is bij hem. Ze zijn allemaal bij hem, behalve de vrouwen en kinderen. Die liggen te slapen in hun hutten. Ze slapen al vanaf het moment dat de vreemdelingen weggingen. Misschien komen ze later. Maar wees niet ongerust. Ik weet dat jullie van ver gekomen zijn. Ik zal zorgen dat jullie te eten krijgen. Sinds de vrouwen gingen slapen, heb ik voor het eten gezorgd. Ik vind het niet erg. Per slot was ik Naquah-nehs oppasser toen hij naar de Blauwe Mesas reisde, en nu ben ik hier zijn oppasser. Nu pas ik op iedereen!' Hij lactye zijn tanden bloot. Met een tik klapten ze op elkaar; hij giechelde bij het geluid. 'Kom!' wenkte hij, nog steeds giechelend terwijl hij hen voorging naar de grote hut. Hij sloeg de gevlochten voorhang open. 'Kom! Kijk maar eens hoe goed ik voor mijn volk heb gezorgd!' Ze betraden de hut.

Allen bleven aan de grond genageld staan. Kleine donkere knaagdieren met lange staarten renden over hun voeten en zochten een goed heenkomen in de donkere hoeken van de hut. Cha-kwena deed onwillekeurig een stap terugzijn metgezellen deden hetzelfde.

'Ratten!' riep hij uit, hapte toen naar adem van afschuw - niet vanwege de knaagdieren, maar vanwege het tafereel voor hem. Zijn maag draaide zich om en hij wankelde, wee van de bedorven lucht die hij binnenkreeg.

Sunam-tu trok de voorhang nog wijder open. Het licht stroomde de hut binnen.

Cha-kwena staarde voor zich uit. Alle mannen van het dorp waren bij elkaar. Ze staarden met nietsziende ogen naar hem terug. Ze waren dood en zaten keurig rechtop in een kring tegen gevlochten rugsteunen, als tijdens een raadsvergadering. Hij kon zijn ogen niet geloven; hoewel ze overduidelijk al dagen dood waren, stonden er manden met voedsel voor hen uitgestald en lagen er vers geroosterde hazebouten in hun handen. Overal lag opgedroogd bloed. De meeste lijken hadden verbrijzelde schedels. Hun halzen en borstkassen waren donker van het bloed dat uit hun doorgesneden kelen was gestroomd; hun armen, borstkassen en buiken vertoonden gapende wonden. 'Zien jullie?' zei Sunam-tu, die nog steeds in de deuropening stond. 'Ze zijn er allemaal. Ik heb hen naar binnen gebracht toen de vreemdelingen weg waren. Ik dacht dat ze wel zouden willen vergaderen.' Cha-kwena begon hevig te trillen. Tlana-quahs woorden kwamen met horten en stoten: 'Hoe... is... dit... gebeurd?'

Sunam-tu's glimlach verdween geen moment van zijn gezicht. 'Er is niets gebeurd. De vreemdelingen kwamen, daarna gingen ze weg. Nu zitten de mannen van mijn stam te vergaderen en de vrouwen en kinderen slapen.'

Cha-kwena voelde een golf van misselijkheid opkomen. Hij herkende Naquah-neh: de brede, altijd sombere gelaatstrekken, zijn forse neus en zijn brede, vlezige mond - maar nu had de eens zachte, glimmende, goed doorvoede huid zijn glans verloren en was over het bot van zijn schedel gezakt. De vlezige lippen waren verdwenen, evenals de ogen. Een rat loerde naar Cha-kwena vanuit een van de lege oogkassen. Hij gaf een gil van walging en schrik, draaide zich kokhalzend om, duwde Sunam-tu opzij en vluchtte de hut uit. Buiten gekomen braakte hij zijn hart uit zijn lijf en liet zich toen bevend op zijn knieën vallen.

De anderen kwamen bij hem staan.

Sunam-tu was meegekomen. 'Kom weer naar binnen,' drong hij aan. 'Binnen is het koel. Je kunt niet met de mannen van mijn stam vergaderen als je hier buiten in de zon blijft.' 'Ik kan niet vergaderen met de doden!' snauwde Tlana-quah. 'Maar het belangrijkste hebben ze me wel duidelijk gemaakt. Ma-nuk, ga de hutten controleren. Kijk of je Ta-maya kunt vinden.'

Kosar-eh greep Sunam-tu bij zijn haren en trok hem met zijn ene goede arm dichterbij. 'Wat is hier gebeurd? Waar zijn de vrouwen en kinderen? Vertel op,' zei hij dreigend, 'of het zal je net zo vergaan als de anderen in de grote hut. Wil je dat de ratten zich ook aan jou te goed doen als we dit dorp verlaten?' Sunam-tu keek verbaasd. 'De vrouwen waren moe toen de vreemdelingen weggingen. De kleintjes en zij lagen gewoon op de grond, dus heb ik ze allemaal naar hun hutten gebracht en te slapen gelegd. Ga zelf maar kijken!'

Ma-nuk kwam met opeengeperste lippen uit een van de hutten tevoorschijn. 'Ze slapen niet,' zei hij, en aan zijn gezicht was te zien dat hij moeite had zijn afschuw te bedwingen. 'Ze zijn al heel lang dood.'

Tlana-quah rende koortsachtig van hut naar hut op zoek naar Ta-maya. Toen hij weer bij de anderen kwam staan, was hij ademloos van paniek en verontrusting. 'Ze is hier niet. Maar de anderen zijn allemaal vermoord, zelfs de baby's.' 'Dood?' mauwde Sunam-tu klaaglijk. 'Niemand is dood. De vrouwen en kinderen slapen. De mannen vergaderen en de vreemdelingen zijn weg. Ze hebben hun lange, schitterende speren meegenomen en zijn weggegaan. Maar ze komen naar de Grote Bijeenkomst, hoorde ik ze zeggen. Daar zullen ze wachten.'

Met een van woede vertrokken gezicht smeet Kosar-eh Sunam-tu op de grond. 'Wachten waarop?'

De man kwam hard naast Cha-kwena neer. Sunam-tu lag verbluft in een plas braaksel zonder dat hij dat scheen te merken. Met grote ogen keek hij naar Kosar-eh omhoog. Een moment stonden de ogen van de waanzinnige man helder, en zijn gezicht verwrong zich toen alles bij hem terugkwam. 'Ze wachten tot de sjamanen van de Rode Wereld bijeenkomen op de heilige berg. Ze wachten daar om de heilige stenen op te eisen. Als ze alle stenen hebben, gaan ze naar het zuiden. Ze willen de witte mammoet zoeken en hem doden. Dan zullen ze van zijn vlees eten en zijn bloed drinken, zodat de kracht van de totem de hunne wordt. Het Volk van de Wakende Ster zal met velen zijn, en niemand zal in staat zijn om het tegen hen op te nemen wanneer zij uitzwermen over de wereld, op zoek naar eindeloos veel bruiden voor Donder in de Hemel.' 'Nee...' Het woord ontsnapte Cha-kwena als een zucht. Diep in zijn hart en zijn geest was iets begonnen te bloeden; het was zijn laatste restje jeugd, het laatste restje onschuld, de laatste tere restanten van zijn bereidheid en vermogen om iemand te vertrouwen - in de eerste plaats zichzelf. Terwijl ze uit hem wegsijpelden, klemde hij zich er wanhopig aan vast. 'Nee. Het kan niet waar zijn. Je vergist je! Kijk. Zien jullie dit? Om mijn hals draag ik de heilige steen van mijn stam. De mannen van het noorden hebben geen poging gedaan om hem van me af te pakken.'

Sunam-tu hield zijn hoofd schuin. 'Zei je dat ze een van de dochters uit jouw dorp bij zich hadden?' 'Ja.' De stem van Tlana-quah leek uit een bodemloze diepte van vrees te komen. 'Mijn dochter... mijn Ta-maya.' 'Een jong meisje? Mooi? Een maagd?' Sunam-tu zag het antwoord op zijn vragen in de ogen van Tlana-quah. 'Ze eten ze op, weet je. De mannen uit het noorden lokken de jonge maagden weg bij hun familie. En als ze dan vrijwillig meegaan om te trouwen in het Land van de Wakende Ster, doden zij hen, verdelen hun vlees, waarbij de vrouw die Sjamaan is in hun huid danst.'

De kreet die zich aan Kosar-eh ontwrong had niets menselijks meer. Vervolgens schreeuwde hij: 'Nee!' en sloeg Sunam-tu met de zijkant van zijn goede hand in het gezicht. De man viel opzij, duwde zich omhoog op zijn ellebogen en wreef pijnlijk en verward over zijn kaak. 'Mij slaan zal de Waarheid van mijn woorden niet veranderen. Ik hoorde de woorden uit de verminkte mond van de man die de anderen het dorp in leidde, ik hoorde de woorden. De vreemdelingen kwamen zo snel. Ze vermoordden iedereen voor we beseften wat ze met ons van plan waren, en hadden kunnen reageren. Ik weet niet hoe ik ongezien ontsnapte, maar op de een of andere manier slaagde ik erin me in de heuvels te verbergen tot het gillen ophield.

Toen het voorbij was keerde ik terug in de veronderstelling dat ze weg waren. Maar ze waren niet weg. Ze gingen tekeer op de jonge meisjes van mijn stam. Ik keek toe, bang om tevoorschijn te komen, want ik was zonder zelfs maar een slachtdolk weggerend. Toen ze genoeg van de meisjes hadden, sneden de mannen hun kelen open en vertrokken. Op één na. De man met het gezicht vol littekens bleef bij Naquah-neh staan. Onze sjamaan had een speer dwars door zijn buik - zo diep dat hij tegen de grond gestoken was, maar nog niet helemaal dood was. De noorderling bespotte hem, vertelde hem alles wat ik net aan jullie vertelde. Hij zei dat zijn mannen en hij niet langer vreemden in de Rode Wereld waren, dat ze naar de Rode Heuvels, de Blauwe Mesas en het Meer van Vele Zingende Vogels waren geweest en uit elk van die dorpen bruiden meegenomen hadden en die allemaal geofferd hadden, op de laatste na. Voor hij wegging, nam hij de heilige steen van Naquah-nehs hals en dreef opnieuw zijn speer diep naar binnen - eenmaal, tweemaal en vervolgens een derde keer voor hij Naquah-neh voor dood achterliet. Toen kwam ik uit mijn schuilplaats. Het kostte de geest van mijn sjamaan vier dagen om zijn lichaam te verlaten. Hij zei me dat ik het Volk van de Rode Wereld moest gaan waarschuwen, maar ik ben de oppasser van mijn heilige mar» en kon hem of mijn volk niet achterlaten. Ze... ze waren moe. Ze hadden behoefte aan rust. Ik moet op mijn sjamaan passen, en op mijn volk, tot ze weer ontwaken.' Hij beefde van droefheid en schuldgevoel. 'Ik ben getraind in het beschermen van mijn sjamaan tegen beren en leeuwen, niet tegen mensen! Het is niet mijn schuld! Ik ben Sunam-tu! Mijn zuster was aan de sjamaan van de Blauwe Mesas geschonken. Hebben jullie mijn zuster gezien? Ik ben nu moe. Ik zou nu graag slapen. Ik wil niet meer met jullie praten. Ga weg.' Kreunend van ellende stopte hij zijn hoofd tussen zijn opgetrokken knieën en sloeg zijn armen om zijn benen. Cha-kwena kwam overeind.

'Wat zal er gebeuren als ze weer naar het zuiden komen?' vroeg Ma-nuk aan Tlana-quah.

'Ze zullen de witte mammoet zoeken,' antwoordde de hoofdman. 'Ze weten precies waar ze hem kunnen vinden. Ze zullen naar het dorp aan het Meer van Vele Zingende Vogels gaan, en nadat ze mijn volk hebben uitgemoord, zullen ze onze totem doden.'

Cha-kwena beefde. Een kille wind stak in hem op, die hem van de anderen weg leek te voeren, weg van de anderen en los van zichzelf. De oude Hoyeh-tay leek via zijn mond te spreken met de woorden: 'En als zij erin slagen, zal niet alleen onze stam, maar het hele Volk van de Rode Wereld sterven.' 'Ta-maya is nu bij hen. We moeten achter haar aan gaan om haar thuis te brengen,' sprak Kosar-eh met nadruk. Mammoeten - totem of niet - waren wel het laatste dat hem bezighield. 'En als wij in de poging het leven laten,' vroeg Tlana-quah, 'wie zal het Volk dan waarschuwen voor het gevaar dat weldra vanuit het noorden op hen af zal komen?' Niemand sprak een woord.

Tlana-quah staarde naar het zuiden, in de richting van thuis, familie, volk en totem. Hij huiverde van frustratie onder de last van zijn verantwoordelijkheid als hoofdman en als vader. 'Het Volk moet gewaarschuwd worden,' besloot hij. Daarop wendde hij zich naar het noorden en liet met pijn in het hart zijn blik gaan over de kilometers die zijn geliefde kind met de moordzuchtige vreemdelingen moest hebben afgelegd sinds ze met de volle instemming van haar vader en met de zegen van de sjamaan van haar stam was vertrokken. Hij sloot zijn ogen en slaakte een diepe en bittere zucht van berusting. 'Zij die vooruit zijn gegaan hebben een voorsprong van vele dagen en nachten op ons.'

Kosar-eh wist niet wat hij hoorde. 'Je gaat haar niet achterlaten in handen van mammoetjagers die mensen afslachten! Jij niet, niet Dappere Jager, niet Man Die In Zijn Eentje Jaguar Doodt!' Er ging een schok door Tlana-quahs leden. Hij opende zijn ogen. 'Ik... ik...' Hij scheen op het punt van spreken, maar bedacht zich. Hij vestigde zijn blik op Cha-kwena. Er school geen woede in zijn sombere blik - enkel droefheid en oneindige spijt.

'Jij zei ons dat je geen geboren sjamaan was, en je had gelijk. Een man die is voorbestemd om in de traditie der wijsheid van de ouden te lopen, zou deze tragedie voorspeld hebben. Hij zou geweten hebben - zoals de oude Hoyeh-tay dat wist - wat deze mannen uit het noorden in de zin hadden. Hij was tot het einde toe Sjamaan, maar wij wilden niet naar zijn waarschuwingen luisteren.' De wind die in Cha-kwena was opgestoken, was nu een orkaan, een storm van vluchtende hoeven, harige ruggen en fladderende vleugels, waar de stemmen van Hert en Vleermuis, Havik en Zwaluw, en Muis, Haas en Uil bovenuit gilden. Ze reden op de woelige rug van Westenwind, en een eenzame prairiewolf huilde naar hem: Je wist het! ]e hebt het aldoor geweten! Maar hoe wij je keer op keer ook de waarheid voorhielden, je wendde je af, onwillig om te zien!

'Nee!' schreeuwde hij, en nu hield hij beide handen om de heilige steen. Hij bleef de talisman vasthouden alsof alleen die hem kon beveiligen tegen de vernietigende stormen der openbaring die door hem heen woedden. Het kan niet waar zijn! Wat hier ook gebeurd is, Masau kan er niet bij betrokken zijn. Ik vertrouwde hem! Ik vertrouw hem nog steeds. Hij zou Ta-maya, of wie dan ook in de Rode Wereld, nooit enig kwaad doen. Maar terwijl hij zijn handpalmen tegen de amulet drukte, brandde de steen van de herinneringen aan Lah-ri en Shi-wana, aan Naquah-neh en aan alle mannen, vrouwen en kinderen die er nu dood bij lagen omdat de mannen van het noorden naar de Rode Wereld gekomen waren. Hij dacht aan Hoyeh-tay, gebroken en onder het bloed in de kreekbedding onder aan de grot. Hij zag de gegroefde gelaatstrekken van de oude man, waarop een vreemde uitdrukking van verbazing en ongeloof te lezen was, alsof de dood hem overvallen had en hij zijn best gedaan had om hem tot het einde toe te bestrijden. Cha-kwena's adem stokte. Hij zag het aangezicht van de Dood'. Hij droeg een zwart getatoeëerd masker. Het was de kop van Klapekster, het was het aangezicht van een vleeseter die vanuit de verentooi van een adelaar naar hem glimlachte. 'Masau?' Hij sprak de naam van de man die hij vertrouwd had en als een broer was gaan liefhebben. Hij sprak de naam van de Dood. En nog steeds wilde hij het niet geloven.

Plotseling ving hij de sterke geur van verschroeide veren op. Hij snakte naar adem, want nu zag hij het tafereel dat zich in de grot moest hebben voorgedaan terwijl hij bij het vreugdevuur geslapen had: hij zag hoe Masau als een leeuw in de duisternis Hoyeh-tay besloop en Uil vastgreep toen de vogel naar hem toe gevlogen was; hoe hij de vogel in de vuurkuil duwde, hem erin gedrukt hield om hem te verbranden, hem pijn deed door zijn rug en hals te breken, en zich vervolgens met moordzuchtige bedoeling tot de oude man wendde. 'Nee!' kermde hij.

]e had het kunnen voorkomen, zeiden de stemmen van alle dieren die hem ooit Broeder genoemd hadden. Als je naar ons geluisterd had en ons had geloofd, had je het kunnen voorkomen! Hij kon de beschuldiging niet verdragen; hij weigerde om ernaar te luisteren.

De waarschuwingen van Hoyeh-tay vulden zijn hoofd en sneden hem recht door het hart. Zijn grootvader had er bij hem op aangedrongen zich alles te herinneren wat hij over het pad van de sjamaan geleerd had. Anders zou het Volk verloren zijn. De oude sjamaan had gewaarschuwd dat zolang de grote witte mammoet onder het Volk leefde, het Volk krachtig zou zijn, maar als hij stierf, zou het Volk met hem sterven. En zolang er één enkele steen in de hoede van een sjamaan van de Rode Wereld verbleef, zou de totem voor eeuwig leven. 'Cha-kwena?'

Hij knipperde met zijn ogen en ontwaakte uit zijn trance. Verdoofd bleef hij staan. Het duurde enkele ogenblikken eer hij besefte dat zijn medereizigers om hem heen stonden. Kosar-eh had hem stevig bij de arm.

'Alles in orde, Cha-kwena?' vroeg de clown met een gezicht dat strak stond van spanning en bezorgdheid. Cha-kwena keek naar hem en vervolgens naar de anderen. Ze kwamen hem als vreemden voor, totdat hij zich realiseerde dat hijzelf de vreemde was: verloren, verbijsterd... niet langer een jongen, maar ook nog geen man... een sjamaan wiens visioenen hem op een pad zetten dat hij maar niet wilde volgen. 'Jullie moeten achter Ta-maya aan gaan,' zei hij mat. 'Als dit allemaal waar is, moeten jullie haar naar haar volk terugbrengen.' 'Als dit waar is?' Kosar-eh kon zijn oren niet geloven. 'Twijfel jij nu nog? Kijk om je heen, Cha-kwena! Adem de stank van de dood in! Dakan-eh sprak de waarheid, net als je grootvader! Die vreemdelingen uit het noorden zijn geen mensen, het zijn leeuwen, die zich naar willekeur met ons volk voeden, onze sjamanen vermoorden, de heilige stenen van onze voorouders stelen en onze totem van zijn kracht beroven, ja, hem zelfs opsporen met de bedoeling hem te doden!'

Zijn woorden troffen Cha-kwena met de kracht van een speerworp. De pijn verblindde hem. Ademloos, met de heilige steen nog steeds in zijn hand, fluisterde hij: 'Nee, ik kan het niet geloven. Ga Ta-maya achterna als je denkt dat je dat doen moet. Als je haar vindt, zul je zien dat zij in veiligheid is. Intussen zal ik naar het dorp teruggaan. Ik zal het volk vertellen wat we hier gezien hebben en wat Sunam-tu ons gezegd heeft. Maar zolang één enkele heilige steen in handen is van een sjamaan van de Rode Wereld, is onze totem veilig! Wat er hier en in het Dorp van het Volk van de Blauwe Mesas ook gebeurd is, het was niet de schuld van Masau - dat kan gewoon niet.' Tlana-quah zag de jongeman ernstig aan. Alle wijze dingen die Hoyeh-tay me mijn leven lang verteld heeft, had ik ter harte moeten nemen, behalve toen hij jou Sjamaan noemde. Jij bent geen man met visie, Cha-kwena. Jij bent een blinde dwaas.'

— 3 —

Cha-kwena liep niet terug naar het dorp aan het Meer van Vele Zingende Vogels, hij holde. Hij rende als een wild dier en al die tijd renden de geesten van Hert, Prairiewolf, Haas en Konijn met hem mee. Muis snelde voort bij zijn hielen. Havik, Mus, Uil en Broeder Vleermuis vlogen mee boven zijn hoofd. En allemaal herhaalden ze de woorden van zijn hoofdman: Jij bent geen man met visie, Cha-kwena. Jij benteen blinde dwaas!

Hij versnelde zijn pas en zei steeds opnieuw tegen zichzelf dat Tlana-quah ongelijk had, dat ze zouden zien dat hij gelijk had wanneer ze Ta-maya en de handelaren inhaalden. Wat er ook in de Witte Heuvels en in de schaduw van de Blauwe Mesas gebeurd mocht zijn, het had niets van doen met de mannen van het Volk van de Wakende Ster. Anderen hadden de slachting aangericht.

Wat de dode mammoeten in het ravijn en het kamp van de noorderlingen betrof, misschien waren de mannen de mammoeten onverwacht tegen het lijf gelopen en waren de dieren van schrik tot de aanval overgegaan, zodat de mannen wel gedwongen waren geweest ze met speren te doorsteken. Misschien hadden ze een verbond met de geesten van de voorouders dat het vlees van de mammoet in zo'n situatie gegeten mocht worden. Het was de enige verklaring die Cha-kwena aannemelijk vond. Trouwens, hij wilde er helemaal niet over nadenken. De waarheid zou gauw genoeg bekend worden; dan zou vanzelf blijken dat zijn vertrouwen in Masau en de mannen van het noorden gerechtvaardigd was. Daarvan was hij overtuigd.

Hij rende sneller en hield alleen halt om te drinken of nu en dan op een reep gedroogd vlees te knabbelen. Gaandeweg begon het te schemeren. De invallende duisternis dwong hem halt te houden. Hij hurkte neer en dutte tot zijn ergste vermoeidheid voorbij was.

Hij begon weer te lopen onder het schijnsel van de sterrekinderen van de maan en kwam nu langzamer vooruit. Nachtwind stak op en porde zachtjes in zijn rug, als wilde hij hem aansporen.

'Het is donker,' zei hij tegen de wind. 'Ik heb niet genoeg zicht om me sneller voort te bewegen.'

'Gebruik je derde oog om je weg te vinden, Cha-kwena! Niet treuzelen, jongen, anders is Grote Geest weg bij de zoutbron als wij arriveren!'

Hij hield halt en draaide zich om om de nacht in te turen. Wie had er gesproken? Hij kreeg het plotseling koud. De geesten van het verleden waren overal om hem heen. Hoyeh-tay was bij hem. Uil zat hoog op het hoofd van de oude man. Cha-kwena kneep zijn ogen zo stijf dicht dat zijn oogleden er pijn van deden. Toen hij ze weer opende, waren de geesten verdwenen. Hij ging verder en was er niet zeker van wanneer hij precies van het vertrouwde pad naar het dorp van zijn volk was afgeraakt. Zonder dat hij het van plan was geweest, stevende hij recht op de zoutbron af.

Hij bleef weer staan om rond te kijken en fronste zijn voorhoofd. Het zou hem een uur of meer kosten om op zijn schreden terug te keren en het pad naar het dorp terug te vinden. Hij zuchtte. Het was erg laat, hij was moe en dorstig. Hij besloot bij de plassen beneden de zoutbron wat te drinken en een poosje te slapen. Hij betwijfelde of het langer dan een paar uur zou duren voor het dag werd. In het ochtendlicht kon hij via het ravijn omhoogklimmen en via het uitzichtpunt zijn weg naar het dorp vervolgen.

Hij bleef doorlopen, nu over stijgend terrein: een uitgestrekte steenachtige vlakte die blauw schemerde onder de sterren. De veeladerige arm van de rivier bevond zich links van hem, op bijna een halve kilometer afstand. Het water stond vrij hoog dankzij de lenteregens; hij hield van het koele, heldere ruisen ervan. Als hij dichterbij was geweest, zou hij pal naar het oosten zijn doorgestoken om zich bij een ondiepe plek op te frissen en daarna op de oever te slapen. Maar de kloof lag voor hem, zwart afstekend tegen de glinsterende kampvuren van de vele kinderen van de maan. Nachtwind suisde in de hoge dennen, ceders en loofbomen en hij kon de waterval horen en de be dwelmende geur van het woud ruiken.

Hij versnelde zijn pas en dacht met een tedere glimlach aan Hoyeh-tay terug. Hij had zijn nachtogen ontdekt; misschien zelfs zijn innerlijke oog, het derde oog waarover zijn grootvader hem had verteld, want al bewoog hij zich door bosland, hij nam lange, zekere stappen zonder zich te vergissen. Hoyeh-tay zou trots op hem zijn geweest.

Hij bevond zich nu diep in de kloof. Nachtwind snelde voor hem uit en draaide toen, waardopr de geur van de plassen hem bereikte, en die van varens en humus, van de eerste, tere groene bergakelei... en van iets anders, iets wat dood was. Cha-kwena hield halt. Ergens in het donker voor hem blies een mammoet, om zich vervolgens te verwijderen. De jongen luisterde en wachtte. Hij hoorde het geritsel van planten onder kolossale poten en het geluid van wijkende takken. Hij tuurde de nacht in en zag een donkere gedaante diepere schaduwen in schommelen. Daarna ving hij een glimp op van drie kleinere gedaanten die zich aan beide zijden van de grotere voortbewogen.

'De kudde...' Cha-kwena sprak de woorden zuchtend uit alsof hij een gebed aanhief. De vrouwen en kinderen van Grootvader van Alles liepen voor hem. Hij volgde ze zonder angst, hoewel hij fronste bij de nu onmiskenbare stank van rottend vlees. Hij schreeuwde niet toen hij het zag. Hij was te ontsteld om zelfs maar adem te halen. Het deels gevilde en geslachte lichaam van de kleine witte mammoet lag half ondergedompeld in de ondiepe wateren van de laagstgelegen plas, samen met dat van de grote grijze koe die eens zijn moeder was.

'Welke geschenken heb je voor Ysuna meegebracht uit de Rode Wereld?' vroeg Ta-maya, terwijl ze in het licht van de opkomende zon stond te kijken hoe Masau en de anderen een van de sleden begonnen af te laden.

'Zeldzame zaken,' antwoordde hij. 'Maliwal en ik brengen ze ten overstaan van ons hele volk naar Ysuna. Maar waarom blijf je daar staan kijken? Maak je klaar om Dochter van de Zon te ontmoeten. Kam je haar, vlecht er veren en kralen doorheen. En trek het kleed met de vele franjes aan. Ik zou niet willen dat Ysuna dacht dat ik een onwaardige bruid heb uitgekozen. Ik zal je gauw laten roepen.' Terwijl Ta-maya gehoorzaamde, overbrugden Masau, zijn broer en de andere jagers de korte afstand die hen scheidde van het kamp van het Volk van de Wakende Ster.

Ysuna kwam in haar ceremoniële kleding vanuit de zon aanlopen om de broers te begroeten. Haar volk week waar zij ging. Zelfs in Masaus dromen had ze er nooit mooier uitgezien. 'Eindelijk keren mijn zonen naar mij terug. Wat brengen jullie Dochter van de Zon?'

'Een bruid voor Donder in de Hemel!' antwoordde Maliwal in opperste geestdrift. 'Een heilige steen voor Haar Die Het Volk Leven Brengt! Nieuws over de verblijfplaats van de witte mammoet! En dit. Aanschouw de huid en het hart van zijn zoon!' Ze hief haar hoofd. Met het licht van de ochtendzon in haar rug tekende haar gestalte zich af tegen een zacht trillende aura van rood en goud. Uitdrukkingsloos keek ze toe hoe zij de huid afrolden en het hart erop legden.

'Ik heb deze kleine mammoet gedood toen de dorpsbewoners dachten dat ik op jacht was naar voedsel voor een huwelijksmaal!' zei Maliwal, terwijl hij trots naar zijn schat gebaarde. 'Ik heb zijn hart geroosterd in de hitte van vuren die met heilige salie zijn gevoed. Eet ervan en word krachtig, Ysuna!' Zijn hand tastte naar de zijkant van zijn gezicht. Het was gezwollen van hoop. 'En dan zul je iedereen laten zien dat je de macht bezit om mijn gezicht weer heel te maken!'

Ze taxeerde de bleke huid en het orgaan dat erop lag en blikte hem toen duister aan. 'Dat was een erg kleine mammoet, Maliwal.' 'Het is het witte zoontje van Grote Geest.' 'Dat is niet degene die ik zoek.'

'Het is het jong van de grote!' protesteerde hij gekwetst, hartstochtelijk verlangend om geloofd en gewaardeerd te worden. Masau nam Ysuna peinzend op. Haar gezicht stond strak. Met de stralende zon in haar rug waren haar gelaatstrekken gelijkmatig grijs. Zijn wenkbrauwen gingen omlaag. Zijn hart sloeg over van angst. Nooit had ze er mooier - en uitgeteerder - uitgezien. Er bevonden zich donkere holten onder haar ogen en lange schaduwen langs haar mond. Hij wist wanneer hij een zieke zag. Een ernstige zieke, de dood nabij. Zijn mond vertrok van afgrijzen. Hij kon haar ziekte ruiken. Zijn hart bonsde nu diep, regelmatig, met een vastberadenheid die steeds intenser werd. 'We hebben onze totem gezien, Ysuna. We zijn zo dicht bij hem geweest dat we zijn warme adem konden voelen en hem hadden kunnen aanraken als we dat gewild hadden. Hij is groot en machtig, hij is degene die je zoekt. We hadden hem voor je kunnen doden. Maar het bloed en het hart van de grote witte mammoet moet Ysuna zelf in bezit nemen. Ik weet waar je op hem kunt jagen en heb de speerpunten gemaakt waarmee hij gedood kan worden.'

Hij knielde. Langzaam, eerbiedig haalde hij de projectielpunten van wit chalcedoon uit hun foedraal van leeuwehuid. Er waren in totaal vier speerpunten, één voor elk van de Vier Winden. Elke speerpunt, die zo lang als zijn onderarm was, was ter bescherming in hertevel gewikkeld. In een mum van tijd lagen ze alle vier in het ochtendlicht te glanzen. Ysuna's adem stokte van verbazing toen hij de bleekste omhooghield en het zonlicht door de melkachtige substantie van de steen liet schijnen. 'Wanneer ik deze van een heft voorzien heb, zal de mammoet die jij zoekt weerloos zijn voor Dochter van de Zon.' Haar ogen sperden zich open. Ze verbleekte. Toen hij overeind kwam om haar de speerpunt te overhandigen, pakte zij die met beide handen aan en woog hem.

'Ik zal al mijn kracht nodig hebben als ik dit geschenk eer wil aandoen,' zei ze huiverend. Ze hijgde terwijl ze het projectiel aan hem teruggaf. 'Waar is de heilige steen die je voor me hebt meegebracht?'

Met een frons nam Masau hem van zijn hals en legde hem om de hare. Ze beefde, raakte de talisman met begerige vingers aan, legde haar handen er gekruist overheen en drukte hem tegen de gevlochten kraag die om haar schouders lag. Ze sloot haar ogen en ademde zoals een hitsige merrie dat doet na een zware achtervolging door een hengst: haar onderlip omlaag, de neusgaten wijd open en diep snuivend en sidderend bij elke nieuwe stoot energie. 'Ja, ik voel de kracht! Hij stroomt naar binnen, als was het warm bloed dat ik opzuig uit een levende prooi!'

Ze opende haar ogen en keek Masau recht aan. 'Waar is de bruid? Als ik op de grote, witte mammoet moet jagen en door zijn dood herboren word, moet er een offer plaatsvinden.' Masau had het gevoel dat iets monsterlijks zich omdraaide in zijn buik. Het wierp een schaduw over de zonnige ochtend en stak in zijn buik als de giftanden van een adder. Het vergiftigde het moment, bedierf het. Het offer... In zijn vreugde over de hereniging met Ysuna was hij Ta-maya even vergeten. Maliwal greep de gelegenheid aan om voor zijn broer te antwoorden. 'Ze is op de heuvel achter het kamp. Ze wacht tot je haar laat roepen!'

'Is ze volmaakt?' Ysuna vestigde haar blik op Masau. 'Ja,' antwoordde hij kalm. 'Ze is volmaakt.' 'Breng haar dan naar me toe,' beval Ysuna. 'Donder in de Hemel heeft al veel te lang op zijn bruid moeten wachten.'

Toen ze naar het kamp van het Volk van de Wakende Ster liep, met Chudeh links van haar en Tsana aan haar rechterkant, besefte Ta-maya dat ze nog nooit zo'n groot dorp had gezien, de rook van zoveel kookvuren had geroken of er zelfs maar een idee van had gehad dat er zoveel hutten op één plek bij elkaar konden staan. Zelfs bij de Grote Bijeenkomst kwamen alle stammen niet in één groot kamp samen. Elke stam vestigde zich op een apart stuk bos of open veld, tot de voet van de Blauwe Mesas bezaaid was met kleine dorpen. De lucht rook dan naar de hars van brandend dennehout en 's nachts zetten al de kookvuurtjes de heuvels in een gloed alsof ze met sterren getooid waren. Hier echter stonden de hutten als een vreemd hoog woud bij elkaar, zo ver het oog reikte. Er waren er honderden! En ze leken totaal niet op de keurige kleine hutten met ronde daken van haar volk. Het waren kegels van verschillende afmetingen - allemaal heel groot - met steunpalen die er aan de bovenkant uitstaken. Er was geen stengeltje riet op een ervan te zien. In plaats daarvan lagen er grote, goed gemaakte huiden overheen, met het vel naar buiten, en elke hut was in een wonderlijk vrijmoedige stijl beschilderd, met patronen van zwart, wit en vele heldere kleuren. Glimlachend dacht ze aan Kosar-eh. Wat zou de clown deze hutten mooi vinden! Het speet haar dat hij niet hier kon zijn om dit schouwspel met haar te delen. Heimwee zette een lichte domper op haar opwinding en vreugde over haar aanstaande huwelijksplechtigheid. Was mijn moeder maar hier! dacht ze. Wat was Ha-xa nu aan het doen? En U-wa? Was Mah-ree bij hen, of was ze in de weer met de dieren van de Rode Wereld, en wandelde ze met Cha-kwena en de jonge hondjes, bracht ze lekker eten naar de grote witte mammoet en gluurde ze door het riet naar de kudde en naar het witte zoontje van hun totem? Ze verlangde naar haar familie, naar de vertrouwde omgeving van haar dorp en naar de plagerige scherts van de oude weduwen, ja, zelfs naar Dakan-eh. Ze vroeg zich af of hij zich uiteindelijk verzoend had met de situatie. Ze hoopte het maar. Als ze hem bij de Grote Bijeenkomst weer ontmoette, zou ze proberen iets goed te maken en een speciaal geschenk voor hem en zijn nieuwe vrouw Ban-ya meebrengen. Ze was hun beiden excuses schuldig, iets waardoor ze zouden merken dat ze echt spijt had dat ze zo zelfzuchtig en ongevoelig ten aanzien van hun gevoelens geweest was.

'Vooruit, meisje, Ysuna wacht!'

De scherpe stem van Chudeh haalde haar uit haar mijmeringen. Ze waren nu dicht bij het dorp. Een enorme menigte mensen en honden had zich opgesteld aan beide zijden van de schedels met slagtanden en de stapels mammoetbeenderen waarmee de weg naar het hart van het complex was afgezet. Onder het lopen probeerde ze niet naar de beenderen te kijken of te bedenken dat ze bij een stam van mammoetjagers introuwde. Ze beet op haar lippen en besloot sterk te zijn. Dit waren knappe, grote en sterke mensen. Zelfs de honden leken verrukt te zijn dat ze haar zagen. Ze glimlachte toen de dorpsbewoners naar haar riepen. 'Welkom, Bruid!' 'Welkom!'

'Kom met blijdschap naar het Volk van de Wakende Ster!'

'We begroeten je met een gelukkig hart!'

'Kijk, de zon schijnt op de nieuwe bruid!'

'Welkom aan de nieuwe dochter van het Volk van de Wakende Ster!'

Het was onmogelijk om niet dankbaar te zijn voor de rumoerige ontvangst en er niet door ontroerd te worden. Moge de totem van mijn voorouders verheugd voor me zijn! Moge Grote Geest mij begrijpen en vergeven! Wat gedaan is kan niet ongedaan gemaakt worden! Ik wist niet dat de man die ik mijn hart wilde schenken een mammoeteter zou zijn. Ik heb ermee ingestemd zijn vrouw te worden. Ik zal bij hem leven. Ik zal zijn kinderen baren. Ik zal voor zijn volk een goede vrouw zijn. Maar ik wil niet van het vlees van mijn totem eten en evenmin zijn huiden of vlees aanraken of zijn bloed drinken. Dit zweer ik bij de heilige beenderen van Eerste Man en Eerste Vrouw! Dit beloof ik plechtig aan Grootvader van Alles, die Levenschenker voor mijn volk is!

Zwijgend liep ze tussen haar beide begeleiders. De kinderen van haar nieuwe stam wierpen salieblaadjes en donzige, schitterend gekleurde veertjes voor haar uit, en bezaaiden haar pad met geuren en dons dat rood, blauw, groen en geel was geverfd. Ze wandelde door een regen van geurige kleuren en over een tapijt dat haar aan lentebloesem deed denken. Ze glimlachte spontaan toen de opstekende ochtendwind enkele donsveertjes tegen haar aan blies. Ze bleven aan de franje van haar mooie nieuwe jurk vastzitten, kietelden haar gezicht, bleven in haar haren steken en vulden haar neusgaten met de zoete, bedwelmende geur van de paarsrode salieblaadjes waarmee ze zich vermengd hadden.

Voor haar uit eindigde het met beenderen afgezette pad bij een grote hut. Masau stond met Bloed en Maliwal naast zich voor de gesloten ingang. Een hoge paal stond vlak achter hen. Banieren van veren en botjes wapperden in top. Een vrouw stond tussen de broers in. Ze was de rijzigste, opmerkelijkst geklede en mooiste vrouw die Ta-maya ooit gezien had. Overweldigd door haar luister hapte het meisje naar adem. De priesteres stak haar handen uit en wenkte Ta-maya met een stralende glimlach naderbij.

'Kom, Bruid. Kom naar Ysuna. Kom naar Dochter van de Zon. Kom en verenig je met je nieuwe zuster en met het Volk van de Wakende Ster.'

— 4 —

Cha-kwena wist niet hoe lang hij al bij de plas zat. Verdoofd keek hij om zich heen. Het was halverwege de ochtend. Wat hij 's nachts niet had kunnen geloven en tijdens de ochtendschemer had betwijfeld, lag nog steeds voor hem.

Nu, in het volle licht van de zon, kon hij niet langer om de waarheid heen: de kleine witte mammoet was dood. De mannen van het Volk van de Wakende Ster hadden het jonge dier en zijn moeder gedood. Afgaande op de staat van ontbinding vermoedde hij dat de mannen hem gedood hadden toen ze voor het huwelijk waren gaan jagen. Twee gebroken speerschachten waren achtergebleven in het niet-geslachte karkas van de koe. Een gebarsten voorschacht stak uit de gevilde ribbenkast van het kalf. Hij herkende de kleuren en het snijwerk: één speer was van Tsana, de andere speer en de voorschacht waren van Mali-wal.

De jongen staarde ernaar, nam het allemaal in zich op en was eindelijk overtuigd. De ergste vermoedens van Hoyeh-tay waren uitgekomen. Leeuwen in mensengedaante waarden rond in de Rode Wereld, jagend op en zich voedend met het Volk en zijn totemdieren. Ze waren de kleine witte mammoet komen vermoorden op deze gewijde plek. Een plek waarvan ze nooit iets hadden geweten als een blinde dwaas Hoyeh-tays waarschuwingen niet had genegeerd en hun leider niet had getoond waar de kleine mammoet en zijn kolossale vader het makkelijkst overvallen konden worden. De leugens, het bedrog - hoe duidelijk waren ze hem nu!

Misschien had ik je hier niet naartoe moeten brengen. Hij hoorde vanuit het verleden de echo van zijn eigen stem. Cha-kwena keek recht omhoog naar het uitzichtpunt waar Mah-ree, Masairèn hij op hun knieën hadden gezeten. Hij zag Masau zoals hij hem die nacht had gezien: een leeuw in de huid van een adelaar, met het masker van een vleesetende vogel. Wat is er, mijn jonge broeder de sjamaan? Cha-kwena herinnerde zich Masaus vraag even duidelijk als zijn eigen defensieve antwoord. Ik heb geen broer.

En nu herinnerde hij zich de hypnotiserende donkere ogen die hem vanuit het zwarte masker van Masaus tatoeëring aankeken, en zag de brede, stralend witte, dwingende glimlach van de man weer voor zich. Rijst de Wakende Ster niet boven de Rode Wereld? Wandelt de grote witte mammoet niet in zijn licht? Is het Volk dan niet één? Zijn zij die het pad van de sjamaan bewandelen dan niet zowel door bloed als in de geest verenigd? Hoe moet ik je dan noemen, Cha-kwena? Net als die nacht stoof Westenwind het diepe ravijn binnen. Het was warm, het beloofde een gouden dag te worden. Cha-kwena rilde terwijl hij zich oprichtte. Tranen stroomden over zijn wangen, maar hij voelde ze niet. Verdoofd en leeg staarde hij naar de gevelde mammoet in de plas en sprak hardop tot de gemaskerde schim uit het verleden: 'Jij hebt dit gedaan, Masau. Je hebt mij verraden. Je hebt mijn grootvader vermoord. Je hebt Uil vermoord. Je hebt de kleine, witte mammoet en zijn moeder afgeslacht, net zoals je mijn volk in de Witte Heuvels en aan de andere kant van de Blauwe Mesas hebt afgeslacht. Je hebt Ta-maya weggelokt van allen die haar liefhebben. Niet omdat je wilde dat ze je vrouw was, maar als vlees voor de perversiteiten van hen die zichzelf het Volk van de Wakende Ster noemen. En wanneer je met haar klaar bent, kom je met je volk uit het noorden om op de grootste mammoet van alle te jagen en hem te doden.'

Hij vouwde zijn rechterhand om de heilige steen en richtte zijn blik nogmaals op het uitzichtpunt. Niet voor de eerste keer, maar wel voor de eerste keer als zodanig erkend, kwam er een visioen tot hem. Het was hetzelfde visioen dat hij veel eerder ervaren had: toen hij met de andere sjamanen op de heilige berg gezeten had.

Hij zag een adelaar hoog boven de Rode Wereld rondcirkelen. Hij zag Levenschenker en zijn gezinnetje voortsjokken over het land van zijn voorvaderen. Het witte zoontje was niet bij ze. Hij zag zichzelf als een bruin vogeltje met gele oogjes hoog op de rug van zijn totem meerijden.

Hij zag zichzelf opstijgen en zo hoog vliegen dat hij over de hele Rode Wereld en ver daarbuiten kon uitzien. Hij kon de vrouwen en de meisjes van zijn dorp zien, die tot hun knieën in het water van het Meer van Vele Zingende Vogels rijstgras en knollen verzamelden. Ta-maya was niet bij hen. Mah-ree keek omhoog en zwaaide toen de schaduw van de vleugels van de hoog zwevende adelaar over haar heen gleed. Maar in zijn visioen wendde Cha-kwena, nog altijd een vogel, zich af. Hij steeg op. Hij zwenkte. Hij dook. Opnieuw steeg hij op, achter de adelaar aan, totdat die niet hoger kon en nu om hem heen begon te cirkelen en hij er oog in oog mee kwam, snavel aan snavel met het mooiste, gevaarlijkste wezen dat hij ooit had gezien. 'Ben je niet bang, Cha-kwena?' daagde de adelaar hem uit. 'Ik ben niet bang,' antwoordde hij.

De adelaar bespotte hem met een vrouwelijke lach en veranderde toen, zoals alleen in een visioen kan gebeuren, in een klapekster, gemaskerd, met klauwen. De vogel spietste hem dwars door zijn hart aan een doorn in de vorm van een speer - een speer van bot met een punt van zwart obsidiaan. En nu hoorde hij in het visioen een mammoet in doodsnood wanhopig trompetteren bij het geluid van een blatende mammoetbaby die eenzaam stierf en om zijn moeder riep. Een moeder die hem niet van zijn pijn kog redden. Ergens voorbij de blauwe nevelen van zijn droombeeld huilde een vrouw. Hij wist dat het Lah-ri was en dat hij haar niet kon helpen; daarvoor was het te laat. Ze had haar weg gekozen en was net als Hoyeh-tay en Uil, en net als Shi-wana en Naquah-neh, op leeuwen gestuit en gestorven.

Het visioen verruimde zich. De wind droeg de geur aan van rook en vuur en verschroeid vlees... de stank van dood en vernietiging - de vernietiging van het Volk van de Witte Heuvels en het Volk van het dorp achter de Blauwe Mesas. Hij snakte naar adem, want het Volk van het Dorp van het Meer van Vele Zingende Vogels zou het volgende slachtoffer zijn. Hij zag zijn volk al dood, hun hutten verbrand. Hij zag hoe hun totem werd geslacht en teruggebracht tot een stapel bebloede botten waaraan de raven zich te goed deden. Het visioen sleurde hem mee, gaf hem toen een andere gedaante. Hij was niet langer een vogel, hij was Prairiewolf, Kleine Gele Wolf. Behoedzaam, wijs en snelvoetig leidde hij zijn troep door de Rode Wereld, niet weg van het gevaar, maar het gevaar tegemoet... erbovenuit.

Hert, Haas, Konijn en Muis renden vlak achter hem. Op de een of andere manier maakten ze allemaal deel van hem uit. Havik, Zwaluw, Broeder Vleermuis en Uil vlogen boven hem, en toch bekeek hij de wereld door hun ogen. Ten slotte zag hij zichzelf op het uitstekende klif. Leeuwen liepen rondjes in de diepte, uitdagend jankend en machteloos brullend omdat ze de hoogten niet konden beklimmen, wat ze ook probeerden. Het Volk, dat weer leefde, was bij hem op de rotspunt. Ze wierpen speren, stenen en met hete olie gevulde blazen naar beneden. Het visioen verdween even abrupt als het was gekomen. Cha-kwena bleef stil voor zich uitstaren. Hij was geschokt maar versterkt, herboren.

'Ik ben je broeder niet, Masau,' verklaarde hij hardop. 'Ik ben Cha-kwena, ik ben Havik, Uil, Hert, Haas, Muis, Konijn, Zwaluw en Vleermuis, en jawel, ik ben Adelaar. Ik ben Mammoet. Ik ben Prairiewolf! Ik ben Broeder van Alle Dieren en Hoeder van zowel de heilige steen als de totem van het Volk van de Rode Wereld. Ik ben je vijand, Masau. Als jij naar het zuiden komt, zal ik je weten te vinden en je uit dit land verdrijven. En als Ta-maya iets overkomt door jouw verraad, zal ik ervoor zorgen dat je sterft om wat jij en de jouwen als jullie opdracht hebben durven beschouwen. Ik ben Cha-kwena! Ik ben Sjamaan! En ik ben je vijand!'

Donder rommelde boven de verre plateaus, maar Masau hoorde het niet. Vanaf het middaguur had hij met Bloed buiten het dorp van zijn volk gelopen in een poging de diepe onvrede van zich af te schudden die hem had bevangen toen Ysuna Ta-maya omhelsde. Inmiddels zou de dochter van Tlana-quah wel in de hut van de priesteres zitten en in de macht van haar bekoring zijn. Nu ze was voorgesteld aan haar geestdriftige en invloedrijke nieuwe vriendin en naar alle schijn onschuldige vertrouwelinge, zou Ta-maya haar angsten voor zijn volk vergeten. Inmiddels zou alles wel klaar zijn om haar voor te bereiden op de dag van haar huwelijk... en haar dood.

De sjamaan van het Volk van de Wakende Ster banjerde lange tijd gespannen rond; hij hakte zijn hielen zo hard in de grond dat het bloed hem in de aderen bruiste en zijn adem hem in de keel bleef steken; hij siste woedend tussen zijn tanden. De hond keek bevreemd naar hem op. Masau besteedde geen aandacht aan het dier. Hij was zich alleen bewust van zijn eigen gekwelde gedachten.

De reinigingshut was al opgetrokken. Morgen zou de bouw van het grote podium beginnen. Nadat de rituelen in acht waren genomen, zou het meisje haar noodlot tegemoet gaan. Deze keer zou hij, niet Maliwal, zijryJichaam grijs schilderen, de huid van zijn totem aantrekken en voor de ogen van zijn bruid dansen. Deze keer zou Mystiek Krijger, niet de Wolf, het meisje het podium op lokken en de heilige dolk uit handen van een willig slachtoffer aannemen.

Zijn kaken verstrakten. Hij dacht na hoe hij haar zou doden - snel, zo snel dat ze geen pijn of angst zou hebben voor ze stierf. Hij zou niet aarzelen. Ditmaal zou de bruid rein naar de god gaan. Ditmaal zou alles goed gaan wanneer Ysuna at van het hart en dronk van het bloed van het offer: de jeugdige levenskracht van het meisje zou overgaan in de aderen van Dochter van de Zon. Ditmaal zou Zij Die Het Volk Leven Brengt tijdens haar dans in de huid van het slachtoffer worden herboren, en sterk en weer jong zijn.

Hij verlangde ernaar Ysuna weer jong, gezond en mooi te zien. En hij beefde van verzet tegen de vreemde pijn om de prijs die het hem kostte.

'Ta-maya.' Bij het uitspreken van haar naam liep het bitter hem in de mond. Zijn mond vertrok. Wat was ze mooi! Wat was ze vriendelijk, zorgzaam en grenzeloos van vertrouwen! Hij verachtte haar om dezelfde eigenschappen die haar tot een volmaakt offer maakten. Net als haar zuster Mah-ree en de jonge Cha-kwena maakte ze een weekheid in hem los waarvoor hij zich schaamde en die hem van streek maakte. Het lukte hem niet zijn gevoelens voor haar op een rijtje te krijgen. Hij wist alleen dat haar nabijheid hem verwarde en alles wat in zijn leven belangrijk was deed verbleken. Het was ongetwijfeld onder haar invloed dat hij Shateh had gered in plaats van hem te doden. De gedachte maakte hem nog altijd woedend. Het zou goed zijn als ze dood was. Het zou goed zijn als ze allemaal dood waren: al die argeloze, passieve hagediseters uit het zuiden, en al die compromis zoekende, voorouders bezoedelende bizoneters uit de vlakte... eerst en vooral zijn eigen vader. Pas dan zou hij opgelucht zijn en zich weer man voelen. Weer rommelde het in de bergen. Ditmaal staarde Masau in de richting van het geluid. Hij fronste zijn voorhoofd. Toen hij het dorp uit was gegaan, was de hemel helder geweest. Nu echter vormden zich wolken boven de zuidelijke bergketens - donkere wolken, zwanger van een woedende, opkomende storm. Zijn blik versomberde bij de herinnering aan de laatste woorden die Shateh tot hem gesproken had.

Sinds het begin der tijden gaat er een gezegde dat de boom die voor een storm buigt niet zal breken.

Hij herinnerde zich zijn antwoord en herhaalde: 'Er komt geen storm - tenzij ik die veroorzaak.'

Toch hoorde hij nu het grommende gebulder van een verre donder en zag hij hoe stormachtige wolken zich samenpakten aan de hemel. Opgejaagd door de wind namen ze vreemde gedaanten aan, de gedaanten van dieren en vogels... en van een jonge man die op hem afvloog met wijd uitgestrekte, gevleugelde armen en een gezicht dat was veranderd in dat van een prairiewolf. De stem van Cha-kwena bereikte hem van kilometers ver.

Ik zal ervoor zorgen dat je sterft om wat jij en de jouwen als jullie opdracht hebben durven beschouwen!

Naast de sjamaan keek Bloed verschrikt omhoog toen Klapekster - die zich dagenlang niet had laten zien - plotseling naar hen toe vloog en op de schouder van de sjamaan probeerde te landen.

Het gezicht van Masau verwrong zich tot een boosaardig masker. Hij greep de vogel en draaide hem met één ruk de nek om. Met een uitroep van minachting wierp hij hem op de grond en stampte hem met zijn hakken in het zand. Bloed deed een geschokte stap achteruit en liet zijn kop hangen. Geërgerd door de reactie van de hond riep Masau uit: 'De vogel kwam uit de Rode Wereld, net als het meisje. Zijn leven betekent niets voor me. Niets! Als de dochter van Tlana-quah dood is, zullen jij en ik Dochter van de Zon naar de witte mammoet begeleiden. Op die dag zullen de hagediseters sterven, zal het Volk van de Wakende Ster herboren worden en zal Ysuna van een eeuwigdurend leven verzekerd zijn.'

Opnieuw dreunde het geluid van donder over het land. Geschrokken besefte de sjamaan dat het helemaal geen donder was. In het dorp waren mannen bezig om de ceremoniële trommels op te stellen, en de trommelaars testten de klank van de trommelvellen. Terwijl Masau luisterde, daalde er verschrikkelijke duisternis over zijn hart - een duister dat even zwart en vol onheilspellende vormen was als de wolken boven de platte bergen. 'Kom,' zei hij ongeduldig tegen de hond. 'Vannacht zal Ysuna met Maliwal en mij willen beraadslagen. Voor het zover is wil ik in de heuvels een visioen zoeken.'

Hij liep verder. Het duurde even voor Masau besefte dat de hond niet naast hem liep. Hij keek over zijn schouder en zag Bloed naar het dorp draven. Hij had geen visioen nodig om te weten dat de hond recht op de hut van Ysuna afstevende. Als het kon, zou hij naar binnen glippen, en anders zou hij buiten een plekje zoeken waar hij dicht bij Ta-maya kon zijn. In de lange dagen en nachten van reizen door de Rode Wereld had Masau gemerkt dat Bloed een bepaalde genegenheid voor het meisje had opgevat. De hond had vaak naast haar gelopen en zich tegen haar rug aangevlijd als ze probeerde te slapen. Geërgerd fronste hij zijn wenkbrauwen. 'Het duurt niet lang meer voor het offer gebracht wordt,' zei hij tegen zichzelf met een blik op de wolken. Hoofdschuddend liep hij verder. 'Het meisje zal spoedig sterven. Wat mij betreft kan het niet snel genoeg achter de rug zijn.'

— 5 —

Het was bijna donker toen Cha-kwena de rand van het dorp bereikte. Mah-ree zat op een van de grote, met mos begroeide keien langs het pad naar de heuvels op hem te wachten. Een paar jonge hondjes lagen in haar schoot te slapen.

Haar glimlach verdween toen ze zag dat hij alleen was. 'Waar zijn de anderen?' vroeg ze.

'Ze zijn achter de mannen uit het noorden aan. Ze gaan proberen Ta-maya terug naar huis te halen.'

Haar ogen gingen wijd open. 'Maar waaromT Hij hield zijn pas niet in terwijl hij haar passeerde. 'Het is zoals Dakan-eh ons vertelde, Muskietje - alleen erger, veel erger.' Ze liet zich met de hondjes in haar armen van de kei afglijden en kwam naast hem lopen, te geschokt om te protesteren tegen de bijnaam. 'Ik begrijp het niet,' zei ze. 'Dat komt nog wel,' antwoordde hij haar. Toen ze een bocht in het pad omgingen en het dorp betraden, stonden ze plotseling tussen de mensen. Iemand riep om Dakan-eh.

Stoutmoedige Man verscheen onmiddellijk. Met veel vertoon schreed hij toe op de jonge sjamaan. 'Nou?' drong Dakan-eh aan. 'Waar zijn de anderen? Hadden Naquah-neh en Hia-shi van de Witte Heuvels iets goeds te zeggen over onze "broeders" uit het Land van de Wakende Ster... of waren ze er nog steeds en besloot Tlana-quah te blijven voor een vriendschappelijk bezoekje aan zijn "oude boezemvrienden"?' Cha-kwena vertrok geen spier. Een moment kwam het in hem op Dakan-eh te vragen wat hij hier deed, maar hij wist het antwoord al. Beseffend dat alleen de geesten van de voorouders wisten wat hem zou wachten in de andere dorpen, had Stoutmoedige Man, alvorens zich te wagen aan een volgende trektocht door het land, ervoor gekozen om te blijven plakken - zonder twijfel om te zien of de hoofdman zou terugkeren. Daarom antwoordde Cha-kwena hem vlak: 'Tlana-quah is met de anderen onderweg naar het noorden. Hij heeft geen vrienden gevonden in de Witte Heuvels. De mannen uit het noorden zijn daar ook geweest. Bij hun vertrek lieten ze Naquah-neh, Hia-shi en iedere man, iedere vrouw en ieder kind van het dorp dood achter - op één man na. Sunam-tu, oppasser van de sjamaan van de Witte Heuvels, vertelde ons wat er gebeurd is. Je hebt de waarheid gesproken, Dakan-eh, toen je ons vertelde over je ontdekking in het dorp aan de andere kant van de Blauwe Mesas. In de Witte Heuvels was hetzelfde aan de hand.' De erkenning van zijn gelijk ontlokte Dakan-eh een minachtend snuiven.

Het Volk was sprakeloos van ontzetting toen Cha-kwena hun de belangrijkste feiten vertelde. Hij sprak rustig, rechtuit, en liet alleen die details weg die de kinderen bang zouden maken en de vrouwen in paniek zouden brengen. Hij vertelde hun dat Tlana-quah en de anderen van plan waren om Ta-maya weg te halen bij mammoetetende leugenaars en moordenaars met wie geen dochter van de Rode Wereld ooit zou kunnen samenleven zonder de tradities van haar voorouders te bezoedelen. Cha-kwena koos ervoor geen melding te maken van het lot dat haar wachtte als de mannen van zijn stam niet in hun onderneming slaagden. Hij zei koel: 'De noorderlingen zijn van plan ons op het klif op te wachten wanneer de stammen van de Rode Wereld daar samenkomen onder het licht van de Maan van de Nootden. Ze hopen de heilige stenen van onze sjamanen te stelen. Als we ons tegen hen verzetten, zullen ze ons doden. Misschien zullen ze ons hoe dan ook doden voordat ze verder naar het zuiden trekken om de witte mammoet te zoeken. Wanneer ze onze totem vinden, zullen ze hem slachten, hem opeten en de Rode Wereld als hun bezit opeisen.'

Dakan-ehs hoofd ging omhoog. Nu Tlana-quah er niet was, trok hij het gezag naar zich toe met het aplomb van iemand die ervoor geboren was. Hij sprak alsof hij hoofdman was, en in feite was hij dat ook op dit moment, want niemand had de moed hem uit te dagen. 'In dat geval zullen we dit dorp verlaten,' verklaarde hij. 'We gaan naar de heuvels. Cha-kwena zal ons naar de geheime plek leiden waar de mammoeten komen, de plek die alleen sjamanen en onze totem kennen. Daar zullen de mannen van het noorden ons en de grote witte mammoet niet vinden.'

Naast Cha-kwena beet Mah-ree op haar onderlip. 'Ooo...' kreunde ze wanhopig terwijl ze opkeek naar Cha-kwena. 'Dat is niet meer zo. Wij hebben hem erheen gebracht. Hij weet waar het is...' 'Hij?' drong Dakan-eh aan.

'Masau,' antwoordde Cha-kwena. 'Hij is Sjamaan. Ik vertrouwde hem. Ik heb hem naar de geheime plek geleid waar onze totem en zijn soort schuilen als het stormt en waar ze drinken van de heilige plassen, die niet heilig meer zijn. Hij heeft mij en allen die hem Broeder noemden verraden. Hij en zij die aan zijn zijde lopen, hebben op die plek mammoeten geslacht.

De plassen zijn rood van het bloed van de kleine witte zoon van onze totem. Masau heeft bewezen dat mijn grootvader gelijk had: hij en zijn mannen zijn de Hemelbroeders. Ze zijn uit de Wakende Ster gekomen om het Volk van de Rode Wereld te vernietigen.'

De afschuwelijke woorden hingen zwaar in de lucht. Het Volk hapte naar adem, verpletterd door de onthullingen die op hen afkwamen.

'Dan gaan we naar het zuiden,' zei Dakan-eh. 'Jij, Mah-ree, hebt Grootvader van Alles dicht naar dit dorp gebracht om hem te laten eten van je geneeskrachtig voedsel. Nu moet je zorgen dat hij ons volgt wanneer wij deze plek verlaten.' Mah-ree zette weer grote ogen op. 'Ik heb geprobeerd hem te genezen, Dakan-eh, maar ik kan hem niet tot iets dwingen. Hij is Totem.'

Dakan-eh nam haar dit niet in dank af. 'Je probeert het maar!' beval hij.

Toen sprak Ha-xa als iemand die uit een boze droom ontwaakt. 'Sinds het begin der tijden woont ons volk al in dit dorp. We kunnen het niet verlaten. Tlana-quah zou nooit zo'n verhuizing overwegen!'

'Tlana-quah is niet hier,' wierp Dakan-eh tegen. 'Die zit achter Ta-maya aan, terwijl hij bij zijn volk moet zijn.' Ha-xa knipperde. Haar ogen fonkelden van verontwaardiging. 'Welke vader zou niet hetzelfde doen?'

Dakan-eh dacht even na, haalde toen zijn schouders op. Als er hier iemand is die in Tlana-quahs plaats wil spreken, laat hem dan naar voren komen. Zo niet, wel, ik ben Stoutmoedige Man en ik zeg jullie dat Ha-xa gelijk heeft: aan het begin der tijden kwamen de voorouders naar deze plek om aan de Hemelbroeders te ontsnappen. We kennen het verhaal allemaal. De oude Hoyeh-tay heeft het vaak genoeg verteld!' Hij leek te groeien met elk woord dat hij sprak. Zijn borst zette zich uit en zijn kin ging steeds verder omhoog, totdat zijn hoofd zo ver achteroverhing dat hij langs zijn neus omlaag moest kijken om zijn stamleden te kunnen aankijken. 'Nu hebben de Hemelbroeders de kinderen van Eerste Man en Eerste Vrouw ontdekt. Wat kunnen wij nu tegen hen beginnen? Jullie hebben allemaal hun speren gezien. Ik heb in elk geval geen zin om te sterven. We zullen dit dorp verlaten. De tijd is gekomen dat dit volk weer moet gaan trekken zoals Eerste Man en Eerste Vrouw. We zullen de Rode Wereld verlaten. We zullen aan de Hemelbroeders ontsnappen.'

'Nee,' wierp Cha-kwena tegen. Er klonk geen vijandigheid in zijn stem - alleen vermoeidheid en droefenis. 'Jij bent geen sjamaan, Dakan-eh. Met welk recht vertel jij de geschiedenis van het Volk? Ik, Cha-kwena, kleinzoon van Hoyeh-tay, ben de sjamaan van deze stam. Het bloed van generaties van magiërs stroomt door mijn aderen. Ik zeg je dat hoewel Eerste Man en Eerste Vrouw naar de Rode Wereld kwamen om te ontvluchten aan de Hemelbroeders, zij in het voetspoor van hun totem liepen. Ik vraag je: waar loopt de grote witte mammoettotem nu?'

Dakan-eh fronste, duidelijk geërgerd dat Cha-kwena zijn gezag ondermijnde. 'Hoe moet ik dat weten? Hij zal wel ergens zijn. Hij is altijd ergens!'

'Loopt hij de zon tegemoet?' vroeg Cha-kwena. 'Hij loopt op de oevers van het meer en in de heuvels,' antwoordde Mah-ree, 'en hij komt steeds met een boogje weer terug naar de heilige plek. Hij loopt voortdurend rondjes.' Toen voegde ze er schuldbewust aan toe: 'Hij heeft getrompetterd in de nacht en me in zijn dromen geroepen, maar ik ben te druk geweest met de jonge hondjes en Moeder Hond om er acht op te slaan.'

'Hij had jou niet nodig, lieverd.' U-wa troostte het meisje, alsof niet Ha-xa maar zij Mah-rees moeder was. 'Maar jullie hebben hem nodig gehad,' zei Cha-kwena, zich richtend tot allen die om hem heen stonden. 'Ook ik heb zijn getrompetter in de nacht gehoord en er geen acht op geslagen. Nu weet ik dat hij rouwde om zijn dode zoontje en diens moeder. Hij riep me naar de heilige plek, zodat ik met mijn eigen ogen het verraad van de mannen van het noorden kon zien. Als ik geluisterd en gehoorzaamd had, zou ik hem gevolgd zijn... het gezien hebben... Dan hadden we achter Ta-maya aan kunnen gaan en kunnen verhinderen dat de Hemelbroeders haar weghaalden uit de Rode Wereld. Misschien zouden we zelfs een manier gevonden hebben om de levens van het Volk van de Witte Heuvels te redden.'

Ha-xa kreunde en wankelde op haar benen.

U-wa omhelsde haar. 'Onze man zal Ta-maya terugbrengen.

Nietwaar, Cha-kwena?'

Dakan-ehs hoofd ging weer omlaag. 'Jouw man is hoofdman, U-wa, maar hij heeft geen oog voor zijn verantwoordelijkheden. Ik zeg dat we als we de zon niet volgen, het risico lopen te sterven. Net als het Volk van de Witte Heuvels en dat aan de andere kant van de Blauwe Mesas!'

Ban-ya, die bij haar moeder en grootmoeder stond, keek hem vol walging aan. 'Het is altijd zo makkelijk voor Stoutmoedige Man om weg te rennen,' beschuldigde ze nijdig. Hij verstijfde en staarde even nijdig terug. 'Wat valt er anders te doen? We zijn maar met weinigen. Zij zijn met velen. Hun wapens zijn magisch. De onze zijn...'

'Zolang er één enkele heilige steen in het bezit van de stammen van de Rode Wereld blijft, zal de kracht van de totem met ons zijn,' onderbrak Cha-kwena. 'Als we vluchten, wie zal dan de andere stammen waarschuwen? Zullen we, als we ervandoor gaan, in dat andere land niet de doodskreten van onze broeders en zusters horen en worden gekweld door hun geesten? Anders dan Dakan-eh beweert, zal onze vijand ons achternazitten, net zo zeker als een leeuw een vluchtende antilope achternazit!' 'Waarom zouden ze ons volgen?' vroeg Dakan-eh spottend. 'Wij zijn maar een kleine stam! Ze zullen veel eerder achter de heilige stenen van de anderen op het heilige klif aan gaan.' Cha-kwena's mond viel open. Het gemak waarmee Dakan-eh de levens van de andere stammen van de Rode Wereld afschreef, sloeg hem met stomheid. 'Het Volk van de Wakende Ster jaagt niet alleen op de heilige krachtstenen, maar ook op het vlees van onze totem,' stelde hij grimmig. 'Ze zullen hem zoeken en doden. En op die dag zal het hele Volk van de Rode Wereld sterven. Daarom zeg ik dat we boodschappers moeten sturen naar de andere stammen. Ik zeg dat we de hoofdmannen van het Volk van de Blauwe Hemel, het Volk van de Plek met Veel Riet, het Volk van het Dal van Vele Konijnen, het Volk van de Rode Heuvels en het Volk van de Bergen van Zand moeten alarmeren. Ik zeg dat we alle jagers van de Rode Wereld bij elkaar moeten roepen en ons moeten verzamelen op het heilig klif om de komst van het Volk van de Wakende Ster af te wachten. Niemand kan ons daar ongezien naderen. Als de stammen van de Rode Wereld samen weerstand bieden op het heilig klif, kunnen de Hemelbroeders niet winnen. En we zullen wel weerstand moeten bieden, want ik zeg jullie nu dat wat ik en Dakan-eh en Tlana-quah en zijn mannen hebben gezien bij het Volk van de Witte Heuvels en het dorp achter de Blauwe Mesas ons geen keus laat: we moeten hen weerstaan of sterven.'

'Maar Ta-maya en de anderen dan? We kunnen hun toch niet zomaar de rug toekeren?' De vraag kwam van Ban-ya. Cha-kwena keek haar verrast aan. De sporen van haar lange voettocht met Dakan-eh waren haar nog aan te zien. Ze oogde moe, mager, bijna broos. Maar haar gezicht stond zo oprecht bezorgd om haar vriendin en de afwezige stamleden dat hij niet anders kon dan trots zijn dat zo'n vrouw tot zijn volk behoorde. 'Als er een manier is om Ta-maya naar de stam terug te brengen, zal Tlana-quah die weten te vinden,' zei hij, en hij wilde dat hij zich zo zeker voelde als hij klonk. 'Natuurlijk!' viel Siwi-ni hem bij. Ze hield haar baby aan haar borst, terwijl haar andere zonen als een jeugdig bastion om haar heen stonden. 'Mijn Kosar-eh is bij hem! Onze clown mag dan het gebruik van één arm hebben verloren, maar geen man is dapperder of vindingrijker dan hij.'

Dakan-eh wierp de kleine, ouder wordende vrouw een verstoorde blik toe. 'Hij hoort hier bij jou en je zonen te zijn om zijn volk op te vrolijken in hun uur van nood, in plaats van achter de vrouw van een andere man aan te jagen!' Siwi-ni's ogen werden smalle spleetjes van boosheid terwijl ze even strijdlustig begon te kwetteren als het kleine vogeltje waarnaar ze genoemd was: 'In dit uur dat spreekt van dood en gevaar zou zelfs Kosar-eh zijn volk niet kunnen opvrolijken! En wat zouden zijn zonen van hun vader moeten denken als hij vluchtte, als hij zich gedroeg als een angstig konijn en een goed heenkomen zocht terwijl anderen moedig naast hun hoofdman bleven staan en hun leven riskeerden omwille van Ta-maya? Ze is niet alleen een kind van de hoofdman. Ze is ook een dochter van de stam! Haar vlees en bloed zijn het onze! Maar jij zult zoiets wel niet begrijpen, Dakan-eh. Jij bent niet langer Stoutmoedig Man. Jij bent Vluchtend Konijn! Jij kunt niet verder denken dan je eigen gekwetste trots.'

Dakan-ehs gezicht zwol van woede bij de onverwachte belediging. 'Het zal ze nooit lukken haar terug te brengen! Ze zullen allemaal sterven, net als de mensen in het dorp aan de andere kant van de Blauwe Mesas. Allemaal!'

Het gezicht van de kleine vrouw werd één rimpelige bal van verzet en trots. 'Dan zullen we hun dappere geesten in de wereld voorbij deze wereld eer brengen. Intussen zeg ik dat we naar onze sjamaan moeten luisteren, en niet naar iemand die liever de andere stammen van de Rode Wereld en de vrouw van wie hij ooit beweerde te houden, de rug toekeert.' Ze draaide zich van Dakan-eh af. 'Cha-kwena, wil jij dat we wachten tot Tlana-quah terugkeert voordat we vertrekken naar het heilig klif?'

De vraag was even raak als onverwacht. Hij kwam hard aan bij de jonge man. Zijn rechterhand ging omhoog en vouwde zich om de heilige steen. Hij sloot zijn ogen. Hij vroeg om een visioen. Dat kwam. Zijn lippen plooiden zich tot een glimlach, want hij was niet alleen. Hoyeh-tay was bij hem, en Uil zat op het hoofd van de oude man. Ze waren in de grot. Hij hoorde zichzelf duidelijk vragen: Maar hoe weet je hoe je de tekens moet begrijpen, Grootvader?

Omdat hij Sjamaan is, domme jongen, antwoordde Uil. Hoyeh-tay had de vogel genegeerd en Cha-kwena geadviseerd op zijn derde oog te vertrouwen. Dat zou hem leiden, hem ingeven hoe de dingen wel of niet zouden gaan. Hij had er bij zijn kleinzoon op aangedrongen om de gave van het innerlijk zien te accepteren, zelfs wanneer die iets toonde wat hij niet wilde zien of wanneer de consequenties onduidelijk waren. De oude man had gezwegen, had Cha-kwena recht aangekeken en gezegd: Jij bent nu Sjamaan.

De beelden van de grot, de uil en de dierbare oude man losten op. Het innerlijk oog opende zich wijd en haalden het visioen terug dat hij bij de plas had ervaren. Hij zag zichzelf op het klif.

De adelaar vloog boven hem. De stammen van de Rode Wereld stonden om hem heen. Ver beneden verzamelden zich honderden leeuwen. Ze kwamen uit het noorden... ze kwamen er al aan!

Hij opende zijn ogen en staarde recht voor zich uit. Toen hij sprak, was dat met een kalm gezag dat Dakan-ehs gebral van even tevoren tenietdeed. 'De mannen van het noorden zullen niet wachten op het rijzen van de Maan van de Nootden. We kunnen niet wachten tot Tlana-quah terugkomt. We moeten nu naar de Blauwe Mesas vertrekken.'

'Maar wat heb je gezien over mijn Ta-maya, kleinzoon van Hoyeh-tay?' Ha-xa was bijna in tranen van ongerustheid. Cha-kwena schudde zijn hoofd. Toen hij sprak, was dat met een ernst die zijn hart pijn deed. 'Ik heb niets gezien, Vrouw van Tlana-quah.' Hij zei het met afgewende blik, want de afwezigheid van een visioen omtrent Ta-maya leek een visioen op zich; een waarover hij maar liever niet nadacht.

Het was warm in de hut van de hogepriesteres. Een klein vuur gloeide in de holte van een grote stenen lamp. Ta-maya zat er dichtbij, naast de priesteres. De zojuist gearriveerde Bloed lag aan haar voeten. De lamp fascineerde haar. Ze had nog nooit zoiets gezien. De holte was gevuld met gesmolten talg, en de geur van de brandende pit van gedraaid mos was ongewoon maar aangenaam.

Het rommelde in de verre bergen. Hoog in een van de staanders van de hut klonken snelle muizepootjes. Ysuna, de hond en het meisje keken alle drie omhoog. De muis verdween. Ta-maya glimlachte weemoedig. 'Het zal gauw gaan regenen. Mijn moeder zei altijd dat muizen overdag op de loop gaan als ze onzeker zijn over de veiligheid van hun nest. En mijn kleine zusje zei dat...'

'Je moet mij maar als je zuster zien in de komende dagen, lieve.' Ta-maya zuchtte dankbaar. De moeder van Masau was zo aardig! Zo bezorgd! Ze kon zich bijna niet voorstellen dat ze bang was geweest haar te ontmoeten. Ze was nu al uren in de hut van de hogepriesteres, en hoewel bijna alles er van mammoethuid of mammoetbeen was gemaakt, was haar aanvankelijke walging verzacht door de respectvolle bejegening van de zorgzame vrouw. Andere vrouwen waren hen naar binnen gevolgd, met voedsel en pensen met warm water. Nadat Ysuna ze weg had gestuurd, had de vrouw gegeten van iets wat eruitzag als bloedrijk vlees. Ze had het Ta-maya aangeboden, maar had niet aangedrongen toen het meisje, dat instinctief wist dat het mammoetvlees was, had geweigerd. Toen ze haar portie op had, had de priesteres erop toegezien dat Ta-maya zich uitkleedde en haar lichaam en haar waste.

Als je niet wilt eten, moet je je baden. Het warme water zal je ontspannen na je lange reis. Wat ben je toch mooi en smetteloos. Masau heeft een goede keus gemaakt,' zei de priesteres. Ta-maya bloosde van plezier bij het compliment en voelde zich overstelpt door de zorg van de vrouw. Ysuna nam het op zich Ta-maya te assisteren met haar wasbeurt. Ze bevochtigde zachte doeken van herteleer en doopte die in een geurige pasta van de een of andere wortel, die wit schuimde in contact met water, als belletjes in een snelstromende beek. 'Hier, laat me je wassen alsof je mijn eigen dochter bent,' had Ysuna aangedrongen, en Ta-maya gaf zich dankbaar over aan de vriendschappelijke toenadering van de priesteres. Ysuna's lange vingers hadden de geurige pasta uitgewreven tot een schuimige massa op Ta-maya's hoofd. Ze had haar huid zo vaardig gemasseerd dat het meisje had gegiecheld en geprotesteerd dat ze in het niets zou oplossen als Ysuna ermee doorging. De priesteres glimlachte geduldig. 'Net als Masau ben ik Sjamaan. Je moet je overgeven aan mijn magische handelingen,' zei ze zacht. Haar getroetel ging door tot Ta-maya haar ogen sloot en wegdreef naar een zalige toestand van volledige ontspanning. De lange vingers van Dochter van de Zon sloegen geen plekje van haar lichaam over: ze streken over haar slanke armen en zachte borsten en masseerden haar rug en benen tot Ta-maya zuchtte van verrukking.

Toen knielde ze schoongeboend, met de hond aan haar zij, naakt voor de priesteres neer, zodat de vrouw haar haren kon kammen met een veelgetande, fraai bewerkte kam van geweihoorn. Ysuna was prachtig ondanks haar gevorderde leeftijd. Ta-maya voelde een droefheid opkomen, want Ysuna's lichaam gaf een onaangename doodsgeur af, die zich door geen enkel reukwerk liet wegmoffelen. Waarschijnlijk het gevolg van de een of andere sluipende ziekte, dacht Ta-maya. Haar hart ging uit naar de vrouw. Ze kon het niet nalaten haar toe te vertrouwen: 'O, Moeder van Masau, ik zal mijn best doen om je in alles te plezieren. Je bent zo goed voor me! Je herinnert me aan thuis. Ik mis mijn familie zo.'

'Natuurlijk, lieve, maar je moet maar zo denken dat je met mijn volk, mijn zoons en mij er een heel nieuwe familie bij hebt.' 'Daar ben ik heel dankbaar voor.'

'Je hoeft wat ons betreft niet dankbaar te zijn. Wij zijn al blij als je met een blij en gewillig hart naar ons toe komt, zodat je vol vreugde en verlangen je huwelijksdag zult ingaan.' Ta-maya keek blozend omlaag. 'Ik ben vol verlangen om Ma-saus vrouw te worden,' gaf ze toe.

'Hij is de volmaaktste aller mannen. En jijzelf bent zo te zien de volmaaktste jonge vrouw die er bestaat.'

'O nee, vast niet. Maar voor hem zal ik mijn uiterste best doen om dat te worden.'

Een vrouwenstem sprak de naam van de priesteres vanachter de gesloten deurhuid van de hut. Treed binnen,' riep Ysuna.

Een jong meisje gaf gehoor aan het bevel. Ze kwam op haar knieën de hut binnen. Zonder op te kijken naar Ta-maya of de priesteres legde ze een keurig opgevouwen lederen pakket op de met huid bedekte vloer. Toen schoof ze, nog steeds op haar knieën en met haar hoofd zo laag dat haar neus de grond raakte, zo snel ze kon naar buiten.

Ta-maya had nog nooit een dergelijke onderdanigheid gezien. Het bevreemdde haar. 'Kan ze niet lopen?' vroeg ze. 'Jawel hoor, lieve, ze kan lopen. Maar mijn aanwezigheid dwingt velen eerbied af. Mijn macht is groot.' Ta-maya hield haar hoofd scheef. 'Is ze bang voor je?' 'Ze kent mij niet zoals jij mij kent. Maar kom, laten we haar geschenk uitpakken. Ze heeft ons voedsel en drank gebracht.' 'Ik... ik wil je niet beledigen, maar zoals ik al zei: ik kan niet van het vlees van de mammoet eten.'

'Dat zal ik je dan ook niet vragen, lieve. Hier, kijk: een mals konijn, speciaal voor jou gevangen en gebraden. En hier is een flacon met een traditionele drank van mijn volk - het gegiste sap van kersen, bizonbessen, aalbessen, zeldzame wortels en paddenstoelen, gekruid met dennenhars. Neem maar een flinke slonk. Je zult merken dat het heel kalmerend is voor mond en bloed.'

Ta-maya nam een grote teug. En inderdaad ervaarde ze dat de drank kalmerend was voor mond en bloed... en voor de hersenen. 'O!' riep ze, plotseling licht in het hoofd, dik van tong en rood aanlopend. Ze kreeg een waas voor haar ogen. Ze knipperde. Ysuna leek voor haar te zweven. Een ongewone warmte verspreidde zich in haar lichaam en verdoofde haar mond. Ze likte langs haar lippen en was er niet zeker van of ze er nog wel waren. 'Ik... voel me... zo vreemd...'

Ysuna glimlachte. 'Ja, dat weet ik. Je wordt slaperig, je wilt liggen.'

'Ik... ja...' Met een zucht ging ze op haar zij liggen, sloeg een arm om Bloed heen en zonk weg in een diepe, bedwelmde slaap.

Ta-maya hoorde niet het lage, waarschuwende grommen van de hond, noch voelde ze de aanraking van de handen van de priesteres, die zich tastend toegang verschaften tot haar lichaam en haar maagdelijkheid controleerden. 'Grom niet naar me, Hond, of Masau zal al zijn helderziende vermogens nodig hebben om te weten wat er met je gebeurd is nadat ik je kop heb ingeslagen, je poten heb afgerukt en je aan je broeders heb opgevoerd!' Ysuna siste de woorden tussen haar tanden door.

Bloed stak zijn kop naar voren. Met trillende snuit liet hij zijn tanden zien.

Maar Ysuna was niet onder de indruk. Haar gezicht transformeerde zich tot een dreigend masker terwijl ze haar hoofd uitstak, haar tanden ontblootte en met een grom de hond deed terugdeinzen... zij het niet ver. Hij was nog steeds dicht genoeg bij Ta-maya om haar te verdedigen als dat nodig was. Ysuna trok haar wenkbrauwen ver omhoog. 'Je staat aan de kant van het offer, zie ik. Of heeft Masau je hierheen gestuurd om haar te bewaken? Dat is niet nodig. Ze is veilig. Nog wel.'

De hond legde zijn kop op zijn voorpoten en keek haar aan. Er was geen vertrouwen in zijn ogen te lezen. Ysuna staarde neer op Ta-maya. 'Zo jong...' Opnieuw siste ze de woorden, en terwijl ze haar duidelijk verouderende handen tussen de gladde smetteloze binnenkant van Ta-maya's dijen vandaan haalde, was haar gezicht opnieuw veranderd, ditmaal in een uitdrukking van jaloerse afkeer.

Haar eigen huid was ooit net zo glad, net zo smetteloos en net zo liefelijk, haar lichaam ooit even onvergelijkelijk, adembenemend jong en volmaakt geweest. 'Nu niet meer...' Ze rilde toen ze dat besefte. Terwijl ze overeind ging zitten, voelde ze de zeurende pijn in haar lendenen en de aanhoudende, zacht gloeiende koorts onder haar huid en oogleden. Toen ze diep inademde om zich te herstellen van haar angst voor de voortwoekerende ziekte, ving ze de vieze lucht van warm pus op. Het vloeide uit haar schoot sinds de laatste keer toen ze er maanbloed aan had onttrokken met de tastende punt van de heilige dolk. Ze verkrampte van weerzin. 'Ik zal weer jong worden!' De woorden waren een uitdrukking van pure frustratie. Bloed hief zijn kop. Zijn oren gingen naar achteren, zijn snuit schoot omhoog en zijn tanden blikkerden. Ysuna sloeg geen acht op het dier. Boos draaide ze het meisje op haar rug. Toen de hond opstond en opnieuw gromde, stak ze haar hand op en beval hem op gezaghebbende, onverschrokken toon te blijven waar hij was. Hij gehoorzaamde, maar elke haar van zijn rug stond overeind.

'Er overkomt haar niets. Ze is hiervoor geboren,' verzekerde de priesteres kalm, rustig, troostend, terwijl ze zich vooroverboog om haar te strelen. Haar handen dwaalden over Ta-maya's gezicht en keel, langs de rondingen van haar schouders en zijden, over haar buik, benen, armen en borsten. 'Zo gaaf... zo jong... zo mooi...'

Plotseling vertrok haar gezicht van haat en afgunst. Haar handen verkrampten zich om Ta-maya's borsten. Het meisje kreunde van de pijn. Ysuna's vingers kromden zich en knepen en wrongen toen wreed in het tere vlees. Ze glimlachte toen het meisje zuchtte en woelde in haar slaap, wakker wilde worden, aan de pijn probeerde te ontkomen.

De hond liet een fel geblaf horen en schoot toe om zich tussen het meisje en de priesteres te plaatsen.

Ysuna schoof verschrikt naar achteren. Ze keek de hond dreigend aan. 'Eén beweging, en het wordt de laatste die je ooit zult maken. Masau mag je dan Vriend noemen, ik doe dat niet. Ik zal je keel met mijn blote handen openscheuren.' Bloed gromde. Hij ging ter plekke liggen en staarde de vrouw aan alsof hij haar uitdaagde: Probeer het maar. Ik ben niet bang. Ysuna stond op. Ze keek neer op de hond en de dochter van Tlana-quah. Nooit had ze een volmaaktere jonge vrouw gezien. Nooit. Masau had een goede keus gedaan. Ze zoog op haar tanden. Zou hij aarzelen om de dolk toe te stoten als het zover was? Was zijn geest, net als die van de hond, geraakt en veranderd door dit uitgelezen offer van vlees en bot en bloed, dat hij over grote afstanden naar haar toe had gebracht? Haar lippen tuitten zich bedachtzaam. Hij had zich omgedraaid toen zij het meisje had omhelsd. Hij was het dorp uit gebeend alsof iets hem voortdreef. Haar ogen vernauwden zich. Spoedig zou hij terug zijn. Spoedig zou zij haar dienaressen roepen. Die zouden het slapende meisje naar de reinigingshut dragen. Ta-maya zou daar de nacht doorbrengen, alleen, bedwelmd en dromend van de domme, onbetekenende dingen waar meisjes al vanaf het begin der tijden van droomden. En terwijl het meisje sliep, zou Ysuna met haar zonen beraadslagen. Samen zouden ze de toekomst van het Volk van de Wakende Ster bepalen. Ze ademde diep uit en liet daarbij haar stembanden trillen; een laag, diep spinnen als van een leeuwin was het resultaat. Bloed legde zijn oren in zijn nek.

Ysuna negeerde het dier terwijl ze zachtjes het woord richtte tot de slapende Ta-maya. 'Je hebt vandaag niet alleen het bloed van bessen en dennen gedronken, liefje. Die flacon bevatte ook het bloed van de mammoet. Het zit nu in je. In de ogen van de god ben je nu een van ons.'

Voorbij de hut, voorbij het dorp en voorbij de weidse grasvlakte rommelde de donder boven verre bergen.

Ysuna luisterde gespannen. Het geluid bevestigde haar voornemen. Donder in de Hemel, de grote mammoetgeest die verscholen door onweerswolken in de wereld voorbij deze wereld wandelde, wachtte op zijn bruid.

Sidderend hief de priesteres haar hoofd, sloot haar ogen en fluisterde tot de totem van haar voorouders: 'Ja, ze is voor jou. Spoedig zal ze komen. Je zult ingenomen zijn met dit offer. Ze is de beste en volmaaktste van allemaal!'

De hond sloeg haar alert gade, zonder te knipperen. De vrouw rook naar gevaar en naar dood.

Ysuna opende haar ogen. Haar blik gleed langs de hond en bleef op het meisje rusten. 'Spoedig zal ik je bloed drinken. Spoedig zal ik je vlees eten. Spoedig zal ik in je huid dansen. En daarna zal ik weer bloeden, net als jij en alle andere jonge meisjes, in het ritme van de rijzende maan en zonder hulp van de heilige dolk. Spoedig zal ik weer gezond en sterk zijn. Masau zal naar mij kijken zoals ik hem naar jou heb zien kijken, want jouw kracht en jeugd en schoonheid zullen de mijne zijn. Spoedig zul je dood zijn en ik herboren. Dan zal mijn volk deze kampplaats verlaten en naar het land van de grote witte mammoet reizen. Wanneer ik hem vind, zal ik hem doden. Zijn macht zal de mijne zijn. En dan zal ik, anders dan jij, voor altijd leven!' Bloed gromde en grauwde en liet zijn tanden zien. Ze keek naar hem en grauwde terug. 'En op die dag zul jij sterven, Hond... als je dan nog leeft!'

— 6 —

Het Volk van Tlana-quah zond onmiddellijk boodschappers naar de verschillende dorpen van de Rode Wereld. Twee dagen later lieten de dorpelingen het Meer van Vele Zingende Vogels achter zich. Zwaarbepakt en hun bezittingen voortzeulend op sleden van hardhouten palen, keerden ze na een laatste blik op de nederzetting die generaties lang hun thuis was geweest, hun dorp de rug toe. Het was een toepasselijk naargeestige dag: grijs, vochtig en bewolkt. Donder rommelde aan de andere kant van de bergen. 'Het zal wel regenen op de Blauwe Mesas,' zei Dakan-eji met een frons.

'Het zal blijven regenen tot we de Hemelbroeders uit de Rode Wereld hebben verjaagd,' antwoordde Cha-kwena somber. 'En tot Tlana-quah terugkeert met Ta-maya en de anderen,' voegde Ha-xa er hoopvol aan toe. Cha-kwena knikte bleekjes.

'Hoe weet hij waar hij ons kan vinden wanneer hij terugkomt?' vroeg U-wa.

'Ons spoor zal makkelijk genoeg te volgen zijn,' antwoordde de sjamaan, dankbaar voor het optimisme van de vrouw. Geen van beiden had de geringste twijfel dat de hoofdman uit het noorden zou terugkeren. Hij wou dat hij hun rotsvaste vertrouwen kon delen. 'Kom,' zei hij. 'Het is nog een lange reis naar de heilige berg.'

Gekleed in Hoyeh-tays cape en hoofdtooi ging Cha-kwena zijn volk voor.

'Er zijn er te veel.'

Tlana-quah lag op zijn buik op de top van de heuvel. Kosar-eh lag rechts van hem, de andere vier mannen verspreid in een rechte lijn links van hem. Het kamp van het Volk van de Wakende Ster lag onder hen. De hoofdman wist dat hij niet de enige was die misselijk van angst was bij de aanblik. 'Ze zijn even talrijk als de zwarte vliegen die boven het moeras zweven - te veel om te tellen, te veel zelfs om je voor te stellen,' zei Ma-nuk met open mond van ontzag.

Tlana-quah wist dat het een waarheid was die niet te ontkennen viel. Zijn mond was droog, zijn buik gespannen en zijn handpalmen voelden aan als de huid van dode vis. 'Ergens daar beneden is Ta-maya,' sprak Kosar-eh tussen zijn tanden door.

Tlana-quah slikte moeilijk. Hij had gehoopt dat ze de reizigers zouden inhalen voordat die hun bestemming bereikten. Hij had gefantaseerd dat hij nog voor de ochtend het kamp in zou sluipen, een hand over Ta-maya's mond zou leggen terwijl ze in haar eentje onder de sterren sliep, haar dan op zijn schouder zou hijsen en haar wegdragen voor iemand hem in de gaten kreeg. Het was een al te mooie fantasie, dat had hij zelf ook geweten. Het lag meer voor de hand dat zijn dochter naast de sjamaan zou slapen, en met Masau aan haar zijde waren Tlana-quahs kansen om zijn dochter te ontvoeren minimaal... zo ze al bereid was om mee te komen. Trouwens, de mannen van het noorden hadden honden bij zich. Die zouden blaffen en grommen als een vreemde onuitgenodigd en onaangekondigd in hun midden verscheen.

Ma-nuk schudde zijn hoofd. 'Als Sunam-tu de waarheid sprak, zou Ta-maya al dood kunnen zijn.'

'Dat weten we niet!' zei Kosar-eh met klem.

Ma-nuk bleef zijn hoofd schudden. 'We kunnen niet zomaar dat kamp inlopen en haar opeisen.'

'Waarom niet?' vroeg Kosar-eh.

Tlana-quah keek de clown donker aan. 'Omdat ze zullen willen weten waarom we ze gevolgd zijn. Wat zeggen we dan? Dat we mijn dochter terugwillen omdat we haar zo vreselijk missen? Ze zouden ons nooit geloven. En als Ta-maya nog steeds geen idee heeft van hun bedoelingen, zal ze haar nieuwe man vast niet willen verlaten.'

Kosar-eh fronste diep en staarde met toegeknepen ogen recht voor zich uit. 'We zouden kunnen zeggen dat haar moeder ziek is, omdat de baby te vroeg geboren is. Of dat Mah-ree gewond is door de grote witte mammoet. Als Ta-maya nog leeft, zal ze zonder aarzelen met ons teruggaan.'

'En als ze dood is?' vroeg een van de andere jagers. 'Dan hebben we ons leven voor niets geriskeerd. Ze zouden ons doden, net zoals ze de mannen van de Witte Heuvels gedood hebben.' 'Ta-maya is dat risico wel waard,' antwoordde Kosar-eh. 'Als je leuk probeert te doen om ons op te vrolijken, dan slaag je daar niet in,' zei Tlana-quah koud. 'Betekent je leven dan niets voor je? Ben je vergeten dat je vrouw en kinderen hebt die in het dorp op je wachten? Ben je vergeten dat deze mannen van het noorden een spoor van dode mammoeten en dode mensen achter zich hebben gelaten? Onder welk voorwendsel we hun kamp ook betreden, ze zullen begrijpen dat we hen gevolgd zijn. Ze zullen begrijpen dat we de geslachte mammoeten en de gedode mannen en vrouwen van de Witte Heuvels gezien hebben. Ze zouden ons nooit levend uit hun kamp laten vertrekken.'

Kosar-eh draaide zijn hoofd naar hem toe. Hij richtte een vaste blik op Tlana-quah. 'Dat ben ik allemaal niet vergeten, Tlana-quah. Maar ben jij vergeten dat Ta-maya je eerstgeboren dochter is, dat jij Dappere Jager bent, Man Die In Zijn Eentje Jaguar Doodt, hoofdman van je stam... en dat deze mannen van het noorden je onteerd hebben?' 'Beter onteerd dan dood,' mompelde Ma-nuk. 'Laten we teruggaan,' zei de man naast hem. 'We kunnen hier niets voor Ta-maya doen. Kom, Tlana-quah, je hebt alles gedaan wat je kon. Je hebt nog een dochter, en in het dorp zitten twee zwangere vrouwen op je te wachten.' 'Ga dan,' tartte Kosar-eh. 'Ik blijf. Ik zal en moet weten hoe het met haar is. Als het even kan, zal ik haar bij hen weghalen.' 'Je zult het niet overleven,' waarschuwde Ma-nuk. 'Dan overleef ik het maar niet,' snauwde Kosar-eh. Met het heldere zonlicht op zijn cape van jaguarbont staarde Tlana-quah naar de verminkte clown en kreeg het koud van schaamte. De cape - niet de man - beschaamde hem. Die herinnerde hem aan een leven van leugens: aan een stervende oude jaguar, aan een eenzame, bange jonge jager die het dier besloop en die jubelde van vreugde toen hij zag dat er van het dier geen dreiging meer uitging. Toen pas wierp hij zijn speer en hurkte op veilige afstand, wachtend tot het dier zou sterven. Dappere Jager! dacht hij vol walging, terwijl het allemaal terugkwam: de lange uren van wachten, het ongeduld dat hem ertoe gebracht had nog een speer te werpen en net zo lang stenen naar de kop van het weerloze dier te gooien totdat zijn schedel een bloederige massa van verwoeste huid en gebroken bot was.

Man Die In Zijn Eentje Jaguar Doodt! dacht hij vol weerzin. Ja, hij had geen hulp gehad, hij was die nacht alleen geweest, maar dat was het enige dat waar was van het verhaal dat hij had opgedist. Hij zag weer hoe hij op zijn tenen dichterbij was gekomen - maar pas toen de jaguar zijn laatste adem had uitgeblazen. Hij had zijn speren verwijderd en ze toen keer op keer opnieuw geplaatst. Hij had het zo zorgvuldig gedaan dat een ervaren jager de verwondingen zou kunnen bekijken en ze als dodelijk zou betitelen.

Hij huiverde. Zijn schaamte was enorm, verpletterend, een last die even zwaar op hem drukte als de dode jaguar die warm en slap over zijn schouder had gelegen toen hij hem terugbracht naar het dorp en luid verkondigd had: 'Kijk! Ik ben Tlana-quah! Ik heb de grote gevlekte kat gedood! Nooit meer zal deze vleeseter een bedreiging vormen voor de vrouwen en kinderen van deze stam.' Drie manen later, toen de oude hoofdman was gestorven, was Tlana-quah in zijn plaats tot hoofdman benoemd. Niemand had zich ertegen verzet. Niemand was geschikter om het Volk te leiden dan Tlana-quah, Dappere Jager, Man Die In Zijn Eentje Jaguar Doodt!

Ma-nuk en de anderen lieten zich van de helling af glijden, weg van het kamp van het Volk van de Wakende Ster. Ze zouden naar de Rode Wereld teruggaan langs dezelfde route als ze gekomen waren. Alleen Kosar-eh bleef aan Tlana-quahs zijde. De hoofdman keek de clown met vaste blik aan, speurde vervolgens de helling en het kamp beneden af.

'We wachten hier tot het donker wordt,' besliste hij. 'Misschien krijgen we haar voor die tijd wel te zien. Zo niet, dan gaan we voor het dag wordt in het donker naar haar op zoek.'

'Het zal gevaarlijk zijn,' waarschuwde de clown.

'Is Kosar-eh bang?'

'Ja.'

Tlana-quah waardeerde de eerlijkheid van de man. Hij was zich bewust van de jaguarpels die warm tegen zijn huid lag. De pels rustte nu licht op hem, niet langer zwaar door het gewicht van de schaamte. 'Er gaat een gezegde dat angst een man wijs maakt. Dat angst een man voorzichtig maakt.' 'Bedoel je dat we met de anderen terug moeten gaan?' 'Nee. Niet zolang ik Ta-maya niet bij me heb... of het bloed van haar moordenaars aan mijn speren kleeft en mijn geest rust heeft in de wetenschap dat ze dood zijn. Ik mag de huid van het dier dat ik draag niet onteren.'

Kosar-eh knikte. 'Dat heb je vandaag ook niet gedaan,' zei hij. Tlana-quah antwoordde niet; sommige waarheden konden maar beter ongezegd blijven. Hij was hoofdman. Hij was Man Die In Zijn Eentje Jaguar Doodt. Nu was het tijd om zich de man te betonen die hij al die tijd had voorgegeven te zijn: een dapper jager, een groot jager, een jager stoutmoedig genoeg om zijn leven te riskeren in het belang van de stam.

De huid van de kleine witte mammoet lag uitgespreid op de vloer van de hut van de hogepriesteres. De speerpunten lagen erbovenop, elk in de richting van een der Vier Winden. Ysuna, Maliwal en Masau knielden neer naast de huid van het kalf. Ysuna was opgetogen. Haar gezicht straalde ervan. 'Goed werk,' zei ze zacht. 'Van jullie allebei.'

Maliwals hoofd ging trots omhoog. Hij keek recht in haar ogen; de pupillen waren enorm. Hij begreep dat ze flink had ingenomen van de ceremoniële drank die eerder Ta-maya gevloerd had. Het meisje was zo klein dat ze zelfs tegen een klein beetje ervan niet bestand was geweest; zo ging dat altijd met de bruiden. Ysuna had twee jonge vrouwen geroepen om het meisje de hut uit te dragen. Ta-maya had zo slap als een lijk in hun armen gelegen... en had er zo liefelijk uitgezien dat iedere man van de stam naar voren was gekomen om te genieten van de aanblik van haar die weldra vlees voor de god zou worden. Maliwals lendenen werden warm bij de herinnering. Op Ysu-na's uitnodiging had zowel hij als Masau de plaats van het meisje in de hut ingenomen. Zijn broer was juist in het dorp teruggekeerd. Hij was in een wrevelige stemming geweest, zo wrevelig dat toen zijn hond uit de reinigingshut waar Ta-maya naartoe was gebracht op hem af was gedraafd, hij Bloed had bevolen om bij hem vandaan te blijven. Ysuna daarentegen was uiterst tevreden geweest. Ze had hun de flacon aangeboden. Beiden hadden ze er flink van gedronken. Fors als ze waren, deed het brouwsel echter weinig meer dan hun bloed verhitten, hun kruis verwarmen en hun tongen losser maken. Hij voelde nu een sterke behoefte tot spreken. En dus drong Maliwal vrijmoedig aan: 'Genees me, Ysuna. Genees me nu. Tover de verminkingen van mijn gezicht voordat de bruid aan Donder in de Hemel wordt gegeven. Laat me als een gaaf man bij het offer assisteren, even smetteloos als de bruid.' Haar mond verstrakte. Haar ogen werden smalle spleetjes. Haar pupillen straalden behoedzaamheid en ergernis uit. 'Stel je mijn krachten nog steeds op de proef, Maliwal?' 'Nee, Ysuna! Ik vraag het juist omdat ik op je krachten vertrouw! En ook omdat ik weer heel wil zijn - een man van wie anderen zich niet walgend afwenden wanneer ik mijn wolvemantel afdoe en de plek waar eens mijn oor zat ontbloot!' De ogen van de priesteres bleven op Maliwals gezicht rusten. Ze glimlachte naar hem. Er lag warmte, genegenheid noch medelijden in haar uitdrukking. Ysuna's glimlach was de glimlach van een doezelende slang die opgerold op een rots ligt, de brede lippen dun en gesloten, de ogen vast en starend. 'Waarom maak je je zo druk om wat anderen denken, Maliwal? Ik kijk je aan en wend me niet af. Wat verlang je nog meer om je gelukkig te voelen?'

Hij slaakte een haperende zucht van teleurstelling. 'Ik heb mammoeten voor je gedood, Ysuna. Ik heb je heilige stenen gebracht en mannen en vrouwen gedood in jouw naam. Ik heb dit kalf gedood zodat je van zijn hart kunt eten en naar zijn huid kunt kijken en weten dat zijn vader leeft, dat je hem spoedig voor het grijpen hebt. Dat heb ik allemaal gedaan. Alles wat ik jou als dank vraag is een beetje magie, zodat mijn mannelijke trots wordt hersteld en...'

'Maar ik heb je mijn magie al gegeven, Maliwal. Dankzij mijn magie ben je nog in leven. Zonder mij zou je nooit een volwassen man geworden zijn, laat staan mannelijke trots hebben gekend! Je hoeft niet te vragen om wat je al hebt, Maliwal. Ben jij niet de Wolf van Ysuna? Door deze laatste tocht naar het zuiden heb je je waarde opnieuw getoond. Je bent niet langer bij mij uit de gratie. Jedittekens zijn in mijn ogen even mooi als het volmaakte gezicht en lichaam van je broer.' De vergelijking kwetste hem.

Masau was verlegen met de situatie. Hij sloeg zijn ogen neer en vermeed de blik van zijn broer.

Ysuna nam hen beiden op. De flacon van blaas lag in haar handen. Ze dronk, deed de stop van been er weer op en mikte de nu slappe, bijna lege fles op de mammoethuid voor hen. 'Drink, jullie allebei.'

Ze gehoorzaamden. Toen kwam ze traag overeind. Terwijl ze verrees, ontdeed ze haar gewaad van de riemen met de geklauwde uiteinden die het ophielden. Groot en trots stond ze voor hen. In de warme, bewegende schaduwen van de gesloten hut zag ze eruit als tevoren: jong en sterk en onvergelijkelijk mooi.

'Zoals de bruid in de reinigingshut haar huwelijksdag afwacht, zo moet ook Dochter van de Zon worden voorbereid voor het ritueel,' zei ze hees. Ze legde haar handen onder haar borsten en tilde ze op. Toen draaide ze zich om en begaf zich langzaam naar het brede, zachte matras van opgestapelde vachten en huiden dat haar bed vormde. Opnieuw draaide ze zich om en keek naar de broers. Ze knielde op het matras met haar knieën wijd uit elkaar, bewoog haar heupen en streek met haar handen over haar borsten. 'Kom tot Ysuna, jullie allebei. Kom, vul me met jullie jeugdige kracht. Vul me, nu. Vul me met leven, zoals ik jullie het leven heb gegund.'

— 7 —

Het werd nacht in het land van gras. Ta-maya werd wakker door het geluid van trommels en het geschreeuw van een vrouw. Het meisje kwam overeind op een elleboog, keek de door vuur verlichte kleine hut rond en vroeg zich af waar ze was. Ze stond op en sloeg een zachte beddevacht om haar naakte lichaam, liep toen de hut door en bleef staan bij de ingang. Ze deed het windscherm opzij en keek naar buiten.

Ze hield haar adem in. Vuren laaiden hoog op in het dorp. De trommels waren stilgevallen. De mensen waren verwikkeld in ontelbare ongewone bezigheden die er kennelijk op gericht waren een enorme structuur van botten op te bouwen. Mammoetbotten! Ze herkende ribben en poten en zag dat twee helften van een geweldige schedel met slagtanden, die op de een of andere manier was gespleten, met touwen en takels werd opgehesen naar een platform van glimmende witte dijbeenderen en gepolijste bekkenbotten.

'Ga de hut in, Bruid. Dit is niet voor jouw ogen bestemd.' Ta-maya knipperde. Een meisje van haar eigen leeftijd had haar toegesproken. Ze blokkeerde welbewust Ta-maya's uitzicht op het dorp.

'Alsjeblieft,' smeekte het meisje. Ze was mooi, maar haar gezicht stond vertrokken van angst toen Bloed grommend opkeek van zijn plek bij de ingang. Doodsbenauwd dat de hond haar zou aanvallen als ze ook maar een stap dichterbij zou doen, zei ze: 'Je moet weer naar binnen, Bruid. Ysuna snijdt me de keel af als ze weet dat je het podium gezien hebt.' 'Zoiets zou Ysuna nooit doen!'

Alsjeblieft, Bruid, roep de hond terug en ga de hut weer in. Je moet nog wat drinken van het dromensap dat de priesteres voor je achtergelaten heeft. En zeg haar alsjeblieft niet dat je iets gezien hebt!'

Opnieuw klonk het geschreeuw van een vrouw. De kreet kwam van de hut van Ysuna. Ze herkende de stem van de priesteres. Het was een hoge gil van pijn, maar op de een of andere manier klonk er gelach doorheen, samen met gekreun en de koortsachtige, woeste kreten van een orgasme, die vervolgens plaats maakten voor een langgerekt gejammer. Nog nooit in haar leven had Ta-maya een menselijk wezen zulke geluiden horen maken. Door het hele dorp heen hadden de mensen hun werk onderbroken om te luisteren. Ze mompelden met elkaar terwijl het geschreeuw aanhield.

'Alsjeblieft...' fluisterde het meisje. 'Ga alsjeblieft de hut weer in.'

Maar Ta-maya stond aan de grond genageld. Het gegil ging door - nu eens kreten van pijn, dan weer kakelend gelach, dan weer wild, laaiend gebrul. Ze was zo verbijsterd dat ze naar Ysuna toe zou zijn gelopen als het meisje niet de woede van de hond had geriskeerd door haar arm te grijpen en haar tegen te houden.

'Dom kind, blijf staan! Ze is niet alleen! Herken jij dan niet de kreten van een paring als je ze hoort?' 'Paring? Ze schreeuwt het uit van de pijn, niet van genot!' 'Pijn en genot zijn hetzelfde voor Dochter van de Zon!' verklaarde het meisje heftig, terwijl ze probeerde Ta-maya om te draaien en de hut in te duwen.

Bloed kwam overeind. De vuren van het dorp weerspiegelden zich in zijn ogen. Wijselijk liet het meisje Ta-maya's arm los en deed een stap achteruit. Bloed bleef grommen, met zijn kop naar beneden, zijn staart tussen zijn benen en zijn haren recht overeind op zijn rug.

Ta-maya legde haar hand geruststellend op de kop van het dier. Haar aanraking kalmeerde hem onmiddellijk. Ze was opgelucht. Hij had haar evenveel schrik aangejaagd als het meisje. 'Alsjeblieft, Bruid, ga de hut weer in voordat iemand je ziet.' Ta-maya staarde voor zich uit en voelde zich ineens koud worden. Waar ze stond kon ze de hut van de hogepriesteres zien... en de naakte man die eruit tevoorschijn kwam: zijn haar golfde als een lange, soepele, zwarte mantel langs zijn rug naar beneden.

'Masau?' Ze stond op haar benen te trillen terwijl ze zijn naam sprak. 'Heeft hij zich met zijn eigen moeder verenigd?' Het meisje naast haar beefde. 'Ja, en Maliwal is nog bij haar. Masau en zijn broer zijn meer dan zonen voor haar; ze zijn het leven zelf.'

Hij had haar gezien en kwam met grote passen naar haar toe. In een paar tellen stond hij voor de meisjes, zijn lichaam gespannen, zijn gezicht woedend.

'Wat heeft ze gezien?' vroeg hij aan het meisje van zijn stam. Ze kon nauwelijks een woord uitbrengen. 'Ik... ik... het is mijn schuld niet. Het gegil van Dochter van de Zon wekte haar en ik... ik...'

'Ga uit mijn ogen.' Hij klonk dreigend en bevelend tegelijk. Het meisje rende weg.

Verdoofd en rillend keek Ta-maya naar hem op. Zijn gezicht stond strak en zijn ogen waren donker van woede toen hij een hand op haar schouder legde en haar zonder een woord de hut in voerde. Hij leidde haar naar haar bed van vachten. Ze knielde erop neer met haar rug naar hem toe en staarde het duister in. Tranen liepen over haar wangen. 'Ik begrijp het niet,' sprak ze bibberig. 'Bij mijn volk is het verboden - ondenkbaar - dat een...'

'Het Volk van de Wakende Ster is nu je volk, Ta-maya.' Hij was achter haar neergeknield. Hij stak zijn hand uit om haar naar zich toe te draaien, tilde toen met zachte hand haar kin op, zodat ze hem aankeek. 'Kijk naar me, Bruid. Wat zie je?' Ze slikte. In het donkere interieur van de hut zag ze een beschaduwd gezicht... gemaskerde perfectie... de man van wie ze hield, en niettemin een vreemde, iemand uit een andere wereld. 'Ik zie een man die ik niet erg goed ken.'

Zijn hand streelde haar gezicht. 'Ik noem Ysuna Moeder,' vertelde hij rustig. 'Maliwal en ik hebben ons leven aan haar te danken. Maar in feite is haar vlees niet mijn vlees. De vrouw die ons op de wereld zette, stierf vele manen voor een van ons oud genoeg was om haar naam te zeggen. Ysuna ontfermde zich over ons toen we verstoten waren door onze eigen stam en door Shateh, de vader wiens leven mij niets waard is en die ik niettemin redde toen we bij het Bizonvolk waren.' Ze staarde hem aan. Ze was verbaasd, opgelucht, verward en gekwetst. 'Word ik dan je tweede vrouw, na Ysuna?' vroeg ze met een klein stemmetje. 'Jij wordt niemands tweede vrouw, Ta-maya.' Zijn stem had een hardheid die haar alarmeerde toen hij rustig maar vurig zei: 'Ooit was ze net zo jong als jij, en even mooi en gaaf. Nu zie ik haar onder mijn ogen oud en ziek worden. Ik heb het gevoel dat haar hart vervuld is van angst voor de dood, zoals het mijne overloopt van verlangen om haar haar jeugd en haar levenskracht terug te geven. Kun je dat begrijpen, Ta-maya?'

Ze knikte. Ze kon het begrijpen. Ze begreep het. Haar ogen zochten de zijne. 'Ik ben heel jong. Jij hebt heel wat meer manen gezien dan ik. Maar op een dag, wanneer jij oud wordt, zal mijn hart overlopen van angst voor jouw dood, en dan zal er niets zijn wat ik niet voor je zou willen doen... net zomin als er iets is wat ik nu niet voor je zou willen doen.' Hij verstrakte, zuchtte haperend en keek haar aan.

Toen besefte ze voor het eerst dat ze even naakt was als hij. Het bloed schoot naar haar wangen; ze was dankbaar voor het schemerduister toen hij zijn handen uitstrekte... haar beroerde... de contouren van haar lichaam volgde... en haar achteroverlegde. Met bonzend hart keek ze naar hem op. Ze kon zien dat de boosheid uit zijn gezicht was verdwenen. In plaats daarvan zag ze nu droefheid. Ze nam zijn hand, bracht zijn vingers naar haar lippen en kuste ze. Ze proefde hun zoutige smaak op haar tong.

Zijn verandering was ogenblikkelijk. 'Ta-maya, je maakt het een man niet gemakkelijk.'

Ze glimlachte. Nu zou hij haar nemen. Nu zou hij zich met haar verenigen. Ze verlangde naar hem. Ze was klaar voor hem. Toch maakte hij geen aanstalten. Hij trok zijn hand terug en liet zijn vingertoppen langzaam over haar lichaam glijden. Haar huid sidderde onder zijn aanraking. Geen enkele man had haar ooit gestreeld zoals Masau haar nu streelde. Zijn hand gleed nu met lange, zekere, tedere gebaren over haar lijf. Ze beefde. Haar lichaam gloeide en klopte en bewoog op innerlijke ritmes die ze niet begreep. Toen hij zich daarop vooroverboog om haar te kussen, was dat niet op haar lippen, maar op haar voorhoofd en wangen en haar oorlelletjes, en toen in haar hals en op haar borsten en buik. Ze hapte naar adem toen hij haar dijen opende en zachtjes met zijn tong bij haar binnenging, er proefde van de liefelijke warmte van haar maagdelijkheid en haar in vuur en vlam zette, zodat ze met een kreet van verrassing haar rug kromde en zich voor hem opende, juist toen hij zich terugtrok. Hij zat op en staarde op haar neer terwijl zijn hand zijn trage, wonderbaarlijke verkenningen hervatte. De toppen van zijn vingers zochten en vonden, bewogen en tastten, namen haar mee in een wilde, solistische dans van hartstocht, tot ze achterover viel, bezweet en trillend, overspoeld door sensaties die ze nooit had ervaren of zelfs maar had vermoed. Hij bleef haar aanzien. 'Nu heb je tenminste het genot van een vrouw gekend voor je bruid wordt, Kleintje,' zei hij schor, en reikte toen naar de flacon die naast haar beddevachten stond. 'Hier, drink maar flink, en ga dan slapen. Droom van alles wat je hart vreugde geeft en je doet glimlachen.' 'Ik zal van jou dromen,' zei ze hem, terwijl ze overeind ging zitten en een flinke slok nam uit de flacon die hij haar voorhield. 'Wanneer Ysuna morgen naar je toe komt om het reinigingsritueel te beginnen, moet je maar niets zeggen van wat er tussen ons is voorgevallen, of van wat je hebt gehoord toen... je buiten stond,' zei hij, terwijl hij haar achteroverhielp en de zachte slaapvachten over haar heen legde. 'Je bent nog steeds maagd. Donder in de Hemel zal zijn genot niet ontgaan, zoals ik je nu achterlaat en afstand doe van het mijne.'

Nadat hij haar had verlaten, bleef Masau lange tijd buiten de reinigingshut staan. Bloed sloeg hem gade vanaf de stelling die de hond naast de ingang had betrokken. Masau was zich ervan bewust dat de ogen van het dier op hem rustten; de man gaf geen blijk van herkenning, noch maakte hij een vriendschappelijk gebaar. Bloed had partij gekozen voor Ta-maya. Masaus mondhoeken gingen omlaag. Het zou niet lang meer duren of de hond hoefde zich niet meer druk om haar te maken. Het kamp was een en al vuur en leven. De bouw van het podium zou op tijd voltooid zijn. Mannen waren er druk mee in de weer, terwijl vrouwen botten en hout door het dorp aansleepten om twee grote vuren te maken die, als het zover was, aan weerskanten van het podium zouden branden. De bewaarders van de dondertrommels hadden de enorme, met huid bespannen hoepels van gebogen wilgehout opgetild en ze aan palen van mammoetbeen opgehangen, boven zorgvuldig beheerste vuren; de hitte van het gloeiende houtskool onttrok heel langzaam het vocht aan de huiden. Nu en dan sloeg een man met een met huid omzwachtelde trommelstok op het vel om de resonantie te testen. Het geluid was diep en doordringend. Masau schrok ervan, evenals van het luide gegrom van een man die tot seksuele ontlading kwam in de hut van Dochter van de Zon. Dus Maliwal was nog steeds bij Ysuna, concludeerde de sjamaan.

Masau fronste en schudde zijn hoofd. Hoe hield zijn broer het zo lang bij haar uit? Misschien hoopte Maliwal dat als hij maar vaak genoeg in haar kwam, zij zo tevreden zou zijn over zijn prestatie dat ze zijn gezicht beter zou maken. Masau perste zijn lippen tegen zijn tanden. Een verschrikkelijke bitterheid overviel hem. Ysuna zou zijn broer niet genezen. Hoe zou ze ook kunnen. Ze had niet eens genoeg kracht om zichzelf te genezen! Hoewel ze er niet over praatte en het zeker zou ontkennen, hoewel ze zich als een dolle tegen de waarheid verzette terwijl ze zich opende voor haar zonen en hun gebood haar met hun jeugdige kracht te vullen, en het uitgilde van de pijn terwijl haar zonen haar penetreerden, vervulde de stank van de gruwelijke waarheid haar hut en had hem eruit verdreven. De duisternis en de welriekende rook en oliën waren er niet in geslaagd die stank te verdoezelen. Zij die eens mooi was geweest, zij die eens onkwetsbaar leek voor de aanslagen van ouderdom en ziekte, riekte nu naar beide. Door de stank van Ysuna's lichaam was hij vol walging teruggedeinsd. Schrompelend en niet in staat de strijd af te maken, had zijn orgaan zich teruggetrokken en hij had niets anders weten te doen dan voorgeven dat hij zelf ook ziek was. Ysuna was stervende, en hij was ervan overtuigd dat hij met haar zou sterven. Zo kwam het dat hij nu bewegingloos in het donker stond - rouwend om haar, om zichzelf en om het argeloze, vertrouwende schepseltje in de hut achter hem. Het aanraken van haar jonge, gezonde lichaam had hem op de een of andere manier gekalmeerd en gereinigd. Ta-maya's nabijheid had hem eraan herinnerd dat hij jong en sterk en viriel was, en jaren verwijderd van het vleselijk bederf dat bezig was de vrouw te verwoesten aan wie hij zijn leven dankte.

Hij klemde zijn kaken op elkaar. Wanneer alle heilige stenen op de heilige berg waren, wanneer de grote witte mammoet was geveld en zijn vlees en bloed waren gegeten door Dochter van de Zon en het Volk van de Wakende Ster, pas dan zou Ysuna genezen worden... getransformeerd... weer jong en sterk: een vrouw die naast hem op leeuwen zou jagen... die zo geurig en fris als een zomerochtend onder hem zou liggen. Hij sloot zijn ogen en toverde beelden uit het verleden voor zijn geestesoog - beelden van de vrouw die tegen de wil van haar stam was ingegaan om het leven van twee kleine jongetjes te redden... de vrouw die hen had bemind en gekoesterd toen hun eigen volk hen had veroordeeld tot vlees voor uitgehongerde roofdieren in een eindeloze winter. Hij had aan Ysuna zijn leven te danken.

Hij opende zijn ogen. Hoewel hij als volwassen man in het kamp stond, verkilden de bittere winden van die lang voorbije winter hem tot in zijn diepste wezen.

Chudeh kwam naar hem toe lopen. Hij groette hem op de traditionele wijze en zei: 'Het werk aan het podium vordert goed. Wanneer de ochtendster morgen aan de horizon staat, is alles klaar.'

'Goed zo,' antwoordde Masau, en hij probeerde niet te denken aan het tere, vertrouwende hart en soepele lichaam van Ta-maya toen hij eraan toevoegde: 'Het offer kan niet snel genoeg gebracht worden.'

'Cha-kwena!'

Hij bleef doodstil staan. Wie had er geroepen? Hij draaide zich om en speurde de weg af die hij en de anderen achter zich hadden gelaten. De nacht had nog niet zijn duisterste punt bereikt, en de sterren schenen heel helder. Het melkwitte pad in het nachtelijk uitspansel waarlangs de geesten van de voorouders zich van het ene lugubere sterverlichte kamp naar het andere begaven, was een rivier van licht waaronder zijn volk achter hem voortploeterde. Ze liepen in stilte, mistroostig naar de grond kijkend als vermoeide landverhuizers die beseften dat ze geen andere keus hadden dan door te gaan en hebben besloten om niet te klagen.

Ze hadden een grote afstand afgelegd sinds ze het dorp hadden verlaten. Hoewel ze vaak rustten, hadden ze zoveel haast om de Blauwe Mesas te bereiken dat ze nergens een reiskamp opsloegen. Ze liepen zowel overdag als 's nachts - mits de maan scheen en het terrein het toestond - en droegen hun kleintjes en vervoerden de oude mensen op hun sleden wanneer die te uitgeput waren om verder te gaan.

De zachte, vertrouwde heuvels van thuis lagen nu ver achter hen: de met zwerfkeien bezaaide rotsen waar hagedissen zich warmden in de zomer; de geurige salievelden en de door de wind geplaagde drassige bieslanden; de diepe wateren van het Meer van Vele Zingende Vogels; de grazige helling waar de rozen groeiden; de grot van Hoyeh-tay; de donker beboste bergen die de geheime kloof van de sjamanen en de oude jeneverbes en de heilige bron verborgen... ze maakten allemaal deel uit van een wereld die ze in hart en geest met zich meedroegen. Bij elke stap die hen ervandaan voerde, dacht iedere man, iedere vrouw en ieder kind aan thuis en verlangde naar de dag waarop ze terug zouden keren.

Maar eerst moesten de Hemelbroeders teruggedreven worden naar de sterrenhemel waaruit ze op de een of andere manier op aarde waren neergeduikeld. Anders zou niemand van hen hun geboortegrond ooit weer terugzien.

Cha-kwena fronste. Wie had zijn naam geroepen? Zijn stamgenoten waren een flink stuk op hem achtergeraakt. Ze sloften voort, diep gebogen onder het gewicht van hun zware bepakking. Als het iemand van hen was geweest, dan liet die nu niet blijken wat hij wilde.

'Cha-kwena, Broeder der Dieren! Hoeder van de heilige steen en van de levensadem en harteklop van je totem! De zon verrijst in het oosten en verwarmt zijn huis in het vuur van de zuidenwind!'

Hij was perplex. De stem klonk naast hem - een diepe, mannelijke fluisterstem, krachtig en waarschuwend. Maar er stond niemand naast hem. 'Luister naar ons, Cha-kwena!'

Hij deinsde achteruit. Een tweede stem, die van een vrouw, sprak nu, van ergens heel dichtbij. Hij hapte naar adem. Zijn rechterhand schoot omhoog en drukte de heilige steen tegen zijn keel. De stem kwam van de talisman! 'Zoals de voorouders de opkomende zon tegemoet liepen, zo moet het Volk en hun totem dat nu ook doen. Luister naar ons, Cha-kwena! Wandel de zon tegemoet met Eerste Vrouw en Eerste Man! Je kunt de noordenwind niet weerstaan, en de westenwind spreekt slechts van dingen die voorbijgaan.' Zijn hart ging als een razende tekeer. In zijn handpalm leken de vormen van de heilige steen met zijn vlees te versmelten en in zijn geest het beeld van een man en een vrouw op te roepen. Gekleed in vreemde huiden bewogen ze zich door ijzige mist en over een afstand die zijn geest niet kon bevatten, in de richting van de opkomende zon. De Noordster stond hoog achter hen. Uil vloog voor hen uit. Hoyeh-tay liep aan hun zijde. 'Kom, Cha-kwena!' riep de oude man, terwijl vreemde en bekende dieren voor hem en voor Eerste Man en Eerste Vrouw uit sjokten, sprongen en renden. Er waren vreemde kleine antilopen met haakneuzen; vreemde rendieren met geweien die zo groot en vertakt waren als de takken van een door de wind geteisterde boom; grazende luiaarden, gaffelantilopen en kamelen; en mastodonten, leeuwen en springende katten met slagtanden als maansikkels. Hij herkende de logge gedaante en de dansende gang van het lederhuidige schepsel dat zijn volk Hoornneus noemde.

Zijn adem stokte toen hij vanuit de nevelen van zijn visioen een blauwogige hond zag lopen naast een mammoet zoals hij nog nooit had gezien. Hij was immens. Zijn slagtanden doorkliefden de mist en zijn harige lichaam zat onder het ijs. Toen hij trompetterde, verbrijzelde de klank van zijn stem het visioen van de sjamaan.

Het werd Cha-kwena koud om het hart. Hij begreep het niet. Vroegen Eerste Man en Eerste Vrouw en Hoyeh-tay hem terug te komen van de taak waartoe zijn eerdere visioen had opgeroepen? Hij en zijn volk waren al hoog en breed op weg naar het noorden. Als ze nu omkeerden en op de vlucht gingen voor de Hemelbroeders, zouden ze achtervolgd worden - opgejaagd en afgeslacht zoals het Volk van de Witte Heuvels was afgeslacht.

Verwarrende gedachten schoten door zijn hoofd, als de gevleugelde insekten die boven een zomerse poel zwermen. Het kon niet waar zijn! Het was vast zijn angst voor het onbekende die zijn gedachten naar het zuiden had gericht. Maar terwijl hij in de richting keek waarheen Eerste Man, Eerste Vrouw en Hoyeh-tay hem hadden geroepen, waren de bergen die nu tussen zijn volk en hun dierbare dorp bij het Meer van Vele Zingende Vogels stonden, als een grote zwarte, nietszeggende muur die naar de sterren oprees. Diep in de tomeloze duisternis van die bergrug bevonden zich de kloof, het uitzichtpunt, de waterval, de plassen, de heilige bron, de botten van de kleine witte mammoet en zijn moeder, en de grote witte mammoet zelf. Als het Volk van de Wakende Ster door de bergen naar de Rode Wereld kwam, zouden ze hem daar vinden. Ze zouden hem doden.

'Hoorde je hem, Cha-kwena?' vroeg Mah-ree. Het vermoeide meisje was naast hem komen staan. 'Ik hoorde... iets...'

'Grootvader van Alles wacht tot we uit het noorden terugkeren.'

Zijn hoofd ging omhoog; haar opmerking leek een boodschap te bevatten. 'Ja,' stemde hij in, beseffend dat zijn visioen wellicht toch hout sneed. 'Mah-ree, we moeten naar hem terug.' Hij voelde zich wat beter terwijl hij op haar neerkeek. Zelfs in het donker kon hij de uitputting op haar gezicht zien. De grote vrouwtjeshond, Wakende Ster, was zwaar beladen met zijbepakking en stond naast Mah-ree. Niettemin stond het meisje haast dubbelgebogen onder het gewicht van een rugbepakking die bijna even groot was als zijzelf. Vele kleine manden gevuld met haar persoonlijke bezittingen bungelden aan riemen die waren vastgemaakt aan het wilgehouten draagstel. Daaraan vastgesnoerd zaten diverse strak opgerolde biezen matten en antilopehuiden; een grote dekselmand viel op tussen dè andere, en een puppy slaagde erin zijn kopje door een van de kleine ventilatiegaten in het deksel te steken. De heldere nieuwsgierige oogjes van het diertje stonden vol sterrelicht terwijl het Cha-kwena boven Mah-rees schouder uit aankeek. 'Draag je alle dertien pups?' vroeg hij ongelovig. 'Natuurlijk. Niemand anders wilde me helpen ze te dragen. Dakan-eh zei dat ze van het Land van de Wakende Ster komen en achtergelaten moeten worden. Maar dat zou ik nooit doen. Moet je hun moeder zien! Zie je hoe sterk ze is? Zie je hoe trots ze mijn lasten draagt? Wanneer de pups volwassen zijn, zullen ze de lasten van de stam dragen. En wanneer we naar de Blauwe Mesas reizen voor de notenoogst, zullen alle stammen ons benijden!'

Haar enthousiasme ergerde hem. Ze had gesproken alsof er niets veranderd was, alsof ze niet vluchtten voor hun leven. Hij wierp een verstoorde blik op de hond en herinnerde zich dat Masau het dier en zijn jongen op dezelfde dag aan de stam had geschonken als waarop de vreemdelingen Ta-maya mee hadden genomen om vlees te worden voor hun totem. Er was geen reden om aan te nemen dat hij dat niet zou doen. Maar Cha-kwena kon zichzelf er niet toe brengen haar dit te zeggen of haar een standje te geven voor het feit dat ze jonge hondjes had meegenomen. In plaats daarvan zei hij bars: 'Je draagt toch al te veel.'

Het gezicht van het meisje vertrok van verontwaardiging. 'Ha-xa en U-wa sjouwen allebei een baby mee. Ik draag spullen voor Ta-maya en voor mezelf. Mijn zuster zal ze nodig hebben wanneer we haar vinden.'

De woorden raakten hem diep in het hart. Als we haar vinden, dacht hij, terwijl hij zich omdraaide en weer voor zich uit keek. Het Grote Meer moest ergens verderop zijn. Hij kon het al ruiken. Was het maar weg, zoals eerst, zodat de weg naar de heilige berg open voor hen lag.

'Ruik je water?' Dakan-eh had hen ingehaald. De lange tocht leek hem geen moeite te hebben gekost. 'Ja.' Hij beantwoordde zijn eigen vraag. 'Ik ruik vochtige lucht. Bij de voorouders, dat is een groot meer! Het zal heel wat tijd kosten voor de hele stam eromheen is getrokken.' Hij keek Cha-kwena vuil aan. 'Doe een wens, Sjamaan! Jij hebt het water al eens naar het Grote Meer laten terugkeren. Als je bent wat je beweert te zijn, is het nu het moment om het te laten verdwijnen!' Na deze woorden verschikte hij zijn reisbepakking, die hij in één rol op zijn schouder meedroeg en liep door.

Vol walging zag Cha-kwena hem weglopen. Een plotseling weerlichten boven de Blauwe Mesas trok zijn aandacht, en ver weg, kilometers ver, hoorde hij het rommelen van de donder. Waar was Ta-maya nu? vroeg hij zich af. Hij voelde zich ziek van ellende. Waar waren Tlana-quah en Kosar-eh en de anderen? Aan de andere kant van de bergen, te ver weg om hen te helpen, zelfs als ik dat zou kunnen! Hij trilde van haat en frustratie.

'Je rilt, Cha-kwena. Heb je het koud?'

'Ja, Muskietje,' zei hij, en hij maakte de mand met hondjes los van haar rug en hing hem over zijn onderarm. Toen legde hij zijn arm om haar schouders en begon weer te lopen. 'Ik heb het inderdaad koud. Laten we verder gaan. We moeten nog een heel eind lopen en nog heel wat doen voor we de zon kunnen volgen om terug te gaan naar onze totem.' 'Denk je dat mijn vader, Kosar-eh en de anderen Ta-maya onderhand teruggevonden hebben, Cha-kwena?' vroeg ze zachtjes.

'Dat hoop ik met heel mijn hart, Muskiet je,' antwoordde hij. En toch, terwijl hij sprak, kromp hij ineen van een bang voorgevoel en wist hij op de een of andere manier dat dit nooit zou gebeuren.

Maliwals speer vloog als een stille, dodelijke havik door het duister. Tlana-quah gaf een schreeuw, hij was geraakt in zijn bovenarm voor hij zelfs maar in de gaten had dat hij werd beslopen.

Kosar-eh hoorde het hoge, dunne geluid van het wapen terwijl het hoog en een flink eind links van hem passeerde. Hij kon het pas thuisbrengen toen het met een doffe klap doel trof en Tlana-quahs kreet van pijn en schrik de nacht verscheurde - zo zeker als de speerpunt, die zowel de mantel van jaguarhuid als de spieren en het bot van de man die hem droeg had gescheurd. De clown bleef stil liggen, met ingehouden adem en dicht tegen de grond, verborgen in het hoge gras en de duisternis. Tlana-quah gorgelde en hoestte als een man die stikt in zijn eigen bloed. Een tweede speer suisde vlakbij door de lucht. Toen Kosar-eh hem ditmaal doel hoorde treffen, werd de kreet die de hoofdman ontsnapte niet gevolgd door een nieuwe inademing. Kosar-eh wachtte. Hoewel hij wist dat Tlana-quah dood was, voelde hij de onweerstaanbare behoefte om een manier te vinden om hem weer aan het ademen te krijgen. Maar Kosar-eh dorst zich niet te bewegen, zelfs niet te ademen. Ogenblikken gingen voorbij. Geluidloos ademde hij uit en toen weer in. Zijn hart bonkte zo luid dat hij zich afvroeg of de vleeseters het konden horen. Ze kwamen dichterbij. Hij kon ze duidelijk horen. Drie mannen, misschien vier. En honden! Hij verwenste zichzelf dat hij hen pas gehoord had toen de hoofdman werd aangevallen. Tlana-quah en hij waren heel voorzichtig geweest toen ze eindelijk begonnen waren aan hun langzame, zorgvuldige nadering van het slapende dorp aan de voet van de heuvel. Toen de mannen per ongeluk een weidevogel uit haar nest van gras en twijgen hadden opgeschrikt, waren de honden in het dorp beneden gaan blaffen. Tlana-quah en Kosar-eh waren onmiddellijk stokstijf blijven liggen, zo stil en geduldig als de nacht. Ze hadden gewacht tot de honden weer rustig waren geworden. Ten slotte hadden ze het weer aangedurfd om in beweging te komen en waren ze op hun buik centimeter voor centimeter de heuvel af gekropen. Ze waren er zo op gespitst geweest Ta-maya te redden dat ze niets merkten van de mannen die, vergezeld van hun gemuilkorfde honden, een omtrekkende beweging hadden gemaakt en hen van achteren benaderden. Hun geur en het geluid van hun voetstappen waren door de nachtwind naar achteren geblazen. Kosar-eh hoorde het gesuis van de derde speer niet, maar hij voelde de schok waarmee de speerpunt door de huid van zijn bovenarm sneed en zich recht in de grond naast hem boorde. Hij voelde geen pijn, maar zijn zintuigen schreeuwden het uit in een stille verwarring van verbazing, paniek en opluchting. Als de speerwerper iets verder naar rechts had gemikt, dan zou de speer zijn arm hebben gebroken en hem aan de grond hebben genageld. In feite had het projectiel alleen de huid en de bovenste spierlaag van zijn reeds onbruikbare arm beschadigd. Hij was gewond, maar niet ernstig; hij kon nog steeds aan een lot als dat van Tlana-quah ontkomen!

Hij hinnikte uitdagend en liet zich met een harde duw naar rechts de heuvel af rollen, sneller, steeds sneller, totdat hij - met een handigheid die vooral te danken was aan het grote gevaar waarin hij verkeerde - op exact het juiste moment de speren liet vallen die hij met zijn linkerhand tegen zijn lichaam aan had gehouden, met een sprong overeind stond en het halsoverkop op een lopen zette.

Een boze stem beval hem halt te houden. Toen zoefde een speer over zijn linkerschouder. Kosar-eh dook naar rechts, rende een paar stappen en dook toen naar links, waarbij hij zo laag bukte dat zijn knieën tegen zijn kin aan kwamen, terwijl hij doorrende in de hoop dat het golvende land en het hoge gras hem aan het zicht zouden onttrekken.

Misschien had hij het gered als ze de honden niet hadden losgelaten. De honden hadden hem in een mum van tijd te pakken. Razend van frustratie rolde Kosar-eh zich op tot een bal, waarop de honden uitvielen naar zijn rug en schouders, totdat zijn achtervolgers de beesten wegtrokken. 'Wie hebben we hier?'

Kosar-eh herkende de stem van Maliwal nog voordat de man hem bij zijn haren greep en hem vervolgens zo hard in zijn zij trapte dat hij even het bewustzijn verloor. Seconden later keek hij in het gezicht van de verminkte broer van Masau en drie van de mannen die met hem in de Rode Wereld waren geweest. Ze glimlachten boosaardig toen ze zagen dat hij hen herkende.

'Ik dacht al dat ik de stank van hagediseters rook toen de honden begonnen te blaffen,' zei de man die Tsana heette. Maliwal bromde geamuseerd. 'Wie had kunnen denken dat de clown mans genoeg zou zijn om ons te volgen, hm? Hoewel, we hebben allemaal gezien hoe hij naar haar keek. Hij had duidelijk een oogje op haar. Alsof een meisje als de eerstgeborene van de hoofdman ooit zou omkijken naar zo'n misbaksel. Waarom hebben ze je eigenlijk laten leven. Clown?' 'Om jou op een dag te doden als je haar iets hebt aangedaan!' Hij wist dat het dreigement zinloos was, maar het kon hem niet schelen. Hij probeerde op te staan. Ze lieten hem zijn gang gaan tot hij op zijn knieën zat. Toen lieten ze hem struikelen, zodat hij languit op de grond terechtkwam. 'Hij is grappig!' riep Tsana vals. 'De ander is dood,' deelde Chudeh mee. 'En zijn mantel?' vroeg Maliwal.

'Hier. Er zit een gat in, maar hij kan gemaakt worden als je hem nog steeds wilt,' antwoordde Ston.

Maliwal greep de jaguarhuid en hield hem voor Kosar-ehs neus. 'Herken je deze? Die is nu van mij. Wat zeg je daarvan, hè?'

Kosar-eh zei het hem zonder woorden. Hij stond op en spoog Maliwal in het gezicht.

Maliwal smeet hem op de grond en trapte hem zo hard in zijn buik dat de clown opnieuw het bewustzijn verloor.

Toen hij bijkwam, zag hij dat Maliwal Tlana-quahs mantel droeg en vergenoegd toekeek hoe hij zich omrolde en hevig begon te braken.

'De ochtend is niet ver weg meer,' merkte Chudeh op. 'Onze laatste kans om te rusten voor de ceremonie begint.' Maliwal bromde weer. 'Na de afgelopen uren met Ysuna heb ik wel behoefte aan rust - en aan een zweetbad. Maar eerst moeten we deze clown afhandelen.'

Kosar-eh was te zwak om zich te bewegen, maar toch probeerde hij op te staan, weg te komen. Toen Maliwal hem weer schopte, bleef hij stil liggen, en wachtte tot hij zou sterven. Hij dwong zichzelf om de dood als een man tegemoet te gaan, niet als een clown, zonder deze moordenaars reden tot lachen te geven. Ooit was ik een even stoutmoedige en sterke jager als Dakan-eh. Hij dacht aan zijn vrouw Siwi-ni en hun baby en aan Gah-ti en de andere jongens. Hij nam in stilte afscheid van hen. Vannacht zal jullie vader sterven, maar ik zal dapper sterven. En eerst zal ik Ta-maya proberen te waarschuwen - als ze nog leeft. Want als ik haar leven kan betalen met mijn dood, zal ik sterven met een lach op mijn lippen.

En dus brulde hij snel haar naam voordat iemand hem ervan kon weerhouden: 'Ta-maya! Pas op! Ze hebben je verraden! Ze hebben Tlana-quah gedood! Ze zullen jou doden! Vlucht zolang het...'

Nogmaals schopte Maliwal hem, en nog eens, en nog eens, totdat Kosar-eh verslapte en vooroverlag.

Hij wist niets meer, tot hij bijkwam op de top van de heuvel. Hij zat op de grond, met zijn handen achter zijn rug vastgebonden aan een of andere staak, zo vermoedde hij. Hij was gekneveld en zijn mond was zo te voelen volgepropt met brandnetels; de pijn was ondraaglijk, maar nog niet half zo erg als de pijn die van zijn zijde en buik opsteeg. Hij keek omlaag... naar de speer die hem aan de grond vastpinde. 'Dat zal je op je plek houden tot je sterft,' zei Maliwal, terwijl hij de schacht vastpakte en hem heen en weer wiebelde tot Kosar-eh heen en weer slingerde en het achter zijn knevel uitgilde van de pijn. 'Wat is er? Kun je de humor van de situatie niet inzien, Clown?' 'Maliwal,' drong Chudeh aan, 'dood hem nou, dan is het gebeurd.'

Door een waas van pijn probeerde Kosar-eh zich op de man te concentreren; hij wist niet of hij hem moest bedanken of vervloeken.

'Waarom?' vroeg de broer van Masau. 'Hij zal gauw genoeg doodgaan. Maar niet te gauw. Zie je waar ik mijn speer heb geplaatst? Laag tussen buik en kruis, een eindje van de grote ader. Voor het goed en wel dag is, zal hij maar al te graag willen sterven. En mocht het nog niet zover zijn, dan zal ik hem graag een handje helpen. Maar eerst moet hij het "vermaak" zien.'

— 8 —

De aarde trilde van het geluid van dondertrommels. De hele dag was de lucht vervuld van hun gedreun; maar in de reinigingshut sliep een bedwelmde Ta-maya als een roos en hoorde niets. Ze droomde van thuis en van de grote witte mammoet en glimlachte in haar slaap. In de zweethut van de mannen van de Wakende Ster waren Masau en Maliwal alleen.

Masau keek naar zijn broer over de grote stomende vuurkuil, waarin verhitte stenen roodachtig gloeiden in het schemerduister van de gesloten hut.

'Ysuna zal het niet op prijs stellen dat je je de gevlekte mantel van de hagediseter hebt toegeëigend.' 'Ze hoeft niet te weten waar hij vandaan komt.' 'Ysuna weet alles.'

'Waarom geeft ze me dan mijn gezicht niet terug, en zorgt ze niet dat mijn oor weer aan mijn hoofd vastgroeit? Er is niets ter wereld wat ik liever wil. Waarom doet ze dat niet?' 'Wanneer de heilige stenen van de Rode Wereld in haar bezit zijn en de grote witte mammoet dood is, zal ze je je zin geven. Dan heeft ze er de kracht voor.'

Maliwals ogen werden spleetjes. 'Als dat zo is, moet je wanneer het offer het podium bestijgt niet aarzelen om te doen wat gedaan moet worden.' 'Ik zal niet aarzelen.'

'Ze is zeldzaam, deze bruid. Je wilt haar voor jezelf. Ik kan het aan je zien.'

Masau gaf geen commentaar. Hij stak zijn hand uit en tilde de waterschep op die was gemaakt van de schedel van het laatste offer, dompelde hem in de grote waterbak van mammoethuid en gooide het water op de stenen. Ze sisten en stoomden boosaardig. Hij staarde in de dampen terwijl hij met halfgesloten ogen de gehalveerde schedel op zijn hand woog. Er was niets van zijn gezicht af te lezen. 'Wanneer we weer samen in deze hut zitten, zal ik de schedel van de nieuwe bruid in mijn hand hebben, en het zal me niets meer doen dan deze.' Hij slingerde de schedel zo hard in de vuurkuil dat hij barstte toen hij op de stenen terechtkwam. 'Het meisje betekent niets voor me. Dochter van de Zon heeft het bloed en het vlees van dit offer nodig. Met eigen handen zal ik deze bruid aan Donder in de Hemel aanbieden. En met vreugde in mijn hart zal ik toezien hoe zij aan wie ik mijn leven te danken heb in haar huid danst!'

De hele dag zat Shateh van het Bizonvolk in zijn eentje te luisteren naar het geluid van de dondertrommels, dat door de droge, koele opstekende noordenwind werd meegevoerd. De nacht ervoor, nadat hij vuren had zien branden op een verre berg, hadden zijn vrouwen hem vlees gebracht, maar hij wilde niet eten. Zijn kinderen hadden hem water gebracht, maar hij wilde niet drinken. Zijn volk en de stamoudsten sloegen hem stil en bezwaard gade. Ze zeiden niets. Hun bezorgde zuchten klonken als het gefluister van de opstekende wind. Toen de jongste van zijn vrouwen naderbij kwam en neerknielde om zijn mantel om zijn schouders te leggen, huiverde hij, verborg zijn gezicht in zijn handen en wilde niet opkijken, want zijn vrouw herinnerde hem aan de bruid die naar het noorden was gebracht en aan alle jonge meisjes die vóór haar naar Donder in de Hemel waren gegaan.

Na lange tijd kwam de vader van zijn tweede vrouw, samen met de andere mannen van zijn stam, naar hem toe. 'Spoedig zal er nog een gevangene sterven,' zei Vader van Tweede Vrouw.

De oudste jager van de stam nam het woord. 'Er komt een dag dat de trommels zullen klinken en wij ze niet zullen horen omdat het Volk van de Wakende Ster zich tegen ons zal hebben gericht en een van onze dochters als voedsel voor Donder in de Hemel zal hebben meegenomen.'

'De twee jongere zonen die geboren werden uit je lang geleden overleden eerste vrouw eten mensenvlees, Shateh,' zei de eerstgeboren zoon van zijn tweede vrouw. 'Hoeveel stammen hebben ze nu al overvallen in hun eindeloze jacht op onschuldige slachtoffers? Hoeveel dorpen hebben we al verwoest gezien? Hoe lang zal het duren voor ze een nieuwe bron van vlees zoeken en op ons en onze dochters afkomen? We hebben allemaal de woorden gehoord die Masau vlak voor zijn vertrek tegen je sprak. Zijn dreigement was duidelijk.'

'We zijn met velen,' zei Oudste Jager. 'Misschien niet met zovelen als het Volk van de Wakende Ster, maar we zijn sterk en niet bang. Zij die eens uit onze stam zijn gezet, zouden niet als leeuwen mogen leven terwijl wij werkeloos toezien dat zij de krachten der Schepping beledigen.' Shateh keek op. 'Wat zeg je?'

'Je nodigde Masau en Maliwal uit zich bij ons te voegen. In plaats daarvan gaven ze af op jou en op onze tradities. Ze zijn niet langer je zonen, Shateh. Ze horen bij Ysuna. Het zijn krijgers van de Wakende Ster. Masau heeft gezworen ons allen te doden. Het wordt tijd dat Maliwal en hij eindelijk de dood sterven die ze reeds lang geleden hadden moeten sterven.' 'In oost en west, langs verre rivierovergangen en over ver verwijderde heuvels hebben stammen van ons volk met jou en de mannen van het Land van Gras over hen gesproken,' zei een andere zoon van Shateh. 'Zij zeiden dat wanneer het Volk van de Wakende Ster het laatste dorp van de hagediseters heeft verbrand, wanneer ze de laatste mammoet hebben opgegeten, ze zullen gaan jagen op het Bizonvolk, net zo lang tot wij en de dieren waarmee we ons voeden uitgeroeid zijn.'

Shatehs gezicht stond gespannen en hard. Met toegeknepen ogen staarde hij voor zich uit. 'Masau had mijn leven in zijn handen toen we samen aan de medicijnpaal hingen. Hij heeft mijn leven gered.'

'En als dank geef je hem onze levens wanneer we hem weer zien?' vroeg Oudste Jager. 'Er komt een dag dat je jezelf die vraag zult moeten stellen, Shateh.'

Shateh fronste zijn wenkbrauwen en schudde zijn hoofd. Hij kwam overeind en schraapte zijn keel. 'Ik heb ze gewaarschuwd. Ik heb ze dringend gezegd te buigen voor de komende storm, Ysuna en de gebruiken van het Volk van de Wakende Ster de rug toe te keren. Nu weerklinkt het land al weer van de dondertrommels. Morgen zal er weer een gevangene sterven. De dag waarvan je spreekt is nu aangebroken.' Hij kruiste zijn armen voor zijn borst en keek naar de mannen die om hem heen stonden. 'Jij en jij, ga naar de stammen in het westen. Vertel ze wat ik nu ga zeggen. We moeten allemaal onze speren opnemen. We moeten onszelf tot de storm maken die zich te weer stelt tegen hen die niet met de wind mee willen buigen.' Oudste Jager wendde zich naar het noorden, luisterde naar het getrommel en schudde spijtig zijn hoofd. 'Hun kamp is ver. Zal de gevangene sterven voor de storm over het land jaagt?'

Cha-kwena voelde zich opgelucht toen het Grote Meer eindelijk achter hen lag; het Volk had de oostelijke oever gerond en sloeg af naar het westen, richting Blauwe Mesas. Het beweeglijke oppervlak glinsterde goud in het licht van de ondergaande zon. Vanuit de noordelijke bergkammen daalde een krachtige wind op hen neer, die het water van het meer opzweepte en flinke golven op de oever deed stukslaan. Cha-kwena luisterde naar het ongebruikelijke geluid van de branding. Af en toe, wanneer de wind goed stond, hoorde hij het geluid van verre trommels.

'Het moet van de Blauwe Mesas af komen,' zei Mah-ree, die met een vermoeide blik in de verte keek. 'Nee, het getrommel komt van veel verder weg, vanachter de Mesas,' sprak Dakan-eh tegen.

'Ik heb nog nooit zulke trommels gehoord,' zei Ban-ya, in haar mantel van prairiewolvenhuid. 'Ze klinken als rollende donder, en dat bij heldere hemel.' Ze was bleek en haar ogen stonden star van uitputting. De lange tocht begon zijn sporen achter te laten. Sinds ze het dorp hadden verlaten, had ze slecht geslapen wanneer de stam halt hield voor een korte rust, en ze kon niet veel meer dan water binnenhouden.

De oude Kahm-ree keek naar haar en toen met een wantrouwige blik naar Stoutmoedige Man. 'We moeten maar weer eens rusten. Mijn Ban-ya is moe.' 'Ze is niet de enige.' U-wa zuchtte.

'Zeg, Stoutmoedige Man,' snauwde Kahm-ree. 'Je mag wel eens wat van Ban-ya's bepakking dragen.' 'Ze is mijn vrouw niet!' snauwde hij terug, en liep door. Cha-kwena schudde zijn hoofd om de botte houding van de man en verschikte zijn bepakking. De Blauwe Mesas lagen recht voor hen, maar van hieraf zou het heuvelop gaan, en het zou spoedig donker zijn. 'Laten we nog een klein eindje verder gaan. Voor ons ligt stijgend terrein. We zullen bij het invallen van de duisternis halt houden, eens goed slapen en morgen vroeg weer doorgaan.' Ban-ya stemde in met een vermoeide zucht. Cha-kwena probeerde haar bemoedigend toe te lachen; Ban-ya had geen klacht geuit over hoe ze zich voelde. Cha-kwena hoefde geen sjamaan te zijn om te vermoeden wat de oude Kahm-ree en de andere vrouwen al met vrij grote zekerheid wisten: dat Dakan-eh leven in haar had gestopt toen de twee alleen en weg van het dorp waren geweest. Als dat zo was, dan zou ze zich ellendig voelen of ze nu doorliep of uitrustte; hoe dan ook zou hij erop toezien dat ze wat meer probeerde te eten. 'Hier,' zei hij, en liep naar haar toe. 'Laat mij maar eens een poosje je last verlichten.'

Mah-ree fronste en hield hem jaloers in de gaten. Hij trok zich er niets van aan.

Ban-ya draaide zich om, zodat hij een rol of twee van haar bepakking af kon halen. Ze had haar mantel zo geschikt dat de kop van de prairiewolf achterover op de bovenste opgerolde mat lag. De wind keerde hem, zodat Cha-kwena ineens in het omgekeerde gezicht van Kleine Gele Wolf keek.

Kom, wandel de opkomende zon tegemoet, Cha-kwena. ]e kunt de noordenwind niet weerstaan. Grootvader van Alles wacht op je, en de westenwind spreekt slechts van dingen die voorbijgaan.

Geschrokken stapte hij achteruit. Kleine Gele Wolf was dood; dat was Dakan-ehs werk. Prariewolf kon niet hebben gesproken! Maar Cha-kwena was nu sjamaan, en hij wist dat Prairiewolf wel degelijk iets gezegd had.

'We moeten doorgaan,' antwoordde hij, terwijl hij de bovenste rol losmaakte. 'Het Volk van de vele dorpen van de Rode Wereld wacht op ons op de Blauwe Mesas. Daar zullen we veilig zijn. Van bovenaf kunnen we de krachten van de vele stammen bundelen om het Volk van de Wakende Ster te verhinderen over de heilige bergen de Rode Wereld binnen te komen!' Er is nog een andere toegang tot de Rode Wereld vanuit het noorden, zei Prairiewolf, maar net toen hij dat zei, draaide Ban-ya zich om en keek Cha-kwena zo bedroefd aan dat hij alleen haar vraag hoorde.

'Denk je dat we Ta-maya ooit nog terug zullen zien, Cha-kwena?'

'Natuurlijk!' kwam Mah-ree er onnodig heftig tussen. 'Tlana-quah en Kosar-eh brengen haar naar ons terug! Misschien zit ze ons nu al op de heilige berg op te wachten.'

Ta-maya werd wakker door het geluid van trommels en het lage, zachte geluid van een zingende vrouw. Ze schoot overeind, keek om zich heen, herkende waar ze was en zuchtte van teleurstelling.

'Wat is er, lieve?' vroeg Ysuna, die op haar knieën bij de kleine vuurkuil zat. Ze had een tang van wilgehout in haar hand en was bezig verhitte stenen te schikken op een bed van houtskool.

'Ik droomde van thuis. Ik dacht dat ik Kosar-eh, onze dorpsclown, naar me hoorde roepen.'

'Natuurlijk verlang je naar huis op een moment als dit, lieve. Kom, laat me eens een lachje zien. Ik heb een bijzonder geschenk voor je meegebracht.' Ysuna hield haar een verweerde dolk voor.

Ta-maya keek naar het kleinood op de handpalmen van de vrouw. Het was lang en fraai en gesneden uit been. Niettemin had de dolk de textuur van gepolijst steen, net als de heilige steen die ze eens om Hoyeh-tays nek had gezien. Hij zag er heel oud, heel kostbaar uit. 'Pak hem maar,' drong Ysuna aan. Ta-maya gehoorzaamde. Hij was zwaar. 'Hij is voor de bruid,' legde Ysuna uit. 'Zie je de figuren op het lemmet? Ja? Ze zijn moeilijk te onderscheiden, door de tijd vervaagd, lieve. Ze werden magisch ingekerfd in de dagen toen de bergen wandelden en het Volk van deze wereld één was. Raak de inscripties aan. Voel de kracht van de steen. Terwijl ik de heilige rook voor je zweetbad maak, moet je het lemmet baden in het zweet van je lichaam en het oppoetsen met je haar. Houd de dolk dicht tegen je huid tijdens de komende uren van reiniging. Laat hem je voelen en kennen. En dan, als het huwelijk plaatsvindt, moet je hem meebrengen naar Masau, als een geschenk voor degene aan wie je jezelf zult geven.' Ta-maya dacht dat ze begreep wat zo'n geschenk betekende. 'Als teken dat ik erin toestem dat hij een einde maakt aan mijn leven als maagd?'

Ysuna glimlachte. 'Precies,' zei ze, en het puntje van haar tong gleed langzaam langs de volle omtrek van haar brede mond. 'Als teken dat je erin toestemt dat hij een einde maakt aan je leven als maagd.'